Een verslag van een studiereis naar coöperaties en inspirerende cultuurplekken in Kroatië
Van woensdag 20 tot vrijdag 22 mei 2026 trok Denktank Oikos met negen Belgische deelnemers naar Zagreb, in het kader van een Erasmus+ project. Het centrale thema was de donuteconomie. Kate Raworth gebruikt de donut als beeld voor een economie die menselijke basisbehoeften wil verzoenen met de ecologische grenzen van de aarde. De donut bestaat uit een sociaal fundament (binnenrand) en een ecologisch plafond (buitenrand), met daartussen de veilige ruimte waarin de mensheid kan floreren. De deelnemers zijn afkomstig uit cultuurhuizen, coöperaties en middenveldorganisaties, zoals een fietsdeelcoöperatie, een museumkoepel, een sociaal-culturele beweging, adviesbureaus voor de sociale economie. Ze zochten naar een antwoord op een vraag die zich moeilijk in een workshop laat vatten: hoe ziet de donuteconomie eruit wanneer ze niet op een flip-over staat, maar in een organisatie leeft? Het antwoord kwam, dag na dag, uit onverwachte hoek: niet uit een bedrijf dat het model netjes had toegepast, maar uit een lappendeken van energiecoöperaties, bibliotheken, een theater, een museum en, misschien wel het sterkst van allemaal, een gemeenschap van voormalige punk-anarchisten op het platteland.
Gastheer was IPE, het Institute for Political Ecology, al elf jaar de ecologische denktank van Zagreb en partner van Oikos in het Erasmus+ project “Shaping Sustainable Futures: Donut Economics for Culture and Cooperatives”. IPE stafleden Vedran Horvat en Lana Pukanić begeleidden de groep de hele reis.
Een donut met een Kroatisch accent
IPE werkt samen met de Barcelona-beweging Barcelona en Comú aan municipalisme, onder meer gericht op het tegengaan van privatisering van publieke diensten. Het begrip is geïnspireerd door de “politiek van de nabijheid” van Bertie Russell en Iolanda Bianchi. Maar het meest eigenzinnige dat IPE ontwikkelde, is de “Degrowth Doughnut” van onderzoeker Mladen Domazet. Het is een verbreding van Kate Raworths donutmodel met een expliciete culturele laag. Opvallend is dat Raworths eigen model intussen naar hen toe gegroeid is: de nieuwe versie 3.0 lijkt sterk op de Degrowth Doughnut, met aandacht voor werk-privébalans en veranderende waarden.
Ook de schaduwzijde van verandering kwam meteen ter sprake. IPE hielp een tijd geleden meebouwen aan een poging om een ethische bank op te richten in Kroatië, maar de centrale bank weigerde een vergunning. Een energiecoöperatie waarmee IPE samenwerkt, botst voortdurend op tegenwerking van het staatsenergiebedrijf. De conclusie van Horvat was hierdoor even eenvoudig als ontnuchterend: zonder politieke macht blijft verandering vaak steken, hoe goed het idee ook is. In de cultuursector merkt hij intussen weinig enthousiasme voor groene ideeën, niet uit onwil, maar omdat de sector zelf al zo precair is. Duurzaamheid kan als een extra last aanvoelen in plaats van een kans, al begint die houding stilaan te veranderen.
Diezelfde namiddag ontmoette de groep Kooperativa, een dertien jaar oud regionaal platform voor de cultuursector in acht ex-Joegoslavische landen. Coördinatoren Ena Grabar en Marija Krnić vertelden hoe het netwerk ontstond uit noodzaak, na het uiteenvallen van Joegoslavië en de golf van nationalisme die daarop volgde. Voor hen draait duurzaamheid vooral rond mobiliteit. Bijna elke reis in de regio gaat noodgedwongen per vliegtuig, soms met een tussenstop in München om in Noord-Macedonië te geraken. Daarnaast draait duurzaamheid voor hen ook rond eerlijke verloning, in een regio waar arbeidsvoorwaarden sterk uiteenlopen tussen EU- en niet-EU-landen. Wat het netwerk overeind houdt in een wispelturig financieringslandschap is volgens Krnić uiteindelijk niet een grote pot geld, maar mensen: vriendschap, vertrouwen, solidariteit.
Een donut voor het theater
Het meest concrete voorbeeld van donuteconomie in de praktijk kwam die avond, met een presentatie van Horvat over het STAGES-project bij het Kroatisch Nationaal Theater. IPE kreeg de opdracht om, met de Degrowth Doughnut als kompas, de duurzaamheid van het (vijfhonderd werknemers tellende, monumentale maar torenhoog energie-inefficiënte) theatergebouw in kaart te brengen. Op basis van interne documenten en een enquête bij 77 medewerkers bouwden ze een model met drie segmenten, negen thema’s en achttien indicatoren.
