logo





  • Aral Balkan
  • Kate Raworth
  • Yochai Benkler
  • Vandana Shiva
  • Rob Hopkins
  • Michel Bauwens
  • Harald Welzer
  • Saskia Sassen
  • Tine Hens

Laatste bijdragen schrijversgemeenschap

Inhoud jongste nummer

Buitenspelen of buiten worden gespeeld? Enkele bedenkingen bij de buitenspeeldag en jeugdland.

 

Inleidend

 

Er wordt momenteel heel veel aandacht besteed door zowel het jeugdwerk als de beleidsmakers aan het ‘buiten spelen’. Toenmalig Vlaams minister Anciaux van Jeugd, Sport en Brusselse aangelegenheden lanceerde net voor de zomer van 2009 een tweede keer de campagne 'buitenspelen'. Het eerste jaar vond die buitenspeeldag plaats in 106 steden en gemeentes naar aanleiding van 'de buitenspeeldag' van de commerciële tv zender Nickelodeon (http://www.buitenspeeldag.be/home). Veel jeugddiensten sprongen hier op en kregen er subsidies voor. Het kernprobleem, zo klinkt het, is dat kinderen teveel binnen zitten en daardoor een reeks vaardigheden ontberen om zich in de publieke ruimte te begeven. Kinderen en jongeren hebben met andere woorden een ‘lack of skills’ door zich vast te kluisteren aan de beeldbuis. Een logisch antwoord daarop, zo klinkt het vanuit de geledingen van beleid en middenveld, is een onschuldige buitenspeeldag die kinderen stimuleert om buiten te spelen!

 

De aandacht voor buitenspelen kent echter een bredere interesse. Samen met het onderzoekscentrum “Kind en Samenleving” (K&S) organiseerde de Vlaamse overheid een studiedag over ‘het niet-georganiseerde buitenspelen in de publieke ruimte[1]. Een kort verslag van het daaruit volgende rapport van K&S en de KUL staat in de vorige KRAX van juli/augustus 2009. Al geeft het rapport van K&S aanleiding tot een interessant debat over de ontkrachting van sociaalpsychologische ideeën rond buitenspelen, en over de (eerder technische) kwaliteitsargumenten van de buitenruimte, toch blijven ook veel zaken onbeantwoord. Er is immers nood aan een meer fundamenteel en kritische reflectie over de buitenspeeldag, over de onderliggende assumpties wat betreft “buitenspelen”, en over de veranderende 'buiten'-ruimte in de ruimere context van stedelijke transformatie op geglobaliseerde leest. Het zijn die lacunes in het debat over ‘spelen in de buitenruimte’ die we hier specifiek willen behandelen. In deze bijdrage willen we echter kijken door een meer kritische lens, die enkele vanzelfsprekende assumpties doorbreekt[2]. De buitenspeeldag mag dan wel een leuke en goed bedoelde sensibiliserende campagne is naar ‘alle’ kinderen en jongeren toe om zich naar ‘buiten’ te begeven, maar ons rest de vraag of we wel kunnen spreken over 'alle' kinderen en de 'buiten'-ruimte in zo'n veralgemeende categorieën? Bestaat zo'n harmonieus jeugdland wel dat schijnbaar los staat van de reële sociaalruimtelijke leefomgeving, de dagelijkse socialisatiemechanismen en de hedendaagse politiek-economische context waarin die kinderen en jongeren leven? De campagne en de bredere retoriek over ‘buitenspelen’ zijn sterk gebaseerd op veralgemenende en dus neutraliserende begrippen waardoor ze in een strak gedepolitiseerd jasje[3] zit. De uitgangspunten zijn duidelijk 'alle' kinderen en jongeren die als een ondeelbare groep worden gezien, en de 'buiten'-ruimte dat als een homogeen territorium wordt beschouwd. We doen vanuit een oprechte bezorgdheid een poging enkele bedenkingen op een rij te zetten, om zo toch een andere blik op zowel ‘kinderen en jongeren’ alsook op de (buiten-)ruimte te bieden. Beiden zijn onderdeel van ‘de samenleving', waardoor ze  onvermijdelijk onderhevig zijn aan de bestaande machten en krachten die daarin werkzaam zijn, en dus ook aan de sociaaleconomische en ruimtelijke breuklijnen die daaruit voortvloeien. En precies op die breuklijnen ligt een taak voor het jeugdwerk. We raken kort enkele punten aan die uit het vizier dreigen te verdwijnen, terwijl die nochtans de bakens van die reële leefwereld uitzetten. We bespreken achtereenvolgens drie zaken die uit het vizier verdwijnen: de vermarkting van de (buiten-)ruimte, de impact van de stedelijke transformatie op ‘het willen, mogen, kunnen’ van kinderen en jongeren, en ter illustratie gaan we afsluitend in op de conflicterende beelden en beleidspraktijken ten aanzien van ‘bepaalde’ groepen kinderen en jongeren in die veranderde stad. Deze aangekaarte kritieken staan haaks op het gedepolitiseerde jeugdland.

