logo

vrijdag, 25 januari 2013 15:56

Komt er nooit een einde aan? Zal het ooit genoeg zijn?

Written by
Rate this item
(1 Vote)

In 1928 voorspelde J.M. Keynes dat er 100 jaar later een vrijetijdmaatschappij zou ontstaan. Het kapitalisme was in staat de productiviteit met rasse stappen te doen stijgen. Daardoor zou er een maatschappij van overvloed ontstaan en dus de materiële behoeften voldaan. Eerst moest de bevolking wel door een onzalig kapitalisme, een pact met de duivel sluiten. Dan lonkte de utopie van de vrije tijd: schaarse arbeidstijd en onbegrensde mogelijkheden om zich aan cultuur en vrijheid te wijden. Dan zouden er andere problemen komen: de mens die een zinvolle invulling moet geven aan die nieuwe vrijheid. Het boek How much is enough? van Robert en Edward Skidelsky inspireerden ons om Keynes’ claim te onderzoeken.

Keynes stond met zijn voorspelling uit 1928[i] in twee tradities van de moderne economie. Enerzijds is er de “stationary state” van Mills, onder meer door Tim Jackson[ii] van onder het stof gehaald. Bernard Mandeville[iii], de Machiavelli van de economie, is de andere poot: private ondeugden hanteren om publieke weldaden te bereiken. De hebzucht van de bezittende klasse zou de “steady state” voor allen realiseren.

Vader (Robert) en zoon (Edward) Skidelsky[iv] vragen zich af waarom Keynes zich zo kon misrekenen. Dat betreft niet het scheppen van een maatschappij van overvloed. Maar zijn toekomstbeeld van een maatschappij met veel vrije tijd faalde in de praktijk van het rijke Westen. Vader Skidelsky is historicus en econoom en schrijver van een lijvige biografie over Keynes. Edward Skidelsky is hoogleraar filosofie. Ze willen door hun samenwerking de economie als “moral science”, zoals bijvoorbeeld bij Adam Smith, opnieuw in herinnering brengen.

De revolutie van 1917: een uitdaging voor het kapitalisme

Keynes steunde niet alleen op denktradities, maar schreef ook vanuit de maatschappelijke context van de jaren 1920, een periode van grondige mutaties, zowel in het economisch leven, als in de politieke en ideologische sfeer.[v]

De voorspelling van een quasi arbeidsloze maatschappij is de utopie van het kapitalisme, volgens Keynes. Deze utopie kon volgens hem beter bereikt worden via de weg van het kapitalisme dan via de weg van het Leninisme. In 1925 publiceerde hij een tekst “A short view of Russia”[vi], waarin hij stelt dat het Leninisme de combinatie is van een nieuwe religie en economie (business), waarbij de religie de economie domineert. Dat was gruwel voor hem. De nieuwe religie belooft op lange termijn hetzelfde als het kapitalisme: materiële welvaart voor iedereen.

Het gepubliceerde essay The economic possibilities for our grandchildren (1930) is een bewerking van de rede van 1928, terwijl ondertussen de Grote Depressie woedt. Volgens Keynes is dat niet de doodstrijd van een afgeleefde vorm, maar de groeipijn van een overgangsfase met veel technologische werkloosheid: het is de overgang naar een industriële maatschappij. Keynes waarschuwt voor de valse profeten in eigen land die vol ongeduld de revolutie prediken: bedevaarders  van het communisme. Hij waarschuwt met evenveel overtuiging tegen de krachten van het behoud, die de maatschappij in volle omwenteling volgens de oude recepten van het ongebreidelde kapitalisme willen laten betijen[vii]. In de biografie van Keynes noemt Robert Skidelsky dit “Keynes’s Middle Way”.

Een ongeziene stijging van de productiviteit: het perspectief van een arbeidsloze maatschappij is verder weg dan ooit!

