Denktank voor Sociaal-Ecologische Verandering

Milieu en Natuur

Milieu en Natuur (10)

Verdwijnen van natuur gaat niet enkel over dieren en planten. Het is onze eigen toekomst die op het spel staat

08 augustus 2019 by Milieu en Natuur 584 Views
Myriam Dumortier

Written by

'Natuurherstel in alle hoeken van de wereld, met lokale mensen op lokale maat, is een investering waarvan -als we snel genoeg zijn- niet alleen de biodiversiteit maar ook de hele mensheid de vruchten zal plukken', schrijft Myriam Dumortier van denktank Oikos in Knack (07/08/2019).Dat we in ijltempo naar koolstofneutraliteit moeten, en fossiele brandstoffen onder de grond moeten houden, dat kan geen zinnig mens nog betwisten. Met 'nog maar' 1°C mondiale temperatuurstijging slaan de hitte- en droogterecords ons om de oren, zelfs in ons relatief gespaarde West-Europa. 

Dat de urgentie om natuur te beschermen en te herstellen even groot is, dringt minder goed door. Het is een complexer verhaal dat zich, in tegenstelling tot de klimaatcrisis, niet zomaar in enkele cijferreeksen laat vatten. Natuurdegradatie gaat trouwens niet alleen over bedreigde plant- en diersoorten, het is onze eigen toekomst die op het spel staat. 

Het gebrek aan prioriteit voor natuurherstel wordt treffend geïllustreerd door de Vlaamse bosuitbreiding. Twintig jaar geleden koos een vooruitziend Vlaanderen voor 10.000 ha extra bos. Vandaag kan deze bosuitbreiding de tred van de ontbossing nog altijd niet bijbenen, vernietiging verloopt sneller dan herstel. Voor andere ecosystemen geldt hetzelfde.

Verdwijnen van natuur gaat niet enkel over dieren en planten. Het is onze eigen toekomst die op het spel staat.

Wanneer twee maand geleden Zuid-Limburg alweer modder moest scheppen, was nochtans niet alleen klimaatverandering, maar ook natuurdegradatie aan zet. Stortregen op gedegradeerd land betekent watererosie, alsook gebrekkige waterinfiltratie, gevolgd door droogte, en daarna winderosie, enzovoort. Klimaat- en natuurdegradatie versterken elkaar en sleuren ons, via de vicieuze cirkel van meer en meer degradatie, een woelig Antropoceen binnen.

Maar het omgekeerde kan ook, klimaat- en natuurherstel -zo lang ze nog mogelijk zijn- versterken elkaar ook. Mits enige inspanning kunnen we de virtueuze cirkel van het herstel op gang trekken, met een cascade aan voordelen.

Natuurherstel in het klimaatplan

Een recent artikel in Science geeft de aanzet: als we wereldwijd waar gepast streekeigen bomen zouden planten, kunnen we de volgende 50 à 100 jaar 200 miljard ton koolstof uit de atmosfeer halen, zijnde twee derde (!) van de 300 miljard ton koolstof die we sinds de industriële revolutie in de lucht pompten. Het lijkt een miraculeuze reddingsboei om toch nog -zoals in Parijs afgesproken- de mondiale temperatuurstijging binnen de 2°C en bij voorkeur binnen de 1,5°C te houden, en ons nageslacht een enigszins leefbaar Antropoceen na te laten. Maar er is haast bij, want schoorvoetend maakt klimaatverandering delen van deze planeet onleefbaar, ook voor bomen.

In Vlaanderen zouden we, uitgaande van een vastlegging van ruwweg 120 ton koolstof per hectare bebossing, met onze 10.000 ha extra bos 1,2 miljoen ton extra koolstof kunnen opslaan. Indien we daarnaast ook andere ecosystemen herstellen, zoals wetlands in riviervalleien, zou het cijfer verder oplopen.

In onze 110.000 ha Vlaamse tuinen zouden we, mits een meer natuurlijke inrichting, nog eens 0,9 miljoen ton extra koolstof kunnen opslaan. En als we onze meer dan 600.000 ha landbouwpercelen weer met hagen en houtkanten zouden omzomen, en die 5% van de oppervlakte zouden gunnen, dan kan dit nog eens 3,6 miljoen ton koolstof opleveren. Voeg daarbij de omslag naar een agro-ecologische landbouw, waarbij landbouwbodems veel meer koolstof vasthouden, alsook ontharding en veel meer beplanting in de stedelijke omgeving, aangevuld met groendaken, dan komen we aan een vastlegging van minstens 6 miljoen ton koolstof.

Als we dit dan combineren met een volledige bescherming van onze bestaande ecosystemen én een snelle transitie naar koolstofneutraliteit, dan zouden we pas een klimaatplan hebben.

En laat koolstofopslag nog maar één van de vele troeven van natuurherstel zijn. Ook voor de watercrisis is de winst meervoudig. Met al die extra bomen, struiken en kruiden, en bodems vol organisch materiaal en leven, zou regenwater veel beter insijpelen en onze grondwatervoorraad beter op peil blijven. Met natuurherstel krijgt het landschap zijn hydrologische functie terug. Als we snel genoeg handelen zouden we het vermaledijde afschakelplan tot een nare droom kunnen herleiden. Ondertussen zouden we ook modderstromen en wateroverlast vermijden, dit laatste mede dankzij de herstelde wetlands die rivieren extra ruimte geven.

In de stedelijke omgeving zouden ontharding en extra beplanting niet alleen de waterinfiltratie maar ook de leefbaarheid verbeteren, niet in het minst tijdens hittegolven, wanneer elke grote boom de verkoeling van 10 airco's biedt. Bovendien zou het groen de lucht zuiveren. Alles bijeen zou het onze gezondheidsuitgaven temperen en vroegtijdige sterfgevallen -zoals tijdens de hittegolf van 2003 wanneer in Europa 70.000 meer mensen stierven dan in vergelijkbare periodes- vermijden.

Op het platteland zouden hagen en houtkanten, naast het vasthouden van water en vruchtbare bodem, de gewassen tegen hitte en wind beschermen. De fauna in hagen en houtkanten zou ziekten en plagen helpen beheersen, en de bestuiving van gewassen verzekeren. Enkele maanden geleden nog beklemtoonde de Wereldvoedselorganisatie het vitale belang van de biodiversiteit voor de voedselproductie.

Naar een andere vooruitgang

Een herstelde natuur zou ons toelaten om meer samen met in plaats van tegen de natuur te werken, denk aan wetlands die neerslagpieken opvangen en dijkverhogingen overbodig maken. Of agro-ecologische landbouw, met diversiteit in plaats van monocultuur, natuurlijke evenwichten in plaats van chemische bestrijding, en daarmee ook kleinschaligheid in plaats van grootschaligheid, korte menselijke in plaats van lange schandaalgevoelige voedselketens, en veel minder energieverbruik en dus minder klimaatverandering (daar is de virtueuze cirkel weer). De boer zou autonomie en veerkracht terugwinnen en de kreet om rampenfondsen en weersverzekeringen zou vervagen.

Samenwerken met de natuur kan de veerkracht van de hele samenleving ten goede komen.

Het streven naar samenwerking met de natuur is geen nostalgie, in het verleden hebben we ons immers vooral tegen de natuur verweerd. Waar we nu voor staan is een compleet nieuwe zoektocht naar een andere vooruitgang binnen de evenwichten van de herstelde natuur, denk aan de ontwikkeling van slimme lichte werktuigen die het werk op het land vergemakkelijken zonder de bodem te beschadigen, dit in contrast met de huidige steeds zwaarder wordende landbouwmachines. Deze lichte werktuigen vergen wel meer mensen op het land, maar in onze hectische samenleving is er net groeiende behoefte aan eenvoudig werk in de natuur, en ook mensen uit onleefbaar geworden rurale streken elders in de wereld zouden er een plek kunnen vinden. Samenwerken met de natuur kan de veerkracht van de hele samenleving ten goede komen.

Of dit allemaal wel realistisch is? De wetlands zullen alvast veel langer standhouden dan de dijkverhogingen. En wat de agro-ecologische landbouw betreft, de Franse denktank IDDRI becijferde dat deze iedereen van voldoende en gezond voedsel kan voorzien, op voorwaarde dat we minder vlees eten. De vraag is eerder of het realistisch is om geen werk te maken van natuurherstel.

Natuurherstel in alle hoeken van de wereld, met lokale mensen op lokale maat, is een investering waarvan -als we snel genoeg zijn- niet alleen de biodiversiteit maar ook de hele mensheid de vruchten zal plukken. Volgens de Verenigde Naties is er nu al elke week ergens in de wereld een klimaatramp. Hoe sneller we de natuur herstellen, hoe meer rampen we kunnen vermijden. Waar wachten we op?