 

De onzichtbare vermarkting van het (buiten-)ruimte

 

Midden de jaren ’80 schreef de Duitse filosoof Jurgen Habermas over de bedreigende manier waarop de private sector en de markt, de leefwereld en dus de publieke ruimte mentaal en materieel koloniseren. Plaatsen waar kinderen en jongeren nog onttrokken worden aan het marktgeweld en de doorgeslagen consumptiedrang, zijn schaars geworden. Marktgedomineerde plaatsen zonder enige diepere maatschappelijke betekenis schieten als paddenstoelen uit de grond.  De antropoloog Marc Augé noemde deze plaatsen die onttrokken zijn aan de reële complexe maatschappij en collectieve betekenisvolle praktijken “non-lieux”. Voorbeelden zijn shoppingcentra, ‘gated communities’ (afgesloten woonwijken), bewaakte pleinen waar overlast bestreden wordt in de naam van een gezonde frictieloze stad, maar ook parkings voor Koning Auto en zelfs virtuele ruimtes zoals internet en het televisiewereldje zoals de Studio 100-hypes en Nickelodeon. Ook in het hedendaagse 'jeugdland' domineert de ruilwaarde de gebruikswaarde, en zijn harde valuta steeds sterker het toegangsticket tot de spreek en- speelruimtes.

 

Niet alleen een positie tegenover alomtegenwoordige vermarkting ontbreekt in de campagne, maar de Buitenspeeldag belichaamt zelf het toppunt van dergelijke marktlogica die ‘het onschuldige jeugdland’ penetreert. De buitenspeeldag is dus kritiekloos ten aanzien van die dominante marktlogica. Meer zelfs, het laat bovendien de marges en uitzondering door het marktdictaat van Nickelodeon bepalen. Nickelodeon bepaalt namelijk de dag wanneer het een zwart scherm opzet, wat vooral de vakkundige bindingsstrategie illustreert: Nickelodeon is niet zomaar de boze wolf die kinderen gekluisterd aan het scherm houdt, maar een kanaal dat 'écht' bezorgd is om haar kijkertjes en hun leefomgeving. Wat denken die bezorgde jeugdsector en Vlaamse overheid echter over de manier waarop Nickelodeon gedurende 364 dagen de kinderen wel voor de tv mag zetten zonder dat de goegemeente wakker ligt van het feit dat kinderen niet buitenspelen? Of meer, wat te denken van de manier waarop dergelijke marktactoren de kinderruimtes steeds sterker volgens koopkrachtnormen helpen organiseren? En belangrijker nog: wat vindt de jeugdsector en dito beleid van die groep kinderen en jongeren, vooral in een tijd van economische crisis en toenemende armoede, die niet kunnen participeren aan die voorgekauwde zeepbelmaatschappij?

 

Het ideale kind in de ideale (stads-)omgeving?