In 1936 kwam de eerste week betaalde vakantie tot stand in Frankrijk, via de akkoorden van Matignon, door de volksfrontregering Blum gerealiseerd als antwoord op een grote stakingsbeweging. Na de regen in Parijs, druppelde het ook in Brussel. Vroeger al, na de “Groote Oorlog” was in België een overeenkomst bereikt over de achturendag. Na de Tweede Wereldoorlog kwam de vijfdagenweek tot stand. De jaarlijkse vakantie, zoals we die vandaag kennen werd in geprogrammeerde stappen via interprofessionele onderhandelingen[viii] overeengekomen, startend bij het eerste centraal akkoord van 11 mei 1960 (en verder bouwend op het akkoord van 1936). De 40-urenweek, later 38 uren, werd via centrale akkoorden veralgemeend, nadat de metaalvakbonden de spits afbeten en steeds in de voorhoede liepen. In Frankrijk werd de 35-urenweek door Martine Aubry op papier gezet, de Duitse vakbonden (in de spits IG Metall en IG Druck und Papier) staakten in de eerste helft van de jaren 1980 voor de 35-urenweek maar zonder succes.[ix] In die periode wordt de discussie gevoerd om een wissel door te voeren: van lineaire werktijdverkorting naar zelfgekozen onderbrekingen van de loopbaan, afhankelijk van de biografische situatie. Het leverde een veelheid van formules op.

Momenteel zitten we blijkbaar op de weg terug: de arbeidsloopbaan wordt verlengd, er zijn voorstellen om de arbeidsweek terug naar 40 uren te brengen, de formules van onderbreking van de loopbaan worden in een kwaad daglicht gesteld enz… Er zijn natuurlijk demografische redenen aan te halen: de werkloosheid van de jaren 1980 komt nu te voorschijn onder de vorm van een grijze golf en een arbeidsmarkt met knelpunten en toch blijvend hoge en stijgende (jeugd)werkloosheid. In dit tijdsgewricht is iemand zonder werk toch een verdachte: het arbeidsethos moet hersteld worden via lagere uitkeringen bij werkloosheid, als stok achter de deur bij activering, en de gelijkgestelde periodes moeten weggesneden worden uit de pensioensystemen. Europa heeft weer het werkpak aangetrokken, de arbeidsdiscipline moet hersteld. Vrije tijd komt weer dicht bij “het oorkussen van de duivel”.

Het pact met de duivel speelt. Mefisto komt om zijn beloning. We geraken niet meer verlost van de verslaving van de arbeid, van steeds meer groei van materiële goederen en van de geldkoorts. Ook al galoppeert het paard niet meer, we willen de droom van de galop niet opgeven, ook al weten we niet goed waarheen het galopperend paard moet gaan, ook al is er veel deemstering rond de richting. Het kompas van het richtinggevoel is weg.[x]

Wie durft nog spreken over het perspectief van een vrijetijdsmaatschappij? Kan de mens dan niet zonder werken? Is de mens bang van de vrijheid? Is de mens verslaafd aan arbeid als levensvervulling? Of is het werken onder dwang? Is werk het vagevuur om in de hemel van de consumptie te komen? Ligt de stimulans in de arbeid zelf, de schamelheid van de vrije tijd? In onderwijs dat steeds meer in functie van arbeid gedefinieerd wordt en het “leren leven” steeds meer verwaarloost? Of in consumptiehonger?

Op jacht naar steeds meer

Wanneer is er een “staat van het genoeg”? Er zijn veel theorieën over de consumptiedrift van de westerse maatschappij, en die passeren in het boek van de Skidelsky’s de revue.[xi] Ze maken onderscheid tussen individualistische verklaringen en thesen die maatschappelijk gefundeerd zijn. Keynes spreekt in zijn essay over statusconsumptie om de verschillen te accentueren. Dat heeft hij totaal genegeerd bij het formuleren van zijn vooruitzicht, schrijven de Skidelsky’s. Terwijl dat precies doorslaggevend is bij het vermijden dat werk geruild wordt voor tijd voor zelfbeschikking, voor zelf gekozen doelen.

Worden we gelukkiger van het produceren zonder einde?

