12 juni 2016, in Kortrijk. Een twintigtal actievoerders van Grootouders voor het Klimaat, Extinction Rebellion en Greenpeace staat voor de deur van het House of Manufacturing, waar minister van Omgeving Jo Brouns (cd&v) halt houdt tijdens zijn “vergunningentour”. Op hun spandoek staat: “Minister van Volksvergiftiging”. Brouns wuift de beschuldiging weg, zonder op de inhoud in te gaan. Binnen de kortste keren reageert Bond Beter Leefmilieu: te scherp, te persoonlijk, dat soort taal polariseert en helpt niemand vooruit. Een al te herkenbare reflex uit deze hoek van de milieubeweging. Alleen, wie de pesticiden‑ en PFAS‑dossiers ook maar een beetje volgt, kan moeilijk ontkennen dat de actievoerders hier gewoon gelijk hebben.
De actievoerders vrezen vooral dat Vlaanderen na een veroordeling gewoon in beroep zal gaan, in plaats van de vervuiling bij de bron aan te pakken. Ze verwijten Brouns dat hij net een versoepeling van de vergunningverlening wil, in een dichtbevolkt land waar de bestaande regels vaak al niet gehandhaafd worden. Stoffen als triazolen en PFAS duiken steeds vaker op in het oppervlaktewater, goed voor de helft van ons drinkwater, met risico’s voor embryo’s en tal van organismen, en toch blijven ze toegelaten tot 2036. De bredere PFAS‑cijfers maken het plaatje niet vrolijker: tussen 2023 en 2024 steeg het aandeel metingen dat de Europese streefwaarde voor PFAS overschrijdt van 13 naar 25 procent. In Zwijndrecht, waar 3M decennialang PFOS loosde zonder dat omwonenden het wisten, loopt de bodemsanering nog altijd, en werden de blootstellingszones zelfs kleiner getekend. En N‑VA en CD&V stemden in het Europees Parlement recent nog mee voor de deregulering van stoffen als glyfosaat en PFAS.
Kortom, “Volksvergiftiging” is in de feiten “het nieuwe normaal”. Het raakt niet enkel mensen hier en nu, maar ook toekomstige generaties. De welvaartsstaat staat op “code rood”: haar ecologische basis wordt systematisch uitgehold. En voor sommige kwetsbare groepen is dat een kwestie van leven en dood: PFAS geldt bij dierproeven als “verdacht kankerverwekkend”, en worden bij mensen in verband gebracht met nier- en testiskanker, schade aan het immuunsysteem, verhoogde cholesterol en verminderde vruchtbaarheid. En de recente cijfers van oversterfte laten zien (1.222 extra overlijdens op amper twaalf dagen) wat er gebeurt wanneer buffers bij schokken.
Buffers die worden opgesoupeerd
Deze voorbeelden vertellen ons iets over hoe de welvaartsstaat en haar instituties vandaag met ecologie in brede zin omgaan. De welvaartsstaat is in de kern een machine om risico’s – vooral door marktwerking maar ook door ‘ongeluk’ – collectief op te vangen: ziekte, werkloosheid, ouderdom worden gespreid via herverdeling en verzekering in plaats van individueel gedragen. De Duitse socioloog Ulrich Beck voegde daar decennia geleden een ongemakkelijke observatie aan toe: moderne samenlevingen produceren zelf nieuwe risico’s, zoals chemische vervuiling en stralingsgevaar, die zich misschien niet helemaal volgens de oude klassenlijnen verdelen, maar wél systematisch harder neerkomen op wie toch al het minst beschermd is.
Ian Gough trekt die gedachte door naar het klimaatvraagstuk en spreekt van een ecologische crisis van de welvaartsstaat. De naoorlogse welvaartsstaat is gebouwd op de aanname van blijvende economische groei, die herverdeling financierde zonder dat er ooit om absolute planetaire grenzen gevochten moest worden. Die aanname houdt vandaag niet meer stand: de groei die sociale bescherming mogelijk maakte, vreet tegelijk de ecologische buffers aan waarvan die bescherming afhankelijk is.
Buffers zoals bodem, water en biodiversiteit zijn evengoed collectieve buffers als die van de sociale zekerheid. Een welvaartsstaat die ecologisch ernstig wil zijn, zal ze ook zo moeten behandelen: wie geen ecologische buffers beschermt en uitbreidt, stemt toe in beleid dat mensen ziek maakt. En precies die buffers worden in Vlaanderen stelselmatig opgesoupeerd: de bodem moet grote infrastructuurprojecten dragen, het water vangt vervuiling op, biodiversiteit is de stille rekening van vergunningen.
Toen het tijdelijke handelingskader voor “grondverzet”, relevant onder meer voor de Oosterweelwerf, werd vervangen door vrijblijvende richtwaarden – nadat de Raad van State het voorgaande kader al “ronduit slecht beleidswerk” had genoemd – sprak Groen terecht van regelgeving “op maat van de vervuiler”. Een instrument dat ooit bedoeld was om risico’s op te vangen, wordt ingezet om de risico’s van kapitaalintensieve projecten af te wentelen op wie weinig stem heeft. In Goughs termen: de klimaatwelvaartsstaat wordt niet hervormd richting bescherming van menselijke behoeften binnen ecologische grenzen, maar geherconfigureerd om bestaande investeringen te beschermen ten koste van die grenzen.