 

Dat brengt ons meteen bij de tweede bedenking. Niettegenstaande de goede intenties van deze buitenspeelcampagne, dreigt de blik te worden vernauwd door de algehele sfeer van kinderlijke onschuld waarmee de campagne is omhuld. Wanneer het over kinderen en jongeren gaat, ligt de klemtoon sterk op dit ‘gedepolitiseerde jeugdland’ waarin ‘onschuldige speelse wezentjes’ vrijelijk vertoeven[4]. Dit gedepolitiseerde jeugdland staat echter los van de sociaalruimtelijke leefomgeving, de dagdagelijkse socialisatiemechanismen en de bredere politiek-economische context waarin die kinderen en jongeren vandaag de dag leven; kortom van de alledaagse realiteit die haaks staat op zo’n ideaaltypische beeldvorming

 

De stedelijke maatschappij is radicaal veranderd. Het stedelijk weefsel wordt door marktkrachten en inschikkelijke overheden herkneed op geglobaliseerde leest, wat de sociaalruimtelijke dualisering tussen arme en rijke gebieden, alsook tussen stad en rand alleen doet toenemen. Men staat er niet bij stil dat buiten spelen voor een kind in het welvarende rand van de stad (Sint-Martens Latem of Dilbeek) een heel andere invulling heeft dan voor kinderen die wonen aan de Gentse Gasmeterlaan of aan de achtergestelde buurten als de Gentse Blaisantvest, het Antwerpse Kiel of het Brusselse Molenbeek? Al is het adaptatievermogen van kinderen en jongeren aan hun dagelijkse leefomgeving opmerkelijk groot, toch verschilt de leefomgeving waar de trampoline en het zwembad in de privétuin de regel zijn, van een buurt in de 19deeeuwse gordel met een laagkwalitatieve infrastructuur en publieke ruimte, het leger sociaal werkers die de buurt moeten deproblematiseren en een grote sociaaleconomische achterstelling. Eigenlijk zijn beide niet onder dezelfde veralgemenende noemers te plaatsen.

 

De verschillende plaatsen waar kinderen wonen, bepalen sterk het willen, mogen en kunnen gebruik maken van de publieke ruimte[5]. ‘Kinderen willen niet aanwezig zijn in de publieke ruimte omdat ze liever tv kijken, gamen’.‘Kinderen mogen niet aanwezig zijn van hun ouders omdat ze zich niet mogen vuil maken, omdat ouders ze overbeschermen: ‘het grote-boze-wolf-syndroom’. Echter, de eigenlijke vraag is of kinderen kunnen gebruik maken van de publieke ruimte? Vreemd genoeg wordt de dominante toon rond ‘het kunnen’ gebruik maken van de buitenruimte veelal in termen van conflicterende ‘rechten’ gevoerd. De talrijke conflicten op speelpleinen illustreren hoe ‘het recht op spelen’ dan haaks staat op ‘het recht op rust en stilte’. Jammer genoeg sluit dit sterk aan op de juridisering van samenlevingsproblemen in plaats van ze collectief, in overleg en dialoog maatschappelijk op te lossen[6]. Die juridisering van conflicten in de publieke ruimte in termen van 'tegengestelde rechten', houdt bovendien het sociaalruimtelijke en sociaaleconomische discours over ‘het kunnen’ netjes buiten het plaatje. Daardoor worden ongelijke machtsverhoudingen en scheefgetrokken sociaaleconomische relaties die diep gegrift zijn in de buitenruimte uit het debat geweerd, terwijl die net de inzet zijn wat betreft “jongeren en publieke ruimte”. Wie bepaalt namelijk de toegang tot ‘de buitenruimte’? Hoe wordt de sociale strijd om die ruimte gevoerd? Welke belanghebbenden zijn er in die publieke ruimte en welke conflicterende belangen bestaan er? Welke plaats hebben verschillende groepen kinderen en jongeren in dit onderhandelingsproces en hoe kneden ze mee de morfologie van de stad? We geven ter illustratie enkele beleidspraktijken. 