Het resultaat, gevisualiseerd als een donutvormige grafiek, was een mengeling van goed en slecht nieuws. Acht van de achttien indicatoren zaten binnen de donut: het theater gebruikt warmtepompen, het aantal vliegreizen daalde (grotendeels dankzij corona), er zijn weinig onbetaalde overuren en de vakbondsgraad is hoog. Vijf indicatoren zaten net erbuiten — afval, precaire kortetermijncontracten, wantrouwen — en vijf zaten er ver buiten: autogebruik, gasverwarming, elektriciteitsverbruik. Interessanter nog was de “auto-analyse”: een workshop waarin het personeel zelf reflecteerde op het theater. Daaruit bleek dat men zich bewust was van de afvalberg, maar niet van het probleem dat een contract met kostuumontwerpers het hergebruik van materiaal onbedoeld onmogelijk maakte — een simpele fix, zodra iemand het opmerkte.
De aanbevelingen die daaruit volgden, liepen uiteen van praktische ingrepen, zoals blessurepreventie, tot een gedurfde visie: geothermische verwarming, “holografische scenografie” — een geprojecteerd kasteel in plaats van een gebouwd decor — en zelfs laadpalen en een koolstofboekhouding. Een deel van het laaghangend fruit is intussen geplukt. Maar Horvat is bezorgd of het theater over vijf jaar een nieuwe analyse zal laten uitvoeren:. zonder nieuwe externe (EU-)financiering, zal dat heel moeilijk zijn.
De zon is van iedereen
Donderdagochtend, bij energiecoöperatie ZEZ, vertelde medeoprichter Zoran Kordić een verhaal dat de spanning tussen ideaal en realiteit nog scherper blootlegde. ZEZ startte in 2013, geïnspireerd door RESCoop Europa en voorbeelden uit België, Denemarken en Nederland. Maar het coöperatieve model draagt in Kroatië een zware historische last: het woord “coöperatie” roept bij velen associaties op met het communistische verleden, met onteigening. “Waarom?” was de eerste vraag die mensen stelden. Vandaag telt ZEZ een twintigtal coöperanten — werknemers en medeoprichters, geen consumenten, een bewuste keuze om de besluitvorming behapbaar te houden. In 2025 won de coöperatie de SozialMarie-prijs voor sociale innovatie.
ZEZ ondersteunt burgers en kmo’s bij de omschakeling naar zonne-energie. Via ZEZ Sun kunnen jongere investeren in zonnepanelen op openbare gebouwen. Daarnaast lobbyt de organisatie voor gunstiger regels voor energiedelen en organiseert jaarlijkse “zonnetoeren” langs Kroatische steden. Meer dan 3 MW aan gemeenschapszonne-energie, tien jaar ervaring, tweehonderd burger-investeerders, 35.000 leden op Facebook: de cijfers zijn indrukwekkend voor een land waar energie delen, hoewel wettelijk toegestaan, in de praktijk technisch onmogelijk blijft — iets wat volgens ZEZ tegen Europese regels ingaat, al volgde er nog geen boete. Op de vraag naar de band met donuteconomie kwam een eerlijk antwoord: “Daar moeten we nog over leren.” Horvat merkte terecht op dat ZEZ, bewust of niet, allang verschillende donutindicatoren verbeterd.
Elf uur dertig, de stadsbibliotheken van Zagreb: een netwerk van 42 bibliotheken dat werkt aan Paromlin, een nieuwe hoofdbibliotheek van 30.000 vierkante meter, geïnspireerd op De Krook in Gent, Oodi in Helsinki en de bibliotheek van Aarhus. Een zadenbibliotheek, een bibliotheek van gereedschap — een primeur in Kroatië — een zwarte-doostheater, ruimtes om te repeteren en te knutselen. Boeiend om te zien hoe ze van de nieuwe bibliotheek een ‘third space’ willen maken: een laagdrempelige ontmoetingsplek, waar je kan samenkomen zonder dat je moet consumeren.
Punkers die de toekomst bouwen
De namiddag werd de groep in vervoering gebracht door het verhaal over het Permacultuur Educatiecentrum, dertig kilometer ten zuiden van Zagreb. Hier woont en werkt Dražen Šimleša al dertig jaar met ZMAG, het Groene Netwerk van Activistische Groepen. Het ontstond uit een groepje jonge punk-anarchisten die van niets begonnen, “lerend door fouten te maken”, vertelde Šimleša. Vandaag is er een coöperatie die biologische boeren rechtstreeks met klanten in Zagreb verbindt. Ze levert twee keer per week: op dinsdag aan huis en op donderdag via twee ophaalpunten. De coöperatie betaalt boeren 85 procent van de verkoopprijs, tegenover de 30 à 40 procent die gangbaar is bij fairtrade-labels. “Kwaliteitsvol voedsel, met een geur, niet enkel een smaak”, zoals hij het zelf omschreef.
Op de site is er een bouwcoöperatie die huizen optrekt met strobalen en natuurlijke pleisters, een houtgestookte “rocket mass heater” die vijf keer efficiënter verwarmt dan een klassieke kachel, een WhatsApp-groep van vijftig buren die onderling gratis spullen delen en meerijden. Acht werknemers, vijftien vrijwilligers, jaarlijks 120 tot 150 vormingsactiviteiten over voeding, bouwen, energie, koken met restjes en “sociale permacultuur”: hoe overleef je als groep de eerste moeilijke jaren van een nieuw project zonder elkaar op te vreten?