Dit artikel verscheen op 07/08/2019 in Knack.

Read more...

Het verborgen leven van bomen

22 juli 2019 by Milieu en Natuur 548 Views
Myriam Dumortier

Written by

Volgens Frank Deboosere voorspellen verschillende weermodellen dat we op donderdag 24 juli 2019 de warmste dag ooit zullen beleven sinds het begin van de metingen in Ukkel in 1833 (DS, 22/07/2019). In het debat hoe we deze hitte kunnen trotseren, of temperen komt de verkoelende functie van bomen steeds vaker op de voorgrond te staan. Maar bomen hebben naast hun verkoelend effect nog tal van andere functies. Myriam Dumortier bespreekt in Oikos-tijdschrift 83 het inspirerende boek van Peter Wohlleben over het verborgen leven van bomen. Ontdek hier hoe bomen koelte kunnen bieden tijdens periodes van extreme hitte. Wil je graag meer lezen vraag dan hier een gratis proefnummer aan of kom hier meer te weten over een abonnement op het Oikos-tijdschrift

Peter Wohlleben, Het verborgen leven van bomen, Amsterdam, A.W. Bruna Uitgevers B.V., 2016, 222 p.

Bomen dienen tot zoveel veel meer dan om gekapt te worden, bossen zijn zo oneindig veel meer dan een verzameling bomen. Wie dit boek leest zal daar nooit meer aan twijfelen. Peter Wohlleben brengt wetenschappelijke inzichten en jarenlange nauwgezette observatie samen in een indringend boek, waar hij op heel toegankelijke, vrolijk antropomorfische wijze over het leven van bomen verhaalt.

Het valt niet op, maar in het bos is er altijd een geroezemoes van jewelste. De inwoners van het bos communiceren met elkaar, niet alleen via geluid, maar ook via geur, optisch, en zelfs elektrisch dankzij een soort zenuwcellen aan de wortelpunten. Wanneer een insect zich aan de wortels van een boom vergrijpt, herkent de boom het insect aan het speeksel en sturen zijn bladeren geurstoffen uit, die uitroepen welk insect aanvalt. De dierenwereld registreert deze geuren, en meteen snellen de juiste predatoren te hulp, verlekkerd op het aanvallende insect. Wanneer een ander insect de bladeren van de eik probeert, pompt deze prompt giftige looistoffen naar zijn bladeren, daar gaat de maaltijd... Bomen communiceren ook via hun wortels met elkaar, rechtstreeks of via schimmeldraden, het ‘wood-wide-web’, een theelepel bosaarde bevat gemakkelijk een kilometer van die schimmeldraden. Zo waarschuwen eiken elkaar voor het aanvallende insect, en meteen pompen alle eiken uit de omgeving looistoffen naar hun bladeren en zit er voor de aanvallers niets anders op dan afdruipen.

Over wat en hoeveel wordt uitgewisseld, is nog maar heel weinig geweten. Aan de wortelpunten van bomen werden neuronale structuren en moleculen aangetroffen, die als soortgelijke vorm ook bij dieren bestaan. Deze inzichten brengen de opdeling tussen planten en dieren aan het wankelen. Maar deze opdeling is hoe dan ook des mensen, de natuur laat zich niet zomaar in vakjes ordenen. Wat alvast duidelijk is, is dat cultuurplanten het vermogen om met elkaar te communiceren kwijtgespeeld zijn, een van de vele redenen waarom ze zo gemakkelijk ten prooi vallen aan allerlei plagen. Misschien moeten veredelaars weer wat meer spraakzaamheid inkruisen in graan en aardappelen, stelt Wohlleben. Alleen, hoe begin je daar aan?

Telkens opnieuw zet dit boek ons als mensheid op onze plaats, en moeten we toegeven hoe weinig we maar van de natuur begrijpen.

Bomen dragen veel zorg voor elkaar, vooral beuken zijn zeer sociaal. Met behulp van zonlicht produceren hun bladeren grote hoeveelheden suikers, maar soms is er een boom bij wie het allemaal niet zo goed meer lukt. Dan stoppen de sterkere bomen uit de omgeving hem suikers toe via de wortels. Want het welzijn van de bomen hangt af van hun gemeenschap. Veel bomen samen matigen extreme warmte en kou en zorgen voor voldoende luchtvochtigheid. Ook de dikke vochtige humuslaag zorgt voor koelte in het bos. En met hun takken stutten de bomen elkaar. Alleen in een dergelijke beschutte omgeving kunnen bomen zeer oud worden. Want in het bos heerst de traagheid.

Beuken worden geslachtsrijp wanneer ze 80 tot 150 jaar oud zijn, vanaf dan werpen ze om de vijf jaar zo’n 30.000 beukennootjes af, een frequentie die toeneemt door klimaatverandering. Indien ze 400 jaar oud worden produceren ze dus zo’n 1,8 miljoen beukennootjes. Statistisch gezien kan maar één beukennootje de oude moederboom opvolgen, een bijzondere gedachte, zo had ik het nog nooit bekeken. Wanneer bosbomen vruchten afwerpen volgt er feest bij reeën en everzwijnen, die het bos afschuimen tot het laatste vruchtje is verorberd. Dat is echter niet de bedoeling. Door onderling af te stemmen en maar om de paar jaar vruchten af te werpen, zorgen de bomen ervoor dat de wildpopulatie zich niet kan aanpassen aan hun vruchtproductie, en dat er tijdens ‘mastjaren’ toch meer vruchten zijn dan de dieren kunnen oppeuzelen. Zo kunnen ze kiemen.

Onder de reusachtige kroon beschermt de moederboom de jonge boompjes. Via de wortels neemt ze contact met hen op om hen met suikers en andere voedingsstoffen te bevoorraden. Doordat maar 3 procent van het zonlicht de bodem bereikt, groeien kleine beuken zeer langzaam, waardoor hun houtcellen klein blijven en hun stammen sterk worden, weerbaar tegen de stormen en aantastingen die de komende eeuwen op hen af komen. Zo wachten de boompjes vele tientallen jaren geduldig af tot een grote boom omver valt en ze de kans krijgen om door te groeien naar het zonlicht. De omgevallen boom heeft gedurende eeuwen voedingsstoffen uit de bodem gezogen en in hout en bast opgeslagen.

Na zijn dood ontstaat een culinaire estafette van ontelbaar veel schimmel- en insectensoorten, allemaal gespecialiseerd in een bepaald stadium van ontbinding.

Een vijfde van alle plant- en diersoorten zijn aangewezen op dood hout. Het vliegend hert brengt tot acht jaar door als larve in verkruimelde loofhoutwortels, om vervolgens slechts een paar weken als volwassen insect te leven en te paren. Het leven in rottend hout is heel bijzonder.

Een boom kan tot 20 ton CO2 vastleggen. Ook al gaat er bij de vertering van het hout weer een deel naar de atmosfeer, het grootste deel blijft in het ecosysteem. In een handje bosaarde zitten meer levende organismen dan er mensen zijn op aarde. Centimeter per centimeter werken zij de koolstof dieper in de grond, naar koudere lagen, waar het leven vertraagt en ten slotte stilvalt en de koolstof langzaam verwordt tot bruinkool en later steenkool, zoals de huidige vindplaatsen van fossiele brandstoffen 300 miljoen jaren geleden ook uit bomen ontstaan zijn. Vandaag jagen we al die CO2 in ijl tempo de lucht weer in.

De geneugten van het bos reiken veel verder dan het bos zelf. Eén vierkante kilometer bos bevat 27 vierkante kilometer bladoppervlakte. Deze vangt regen op, die er blijft hangen, weer verdampt en wolken vormt.

Terwijl de boven zee gevormde wolken slechts enkele honderden kilometer landinwaarts raken, gaat de regen dankzij de bossen veel verder landinwaarts. Wanneer bossen verdwijnen ontstaan landinwaarts woestijnen.

De bladoppervlakte zorgt ook voor luchtzuivering, tot 7.000 (!) ton zwevende deeltjes per vierkante kilometer per jaar, en voor zuurstofproductie, tot 3.500 ton per vierkante kilometer per jaar. Met hun immense wortelstelsels houden bomen ook de bodem vast. Terwijl via verwering 100 ton bodem per vierkante kilometer per jaar wordt gevormd, eroderen ontgonnen bodems gemakkelijk met 10.000 ton per vierkante kilometer per jaar, terwijl dat in bossen maar 0,4 tot 5 ton per vierkante kilometer per jaar is. Alleen in bossen groeit de bodem dus aan.