 

Conflicterende beeldvorming en beleidspraktijken

 

Middenin die stedelijke transformatie op globale leest, worden de grenzen van inclusie en exclusie scherp gesteld. Oplossingen worden naar voor geschoven in de vorm van een lawine beleidsinitiatieven voor overlastbestrijding. In het Antwerpse “Stadsplan Veilig” wordt bijvoorbeeld het criminografisch profiel van kwetsbare groepen opgemaakt, zijnde jonge veelplegers, jonge meelopers, Balkankinderen, verslaafde veel- en vaakplegers, risicogezinnen, vuilhufters. Die dubieuze profielen worden vervolgens gekoppeld aan het overlastprofiel van de buurt. Vooral in opgewaardeerde wijken waar de kapitaalkrachtige middenklasse instroomt, is geen plaats voor storende elementen en visuele overlast van dergelijke kinderen en jongeren. Zijn Roma-en Balkankinderen en maatschappelijk kwetsbare jongeren in Antwerpen even welkom als kapitaalkrachtig jong geweld op de Meir? Een ander voorbeeld uit de Kustgemeente Koksijde. Net voor de vakantie van 2009 was er -in de onmetelijke reeks van ‘storende hangjongeren’- onvrede over “de invasie” van skatende jongeren bij de omwonenden van het Casinoplein die klaagden over overlast. De titel van het krantenartikel kopte: “We leven op de rand van het onleefbare”. Een buurtbewoner zei: “Bij mooi weer gaan ze door tot rond 22uur. Het is zowel een probleem van overlast als van onveiligheid.[7]. Ook in Gent was er een tijd geleden (in 2007) nog de actie van de Gentse jeugdraad tegen een regeltje in het politiereglement dat stelt dat georganiseerde activiteiten, en dus ook spelen door bijvoorbeeld jeugdbewegingen, zouden beperkt worden in de stedelijke publieke ruimte. Gelukkig reageerden ook een groep jongeren – en ‘de Hangman campagne’ van de VVJ- uit Mortsel als volgt: “We zijn hangjongeren, ja. Maar we vernielen niets. We zijn geen schorremorrie[8]

 Het ‘kunnen’ betreden van de buitenruimte is, zoals reeds aangegeven, ook verbonden met het bredere verhaal over de veranderende stad. In Brussel bijvoorbeeld duikt het zorgwekkende verhaal op rond de toekomst van het Brusselse “Turn en Taxis”, een grootschalig stadsontwikkelingsproject in de Brusselse Kanaalzone dat deel uitmaakt van het neoliberale ‘Plan voor de Internationale Ontwikkeling van Brussel’ (PIO-Plan) van het Brussels hoofdstedelijk Gewest. Momenteel biedt de site weinig ruimte voor de huidige buurtbewoners in de omgeving, waaronder veel maatschappelijk kwetsbare kinderen en jongeren, in het dense bebouwde Molenbeek.[9] In plaats van een noodzakelijke brug tussen buurten, en een toegankelijke open plaats, vormt het momenteel een ruimtelijke breuk tussen arm en rijk. Via een bouwspeelplaats- helaas beperkt tot het kader van tijdelijk ruimtegebruik- geeft JES de kinderen niettemin de kans openbare ruimte te claimen en een ontmoeting realiseren tussen beleid, privé, jeugdwerkers, media en studiebureau. In veel steden duikt bovendien het probleem van speculatie op waardoor de grondprijzen stijgen. Zoals De Block stelt: “De betaalbaarheid van openbare ruimte in stedelijke gebieden  voor de overheid is dus een reëel probleem. Niet-bebouwde grond is duur! Vooral als je weet dat je daar heel rendabele huizen of kantoorgebouwenop kan bouwen[10].Deze voorbeelden doorbreken de vanzelfsprekende en veralgemeende noemers “kinderen en jongeren” en “buitenruimte”.