De Easterlin-paradox (1974) is de laatste decennia een veel besproken onderwerp. De groei maakt ons niet gelukkiger. Dat zou een argument moeten zijn om het wat kalmer aan te doen in die eindeloze jacht naar meer materiële goederen. Daarmee grossieren wetenschap en ook het discours van politici, maar we geraken toch niet verlost van het rekenen in BNP als het gaat om beterschap in de economie, schuldbeheer, budgettaire tekorten, enz… ook niet de economen die vragen stellen bij de bruikbaarheid van deze meetinstrumenten. De verwarring tussen meetinstrument en doel van sociaal- economische politiek blijft daarmee bestaan.

De Skidelsky’s staan wat sceptisch tegen al het survey-geweld en de veelheid van gelukstatistiek. Het gelukdebat heeft een lange geschiedenis in het denken van het oude Westen: geluk als een speling van het lot, als het gevolg van een deugdzaam leven (Socrates en Plato), als deugdzaam leven in gunstige omstandigheden (Aristoteles), als uitgesteld geluk in de leer van het hiernamaals van de christelijke kerken.

Met het utilitarisme[xii] verandert er iets fundamenteels: het objectieve karakter van geluk wordt gewijzigd in een subjectieve definitie. Geluk wordt omschreven als een gemoedstoestand: het vermijden van pijn en het ervaren van genot of plezier. Over de meetbaarheid van gelukstoestanden bestaat twijfel: een zoektocht naar een pikzwarte kat in het pikkedonker stellen de scherpste critici.

De Skidelsky’s vinden surveys betreffende geluk en bronnen van geluksgevoelens niet onnuttig, maar toch schrijven ze: “The assumption underlying the survey method – that we are authoritative judges of our own happiness – is false”[xiii]. Kwaliteit van het bestaan of “het goede leven” kan niet afgeleid worden van tevredenheidsscores bekomen via vragenlijsten. Internationale vergelijkingen zijn bovendien niet zo eenvoudig wegens de problemen bij de vertaling van vragenlijsten. De weg van de resultaten van het onderzoek naar geluksbeleving en beleid is bovendien moeilijk begaanbaar, een kronkelig pad.

Derek Bok is minder afwijzend en gaat met een meer positieve ingesteldheid op zoek naar de mogelijkheden en grenzen van de relatief jonge loot op de stam van de sociale wetenschappen[xiv]. Hij ziet in dit soort onderzoek wel beleidsondersteunende relevantie.

Meer maakindustrie? Meer competitiviteit? Meer export? Minder overheidsbeslag?

Het is begrijpelijk dat er gepleit wordt voor maakindustrie de ochtend na het losbarsten van de financiële crisis. Er werd te veel gesteund op virtuele rijkdom van het financieel kapitalisme. Dan maar terug naar de materiële rijkdom? Competitie om materiële rijkdom te maken? Maken we juist geen crisis mee van de industriële maatschappij door verzadiging van afzetmarkten en enorme productiviteitsverhogingen in de industriële sectoren?

De crisis in de Amerikaanse en Europese auto-industrie illustreren deze ontwikkelingen. De crisis in de automobielindustrie was voorspelbaar. Zelfs het bestaande wagenpark zou met steeds minder mensen gemaakt worden tengevolge van de productiviteitsverhogingen door de robotisering van de lasstraten, de automatisering van de verfafdelingen, enz… De auto-industrie is steeds kapitaalsintensiever geworden. Alleen dit gegeven al zou leiden tot personeelsafbouw per bedrijf en tot minder bedrijven. Als op een verzadigde afzetmarkt economisch snellere veroudering bovendien afgeremd wordt, zodat nieuwe modellen en nieuwe designs elkaar minder snel kunnen opvolgen dan neemt de concurrentie steeds meer toe tussen fabrieken binnen eenzelfde land, eenzelfde continent en eenzelfde concern. De verkeerscongestie zorgt bovendien voor een productiviteitsvermindering in het verkeer, zodat naar nieuwe formules van verplaatsen van en naar het werk moet gezocht worden en ook naar nieuwe formules van werkorganisatie, zoals telewerken. En dan blijft de ecologische argumentatie nog buiten beschouwing om te zoeken naar andere opvattingen over verplaatsen en andere concepten van transportsystemen. In ieder geval zou een geordende afbouw van de auto-industrie in Europees verband, gepaard aan reconversie, veel leed bespaard hebben. Maar dat was in het kader van een industriële politiek nooit een agenda.