Een beuk pompt per dag zo’n 500 liter water naar zijn bladeren. We verklaren dit met capillaire werking, transpiratie en osmose. Maar zelfs in de dunste houtvaten krijgen capillaire krachten het water met moeite één meter hoog. De sapstroom is net het sterkste in het voorjaar, wanneer de boom nog geen bladeren heeft en er dus geen transpiratie mogelijk is. En osmose speelt dan weer alleen in bladeren en wortels en niet in de lange houtvaten van de stam. Hoe gebeurt het dan wel? Daar hebben we alweer het raden naar!

In de laatste hoofdstukken verlaat Wohlleben het bos en beschrijft hij de penibele situatie waarin straatbomen zich bevinden, en hoe lang het duurt om in nieuwe bossen de kringlopen van ontstaan en vergaan weer goed te laten functioneren. Want hoe raakt een snuitkever die zich maar tien meter per jaar kan verplaatsen in een nieuw bos? Heel wat soorten kunnen alleen overleven, en hun rol vervullen, in bossen met een lange ononderbroken bosgeschiedenis.

Naaldbomen worden dikwijls aangeplant op plaatsen waar ze eigenlijk niet thuishoren. Dit maakt de bomen zeer gevoelig voor aantastingen, waardoor hectische geurboodschappen door de kronen flakkeren. Dat voelen we wanneer we in het bos wandelen. Terwijl de bloeddruk van bosbezoekers in eikenbossen daalt, stijgt die in naaldbossen. Wohlleben is ervan overtuigd dat we instinctief de gezondheid van bossen kunnen registreren.

Hij staat ook stil bij de impact van invasieve soorten en klimaatverandering en heeft in dit verband verbazend veel vertrouwen in de veerkracht van natuurlijke bossen, op voorwaarde dat we hun sociale structuur niet storen en ze hun microklimaat zelf kunnen blijven regelen. Hij stelt zelfs dat dankzij globalisering de soorten die invasieve soorten aantasten hier ook terecht zullen komen en het systeem zich vanzelf zal stabiliseren. Misschien wel, maar niet zonder catastrofaal biodiversiteitsverlies. Een van de voorbeelden die hij geeft, is de Aziatische schimmel die momenteel al onze essen verwoest, nochtans eveneens in de meest natuurlijke bossen… Wellicht is Wohlleben zijn liefde voor bossen zodanig groot dat hij de ernst van deze bedreigingen niet onder ogen durft te zien. Tegen wat we momenteel uithalen met de planeet is geen veerkracht bestand. Pleit Wohlleben ervoor om geen bomen meer te kappen? Neen, hier en daar een stam oogsten moet kunnen, voorzichtig, niet te veel, en met paarden uitslepen. Dit is hoe we in al onze handelingen met de natuur zouden moeten omgaan. Wie dit boek leest, zal oude constructies uit hout van oude traag gegroeide loofbomen koesteren (en de bloeddruk voelen stijgen in de buurt van zelfbouwpakketten uit snel gegroeid naaldhout).

Maar dit boek gaat over veel meer dan bomen, het gaat over de wonderbaar lijke complexiteit van het leven op aarde, zo innig verweven, onderling afhankelijk en kwetsbaar. Het zet aan tot verwondering, tot nederigheid, respect. Hopelijk vormt het voor velen een stimulans om zich dieper in de bossen te wagen, en hun bedwelmende traagheid en rust in zich op te nemen, als tegenpool voor het doldraaiende consumentisme om ons heen.

 Wil je graag meer lezen vraag dan hier een gratis proefnummer aan of kom hier meer te weten over een abonnement op het Oikos-tijdschrift.

Read more...

Palmen op de Noordpool, een jeugdboek over klimaatverandering

16 juli 2019 by Milieu en Natuur 329 Views
An Van Damme

Written by

Marc ter Horst (tekst) en Wendy Panders (illustraties), Palmen op de Noordpool, Het grote verhaal van klimaatverandering, Haarlem, Gottmer Uitgevers Groep, 2018, 184 blz.

‘Het is dus toch fictie,’ zegt mijn zoon met een frons. ‘Dit boek ziet eruit als non-fictie. Maar palmen groeien niet op de Noordpool. Dus moet het wel fictie zijn.’ Goed nagedacht, maar niet alles was altijd al zoals het nu is, zoon. 

Het boek Palmen op de Noordpool reist ver terug in de tijd en vertelt over de veranderingen van het klimaat sinds het ontstaan van onze planeet. Zo leren we dat het 55 miljoen jaar geleden 25 graden was op de Noordpool. En jawel, toen groeiden daar palmbomen. Eigenlijk is het nu best frisjes op aarde. 

Zo leren we dat het 55 miljoen jaar geleden 25 graden was op de Noordpool. 

Het klimaat verandert voortdurend, is de boodschap in de eerste hoofdstukken. Het verhaal bevat veel wetenschappelijke basiskennis. Mijn zoon genoot ervan, al ging de chemie aan hem voorbij. Met een vissersboot op de Noordzee varen is één van zijn doelen nu. Niet om vis te vangen, wel om botten van mammoeten naar boven te halen, want die leefden daar 50.000 jaar geleden.

Zo komt het verhaal bij de klimaatverandering die zich nu afspeelt. Schoorstenen, uitlaten, koeien en gekapte of platgebrande bossen zitten daar voor iets tussen. En uiteraard ‘gestampte moerasplanten’ en ‘gestampte zeedieren’, beter bekend als fossiele brandstoffen. Hier is het gedaan met de pret, al blijft de speelse ondertoon behouden. Ook al is het klimaat vaker veranderd, zo snel als nu ging het nog nooit. Voor de aarde is het geen probleem, die overleeft dat wel. Maar wat ons, mensen, te wachten staat is ‘rampspoed en ellende’. Marc ter Horst beschrijft het nuchter en genuanceerd. Moeilijke onderwerpen gaat hij niet uit de weg, maar legt hij helder uit. Het is zware kost voor een kind, vind ik, al kan het moeilijk anders.

De speelsheid die het boek uitademt, maakt het allemaal wat minder zwaar. De auteur tovert werkelijk alles om tot een spitsvondig verhaal. Verwacht je aan knotsgekke invalshoeken, zoals ‘hoe maak je je eigen ijstijd?’ Wat schuiven met werelddelen en planeten en een paar duizend jaar wachten, zo eenvoudig is het. En door te experimenteren met een koud en een warm blikje frisdrank ontdek je dat een warmere oceaan CO2 minder goed vasthoudt. In dit boek vind je geen saaie bladzijde, zeker niet met al die leuke illustraties van Wendy Panders erbij.

Wat kunnen wij doen aan de klimaatverandering? Daarover gaan de laatste hoofdstukken. Om het tij te keren kijkt Marc ter Horst in de richting van de technologie. Zijn nog in de running als ‘energiebron van de toekomst’: zon, wind, water, biomassa, aardwarmte en kernenergie. Ook ons gedrag aanpassen helpt, want ‘elke minuut die je korter doucht helpt tegen klimaatverandering’, al moet je erover waken dat je het kan volhouden. Het boek eindigt met een positieve boodschap: ‘de grote klimaatverandering-verandering is allang begonnen.’

Over ons economisch systeem blijft het stil. De Amerikaanse bedrijven die vanaf het einde van de jaren ’80 bewust twijfel zaaiden over de opwarming van de aarde? Vergoelijkt als ‘een soort kwajongensclubje’. De aardolie en het aardgas die we kunnen ontginnen als het noordpoolgebied ontdooit? Goed nieuws, want ‘daar kun je echt miljarden mee verdienen’. Dergelijke passages, al zijn het er weinig, wringen. Waar is die kritische kanttekening? Het is de enige schoonheidsfout in dit verder uitstekende boek. 

Veel respect voor de auteur en de illustrator om dit moeilijke thema zo mooi te brengen.

Veel respect voor de auteur en de illustrator om dit moeilijke thema zo mooi te brengen. Het boek lijkt me geschikt voor kinderen vanaf 10 jaar, al is het ook voor mama’s en papa’s aangename lectuur. Voor een kind is het met 180 bladzijden best wel veel om te behappen. In één keer uitlezen is hier niet gelukt, het is eerder een boek om af en toe vast te nemen. Wat wil je, eigenlijk is dit verhaal een bittere pil met een suikerlaag errond. 

Read more...

Ecologisten, wat nu?

03 juni 2019 by Milieu en Natuur 1133 Views
Dirk Holemans

Written by

Ze konden niet anders dan ontgoocheld zijn, de jonge klimaatactivisten. Na maanden actievoeren stemden veel Vlamingen op de twee partijen die niet inzetten op het klimaat. Hoe komt dat zo veel mobilisatie en media-aandacht zo weinig opleverde? Waarom scoorden de groene partijen onder de verwachtingen, ondanks straffe scores in een aantal steden? Het zijn complexe vragen waarin vele factoren een rol spelen.