Ongelijke ruimtelijke lasten
Die risico’s en schokken landen bovendien niet gelijk. Robert Bullard, een van de grondleggers van de Environmental Justice Movement, gebruikte decennia geleden de term “environmental racism”: beleid en industrie stellen bepaalde bevolkingsgroepen structureel meer bloot aan vervuiling dan andere, “the wrong complexion for protection”, zoals hij het zelf samenvatte. Rob Nixon gaf het verschijnsel een naam voor de lange termijn: “slow violence”, geweld dat niet knalt maar sluipt, generaties overspant en zelden een dader oplevert die je met de vinger kan aanwijzen. PFAS past daar naadloos in: de stof is in een klassiek rechtssysteem bijna niet te vatten, juist omdat ze zich diffuus verspreidt en zich ophoopt in lichamen en omgevingen waar de minst beschermden wonen en werken.
ClientEarth, de ngo die België nu voor het eerst voor het Europees Comité voor Sociale Rechten daagt, kiest in deze PFAS‑zaak daarom voor een collectieve klacht: het Comité laat representatieve organisaties optreden zonder dat individuele slachtoffers met een volledig uitgewerkt causaal verband voor de rechter moeten komen, wat bij milieuschade zoals PFAS praktisch en bewijsrechtelijk vaak bijzonder complex is. Volgens het Forever Pollution Project behoort België tot de zwaarst door PFAS besmette landen van Europa; een groot deel van de bevolking draagt de stof intussen in het bloed. Het Comité oordeelde eerder al dat het recht op gezondheid en het recht op een gezond leefmilieu elkaar impliceren, precies de combinatie die artikel 23 van de Grondwet formuleert. Waar Gough wijst op de noodzaak van een klimaatwelvaartsstaat die menselijke behoeften beschermt binnen ecologische grenzen, maakt deze zaak tastbaar hoe ver Belgische beleidspraktijk daarvan verwijderd is.
Artikel 23 onder druk
In plaats van de noodzakelijke buffers te versterken, worden beschermingsinstrumenten zelfs bewust neergehaald. Dat gaat verder dan wat Naomi Klein “de shockdoctrine” noemt, waarbij rampen worden aangewend om bescherming af te bouwen. Terwijl een internationaal mensenrechtenorgaan België aanwrijft structureel tekort te schieten in de bescherming van gezondheid en leefmilieu, pleit Vlaams parlementslid Stijn De Roo (cd&v) net nu voor een hervorming van datzelfde artikel 23. Zijn argument: het Grondwettelijk Hof stelde tussen 2019 en 2021 vaker een schending op milieuvlak vast dan in alle jaren daarvoor samen, en dat “blokkeert het beleid”. Vandaag moet de overheid motiveren waarom ze een beschermingsniveau verlaagt: het standstillbeginsel. De Roo wil die toets vervangen door de vraag of iets “de essentie van een menswaardig leven” aantast.
Dat klinkt lekker technisch, maar het verschuift in de praktijk de bewijslast van de overheid naar de burger: precies het handelsmerk van environmental injustice dat Bullard decennia geleden al beschreef: laat de slachtoffers maar bewijzen dat het echt zo erg is. Op het moment dat een Europees orgaan de lat internationaal optrekt, haalt Vlaanderen ze nationaal naar beneden. In Goughs termen: waar de klimaatwelvaartsstaat buffers zou moeten opbouwen tegen klimaatschokken en milieuschade, wordt het juridisch instrumentarium dat zulke buffers kan afdwingen afgebouwd.
De toekomst bufferen?
Het idee dat de welvaartsstaat ooit verkocht is als een plek waar we samen buffers opbouwen om risico’s op te vangen, ebt niet alleen weg op sociaal vlak. Ook ecologische buffers raken nu op, letterlijk in de bodem en het water, om nog te zwijgen over het enorme biodiversiteitsverlies. En de lasten daarvan komen ongelijk terecht bij wie het minst kan terugvechten. Het instrument om daar juridisch iets tegen te doen wordt intussen verzwakt, net op het moment dat een Europees mensenrechtenorgaan de klagers gelijk geeft: er is wel degelijk “Volksvergiftiging”.
De actie van Grootouders voor het Klimaat, Extinction Rebellion en Greenpeace in Kortrijk viel in dezelfde week als een middenveldcongres over “shrinking civic space”: de civiele ruimte die krimpt. Naast het toedoen van overheid en politiek, die daar een toenemende autoritariserende rol in spelen, reproduceert een deel van het middenveld die krimp ook zelf “naar binnen toe” door de eigen taal te temperen wanneer het werkelijk om leven, gezondheid en toekomst gaat. Misschien is het, in een samenleving die volgens Gough in een ecologische crisis van de welvaartsstaat verkeert, beter echt geschokt te zijn door de bewuste afbouw van ecologische buffers die schokken moeten opvangen, in een samenleving die zichzelf al op “code rood” heeft gezet?