Is een pleidooi voor meer maakindustrie dan niet de illusie koesteren dat door goedkopere productie en/of meer geperfectioneerde producten, meer uitvoer mogelijk wordt? Binnen Europa? Dat lost niet zoveel op. Buiten Europa? Dan zal de productie dicht bij de afzetmarkten plaatsvinden wegens de groeiende transportkosten, en voor de tewerkstelling in Europa niet zoveel baat brengen. Misschien wel voor investeringskapitalen in Europa en dan gaat het om een uitweg voor het beleggen van grote en (steeds) grotere vermogens.

Of gaat het om een verdoken pleidooi voor het afbouwen van de verzorgingsstaat en/of de toegankelijkheid van de verzorgingsstaat door meer eigen bijdragen van de burgers in de gezondheidszorg, duurder (hoger) onderwijs, duurdere culturele voorzieningen, nog duurdere ouderenzorg… Of zouden de ouderen kunnen geëxporteerd worden??? Juist daar zijn er mogelijkheden voor meer tewerkstelling, maar dat vereist een grotere collectieve vraag en dus minstens een behoud van het overheidsbeslag.

Meer maakindustrie veronderstelt vooral nieuwe producten die de kwaliteit van het leven substantieel verbeteren, de efficiëntie bij het gebruik van grondstoffen verhogen en ook tewerkstelling meebrengen. Niet, meer van hetzelfde door de economische levensduur te verkorten. Maar ligt dit tot stand brengen van nieuwe producten zo maar voor de hand? Natuurlijk is investeren in wetenschappelijk onderzoek van heel groot belang, maar de weg naar meer tewerkstelling in de maakindustrie is ijdele hoop. Er is natuurlijk export nodig om de noodzakelijke of de onvermijdbare import te financieren. Maar export is geen doel op zich. De “religie” van de concurrentiekracht is vaak een spel van “beggar thy neighbour” ten koste van de minst sterken in de maatschappelijke machtsverhoudingen.

Zou het onheil van de klimaatverandering geen reden zijn om de groei af te zweren?

De klimaatwetenschap komt met steeds meer gegevens betreffende de klimaatwijzigingen en hun gevolgen voor de kwaliteit van het leven op deze wereld. Het ecologisme schurkt dicht aan bij de klimaatwetenschap. En dat is wetenschap van hoog niveau. Wetenschap is altijd ook onderlinge discussie en onzekerheid. Er is niet alleen de steeds aanwezige marge van onzekerheid, maar ook de vrees voor grote problemen en de dreiging met de Apocalyps in extreme formuleringen, het flirten met een vorm van ondergangsdenken bij de publieke communicatie van de risico’s. Het ecologisme mag zich niet verbinden met een in het joods-christelijke Westen van oudsher aanwezige onderstroom van “het einde der tijden”. De Maya’s daarentegen positioneerden hun kalender als “het begin van een nieuw tijdperk”.

Het vaststellen van feiten en mogelijke scenario’s in een eerste stap, het vertalen naar beleid is een andere. Er is nood aan positief mobiliserende verhalen. De kritiek op het alleen aanbrengen van de noodzaak tot beleidswijzigingen via de dreiging van gevaar zwelt aan, ook in kringen die niet kunnen beschouwd worden als klimaatsceptici of klimaatnegationisten die grote belangen te verdedigen hebben.

Niet alleen de klimaatwetenschap en het zoeken naar een wetenschappelijke consensus via het IPCC leverde belangrijke bijdragen aan het opmaken van de stand van zaken. Ook de economische wetenschap leverde een bijdrage aan onze inzichten. Het Stern-rapport[xv] berekende de economische kost van het negeren van het somberste scenario van het IPCC. Het IPCC werkt immers met meerdere scenario’s. Het team van Stern heeft in ieder geval de economische consequenties van de afwezigheid van beleid op het gebied van de opwarming van het klimaat op de agenda gezet.