Dat de klimaatjongeren een risico namen met hun strategie – zelf geen voorstellen doen, maar die rol doorschuiven naar de wetenschappers – bleek al uit het stuk dat Darrick Evensen schreef op 6 mei in Nature. Deze docent milieupolitiek schaart zich volledig achter de Greta’s, Anuna’s en Kyra’s van deze wereld en bevestigt het belang van wetenschap. Tegelijk geeft Evensen aan dat de kernboodschap van de klimaatjongeren als probleem had dat ‘wetenschap enkel het vertrekpunt kan zijn voor besluitvorming, het kan nooit de scheidsrechter zijn van effectief beleid’.

Wetenschap toont hoe de wereld is, maar nooit hoe hij zou moeten zijn – dus ook niet welke groepen in de samenleving bijvoorbeeld de klimaatfactuur zullen betalen.

Take it or leave it

De klimaatjongeren hebben een boodschap nodig om hun beweging te verenigen, een normatieve claim waar Thunberg op alludeerde toen ze het had over de onrechtvaardige gevolgen van klimaatopwarming. Die boodschap kan nooit zijn: ‘luister naar de wetenschap’. Maar dat was ze jammer genoeg wel, ook in eigen land.

Het klimaatrapport van de wetenschappers had oog voor ethische kwesties, zoals rechtvaardigheid. Maar het kwam - onder meer door de communicatie door Vlaams Bouwmeester Leo Van Broeck - over als take it or leave it.

Een eis als ‘Betonstop nu’, zonder het verhaal hoe je dat maatschappelijk verkocht krijgt, heeft het draagvlak voor klimaatbeleid niet versterkt.

Opvallend is ook de kloof tussen een aantal steden en delen van het platteland, zoals de Westhoek of het Meetjesland. Misschien zit hier wel, net als in andere landen, de kloof tussen gebieden die zich kunnen handhaven in de economische globalisering en zij die het er moeilijker mee hebben. Zeker, steden ondervinden fors de gevolgen van globalisering, zoals migratie en stijgende ongelijkheid. Maar tegelijk is er nieuwe economische dynamiek, zijn er aantrekkelijke jobs en zetten beleid en middenveld in op het leren samenleven in verschil. Ook slaagt er de uitbouw van alternatieve infrastructuren – denk aan het vervangen van de auto door de fiets, bus, tram en deelauto - waarbij de ecologische transitie een hogere levenskwaliteit oplevert.

Historisch verraad

Die situatie zit anders in de nieuwe wingewesten van Vlaams Belang. Het zijn vaak regio’s die het moeilijker hebben in de concurrentiestrijd van de zielloze globalisering, met tanende openbare infrastructuur zoals openbaar vervoer, met jongeren die wegtrekken. Boven op deze sociaal-economische situatie komt er ecologische onzekerheid als het onduidelijk is hoe de transitie naar een duurzame samenleving de kansen op een goed leven kan verhogen.

Volgens filosoof Bruno Latour hebben we decennialang geloofd in de moderne dynamiek, weg van het lokale naar het globale. Ondertussen vergaten we de aarde, die zich nu onder meer laat gelden met droge zomers.

Een eerste taak is ons nu te richten ‘tot degenen die zich terecht in de steek gelaten voelen door het historische verraad van de leidende klassen en die met veel misbaar vragen om de veiligheid van een afgeschermde ruimte’. Hier bieden noch het globaliseringsproject, noch een terugkeer naar het lokale een oplossing. Het is tijd voor een nieuw verhaal van rechtvaardige transitie. Het gaat om zorg opnemen voor de concrete leefwereld zonder zich af te sluiten voor de wereld waarin we leven. Dat vertaalt zich in een beleid dat nieuwe kansen op voorspoed ontwikkelt voor elke regio.

Meer en meer grote steden hebben een duidelijk toekomstbeeld. Nu is het zaak regio’s te ondersteunen met transitiefondsen, die hen toelaat op basis van participatieve processen toekomstplannen uit te tekenen. Die moeten zicht geven op een klimaatneutrale economie met waardige jobs en betere kansen voor een florerend leven.

Failliet landbouwmodel

Investeer bijvoorbeeld in de transitie van exportgerichte landbouw – denk aan de perenboer die door zijn oogst weg te schenken het failliet van dit model aan de kaak stelt (DS 29 mei) - naar een korteketenlandbouw die de band tussen platteland en aanliggende steden herstelt.

Het klinkt mooi, maar het is een moeilijke opdracht. Dat kwam ook tot uiting in de reportage in deze krant over wat er leeft in Vlaanderen, met als treffend citaat ‘De angst die leeft, is die van verandering’ (DS Weekblad 25 mei). Die emotie voldoende beantwoorden, daar is de ecologische actie de voorbije campagne niet in geslaagd. Welk verhaal van ecologische verandering biedt vrijheid en zekerheid in stad en platteland? Hoe opkomen voor de plek waar we leven en tegelijk meer openheid en gastvrijheid cultiveren? Het meervoudige antwoord op deze kwestie kan de aanzet zijn van een postelectorale strategie van de groene beweging en politiek.

Dit artikel verscheen op 03/06/2019 als opiniestuk in De Standaard.

Read more...

Wanneer worden we wakker en kiezen we voor landbouw die de droogtecrisis helpt oplossen in plaats van ze te veroorzaken?

21 mei 2019 by Milieu en Natuur 1062 Views

Het begint stilaan mode te worden. Elk jaar verschijnen rampberichten over de droogte. Weinigen doen er iets fundamenteels aan, het probleem wordt telkens erger en het jaar daarop verschijnen dezelfde berichten. 

Dat de gazons van privétuinen door de droogte stilaan in woestijnen transformeren lijkt het ergste probleem te zijn voor de doorsnee burger. Toch zal dit ons worst wezen als we op een dag voedselschaarste zullen hebben door massale oogstmislukkingen.

De boer, die ploegde voort, letterlijk dan. En dat is net hetgeen waarmee absoluut gestopt moet worden. De ploeg is een van grootste wapens waarmee we de mensheid stilaan aan het uitroeien zijn, hoe contradictorisch dit ook mag lijken. Het ploegen van land in combinatie met te veel mest, pesticiden, het bloot laten liggen van aarde en compactatie door zware tractoren zijn de ingrediënten van een falende landbouw (zie het werk van David R. Montgomery). David, die geoloog is en enkele boeken heeft geschreven hierover, zegt dat er in een ideale wereld best nergens geploegd wordt omdat er altijd wel iets van erosie is. Ook komt dit het bodemleven niet ten goede, net nu we ons moeten focussen op het terug tot leven wekken van de bodem.

Hoe hard we het ook willen ontkennen, om voedsel te kweken moet je beroep doen op natuurlijke processen. Wij hebben simpelweg alle natuurlijke processen vernietigd waardoor wij nu al het werk moeten doen.

In iedere bodem zijn er genoeg nutriënten aanwezig om minstens 2000 jaar aan landbouw te doen, zonder enige input. Zie de studies van microbiologe dr. Elaine Ingham. Zij toont samen met landbouwers op demo-farms en studenten aan dat mits het boosten van bodemleven vernielde bodems terug vruchtbaar gemaakt kunnen worden en dat de voedselproductie enorm kan opgedreven worden. 

Het enige probleem: doordat we de aarde hebben vergiftigd met meststoffen en pesticiden én kapot hebben geploegd, is het bodemleven verdwenen. Bodemleven betekent: beestjes die de ‘onopneembare’ nutriënten voorkauwen en geven aan de plant en ook versterkende connecties vormen. Zij ploegen als het ware de aarde en maken oneindig veel kleine gangetjes zodat de bodem weer in een spons kan veranderen om miljarden liters water vast te houden. 

De huidige intensieve landbouw is gebaseerd op massale externe input van diesel, maar ook van meststoffen -waaronder fosfor die bijna op is- en pesticiden waar fossiele brandstoffen voor nodig zijn om ze te produceren. 

In tijden van klimaatcrisis willen we zoveel mogelijk CO2 terug de bodem in. De huidige landbouw stoot massa’s CO2 uit en door telkens te ploegen verdwijnt er CO2 uit de bodem en komt die in de atmosfeer terecht. We willen net het omgekeerde: meer CO2 in de bodem is beter voor het klimaat maar helpt ook tegen de droogtecrisis. Koolstof in de bodem houdt water vast. 

Monoculturen zorgen voor veel minder CO2 opbouw terwijl landbouwsystemen in meerdere niveau’s, in polyculturen, tot meer dan 15 ton CO2 per jaar kunnen opslaan. Zie Eric Toensmeier’s sequestration rates. Hiernaast zorgen hectares van één enkel gewas voor de teloorgang van biodiversiteit: byebye bijtjes, vogels en nuttige insecten.

