Zijn onze steden klaar voor wat er op ons afkomt?

Credit: Unsplash, Sergej *****. Free to use under the Unsplash License.

Dit opiniestuk verscheen bij Knack op vrijdag 18 september 2026

De heetste zomer van 2026 was in veel opzichten de zomer van het grote zwijgen. De klimaatontwrichting die zich voor onze ogen afspeelde, was voor onze regeringen blijkbaar nog niet belangrijk genoeg om minstens een gezamenlijke spoedvergadering te organiseren. Als er al iets gebeurde, ging het vaak om verklaringen van individuele ministers, zonder gevolgen voor de hele regering. Als er al iets van een actieplan werd aangekondigd, dan ging zo’n plan te vaak uit van een sectoriële benadering, niet van een transversale. Te veel politici en commentatoren probeerden bewust het debat weg te framen, door lichtzinnige uitspraken in allerlei richtingen, zonder zelfs maar te proberen aan te sluiten bij wat de wetenschap al meer dan voldoende weet.

In de verschillende vormen van ontkenning, minimalisering, ridiculisering en vooral zwijgen zie je dat er meer aan de hand is dan enkel een tactische politieke berekening op korte termijn. Voor wie eerlijk kijkt naar wat we nu meemaken, is het duidelijk dat we getuige zijn van een systemische verandering die niet zomaar op te vangen is binnen de structuren en verwachtingen van het gangbare. We zien de grenzen van een welbepaald vooruitgangsimperatief, zoals Andreas Reckwitz dat zo uitvoerig beschrijft in zijn bijzonder boeiende boek ‘Verlies’. Een moderniteit die altijd voortholt, kan moeilijk omgaan met het structurele verlies dat zij zelf genereert. De uitdagende werkelijkheid onder ogen zien van een wereld waar ondertussen zeven van de negen planetaire grenzen zijn overschreden is niet zo eenvoudig. Er komen gevaarlijke negatieve tipping points in het planetaire systeem die kunnen leiden tot cascade-effecten die niet zomaar kunnen opgevangen worden met de klassieke silo’s van bevoegdheden of sectoren. Als ineens een erg groot stuk natuur begint te branden, blijkt dat we nog niet het materiaal en de institutionele regelingen hebben om met een situatie van die omvang om te gaan. Als op zo’n moment door een lange droogte rivieren en meren bijna droog staan, hebben we ook geen water om te blussen. Misschien zullen verzekeringsmaatschappijen dit jaar nog de schade vergoeden, maar zullen ze dat de volgende jaren blijven doen of schuiven ze dan de aardappel door naar de overheid die ook al die andere dingen moet opvangen? Onze systemen gaan nog al te vaak uit van modellen van voorspelbaarheid en lineariteit die misschien pasten bij een verleden, maar niet meer bij de ecologische werkelijkheid van vandaag, waarin ecosystemen in elkaar kunnen klappen of er een meer verregaande ‘collapse’ kan komen. Systemische klimaatrisico’s kunnen leiden tot schokken waarvoor onze instellingen niet ontworpen zijn.

Je zou om het ‘oude’ model te begrijpen kunnen kijken naar bv. het dossier van Oosterweel, zoals dat elke dag scherper in beeld komt met al zijn vooronderstellingen contradicties. Er is sprake van een gigantische investering waarvoor met steeds meer creativiteit begrotingstechnische trucs moeten worden bedacht om toch vooral niet te zien dat er iets niet klopt, en niet kan kloppen. Dat principe van externalisering geldt ook voor andere dimensies. Zodra er een ‘vervelend’ PFAS-probleem opduikt, klopt de rekening niet meer en vragen de ‘voorthollers’ dat die niet ‘haalbare’ verwachtingen om de PFAS op te ruimen getemperd worden. Al op korte termijn moeten doelstellingen die niet in gangbare prioriteiten passen worden teruggeschroefd: minder geld dus voor openbaar vervoer. Ten gronde gaat zo’n project ook uit van een sterk lineair denken. In zo’n model veronderstelt men dat de omgeving de volgende tientallen jaren voorspelbaar ‘stabiel’ zal zijn. Echt rekening houden met systemische schokken kan niet in het model. Je moet erop vertrouwen dat er een ononderbroken economische BBP-groei is om hopelijk ooit schulden terug te kunnen betalen. En er is een sterke lock-in in een ‘oud’ autosysteem. Je hebt er dus alle belang bij dat er nog heel erg lang heel veel auto’s zullen rijden. Het is een dwingende tunnelvisie die ons in één richting vastzet en volstrekt niet weerbaar genoeg is om op grote schokken in te spelen.

Onze beleidsmodellen zijn nog al te zeer ingesteld op dat soort lineair tunnelmodel dat alleen maar vooruit kan denken door allerlei reële risico’s te externaliseren, alsof ze ‘een ongeluk’ zijn. Onze financiële modellen, bv. voor verzekerbaarheid, gaan uit van gemiddelden, maar zouden eigenlijk veeleer moeten rekenen vanuit de extremen. Dat niet doen, impliceert ook al snel dat enkel wie rijk is nog verzekerbaar zal zijn. Onze klassieke modellen zouden snel moeten omschakelen naar meer maatschappelijke weerbaarheid, vanuit een eerlijke analyse van de ernst van de ecologische ontwrichting, die zich steeds meer zal uiten in een toenemende ongelijkheid.