De discussie tussen Stern en William Nordhaus[xvi] is gekend in de wereld van de klimaateconomie. Het debat gaat onder meer over de “discount rate”: welk gewicht wordt toegekend aan de nu levende generaties en de “komende generaties”. Nordhaus kent minder gewicht toe aan de komende generaties bij zijn berekeningen van de spreiding van de economische kost. Stern geeft een gelijk gewicht aan vandaag en morgen. De vertaling van wetenschap naar beleid loopt dus niet zo eenvoudig. Het is een debat over intergenerationele solidariteit en de noodzaak van de (verdeling van) offers vandaag in verhouding tot de offers van morgen.

De economische expertise betreffende de opwarming van het klimaat is de uitdrukking van het “utilitaire ecologisme”: de natuur is van belang voor de mens. Daar staat het “diepe ecologisme” tegenover, stroming die de natuur als een waarde op zich ziet. De Skidelsky’s stellen dat er diverse opvattingen over natuur zijn en dat dus ook het zien van de natuur als een waarde op zich een menselijk standpunt is. “Antropocentrisme” is een noodzakelijk gevolg van dit gegeven. Ze pleiten ervoor om het in harmonie leven met de natuur als onderdeel te beschouwen van het goede leven voor de mens. Ze pleiten dus voor wat ze “good-life environmentalism” (p. 141) noemen.

Een publiek debat over “het goede leven” is noodzakelijk

Het Westen is het debat over “het goede leven”[xvii] verleerd. Het einde van de ideologie en het einde van de grote verhalen waren offers op het altaar van de technocratie en het pragmatisme. De utopie geraakte uitgeput, dodelijk vermoeid. Utopie wordt geassocieerd met het onbereikbare of de perfecte a–historische droom, niet als het gewenste toekomstbeeld via begaanbare paden. Dat is geen goede zaak.

Over de verhouding tussen wetenschappelijke bevindingen en beleid moet opnieuw juist gedacht worden. Wetenschap kan de strijd tussen waarden niet beslechten of vervangen. Waarden zijn in de wetenschapspraktijk in het geding bij de keuze van onderwerpen, de analyse moet objectiverend zijn en met afstandelijkheid plaatsvinden, het vertalen van wetenschappelijke bevindingen naar beleid of actie wordt bemiddeld door een debat over waarden, visies, doctrines, ideologieën[xviii]. Het is altijd een werk van een warm hart en een koud hoofd. Ook de koude hoofden van de wetenschap treden in discussie over hypothesen, theorieën, het gewicht van variabelen en hun effecten. Het is in deze sfeer ook een voortdurend debat over de betekenis en het gewicht van de feiten.

Opvattingen over het goede leven kunnen bevindingen van wetenschappers niet negeren. Maar het is van belang dat het debat gaat over een positief verhaal over levensstijlen en maatschappelijke ordening. Zich terugtrekken in kleine gemeenschappen die het goede leven uitproberen is niet voldoende. We dreigen dan te verzanden in machteloze waarden. Maar dit “klein is mooi” is nodig, wil de (grote) politiek niet verzanden in waarde(n)loze machten[xix].

Keynes, Gorz en de Skidelsky’s

We willen nu – weliswaar op een al te schetsmatige manier – onze problematiek belichten vanuit het werk van André Gorz[xx], wiens geschriften meer weerklank kenden in Duitsland dan in Frankrijk. In zijn denken zit een hele evolutie. Schematisch: van marxisme tot ecologisme. In zijn vroege werk is de weg naar het ecologisme als het ware embryonaal aanwezig. In Stratégie ouvrière et néocapitalisme (1964) besteed hij veel aandacht aan de kritiek op de exclusieve verdelingspolitiek van de vakbeweging. Hij kritiseert de beperking tot looneisen en vraagt meer aandacht voor vraagstukken als wat produceren en hoe produceren. De discussie over de investeringspolitiek en de arbeidsorganisatie zijn voor de vakbeweging van levensbelang. Hij verbindt de problematiek van de aliënatie binnen de arbeid aan de finaliteit van arbeid en productie: een meer bewoonbare wereld.