We hebben momenteel een landbouwsysteem dat de bodem heeft gedegradeerd tot een ploegzool -een quasi water-ondoorlaatbare bodemlaag gecreëerd door te veel ploegen- met daarboven een laag dode stof. Geen wonder dat dit overstroomt in de winter en uitdroogt in de zomer.

De industrie wil het liefst van al miljarden verdienen met het installeren van drainagebuizen om in de winter het teveel aan water af te voeren en waterpompen om het te weinig aan water op te pompen in de zomer.

Het ontwikkelen van GGO’s die aangepast zijn aan deze zieke bodems kan je vergelijken met iemand die om de zoveel jaar een levertransplantatie doet maar blijft elke dag een fles jenever drinken.

Door het fundament van het probleem niet aan te pakken blijven de agrochemie-reuzen, de GGO verkopers, de ploeg-verkopers,… miljarden verdienen, maar verandert België, Europa in een woestijn. Symptomen worden bestreden maar het echte probleem wordt niet aangepakt.

We moeten zo snel mogelijk omschakelen naar landbouwsystemen die samenwerken met de natuur, en er niet los van staan, dit is de definitie van agro-ecologie. We willen naar een circulair landbouwmodel met een gesloten kringloop. Een landbouwmodel dat droogteresistent is en kwaliteitsvoedsel produceert. Voedselproductie die gefocust is op lokaal en gezond voedsel, met een lage ecologische voetafdruk. Dit is iets waar nog veel meer onderzoek naar moet gebeuren, ook is dit moeilijk te realiseren door boeren alleen, zeker niet als de maatschappij, of beter gezegd de door lobby verziekte regeringen, hier niet achter staan. 

Er zijn projecten in België waar 70 hectare landbouwgrond zodanig slim beheerd worden dat er slechts éénmaal gezaaid en geoogst moet worden, met dezelfde opbrengsten als chemische landbouw, zonder dezelfde kosten.

Wanneer worden we wakker en kiezen we voor landbouw die helpt de droogtecrisis oplossen in plaats van ze te veroorzaken? Wanneer schakelen we over naar landbouw die niet bijdraagt aan klimaatproblemen maar ze helpt op te lossen?

Als chemische landbouw 1 op 10 krijgt en biologische landbouw 5 op 10, dan is agro-ecologie 9 op 10. Er is werk aan de winkel.

Er zijn talloze boeren die goed hun best doen en nog steeds beroep doen op pesticiden, herbiciden, de ploeg,… en zij zijn daarvoor geen ‘slechte’ boeren. We leven in een maatschappij die de kleine boer in een hoekje heeft gedreven waar ze soms moeilijk uit kan ontsnappen. In het plannen van de toekomst van veerkrachtige en lokale voedselproductie is het aangewezen om zo ambitieus mogelijk te zijn en ons hier met de hele maatschappij achter te scharen. Dit artikel kan bij sommigen overkomen als kort door de bocht en ongenuanceerd, toch is het is beter om naar de maan te richten en op een ster te landen, zoals Oscar Wilde zegt, dan op een ster te mikken en in een zwart gat terecht te komen. 

We kunnen zelf bijdragen aan de oplossing door lokaal natuurlijk voedsel te kopen, contact te hebben met de boer of met een betrouwbaar tussenpersoon. De voedselproductie is een democratie, iedere aankoop is een stem. Zelfs al begin je met 10% van je eten duurzaam aan te kopen maak je reeds een verschil en kan je geleidelijk je stem opdrijven. Actievoeren en beleidsmakers positief beïnvloeden maakt uiteraard ook een enorme impact, we moeten een tegengewicht vormen voor de dik-betaalde vernietigende megalobbies.

Louis De Jaeger heeft als missie zoveel mogelijk land te verduurzamen en doet dit met zijn landschapsarchitectenbureau Commensalist, als lid van een agro-ecologie denktank en door het sensibiliseren met het schrijven van artikels en een boek over de toekomst van landbouw. Dit artikel is een uitgebreide versie van een artikel dat reeds eerder verscheen op 02/05/2019 op de webiste van de VRT.

Read more...

De mot zit in de globalisering

23 april 2019 by Milieu en Natuur 1654 Views
Myriam Dumortier

Written by

'Uw buxus is gedoemd', schrijft Steven Vanonckelen (DS 16 april), en dat klopt. Uit het verhaal van de buxusmot valt veel te leren. De buxus wordt al eeuwen in West-Europa gekweekt, voor kasteeltuinen, voor ‘palmtakjes’ op palmzondag, voor zijn geneeskrachtige werking, voor zijn harde hout waarmee je muziekinstrumenten kunt maken, en recenter dus vooral als sierplant in tuinen. Het gaat om de Buxus sempervirens, een inheemse soort die van nature in de westelijke Maas­vallei groeit, met het beschermde Montagne-aux-Buis in Dourbes als hoogtepunt. Natuurlijke buxusstruwelen zijn vrij zeldzaam, maar je vindt ze wel over heel Europa.

Buxuswouden in verval

Enkele decennia geleden kwam iemand op het idee om het plantgoed van de Buxus sempervirens in Oost-Azië te laten kweken, waar de soort niet inheems is, maar de arbeid veel goedkoper. Miljoenen potjes Buxus sempervirens zijn vervolgens van Oost-Azië naar Europa versast. Maar met plantgoed komen onvermijdelijk ook andere organismen mee, zoals de buxusmot, een doodgewone nachtvlinder uit Oost-Azië.

De buxusmot werd voor het eerst in 2006 in Europa opgemerkt, in Duitsland. De daaropvolgende tien jaar verspreidde de soort zich, via de alom aanwezige buxus in de tuinen, over de natuurlijke groeiplaatsen van buxus over heel Europa, tot Portugal, Zweden en Griekenland. Gegevens uit Duitsland, Zwitserland en Frankrijk getuigen van een achteruitgang van de natuurlijke buxus met 95 procent in acht jaar tijd.

Tijdens de Olympische Spelen van 2012 in Sotsji verfraaiden de Russen hun olympisch dorp met buxussen uit Italië, ook toen reisde de buxusmot mee.

In de Kaukasus vormt de daar inheemse Buxus colchica bijzondere buxuswouden. In drie jaar tijd maakte de buxusmot een eind aan vrijwel alle Buxus colchica. Omdat het er warmer is, volgden de cycli van de nachtvlinder elkaar daar nog sneller op dan hier.

Buxus is een traag groeiende soort, met tientallen schimmels, algen, insecten en korstmossen die alleen op buxus gedijen, buxusstruwelen zijn unieke ecosystemen. Wanneer de natuurlijke buxus verdwijnt, verliezen we meteen ook alle daarmee geassocieerde soorten. Of hoe één ontvoerd nachtvlindertje een ravage kan aanrichten in de al zo getergde biodiversiteit.

Zwarte weduwen in auto’s

De geëxporteerde buxusproductie is geen unicum. We laten rozen en boontjes in Kenia kweken, omdat het goedkoper is. We importeren druiven uit Chili en appels uit Argen­tinië, omdat we willen dat alles altijd beschikbaar is. De Chinezen zeulen integrale beukenstammen uit het Zoniënwoud naar huis, omdat Europees hout er trendy is. De stromen aan organismen die onbedoeld mee rondreizen, zijn niet te overzien. In de Antwerpse haven stranden geregeld levensgevaarlijke zwarte weduwen, verstopt in auto’s. De Aziatische hoornaar, die bijenpopulaties decimeert, zou via Chinese bloempotten in Bordeaux geland zijn. De tijgermug, die een resem tropische ziekten verspreidt, reist via vochtrestjes in autobanden. Het zijn lukrake voorbeelden.

In onze geglobaliseerde wereld versluizen we onophoudelijk organismen rond. Die organismen behoren tot ecosystemen die zich al miljoenen jaren in samenhang ontwikkelen. Wanneer een organisme op een ander continent terechtkomt, vervalt alle samenhang, met alle risico’s van dien, inclusief epidemieën die niet alleen de natuur, maar ook de mens kunnen treffen.

De alarmbel luidt niet alleen voor het klimaat, maar ook voor de bio­diversiteit. We bevinden ons in de zesde uitstervingsgolf.

We moeten het roer drastisch omgooien. Een van de sleutels daartoe is de korte keten. Wanneer we de bulk van wat we nodig hebben van lokale productie betrekken, vermijden we niet alleen enorme verspilling van fossiele brandstoffen, maar sparen we ook ’s werelds biodiversiteit. Weiger voortaan Chileense appels en Keniaanse rozen en kies voor producten van het seizoen bij de lokale boer en tuinder. Wat we hier echt niet kunnen produceren, kan dan nog altijd van verder weg komen. Het zal helpen om nieuwe buxusmotverhalen, of grimmiger varianten daarop, te voorkomen.