Het Engelse woord ‘resilience’ wordt in het Nederlands op verschillende manieren vertaald: veerkracht, weerbaarheid, paraatheid, bestendigheid. Elke variant heeft een eigen connotatie en wijst op een relevante dimensie. We zouden er alleszins mee aan de slag moeten. De Europese Commissie werkt al aan een voorstel voor ‘climate resilience’. Ook op Belgisch vlak is er sprake van de ontwikkeling van een weerbaarheidsplan, al moet nog maar bekeken worden of zo’n plan structurele impact zal krijgen. Dé uitdaging bij die initiatieven is of men echt systemische vragen durft stellen en zich los durft maken van de genoemde tunnelvisie. En in dat verband zouden steden een interessant laboratorium kunnen zijn.

De voorbije zomer zagen we al hoe het ‘oude’ systeem tot tegen of over de grens werd geduwd. Onze publieke diensten zijn gemaakt voor een wereld die eigenlijk al niet meer bestaat. Verschillende hittegolven leidden tot erg veel hittedoden. Ziekenhuizen werden geconfronteerd met situaties die soms nog erger waren dan in de spannendste coronadagen. Veiligheidsdiensten kregen te maken met schrijnende toestanden van mensen die thuis in eenzaamheid waren overleden. In sociale woontorens liep de temperatuur vaak sterk op, en huurders konden niet zomaar terecht in gratis koele publieke plaatsen.

Maar stel je voor dat het niet zou zijn gegaan om ‘golven’ maar om bv. zes weken ononderbroken temperaturen van 40°C. Zou het systeem dan gekraakt zijn? Er is bv. een reden waarom er sprake is van een ‘ladder van koeling’, waarbij je liefst pas als laatste stap inzet op actieve koeling. Stel dat je alles zou verwachten van enkel maar airco, en door overbelasting valt het elektriciteitsnet uit, dan ben je dubbel kwetsbaar. Stel dat door een cascade-effect het internet en mobiele netwerk uitvallen, wat doe je dan? Stel dat er een langdurige droogte is, en je hebt enkele industriële grootverbruikers van water op je grondgebied, wie krijgt er dan voorrang voor het water?

Veel steden hebben nu al allerlei plannen, wat goed is natuurlijk. Maar hoe ver gaan die? Gaan ze uit van ‘controleerbaarheid’ en ‘voorspelbaarheid’ en de facto onderschikking aan economische doelen? Heb je enkel een crisiscoördinator met beperkte middelen en werken de diensten verder gewoon naast elkaar verder? Ben je in principe voorstander van een actief klimaatbeleid, maar wil je om budgettaire redenen nu even toch niet te veel geld ervoor reserveren? Heb je een model van begroting waarin je op een correcte manier kunt inschatten wat de reële maatschappelijke en budgettaire kost is van een versnellende klimaatontwrichting? Ben je bereid om politiek belangrijke prestigeprojecten in vraag te stellen om met het zo vrijgekomen geld te garanderen dat alle mensen met een laag inkomen in jouw stad voldoende beschermd worden? Het zijn moeilijke vragen, maar ze verdienen een antwoord.

Weerbaarheid verankeren in heel je beleid is een verregaande, maar onvermijdelijke keuze. Een goede vorm van weerbaarheid heeft drie dimensies: coping (= een schok kunnen weerstaan), adaptatie (= aanpassen aan nieuwe omstandigheden), transformatie (= overstappen naar een andere logica dan die van de klassieke ‘tunnel’). Misschien hopen veel politici dat burgers de heetste zomer snel weer zullen vergeten. Misschien hopen ze een mogelijke discussie te smoren door een verwijzing naar de begroting (waarmee ze dan in de feiten de begroting nog meer zullen bezwaren). Dat zou een kortzichtig antwoord zijn.

Misschien kunnen steden nu een manier vinden om een grotere institutionele beweeglijkheid te ontwikkelen. Ze kunnen een labo zijn waar het beleidsmodel van de toekomst vorm krijgt. Een concreet startvoorstel kan zijn: breng een groep experts (wetenschappers, ambtenaren, burgers, middenveld) samen en vraag hun om een zo uitdagend mogelijke oefening te maken voor hun stad. Welke systemische schokken komen er potentieel op ons af, hoe kunnen die elkaar versterken en welke regelingen bestaan er al op het niveau van de stad? Wat is er bv. nodig om systematisch te kiezen voor een weerbaar en circulair ontwerp dat ervoor zorgt dat onder meer gebouwen tijdens hun ontwikkeling en levensduur kunnen aangepast worden aan een veranderende context en dat ze by design zijn voorbereid op mogelijke systemische schokken? Hoe kunnen we een rechtvaardige weerbaarheid garanderen en lock-ins vermijden? Hoe kunnen we ‘positieve tipping points’ creëren? Zo’n groep moet de vrijheid krijgen om ongemakkelijke waarheden in beeld te brengen en moet creatieve ideeën kunnen ontwikkelen die de stad van de toekomst weerbaar kunnen maken in tijden van verdere ecologische ontwrichting, en dat binnen de planetaire grenzen. Het rapport dat zo zal ontstaan zal hopelijk heel andere dingen in beeld brengen dan enkel een – op zich al erg belangrijke – analyse van hoe de voorbije zomer is verlopen met de middelen die we nu hebben. Politici die een beleid willen dat aangepast is aan een voorspelbaar onvoorspelbare toekomst zouden zo’n oefening als een geschenk moeten beschouwen, niet als een kritiek. Als we de moeilijke vragen voor ons uit blijven schuiven, zal enkel de ontwrichting toenemen en winnen de extremen. Aan de slag dus…

Jan Mertens, voorzitter Oikos, Denktank voor sociaal-ecologische verandering

Auteur(s)

×
×

Winkelwagen