 

Besluitend

Meer dan ooit zien we ook dat kinderen en jongeren inherent deel uit van de publieke ruimte en maatschappij, waardoor ze worden beïnvloed en die ze zelf beïnvloeden. Die publieke ruimte en maatschappij zijn echter ingrijpend veranderd, waardoor het contrast tussen de stad en de rand, en tussen rijk en arm verdiept. We worden daardoor steeds vaker geconfronteerd met uitsluitende praktijken alsook met ruimtes die restrictief zijn ten aanzien van bepaalde groepen “kinderen en jongeren” die blijkbaar niet tot dat ‘onschuldige jeugdland’ behoren noch aan de reeds beschreven ideaaltypische beeldvorming van het ideale kind voldoen. Vooral maatschappelijk kwetsbare kinderen en jongeren aan de onderkant van de samenleving ondervinden dagelijkse aan den lijve deze uitsluitende praktijken. Dat roept allerlei pertinente ‘maatschappelijke’ vragen op omtrent burgerschap, uitsluitingmechanismen en ongelijke verhoudingen ‘binnen’ en ‘tussen’ de verschillende groepen kinderen en jongeren. Ondanks de goede intenties van een campagne als de buitenspeeldag, staan de reële exclusieve praktijken haaks op de speeltuinideologie van het ‘buiten spelen’ en de gedepolitiseerde ‘buitenspeeldag’.

 

Problematisch is dat sommige kinderen en jongeren ‘erkend’ worden als legitieme mede-eigenaars aan die publieke ruimte, en mede die ruimte vorm kunnen geven, terwijl andere groepen daar verbaal en fysiek uit geweerd worden[11]. Dit wordt trouwens alleen maar versterkt door de trend om op elke straathoek GAS-ambtenaren te zetten, die als flinkse opzichters de (zeer vaag gedefinieerde) normen en waarden van de samenleving gaan bewaken.[12]

 

Omdat deze bredere maatschappelijke analyse netjes verdwijnt uit het vizier van dergelijke gedepolitiseerde campagnes, blijft het gebrek aan een kritische tegenstem in het jeugdwerk en jeugdbeleid tegen dergelijke sociaalruimtelijke praktijken van klassendiscriminatie.  De reële inzet van ‘het buitenspelen’ kan als volgt worden geherformuleerd: “Welke kinderen kunnen er 'buitenspelen' en welke worden er ‘buiten gespeeld’?” Er is dringend nood aan het ontwikkelen van emancipatorische instrumenten voor de meest maatschappelijk kwetsbare groepen. Net zoals andere groepen kunnen die zo mentaal en fysiekruimtelijk vat krijgen op hun dagelijkse leefomgeving en de buitenruimte. Het wordt daarom tijd dat een deel van de jeugdsector zijn dominante middenklassenvisie doorbreekt en het depolitiserend denkspoor verlaat, zoals enkele jeugdwelzijnsorganisaties dat reeds voordeden.

 

Pascal Debruyne (Doctoraal onderzoeker Universiteit Gent)

 

Een ingekorte versie van dezebijdrage kan U vinden in KRAX(vakblad van het jeugdwerk) van oktober/november 2009



[1]             Van Gils J., Seghers J., e.a., (2008), Buiten Spelen! Onderzoek met betrekking tot de relatie tussen (on)beschikbaarheid van bespeelbare ruimte, de mate van buitenspelen en de gevolgen daarvan op de fysieke, sociale, psychische en emotionele ontwikkeling van de Vlaamse kinderen en jongeren. Meise, Kind en Samenleving. Het onderzoeksrapport is terug te vinden op http://www.k-s.be/node/153.

[2]             Deze kritische lens kwam mede tot stand met de inbreng van Sven De Visscher en Filip Cousseé, Pascal Tuteleers en de opmerkingen van Patrick Manghelinckx en Caroline Claus van JES, Kind en Samenleving (K&S), Dbroeij (Dirk De Block) en UitdeMarge, waarvoor ik hen dank.