In Adieux au prolétariat. Au delà du socialisme (1980), schrijft Gorz over de crisis van het marxisme, geworteld in de vernietiging van de polyvalente technicus[xxi]. Eerst het taylorisme en nu de nieuwe golf van robotisering en informatisering is een stelselmatige vernietiging van de mogelijkheid tot bevrijding in en via de arbeid. Door zijn dialoog met het syndicalisme in Frankrijk, vooral met de CFDT, verdedigde hij lang het leerstuk van de “autogestion” als motor van het anti - kapitalisme.[xxii] Door de vernietiging van de geschoolde industriële vakarbeid gaat hij steeds meer twijfelen aan de mogelijkheden van deze route. Hij gaat daarbij wel vlug voorbij aan het steeds meer sluiten van de poriën (de dode arbeidstijd) in de overblijvende arbeidstijd. Schematisch: “autogestion” als utopie wordt vervangen door “autonomie”(“l’autogestion du temps”): meer tijd voor zelfgekozen doelen; dus de evolutie bewerkstelligen van heteronome arbeid, naar autonome arbeid, de reis van “het rijk van de noodzaak” naar het “rijk van de vrijheid”.

Gorz ziet alleen nog bevrijding van de arbeid mogelijk als realiseerbare utopie. Hij sluit hierbij nauw aan bij wat Keynes als wenselijk toekomstbeeld formuleerde voor de post-kapitalistische overvloedsmaatschappij. In Les chemins du Paradis. L’agonie du Capital (1983) werkt Gorz die gedachtengang uit. Volgend citaat vat hem samen: “La révolution micro-électronique inaugure l’ère de l’abolition du travail”[xxiii]. We zitten volop in de crisis van de jaren tachtig. De zachte crisis vanaf midden de jaren zeventig is omgeslagen in een harde (jeugd)werkloosheidscrisis, gevolg van het samengaan van demografie, duurdere energie, verzadiging van afzetmarkten en beginnende robotisering en informatisering van productieprocessen.

Gorz heeft kritiek op de keynesiaanse politiek[xxiv] van vraagstimulering. Hij stelt de mogelijkheid van een relancepolitiek via de individuele consumptie in vraag: « Les causes structurelles de la crise expliquent l’échec de toutes les tentatives de ‘relance de la croissance’. Les ‘relance par la demande’ se sont heurtées à la saturation du marché des produits industriels jusque-là porteurs : électroménager et automobile »[xxv]. Relance via klassieke industriële investeringen leidt tot meer overproductie en meer vernietiging van arbeid, want de robotisering en informatisering zijn vooral diepte-investeringen.

Gorz’ these is dat stimuleren van de economische groei niet meer bijdraagt tot een meer bewoonbare wereld, maar integendeel tot vernietiging van een meer bewoonbare wereld. Ook al schrijft Gorz over de crisis van het marxisme – wat te maken heeft met zijn analyse van de verschuivingen in de wereld van de arbeid – toch blijft zijn denken een eigenstandig onderdeel van de anti-kapitalistische stromingen.

De Skidelsky’s zijn niet beïnvloed door anti-kapitalisme. Maar evenals Gorz (vanaf de jaren 1980) pleiten ze (vandaag!) voor een substantiële vermindering van de arbeidsduur en meer tijd voor zelf gekozen activiteiten, voor betere sociale contacten, voor vriendschap, voor een rijker gemeenschapsleven. Dat laatste doet hen zeggen dat er meer aandacht moet komen voor het lokale leven en dat veel meer scepticisme ten aanzien van steeds meer centralisatie nodig is.

Het is dan nodig dat we ons bevrijden van de consumptiedwang om ons te willen onderscheiden van de andere. Ze pleiten daarom ook voor reductie van de inkomensverschillen, voor belasting op consumptie, voor een goed uitgebouwde en voor iedereen toegankelijke verzorgingstaat. Ze pleiten voor de reductie van reclame (dus ook voor het verdwijnen van bestendige reclameboodschappen op uw laptop, gerichter dan ooit door de strategie van informatieanalyse van “Google”. Wie boeken aankoopt via Amazon krijgt aanlokkelijke titels op zijn/ haar scherm. De muisklik is vlug…).

Ze kritiseren de opvattingen van de “libertarians “, die overal bevoogding zien en paternalisme. De staat moet het gemakkelijker maken om het goede leven na te streven. Levensstijlen kunnen  aangemoedigd en ontraden worden door overheidspolitiek, dat  moet geen dwang zijn. Ze willen ook het debat voeren over een basisinkomen voor iedereen, los van de arbeidsbijdrage. Ook Gorz leverde een bijdrage tot dit debat.