Myriam Dumortier doceert Bos- en natuu­r­beleid aan de UGent en is lid van de Denktank Oikos.

Dit artikel verscheen op zaterdag 20 april 2019 als opiniestuk in De Standaard.

Read more...

Hij is weg. De merel. Ze zijn allemaal weg.

Maaike Afschrift

Written by

Ik gooi, zoals op elke winterse ochtend, met een gulle zwier de ontbijtkruimels de tuin in. Nu al wekenlang.  Mijn lichaam lijkt dat ritueel niet te willen loslaten. Tegen beter weten in.
In de zomer doe ik dat trouwens ook, even gul en zwierig. Genoeg gevederd volk dat ermee weg komt. Maar wat nu, in december, al gauw zou moeten volgen is het antwoord van de merel, die, nog voor het daglicht de grond bereikt heeft, zijn vertrouwde kostje komt pikken. Hij en zij, zwart en bruin, soms meerdere heren, soms enkel dames, haastig hippend, nog haastiger happend, alert voor onverwachte beweging. Hij waagde zich na al die jaren vervaarlijk dicht bij onze glazen achterwand.


Nu sta ik daar te staren in de leegte. De leegte van een merelloze tuin.


Soms, merel, durf ik bijna niet kijken. Omdat ik dan niet hoef te zien dat je niet te zien bent. Of soms wacht ik heel lang, tot het moment dat je had kunnen verschijnen niet meer zal komen, en ik mezelf sussend kan wijs maken dat jouw ontbijtmoment voorbij is. Tot ik je niet meer hoef te verwachten. Alles liever dan jou verwachten.

We kenden mekaar, merel, jij en ik. We hadden een band, een woordeloze afspraak. Een plaats, een handeling, een interactie. Elke ochtend. Je was gezelschap.
Je was vertrouwd. Ik keek uit naar je komst, die ik geen bezoek kan noemen: je was evenzeer thuis als ik. Ik hielp jou en je zwartbruine soortgenoten de winter door.
En jij hielp mij alle andere seizoenen door. Elke ochtend zette jij bemoedigend de toon van de dag. Elke dag herinnerde je schelle alarmroep of je strijdkreten mij aan het gewone leven naast dat van de mens. En elke avond bracht je mij, als prelude op de lijster, met je warme melancholische lied weer thuis. Alsof je zei: hier, waar ik zing, hoor jij.

Ik ga je een geheim vertellen, merel. Lang geleden, toen ik een kind was, een jaar of tien, ging ik een boekje schijven over jou. Ik zat in de stamschoot van de grote treurwilg in onze even grote, fantastische tuin. Ik had er ‘mijn plekje’ ingericht. En ik had jou, merelheer en mereldame, in het oog. Ik sloeg jullie naarstige doen en laten gade, rondom elkaar en rondom jullie nest. Af en aan vliegend, eerst met nestmateriaal, dan met eten. Ik was mateloos gefascineerd. Niet alleen door jullie zwarte parelogen, die mij evenzeer in de gaten hielden, maar ook door jullie toewijding, jullie trouw, door jullie vechtlust stiekem ook wel een beetje, en door jullie drukke bezigheid. Ik besloot te beginnen beschrijven wat ik zag, wetenschap met het hart.  In mijn schriftje en met potlood, dat ik beide bewaarde in een holte bij mijn plekje. En ik twijfelde er geen moment aan dat ik genoeg materiaal zou krijgen om een heel boek te vullen. Het was het begin van mijn natuurstudieleven.

Het boekje is er nooit gekomen. Maar dat ik dit ooit ging schrijven, had ik toen niet willen denken.
Het is alsof met de merel een stuk van mij verdwenen is. Ik was aan zijn aanwezigheid gehecht. De merel maakt deel uit van wie ik ben. Ik ben ook voor een deel de merel.  Mijn hier-zijn impliceert ook zijn hier-zijn. Hij maakt deel uit van mijn thuisland. Mijn avondland. Zijn zingen was een draadje in het weefsel van mijn dag. Dag na dag. Hij maakte mij heel, op een unieke manier.
Op het einde van vorige winter kraaide ik nog victorie: hij was er nog steeds! Usutu had hem niet gevonden. Oef. Maar sinds deze zomer, die vroege, lange, hete zomer die mijn hele zijn zou doen wenden, heb ik hem niet meer teruggezien, was er oorverdovende merelstilte.
Er zijn nog roodborstjes, vinken, vele soorten meesjes, een specht, duiven, kauwen, een kip,… . Ik geef ze eten, help ze de winter door, geniet (meestal toch) van hun geluid en gefladder. Maar dat vult die ene leegte niet. Misschien zelfs integendeel.

Er zijn mensen die de komst van andere wezens een bedreiging achten voor onze identiteit en daar luid over roepen. Ondertussen wordt in alle stilte tussen de takken, in het water, onder de grond aan onze identiteit gevreten, niet door de komst maar door het verdwijnen van levende wezens. 

Read more...

Agro-ecologie en biotechnologie

Wouter Vanhove

Written by

Agro-ecologen zijn het over een aantal zaken wel degelijk eens met de biotechnologen die de voorbije weken misnoegd reageerden op de beslissing van het Europees Hof van Justitie over de ggo-status van gewassen die met zogenaamde ‘nieuwe veredelingstechnieken’ werden ontwikkeld. Het is breed aanvaard dat hogere en efficiëntere gewasproductie nodig is om klimaatverandering en voedselzekerheidsuitdagingen het hoofd te bieden. Meningen over de meest duurzame wegen daar naar toe, lopen echter nogal uiteen. Een grote groep biotechnologen geeft nochtans aan het met de milieubeweging eens te zijn dat een agro-ecologische benadering het meest duurzame antwoord biedt op deze mondiale uitdagingen. Zij zien er een belangrijke rol in weggelegd voor ggo’s, dat zijn nieuwe gewasvariëteiten die met biotechnologische middelen werden ontwikkeld. 

Plantenveredeling is sinds het ontstaan van de landbouw zo’n 12.000 jaar geleden, inherent verbonden met landbouwontwikkeling. Er is immers steeds opnieuw nood aan gewasvariëteiten die het best beantwoorden aan de uitdagingen die de socio-economische en ecologische omgeving stellen. Biotechnologen zullen het volmondig beamen.

De vraag is echter of die biotechnologie wel effectief steeds door een agro-ecologische bril wordt bekeken. De essentie van agro-ecologie is immers het samenspel tussen het gewas, zijn onmiddellijke ecologische omgeving (andere planten, dieren, micro-organismen, bodem en klimaat) en de bredere socio-economische context waarin de gewasproductie plaatsvindt. Twee voorbeelden die vraagtekens plaatsen bij de agro-ecologische inpassing van ggo’s: 

Waar dient de zoektocht naar droogteresistentie cultivars toe als boslandbouwsystemen, zoals onlangs nog in de krant stond, een betere bescherming bieden tegen droogte door de bodem af te schermen en aan te rijken met watervasthoudend organisch materiaal? Wat is dan nog de relevantie van de biologische innovatie die droogteresistente cultivars eventueel bieden?

Intensieve rijstproductie heeft in bepaalde gebieden traditionele gewassen volledig verdrongen. Naast vitamine A gebrek lijden de kinderen in die gebieden bijgevolg aan een veel breder micronutriëntentekort. Is het dan verstandig, nuttig en/of überhaupt mogelijk om die problemen via zogenaamde Gouden Rijst (genetisch gemodificeerde rijst die provitamine A aanmaakt) aan te pakken? De algemene verspreiding van Gouden Rijst zou helaas het monotone rijstdieet en bijgevolg de structurele ondervoeding in die gebieden verankeren. Gediversifieerde landbouwsystemen met lokale bladgroenten en fruitsoorten zijn in dit geval een eenvoudig en efficiënter alternatief.

De groene scepsis de voorbije 20 jaar tegen ggo’s stamt voor een groot stuk in het gebruik ervan in landbouwsystemen die volledig haaks staan op een agro-ecologische benadering. Herbicidentolerante soja heeft het soja-areaal in 20 jaar tijd van 70 miljoen tot 120 miljoen ha opgedreven, veelal ten koste van ecologische enorm waardevolle ecosystemen in Argentinië en Brazilië. Insecticide-producerende gewassen (zoals Bt-maïs of –katoen) houden schadelijke vlinders weg waarvan de natuurlijke belagers door landschapsdegradatie en monocultuur zijn verdwenen en houden zo in se niet duurzame landbouwsystemen in stand.