[3]    Met depolitisering en politisering bedoelen we hier geenszins dat Jeugdorganisaties niet “beleidsgericht” zouden zijn of onvoldoende verwikkeld zijn in het beleidsorgaan; integendeel zelfs! Politisering duidt net op de marges die jeugdorganisaties nemen van zo’n veralgemenend beleid en in strijd durven gaan tegen vanzelfsprekendheden, dominante denkkaders en niet opgeslokt worden in beleidstentakels.

[4]             DASBERG, L., (1981), Grootbrengen door kleinhouden als historisch verschijnsel, Boom, Meppel.

[5]             DE VISSCHER, S., (2008), De sociaal-pedagogische betekenis van de woonomgeving voor kinderen, Gent, Academia Press.

[6]             DE VISSCHER, S. en BOUVERNE-DE BIE, M., (2006), “De Lauwe gekte. Een gemist debat?” Krax, 6(1), 28-32.

[7]    De Standaard / West-Vlaanderen. “Onvrede over skatende jongeren.“Publicatiedatum: 18 juni 2009

[8]    De Standaard/ Vlaamse Brabant “We worden overal weggejaagd”, Publicatiedatum: 16 april 2009

[9]                   Zoals Dirk De Block aankaart in een persoonlijke mededeling over de nood aan publieke ruimte, ivm een actie van hun jongerenraad voor een park in de wijk, nalv het verdwijnen van  een leeg asfaltpleintje “La Cage” genaamd in Molenbeek. Het gevraagde park zal er dankzij een nieuw wijkcontract uiteindelijk komen: “2/3den van de kinderen in Molenbeek in wonen in gezinnen met 4 kinderen. De gemiddelde oppervlakte van een gezin is 66m². Je moet dus niet verschieten dat kinderen op straat spelen. De "toegankelijkheidsradius" van een openbare ruimte ligt op 400 à 500 meter, opdat een ruimte behoort tot een wijk, zodat mensen (mama's met kinderwagen bvb.) er "spontaan" naar toe zouden kunnen gaan, en kinderen er zelfstandig naartoe zouden kunnen gaan. In onze wijk  wonen 5000 mensen , en 2000 kinderen en jongeren onder 25 jaar.Elk (vlaams) dorp van die afmetingen heeft wel een voetbalterrein , terwijl onze wijk enkel “la cage” heeft, en binnenkort zelfs dat niet?”

[10]  Persoonlijke mededeling van Dirk De Block.

[11]  Naar een gesprek met Patrick Manghelinckx (JES).

[12]          “Door de GAS-wet, die in 2004 werd bijgeschaafd, kunnen de deelnemende steden en gemeenten zelf gemeenschapswachten aanstellen. Een recente studie van de Vereniging voor Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG) laat zien dat steeds meer gemeenten de GAS-wet opnemen in hun politie-reglement. In het voorjaar van 2009 zou liefst 70 procent er al een eigen GAS-reglement op na houden. De omzendbrief over het GAS definieert overlast als "alle gedragingen die het harmonieuze verloop van het dagelijkse leven overschrijden." Vrij naar het artikel: “We kunnen niet op elke straathoek een agent zetten. Maar wel een GAS-ambtenaar.” De Morgen, Publicatiedatum: 21 maart 2009.

 

Afdrukken E-mail

Doneer

Wil je Oikos steunen als onafhankelijk platform? Dan kan door een bijdrage – groot of klein - te storten op BE29 0015 9877 0164 (BIC: GEBA BE BB) van Oikos vzw.

Over Oikos

Oikos wil een toonaangevend forum zijn voor de sociaal-ecologische tegenstroom. Oikos vertrekt vanuit de analyse dat het gangbare economische model ecologisch niet duurzaam is, en dat de emancipatie van velen in onze samenleving en de wereld nog lang niet voltooid is. Oikos behandelt alle dimensies van dit streven naar verandering: de onderliggende ethiek, de analyse van de bestaande toestand, de ontwikkeling van alternatieven en de politieke strategie.

Gratis proefnummer

Wil je graag een gratis proefnummer ontvangen van Oikos? Dat kan! Vul op deze pagina jouw gegevens in en wij sturen jou het laatste Oikos nummer als gratis proefnummer op.