Zowel voor Gorz, als voor de Skidelsky’s is de utopie van Keynes, vandaag praktisch realiseerbaar. Het is ook wenselijk om een “goed leven” te leiden.

Paul Everaert

22 januari 2013



[i] J.M. Keynes, Economic possibilities for our grandchildren (1930), in Essays on Persuasion, uitgave Classic House Books, 2009, p. 192-202.

[ii] Tim Jackson, Prosperity without growth. Economics for a finite planet, 2009,p.122 “After all, John Stuart Mill, one of the founding fathers of economics, recognized both the necessity and desirability of moving eventually towards a ‘stationary state of capital and wealth’, suggesting that it ‘implies no stationary state of human improvement’.

[iii] Bernard Mandeville, The Fable of the Bees, or Private Vices, Publick Benefits (1714 en 1723). Mandeville schreef niet in het Latijn, maar in het Engels. Deze arts, Rotterdammer van geboorte, leefde in Londen. Onlangs werd zijn werk in het Nederlands vertaald: De wereld gaat aan deugd ten onder, Lemniscaat, 2006.

[iv] Robert Skidelsky and Edward Skidelsky, How much is enough? The love of Money and the case for the Good Life, Allen Lane, 2012.

[v] Robert Skidelsky, John Maynard Keynes. The economist as saviour. 1920-1937, MacMillan, 1992, Volume 2. Voor de situering van deze teksten van Keynes, vooral Chapter 7, p. 219-241.

[vi] J.M. Keynes, A short view of Russia, in Essays of Persuasion, p. 161-169.

[vii] J.M. Keynes, Am I a liberal? (1925), in Essays on Persuasion, p. 175-184 en Liberalism and Labour (1926), p. 184-187.

[viii] Voor een kort overzicht zie Herman Deleeck, De architectuur van de welvaartsstaat opnieuw bekeken, Acco, 2001, p. 247-251.

[ix] Walther Müller-Jentsch, Gewerkschaften und Soziale Marktwirtschaft seit 1945, Reclam Sachbuch, 2011, p. 124 e.v.

[x] De discussie over innovatie is daar illustratief voor. Zie het recent nummer van The Economist, January 12th-18th 2013 (The growing debate about dwindling innovation). Vooral het debat rond de paper van de hoogleraar macro-economie Northwestern University,Robert Gordon, Is U economic growth over? Faltering innovation confronts the six headwinds, NBER, Working Paper Series, August 2012.William Janeway, Growth out of Time?, Project Syndicate, January 17, 2013.

[xi] Robert Skidelsky and Edward Skidelsky, oc, p. 33-42.

[xii] Voor een summiere behandeling van het utilitarisme en het verschil tussen Jeremy Bentham (1748-1832) en John Stuart Mill (1806-1873) zie het tweede hoofdstuk van Michael J. Sandel, Justice. What’s the right thing to do? Farrar, Strauss and Giroux, 2009, p. 31-57.

[xiii] Robert Skidelsky & Edward Skidelsky, oc, p. 111.

[xiv] Derek Bok, The politics of Happiness. What government can learn from the new research on well-being, Princeton University Press, 2010.

[xv] Nicholas Stern, The economics of climate change. The Stern Review, Cambridge University Press, 2006.

[xvi] William Nordhaus, A Question of balance, Weighing the options on global warming policies, Yale University Press, 2008. William Nordhaus is mede-auteur van de laatste edities van het bekende handboek van Paul Samuelson, Economics.

[xvii] De opvattingen van Robert en Edward Skidelsky zijn te vinden in hoofdstuk 6 “Elements of the Good Life (p. 145-179) en hoofdstuk 7 “Exits from the rat race (p. 180-218) van oc.

[xviii] Onvermijdelijk schatplichtig aan Max Weber, Wissenschaft als Beruf (1917/1919), Politik als Beruf (1919), J.C.B. Mohr (Paul Siebeck), Tübingen, Max  Weber Gesamtausgabe, 1992. Max Weber, Wetenschap als beroep en roeping, Samson, Alphen a/d Rijn, 1970, met een boeiend nawoord van E.Tellegen, Waardevrijheid: toen en nu.

