Op 11 februari vindt er een Europese industrietop plaats in Antwerpen. Op 12 februari komen de Europese staats- en regeringsleiders samen voor een informele top in Alden Biesen. De recente geopolitieke ontwikkelingen, aangevuurd door het gevaarlijke gedrag van de autoritaire Amerikaanse president, verhogen de aandacht voor de toekomst van de Europese industrie, die met grote uitdagingen wordt geconfronteerd. Nu – wat positief is – het besef groeit dat Europa de eigen positie moet versterken, wil een aantal groepen hiervan gebruik maken om nog een extra klap toe te brengen aan de groene agenda. We zouden het ons zogenaamd ‘niet meer kunnen permitteren’ om nu nog bezig te zijn met klimaatambities. Onder druk van het afbraakwerk van rechts-conservatieve groepen schaart ook onze eerste minister zich in dit kamp en roept hij op om de Europese klimaatagenda af te remmen.
Het is een goede zaak dat de EU meer werk wil maken van een heus industrieel beleid. Dat moet evenwel verder bouwen op de Green Deal, niet in de plaats komen van het nu ontwikkelde duurzaamheidskader. De groene transitie als een ‘hinderpaal’ zien voor onze toekomstige welvaart is strategisch dom en gevaarlijk. Het is inderdaad zo dat onze industrie het zeer moeilijk heeft, maar het is geen goed idee een uitweg te zoeken door te zorgen voor een nog sterkere lock-in in de logica die enkel voor meer planetaire instabiliteit zal zorgen. Wanneer je zegt dat je niet competitief kunt zijn als je rekening moet houden met de afgesproken klimaatdoelen van 2040, dan zeg je met zoveel woorden dat je alleen maar economische meerwaarde kunt realiseren door op systemische wijze minwaarde te veroorzaken. Een recent UNEP-rapport illustreerde dat nog eens. Voor elke dollar die de wereld investeert in de bescherming van de natuur, geeft ze 30 dollar uit aan de vernietiging ervan. Doorgaan op dat pad wil zeggen dat je een groter huis wilt bouwen door actief de fundamenten ervan af te breken, de definitie van een ‘oneconomische economie’. Wie wil ‘bouwen aan de welvaart van morgen’ en wie perspectieven wil geven aan een toekomstgerichte industrie moet niet zozeer de klimaatagenda maar wel de klimaatontwrichting afremmen. Doen alsof er geen planetaire grenzen zijn – ondertussen zijn 7 van de 9 grenzen overschreden – is wat we ons niet meer kunnen permitteren.
Er zijn ondertussen al heel wat boeiende rapporten verschenen, er zijn goede voorstellen in voorbereiding (zoals veel elementen van de pas gelanceerde Klimaatsprong) en er zullen nog heel wat nuttige suggesties komen. Als bijdrage aan deze cruciale discussie is het belangrijk aandacht te hebben voor de volgende drie elementen die kunnen bijdragen aan een sterker strategisch industriebeleid binnen planetaire grenzen. Ze krijgen nu te weinig aandacht, en vormen een sleutel naar een beleid dat niet in de eerste plaats een oud systeem wil redden dat ons in de groeiende ecologische noodtoestand heeft gebracht, maar kiest voor sterkere fundamenten voor een meer bestendig huis voor de toekomst. Soms lijkt het alsof men bij discussies over competitiviteit of innovatie denkt dat die dingen zich louter afspelen in een abstracte markt of een ‘lege’ wereld. Dat is evenwel niet zo. De ecologische ontwrichting is geen ‘achtergrondruis’, maar de reële context waarin we moeten nadenken over te maken keuzes.
Ten eerste is er dringend volwaardige aandacht nodig voor de groeiende maatschappelijke en economische kost van de aan gang zijnde klimaatontwrichting, zeker ook in deze discussie. In het klassieke economische denken beschouwen we dat als een ‘externaliteit’, een ‘ongeluk’ of een uitzonderlijke of vervelende ‘ramp’. In werkelijkheid is het een systemische ‘internaliteit’ die een steeds grotere impact heeft. Op dit moment wordt de kost van extreem weer in Europa al geschat op 40-50 miljard euro per jaar, een bedrag dat nog zal stijgen. Voor België zou het tegen 2050 over 5% van het BBP kunnen gaan. Investeren in adaptatie van maatschappij en economie aan de klimaatontwrichting vraagt erg veel geld. Het Europees Milieuagentschap berekende dat het klimaatresistent maken van landbouw, energie en transport duur zal zijn. Om deze sectoren klimaatbestendig te maken, zijn naar schatting tussen 2050 en 2100 jaarlijks tussen de 53 en 137 miljard euro aan investeringen nodig, afhankelijk van het klimaatemissiescenario. De huidige toegezegde financiering voor deze sectoren wordt geschat op slechts 15 tot 16 miljard euro per jaar. Het doet er financieel dus wel degelijk toe of we eindigen op 1,5 of 2 of 3°C opwarming. Geld dat je niet in je begroting hebt, kun je ook niet besteden aan een dringende ondersteuning van je strategische industriële sectoren, die dan nog eens zelf rechtstreeks bedreigd worden. Thermische centrales kunnen stilvallen door extreme hitte. Werknemers kunnen niet meer werken. En een recent Brits rapport wijst erop dat de financiële sector waarschijnlijk nog systematisch onderschat hoe ernstig het systemisch klimaatrisico is. De emissies zo snel mogelijk zo sterk mogelijk laten dalen is dus vooral heel erg slim beleid, geen ‘woke’ obsessie. Pas als we echt de reële impact van de klimaatontwrichting inrekenen in onze beleidsmodellen, kunnen we goede toekomstkeuzes maken.