Op de vraag naar de grootste maatschappelijke impact van de plek, antwoordde Šimleša met een beeld dat de hele groep zou bijblijven: “Als we onze vergadering daar hadden gehouden, had je het zelf gezien. Na de aardbeving is alles heropgebouwd, en het is nu prachtig. We hebben een geweldige levenskwaliteit, ook al gebruiken we drie keer minder energie dan een gemiddeld Kroatisch huis. Een andere wereld is echt mogelijk.” Hij is er zich terdege van bewust dat het wantrouwen in Kroatië groot is, zelfs zijn eigen ouders vroegen zich ooit af waarom hij “opnieuw het communisme aan het heruitvinden” was. Toch is het precies deze plek die Febecoop-medewerkster Laura Claessens later, in de slotronde, zou omschrijven als “het meest levende voorbeeld” van donuteconomie op de hele reis. Prefiguratief beschreef ze het als een plek die de toekomst nu al leeft, zonder ooit het woord “donut” in de mond te nemen.
Later die dag, in het Technisch Museum van Zagreb, klonk een verwante toon. Conservator Markita Franulić leidt een museum in een houten gebouw uit 1949 met erfgoedstatus maar zonder klimaatregeling — te koud in de winter, te warm in de zomer — en met een budget dat niet kan wedijveren met vergelijkbare musea elders. Het museum koos daarom voor “slow”: bewust niet concurreren met hightech- en spektakelmusea, maar het eigen tempo omarmen met een focus op ambachtelijke technieken, meer tijd voor onderzoek, minder schermen. Iemand van het museum volgde de donut workshop van IPE en daar bleek dat het “slow”-concept en de donut erg verwant zijn.
Banken, cultuurhuizen en wooncoöperaties
Op de laatste dag splitste de groep zich: wie zich meer aangetrokken voelde tot de coöperatieve kant van het traject, bezocht ZEF, de Coöperatie voor Ethisch Financieren. De organisatie werd opgericht in 2014 door een gedesillusioneerde bankier. Drie keer werd een bankvergunning geweigerd door de Kroatische centrale bank, waardoor ze nu op zoek zijn naar een Europese vergunning via Litouwen. ZEF richt zich niet op particuliere klanten maar op coöperaties en sociale ondernemingen. Het Belgische coöperatieve bankproject NewB (dat wél een vergunning kreeg maar die in 2023 weer verloor en dan gelukkig werd opgepikt door de ethische vdk bank), vormt een tastbaar vergelijkingspunt. Zeker in de financiële wereld is het een hele uitdaging om een alternatieve, sociaalecologische organisatie uit de grond te stampen.
Wie de cultuurroute volgde, kwam terecht bij Pogon, een platform voor de onafhankelijke cultuurscene van Zagreb dat bewust zonder curatoren werkt: wie zich aanmeldt en past binnen de waarden van het huis, krijgt een plek. Negentien jaar lang bleek dat zelfselectiemechanisme verrassend betrouwbaar. Op de vraag of de Donut-benadering relevant is, kwam een volmondig “ja”, zeker op wat betreft de sociale dimensie. De sector doet chronisch te veel, met overboekte agenda’s. Pas de voorbije vijf jaar begint dat bespreekbaar te worden. Zelfs een financieel stabiele organisatie als Pogon merkt de tol: medewerkers beginnen pas op latere leeftijd aan kinderen.
De reis eindigde bij MOBA, de eerste wooncoöperatie in Kroatië, met gidsen Jelena en Ivan. In een land waar coöperaties na het socialisme letterlijk “geamputeerd” werden, bouwt MOBA nu aan een nieuw model. Het model is niet gebaseerd op het vaak aangehaalde Wenen dat te weinig overdraagbaar is naar de Kroatische context. Op publieke grond bouwen coöperaties permanent betaalbare woningen tegen kostprijs, beschermd tegen privatisering en speculatie: dertig procent goedkoper dan de markt, met huurprijzen die niet mee schommelen met de vastgoedmarkt. Twee projecten — Krizevci, op een oude legerbasis, en Pragrande in de kustplaats Pula — tonen hoe dat concreet gaat: een oproep die vijftig geïnteresseerden aantrekt, een groeiende gemeenschap van toekomstige bewoners en jaren geduldig plannen. Conflictbemiddeling wordt niet aan het toeval overgelaten: elk lid maakt deel uit van een werkgroep, en in Pula experimenteert men bewust met geweldloze communicatie en sociocratie — structuren die niet-hiërarchische besluitvorming systematisch maken in plaats van te hopen dat het vanzelf goed komt.
Wat de groep meenam
Wat blijft hangen na drie dagen Zagreb, is niet zozeer een pasklaar model, maar een reeks organisaties die, elk op hun eigen manier en zonder er ooit groots over te doen, al lang doen wat de donut op papier voorschrijft: binnen grenzen blijven, niemand uitsluiten en herverdelen in. Zoals iemand de studiereis samenvatte: de donut werkt het best als kompas, niet als label. In Zagreb bleek dat kompas, op meer plekken dan verwacht, allang richting te geven.