Met andere accenten P. Thoenes, Utopie en ratio, Rede uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van hoogleraar in de sociologie aan de Rijksuniversiteit te Utrecht, 3 november 1969, Boom, Meppel en zijn Van Wetenschap tot utopie. Opstellen voor overmorgen, Boom, 1976.

[xix] Een formulering in deze zin is opgepikt bij Fons Smets, voormalig directeur van de Sociale Hogeschool Heverlee, in een gesprek begin jaren zeventig.

[xx] In deze bijdrage worden slechts enkele scharnieren in de ontwikkeling van het denken van Gorz geborsteld. In een latere bijdrage worden de invloeden - buiten het existentialisme van Sartre en het marxisme - van Hannah Arendt en Illich geschetst.

[xxi] Gorz leunt hier sterk aan bij de these van Harry Braverman, Labor and Monopoly Capital. The degradation of work in the Twentieth Century (1974) die stelt dat het monopoliekapitalisme onvermijdelijk leidt naar dekwalificatie van de arbeid. De Duitse arbeidssociologie is meer genuanceerd en ziet zowel dekwalificatie als rekwalificatie: H. Kern en Michael Schumann, Das Ende der Arbeitsteilung? Rationalisierung in der industriellen Produktion, Verlag C.H. Beck, 1984. Meer vanuit organisatiesociologische hoek de Leuvense Geert Van Hootegem, De draaglijke traagheid van het management. Tendensen in het productie- en personeelsbeleid, Acco, 2000.

[xxii] In het (zwakke) syndicalisme in Frankrijk heeft dit leerstuk een eigen traject doorlopen dat sterk aansluit bij de oude (Franse) traditie van het anarcho-syndicalisme. Zie onder meer Daniel Chauvey, Autogestion, Seuil, 1970 (met een préface van Edmond Maire van de CFDT, Serge Mallet, Le Pouvoir ouvrier, Denoël, 1971 en Pierre Rosanvallon, L’âge de l’autogestion, Seuil,1976.

[xxiii] André Gorz, Les chemins du Paradis. L’agonie du Capital, Editions Galilée, 1983, p. 73.

[xxiv] J.M. Keynes, The General Theory of Empoyment, Interest and Money (1936) (first edition). Dit is het meest bekende werk van Keynes en de basis van de keynesiaanse politiek zoals praktisch toegepast. Het probleem is dat deze politiek procyclisch toegepast werd en wordt en niet anti-cyclisch. In feite dus niet-keynesiaans. De vraagstimulering werd vooral ingevuld met aanwakkeren van individuele consumptie (ook via belastingsverminderingen die niets met stimuleren van consumptie te maken hadden, maar in een bepaalde fase met het versterken van het sparen en het stimuleren van het financieel kapitalisme), minder als investeringspolitiek door de overheid en uitbouw van de verzorgingsstaat.

[xxv] André Gorz, Les chemins du Paradis. L’agonie du Capital, p. 39.

 

 

 

 

 

 

Read 11739 times Last modified on woensdag, 19 maart 2014 15:20

Doneer

Wil je Oikos steunen als onafhankelijk platform? Dan kan door een bijdrage – groot of klein - te storten op BE29 0015 9877 0164 (BIC: GEBA BE BB) van Oikos vzw.

Over Oikos

Oikos wil een toonaangevend forum zijn voor de sociaal-ecologische tegenstroom. Oikos vertrekt vanuit de analyse dat het gangbare economische model ecologisch niet duurzaam is, en dat de emancipatie van velen in onze samenleving en de wereld nog lang niet voltooid is. Oikos behandelt alle dimensies van dit streven naar verandering: de onderliggende ethiek, de analyse van de bestaande toestand, de ontwikkeling van alternatieven en de politieke strategie.

Gratis proefnummer

Wil je graag een gratis proefnummer ontvangen van Oikos? Dat kan! Vul op deze pagina jouw gegevens in en wij sturen jou het laatste Oikos nummer als gratis proefnummer op.