Een rechtvaardige klimaattransitie, het doet ertoe

Een rechtvaardige klimaattransitie, het doet ertoe

Jan Mertens

Binnen enkele dagen begint de volgende grote klimaatconferentie (COP28). Sommige ministers vinden het blijkbaar niet eens de moeite om te overwegen er naartoe te gaan, of zijn trots omdat ze kunnen verhinderen dat er voor ons land een coherent nationaal energie- en klimaatplan naar de EU wordt gestuurd. Ze denken waarschijnlijk dat hun dat op korte termijn politiek meer oplevert. Ondertussen gaat kostbare tijd verloren en laten we bij ongewijzigd beleid nu en bij de volgende generaties nog meer mensen in de steek.

Bij de interessante rapporten die vorige week verschenen, vielen er twee op. Het Emissions Gap Report van UNEP wees ons erop dat we – zacht gezegd – helemaal niet op schema zitten in de terugdringing van broeikasgasemissies. Mogelijk stevenen we af op een catastrofale temperatuurstijging van tot 3°C, in plaats van de 1,5°C waartoe we ons in het klimaatakkoord van Parijs hebben verbonden. Met de huidige beloften hebben we 14% kans om die 1,5°C te halen. Het goede nieuws is dat het wel degelijk nog altijd mogelijk is om in de buurt van die 1,5°C te eindigen, en zo het leed van het meest kwetsbare deel van de bevolking serieus kleiner te maken. We hebben de kennis en er zijn genoeg oplossingen voorhanden om nu te handelen. Het probleem aanpakken is een kwestie van politieke wil. Er echter voor kiezen om de urgentie te negeren en de uitdaging zelfs na de voorbije zomer te blijven omschrijven als “klimaathysterie” of “gedram” en oproepen tot een “ecopauze” is jammer genoeg eveneens een welbewuste politieke keuze, die grote gevolgen heeft. UNEP wijst erop dat die landen met gemiddeld het hoogste inkomen en de hoogste uitstoot hun klimaatambities snel moeten verhogen. Dat de klimaatcrisis een rechtvaardigheidscrisis is, blijkt al even sterk uit een recent rapport van Oxfam. De koolstofemissies van de 1% rijksten liggen ongeveer 22 maal te hoog voor het doel van de 1,5°C. In veel landen is de uitstoot van de 10% rijksten tot 40 maal zo hoog als die van de 10% armsten. Toen de internationale klimaatonderhandelingen begonnen in de jaren 90 was de ongelijkheid in emissies er vooral een tussen landen. Nu uit die ongelijkheid zich vooral binnen landen.

Dat de klimaatcrisis onze maatschappijen nog verder gaat ontwrichten en verscheuren, is echter geen onvermijdelijk lot. Het is wel degelijk mogelijk goede politieke antwoorden te geven. Die liggen evenwel niet bij het populisme en ze kunnen er ook niet komen als men blind wil blijven voor de rechtvaardigheidsdimensie. Die politici die nu een gevaarlijke toxische mix bepleiten van een nog strenger antimigratiebeleid en een afzwakking van de klimaatambities openen de deur voor nog meer ellende. Rechtse en extreemrechtse politici bespelen het gevoel van verlatenheid dat bij veel mensen leeft en proberen dat te kanaliseren tegen onder meer een ambitieus ecologisch beleid dat net wél rechtvaardige antwoorden zou kunnen geven. De meest kwetsbaren dragen nu al de grootste gevolgen van de klimaatcrisis en hebben het minst de mogelijkheid zich ertegen te wapenen. Het rijkere deel van de samenleving schermt het eigen privilege af, terwijl bij hen een grote verandering mogelijk is zonder dat die een waardig leven bedreigt. Maar wat is het antwoord van een deel van de politici, onder meer in de Vlaamse regering? Ze bevestigen het patroon. Er komen forse subsidies voor de aankoop van individuele elektrische auto’s en tegelijk wordt het aanbod aan openbaar vervoer per bus afgebouwd. Over iets als een veelvliegerstaks die vooral diegenen zou treffen die vaak het vliegtuig nemen, mag vooral niet gepraat worden. Als dat je politiek is, moet je niet verbaasd zijn dat heel wat mensen denken dat klimaatbeleid iets is dat de privileges beschermt van wie het al goed heeft. Het hoeft evenwel niet zo te zijn. Het is perfect mogelijk publieke middelen te investeren in degelijk openbaar vervoer, in goede publieke diensten voor iedereen, in een programma dat prioritair de huizen van de meest kwetsbaren energetisch gaat isoleren, en nog veel meer.

Rechtvaardigheid heeft ook een intergenerationele dimensie. Als het gaat over wie zich alleen gelaten voelt, denken velen niet spontaan aan jongeren. En dat is onterecht. Uit wereldwijd onderzoek naar het gevoel van klimaatangst bij jongeren blijkt dat heel wat jongeren echt lijden onder hun gevoelens van angst of verdriet over de dreigende klimaatcrisis. En dat heeft in belangrijke mate te maken met een gevoel van alleen gelaten worden, van een onvoldoende sterk politiek antwoord. Maar ook hier hoeft het niet zo te zijn dat een steeds groter wordende groep jongeren apathisch zou worden en af zou haken. Andere politieke keuzes kunnen voor andere en betere gevolgen zorgen.

Een van de elementen van zo’n andere aanpak – naast een ambitieus rechtvaardig klimaatbeleid – is dat we de gevoelens van onder meer die jongeren ernstig nemen. Klimaatverdriet is in wezen een heel gezonde reflex. Het wijst je erop dat je deel bent van iets dat groter is dan jezelf. Die gevoelens wegzetten als ‘hysterie’ is het omgekeerde van wat je moet doen. Ze erkennen en ze delen met anderen zorgt voor minder vervreemding. Wie dat doet, zal doorheen het verdriet de weg zien naar actieve hoop: het gevoel dat het zinvol is te handelen, ook al ken je de uitkomst van je handelen nog niet. En wie zichzelf vooral ziet als burger (en niet als consument), deel van een mondiale en intergenerationale gemeenschap, zal uitkomen bij een grondhouding van verzet, vanuit liefde voor de wereld. Want het is niet te laat. Cynisme is niet het antwoord. Wat je doet, het doet ertoe. De hopelijk vele duizenden mensen die zullen deelnemen aan de klimaatmars op zondag 3 december zijn daar het bewijs van.

Jan Mertens

Voorzitter van Oikos, Denktank voor sociaal-ecologische verandering, en auteur van het boek ‘Het doet ertoe. Over verdriet, hoop en verzet.’

×
×

Winkelmand