Ten tweede is de groene transitie een uitnodiging voor creatief toekomstgericht economisch denken die meer dan ooit belangrijk blijft. Door de lat hoog genoeg te leggen stimuleer je potentieel (technologische en sociale) innovatie die ons kan helpen om terug binnen de planetaire grenzen te komen. Het afzwakken van het beleid voor het uitfaseren van fossiele wagens klonk voor een aantal industriële groepen misschien als een overwinning, het was in de feiten een afstraffing van die frontrunnerbedrijven die al wel sterk hadden geïnvesteerd in groene vernieuwing. Je moet dus wel degelijk systemisch durven denken om een lock-in te vermijden. Als de EU nu de ecologische ambities afzwakt, geeft ze de kans aan China om een nog groter stuk van de instrumenten voor de groene transitie naar zich toe te trekken. Het recente dispuut over Groenland maakte ineens voor velen duidelijk dat een afhankelijkheid van Amerikaans gas strategisch een dubbel slechte zaak is. Je moet daaruit wel de juiste conclusies trekken. We mogen de duurzame energietransitie niet vertragen, en dat impliceert dat we nu best kiezen voor technologieën die nu beschikbaar zijn, steeds goedkoper worden en onze weerbaarheid kunnen versterken. De ‘snelweg’ die we nu kiezen moet dus in de eerste plaats hernieuwbare energie zijn. Het Klimaatakkoord van Parijs moet ons kompas blijven. Zeggen dat je ‘tegen 2050’ alles wel zult oplossen, dat is een luxe die we ons niet kunnen permitteren. In de afspraken die de volgende maanden en jaren zullen gemaakt worden voor een sterker Europees en binnenlands industriebeleid is er dan ook nood aan gerichte keuzes. Enkel die opties die de duurzame transitie snel genoeg kunnen versterken en die effectief zorgen voor minder milieulast en goede arbeidsvoorwaarden verdienen publieke investeringen. Dat betekent ook dat de agenda van verdere deregulering via nog een ‘Omnibusakkoord’ niet de goede weg is. Groene innovatie heeft baat bij goede regulering. Een betere ecologische kwaliteit is trouwens ook erg nuttig voor de competitiviteit van heel wat bedrijven. Als deregulering ertoe leidt dat de milieuschade nog groter wordt, vergroot enkel de kost voor bedrijven en overheid.
Ten derde is het bij dat alles cruciaal dat we wel degelijk denken binnen het kader van een welvaart binnen planetaire grenzen. Als de groene transitie uiteindelijk gewoon een nieuwe versie wordt van dezelfde verspillende vorm van welvaartscreatie, zijn we geen stap verder. Als je alle fossiele wagens gewoon vervangt door te grote, te zware elektrische wagens, is de file nog altijd even lang, en vervang je een emissieprobleem door een even extractief grondstoffenprobleem. Actief werk maken van een ‘economie van het genoeg’ is dan ook een van de meest interessante vormen van strategische autonomie. De circulaire economie is een goed voorbeeld. Als je je enkel richt op het nastreven van efficiëntie vanuit een concurrentielogica, vertraagt hoogstens de toename van het grondstoffengebruik een beetje. De druk op de planetaire grenzen neemt dan nog steeds toe en onze economie blijft te kwetsbaar voor verstoringen van de aanvoerlijnen. Je moet dus ook nadenken over vormen van ‘sufficiëntie’, die kunnen leiden toe een effectieve daling, in absolute termen, van het grondstoffengebruik. Het begrip klinkt voor velen misschien als raar of radicaal, maar is het al lang niet meer bij organisaties en experts die heel vernieuwend bezig zijn met circulair bouwen. In het najaar stelt de Commissie het voorstel voor de ‘Circular Economy Act’ voor, een belangrijk element van de Clean Industrial Deal. Hopelijk kiest ze ervoor om een sterke plaats te geven aan het nastreven van sufficiëntie. Dat is geen hinderpaal, maar een brug naar een duurzame en rechtvaardige welvaart van morgen.
Jan Mertens, voorzitter Oikos, Denktank voor sociaal-ecologische verandering