Begin de jaren ’90, toen de eerste aanvragen voor ggo’s binnenliepen hebben Europese burgers, milieubewegingen en politici terecht hun bezorgdheden geuit over die nieuwe gewassen waarin men stukken soortenvreemd DNA kon inbrengen, op niet altijd te voorziene plaatsen en waarin bv. DNA-codes werden ingebracht voor een aantal toxines waarvan de impact op de volksgezondheid en het milieu volslagen ongekend waren. Europa heeft toen bijgevolg terecht het voorzorgsprincipe gehanteerd en elke ggo-toelating aan de voorwaarde van een strikte milieu- en gezondheidsimpactanalyse onderworpen. 

De milieubeweging bleef ondertussen ggo-ontwikkelingen elders op de planeet met argusogen volgen. Door de hoge kosten van, en de patenten op het inbrengen van ggo-kenmerken in plantenvariëteiten vormden ggo’s mee de motor van twee opmerkelijke evoluties in de landbouw: de integratie tussen de farmaceutische (bv. Bayer), agrochemische (bv. BASF) en zaaigoedsector enerzijds, en een intensieve concentratie in de zaaigoedsector anderzijds. Vandaag de dag is maar liefst 60 % van het mondiale commerciële zaaigoed in handen van slechts 3 bedrijven (Bayer-Monsanto, DowDuPont en ChemChina). Die bedrijven bepalen steeds meer wat landbouwers wereldwijd telen. Dat zijn een handvol variëteiten van een steeds beperkter aantal plantensoorten.  De globale agrobiodiversiteit krimpt zienderogen. Agro-ecologisch is dat allerminst, omdat de meest veerbare landbouwsystemen net diegene zijn die gebruik maken van zo divers mogelijke plantensoorten. 

Volgens biotechnologen breken echter nieuwe tijden aan. Genome editing technieken (zoals CRISPR/Cas9) bieden ongeziene mogelijkheden en laten een heel precieze veredeling toe waarbij genetische modificaties niet meer te onderscheiden zijn van variëteiten die met klassieke veredeling tot stand zijn gekomen. Daardoor zou de veiligheid per definitie zijn verzekerd, kunnen de huidige, moeizame en dure EU-regels voor ggo-regulering worden genegeerd, wordt ggo-ontwikkeling goedkoper, kunnen ook andere, kleine spelers tot de ggo-markt toetreden en vallen meteen de hele zwik ggo-bezwaren weg.

Klinkt mooi toch? Er zitten echter nogal wat ‘als-en’ in de bovenstaande redenering. Eerst en vooral geven biotechnologen toe dat bij CRISPR/Cas9 stukken DNA op onvoorziene plaatsen kunnen worden weggeknipt. De impact daarvan op genexpressie is – zeker voor een technologie die pas in haar kinderschoenen staat – ongekend. De nieuwe gentechnieken verschillen verder ook van conventionele veredeling door het potentieel om heel snel een veel bredere waaier aan genexpressies doelbewust in het milieu te brengen. Die snelheid en dat potentieel noopt tot een voorzichtigere aanpak dan bij conventionele veredelingsproducten. Het Europees Hof van Justitie heeft dus volkomen terecht gesteld dat de uit deze technieken voortkomende planten vooralsnog moeten voldoen aan dezelfde voorwaarden als klassieke ggo’s alvorens ze op (proef)velden in Europa toe te laten. Dat is niet meer dan een fundamentele respectering van het voorzorgsprincipe dat de leidraad vormt van de Europese milieuwetgeving.

De milieubeweging heeft verder redenen om de nieuwe ontwikkelingen blijvend met argwaan te volgen. Een aantal cruciale duurzaamheidsvraagstukken m.b.t. ggo’s blijven door biotechnologen alsnog onbeantwoord: 

1. wat is de werkelijke meerwaarde van biologische gewasinnovatie in vergelijking met de toepassing van niet-biotechnologische, agro-ecologische teelttechnieken? 

2. hoe kunnen kleine en grote ggo-ontwikkelaars ervoor zorgen dat nieuwe veredelingsproducten zich niet enkel toespitsen op die soorten (graan-, olie- en vezelgewassen) en die kenmerken met economische quick wins in industriële landbouwsystemen en dus niet verder de agrobiodiversiteit verschralen?

3. hoe kan de publieke sector terug een plaats verwerven in zowel het plantenveredelingsonderzoek als in zaaigoedontwikkeling?

Zolang die vragen onbeantwoord blijven, is het opportuun dat overheden meer ruimte geven aan onderzoek naar, en ontwikkeling van agro-ecologische landbouw- en voedselproductie waarvoor bovenstaande vragen niet in de weg staan. 

 

Read more...

De opstand van de natuur

Dirk Holemans

Written by

Recensie 'De opstand van de natuur', Philipp Blom (2017, De Bijzige Bij) door Dirk Holemans. 

 

Hoe reageert een samenleving op een relatief plotse klimaatverandering? Rond die actuele en fascinerende vraag draait het boek van Philipp Blom, gekend in vele landen als journalist, historicus en romanschrijver. Daarbij kijkt hij naar de ‘kleine ijstijd’ die we allen kennen, of toch zeker herkennen, van de schilderijen van Pieter Breughel: stevig vastgevroren rivieren waarop allerlei activiteiten plaatsvinden. Wat de schok in die tijd nog groter maakte, is dat die koude periode er komt na een relatief warmere. De periode van de dertien en vertiende eeuw waren een stuk warmer dan de eeuwen ervoor. Als dan in de jaren 1570 de kleine ijstijd haar intrede doet, tot ongeveer 1700, spreken we over een gemiddelde daling van ongeveer vier tot vijf graden gemiddeld. Genoeg om bijvoorbeeld de zone waar je aan wijnbouw kan doen met vijfhonderd kilometer opschuift naar het zuiden. Veel erger zijn de lange, harde winters, de hevige onweders en hagelbuien die oogsten vernietigen alsook de extreem hete zomers. Is het toeval dat de grote brand van de toen nog houten stad London plaatst vindt in 1666 na zo’n enorm warme zomer?

 Het boek van Blom is een echte aanrader om een paradoxale reden. Het geeft tegelijk minder en meer dan het belooft. Wat Blom vooropstelt, de impact van de kleine ijstijd in verband brengen met de grote maatschappelijke omwentelingen in de 17de eeuw op vlak van politiek, handel, economie en landbouw deemstert vanaf het midden van het boek wat weg, om er op het einde van het boek wel pertinent op terug te komen. In ruil krijg je een fascinerend perspectief op een samenleving die zich langzaam maar zeker bevrijdt uit het keurslijf van de godsdienst (en bijgeloof) en het proces van de Verlichting opstart dat resulteert in de moderne ideeën dat elke mens gelijk is en recht heeft op vrijheid, wat zich later manifesteert in de Universele Verklaring van de Mens. Op zich is dit al eerder beschreven. Wat dit boek zo bijzonder maakt is dat je niet alleen leest over de grensverleggende ideeën van mensen als Descartes en Spinoza, Blom situeert telkens hun persoonlijke levensloop in de context en omwentelingen van die periode. 

 Daarmee is niet gezegd dat de klimaatwijziging niet aan bod komt. Blom laat zien hoe de koude winters het feodale systeem gebaseerd op lokale voedselproductie, met als belangrijkste gewas graan, fataal onder druk zet. Als de oogst mislukt is dat een stimulans voor meer grensoverschrijdende handel – zo zal de Italiaanse regio Toscane in barre winters graan uit helemaal Noord-Europa gaan invoeren. Even boeiend is hoe tijdens de kleine ijstijd de opkomst van de moderne denkwijze leidt tot een andere verhouding tot de natuur. Langs de ene kant is er de middeleeuwse kijk die alles terugbrengt tot ‘het is de wil (of vloek) van god’, niet toevallig is er in de bewuste periode een piek aan heksenverbrandingen. Langs de andere kant krijg je de eerste moderne wetenschappers die het aanspoelen van walvissen, of een heldere meteoriet die de hemel verlicht, gewoon nuchter observeren als een natuurfenomeen, zonder er iets meer achter te zoeken.

Het bijzondere van deze geschiedschrijving van de periode van de kleine ijstijd is dat Blom het niet geschetst als een louter ideeënstrijd of -geschiedenis, wat filosofen wel eens trachten te doen. De auteur toont hoe nieuwe ideeën en concrete maatschappelijke ontwikkelingen in elkaar haken, hoe de feodale aristocratie langzaam maar zeker wordt vervangen door een opkomende middenklasse met niet alleen ideeën, maar die ook een wereldhandelsysteem (het mercantilisme) op poten zetten met als tegenhanger meer en meer centraal geleide landen (de voorlopers van onze moderne natiestaten). En dat systeem, dat in Europa welvaart en voor een groeiende groep een beter leven bracht, betekent tegelijkertijd meedogenloze uitbuiting van de natuur en andere delen van de wereld. 

Waarbij de vooraanstaande filosofen uit die tijd er hun hand niet voor omdraaiden om in beide elementen van die vroege moderniteit te excelleren: bevrijdende ideeën ontwikkelen én zich verrijken door uitbuiting. Zo woont Voltaire in een mooi kasteel en investeert hij stevig in plantages waarover hij noteert: aan elke zak suikerriet hangt bloed.

 Natuurlijk beweert Blom niet dat de klimaatverandering de rechtstreekse oorzaak is van de ingrijpende omwentelingen in de 17de eeuw. Wel betekent de crisis van de op graan gebaseerde landbouw, wegens verkorte plantengroei door de afkoeling alsook de misoogsten, tot een economische belasting van de sociale structuren in Europa, wat ruimte creëert voor vernieuwingen en tot dan toe ongekende mogelijkheden openen voor nieuwe praktijken en kennis van een groeiende ontwikkelde middenklasse.

 Voor Blom is de gelijkenis van onze tijd met die van de kleine ijstijd dubbel. Uiteraard is er opnieuw de klimaatverandering – deze keer ten gevolge van menselijk handelen. Tevens zitten we als samenleving ook met een geërfd compromis. Of zoals Blom schrijft: “De paradoxale, dubbele erfenis van de zeventiende eeuw is ongebroken. We praten over universele mensenrechten, maar onze economische groei is nog sterker gebaseerd op uitbuiting van mensen en natuurlijke hulpbronnen dan in het Europa van de kleine ijstijd”. Hier toont Blom zich duidelijk als een ecologisch denker: economische groei door uitbuiting, ontwikkeld in de 17de eeuw, is nu een existentiële bedreiging geworden voor heel de planeet. In die zin eindigt het boek van Blom met een allesomvattende vraag voor zij die zich, ook ter rechterzijde, graag opwerpen als de verdedigers van de Verlichting. Ja, de waarden van vrijheid en mensenrechten mogen we nooit loslaten, maar welk alternatief economisch model is daar voor nodig, dat de groeifixatie achter zich laat en elke vorm van uitbuiting verwerpt. Een universele vraag, die mensen van alle gezindte aanbelangt.

Read more...

De bodem onder onze voeten (vandaan) ...

07 januari 2016 by Milieu en Natuur 4493 Views
Ans Rossy

Written by

De bodem onder onze voeten (vandaan) ...

Het internationale VN-jaar in 2015 van de bodem is bijna geruisloos voorbijgegaan. Het internationale jaar van de bodem?! Ja, u bent niet de enige die verbaasd reageert. Die verbazing is tweeërlei. Ten eerste was dit bij het grote publiek nagenoeg onbekend. Afgelopen jaar merkte ik, dat zelfs mensen actief in kringen van duurzame ontwikkeling, MVO, natuur, enz. nauwelijks op de hoogte waren. Ten tweede, omdat de meeste mensen niet begrijpen waarom bodem zo van belang is om daar zelfs een internationaal VN-jaar aan te wijden. En dat is nu net waar het schoentje wringt.

Gewoonlijk krijgt zo’n VN-jaarthema via diverse kanalen aandacht en neemt de overheid initiatieven of ondersteunt het derden bij acties. In 2015 moest men echter heel goed zoeken om iets te vinden. De Vlaamse overheid had de webstek bodembewust. Deze, zeker voor het grote publiek, veel te technische en weinig uitdagende website bevat wel interessante info voor insiders, maar een echte visie op het belang van de bodem ontbreekt. Het blijft eerder beperkt tot enkele thema’s, zoals de basis voor ons voedsel of aspecten inzake sanering en (her)gebruik van vervuilde bodems.

Uiteindelijk een nogal magere invulling van zo’n internationaal jaar. Temeer daar bodem zóveel meer en zelfs cruciaal is voor vele domeinen van het leven op aarde. De VN koos het niet zomaar. Het is wellicht ook geen toeval dat, zeker in België, daar zo weinig aandacht aan is besteed. Dat impliceert, dat we een ander licht op heel wat van onze menselijke activiteiten moeten laten schijnen. Daarbij ongetwijfeld ook tegen de haren van gevestigde economische ordes instrijkend of heilige huisjes omverwerpend. Overigens is in andere landen het thema ruimer opgepakt, ook met initiatieven vanuit de kunst, met zeer boeiende invalshoeken om de bodem te belichten. (zie bij leestips onderaan).

Wat we best weten over de bodem.

Zonder bodem onder onze voeten is er geen leven. Bodem wordt ook wel het onzichtbare ecosysteem genoemd. Zonder bodem ook geen voedsel, geen meubels, geen computers en apparaten, geen gebouwen en zelfs geen kleren aan ons lijf. Hier kan niemand omheen.

Ruim een kwart van alle levende organismen op aarde leeft in de bodem. De bodem wordt zelfs als niet-hernieuwbare grondstof gezien, want een (vruchtbare, humusrijke) bodem groeit heel langzaam, slechts 10 centimer in 2000 jaar! En vruchtbare bodem is voorwaarde voor plantengroei, het voedsel voor mens en dier. En voor wie het vergeten is: u bent al hier geraakt in dit artikel en dus in leven dankzij de zuurstof die alleen planten via photosynthese kunnen produceren.

De meest humusrijke bodem vinden we in (loof)bossen en daar wemelt het van de levende organismen. Op 1 m2 bosgrond kan men zo’n 200 wormen, 200.000 mijten en springstaarten, 100 miljard bacteriën en 1 miljard algen en nog vele andere levensvormen aantreffen. Overigens kan iedereen dat waarnemen. Met een simpele loep of een microscoop opent zich de wondere wereld van ‘opzichters, werkers en architecten’, die dood plantaardig en dierlijk materiaal ontleden en omvormen tot allerlei mineralen, die planten dan weer kunnen gebruiken voor hun groei. Dit is een waarlijk chemisch wonder van de natuur; organisch materiaal veranderen in mineralen en humus. Voor het goede begrip: dierlijk organisch materiaal kan niet in humus worden omgezet, omdat dit geen lignine of cellulose bevat. Nog een reden waarom planten zo van levensbelang zijn.

Planeet aarde produceert jaarlijks ongeveer 150 à 250 miljard ton organisch materiaal. Hiervan komt 45% van bossen, 34% van oceanen (koraal), 16% van weiden, parken en tuinen en slechts 5% van landbouw. De bodem vervult vele functies, zoals: productie van voedsel en allerlei grondstoffen en hout, medicijnen, regulator (temperatuur, water, koolstofopslag, erosie tegengaan, ...), habitat (niet alleen voor de mens!), fundament (voor gebouwen, wegen, bruggen, dammen), historisch geheugen & archief (fossielen, archeologie), als ook een spirituele en culturele rol en het zit verankerd in onze taal. Bodem staat voor standvastigheid, verankering en houvast. We hebben immers graag vaste grond onder de voeten, spreken uit de grond van ons hart, vermijden liever bodemloze putten en we wensen niemand een bodemloos bestaan toe (actueel met de vele vluchtelingen op deze aarde). En zelfs de mens is bodem. Het engelse woord ‘human’ stamt af van humus, bodem.

De werking van de bodem in het ecosysteem staat zwaar onder druk. Dit heeft alles te maken met hoe wij, de mens, land en bodem gebruiken. De belangrijkste bedreigingen komen door erosie, verdichting, vervuiling, verzilting, maar ook door verlies aan biodiversiteit.

Bouwen, de mens krijgt er maar geen genoeg van.

De mens lijkt doorheen zijn geschiedenis aan een nietsontziende bouwwoede te lijden. De hele planeet is onderhand één grote bouwwerf geworden. Die lijkt echter niet op die van mieren of termieten, die dat in evenwicht met de hen omringende leefomgeving doen. De mens lijkt daar, ondanks duizenden jaren oefenen, nog steeds niet in te slagen. Het begon toen we landbouwers werden. Ook daarin zit al het woord bouwen. Sindsdien zijn we de bodem constant aan het verbouwen, afgraven, verplaatsen en vernielen. Die bouwwoede vertaalt zich ook in de mannelijke fascinatie voor steeds grotere en zelfs reusachtige machines voor mijnbouw, landbouw, booreilanden, baggerschepen, enz. Alles om de bodem maar de baas te zijn.

We ontginnen grondstoffen en metalen uit reusachtige mijnen van vele duizenden hectaren oppervlakte. Zo zit in elektrische apparaten koper (voor de geleiding van stroom). In de Bingham mijn, de grootste bovengrondse mijn in de VS, resulteert 100 jaar mijnbouw in een gat van meer dan 1.500 meter diep. Ontginnen gebeurt ook om te bouwen. In de laatste 10 jaar zijn zoveel pijpleidingen (voor gas, kabels, enz.) op aarde aangelegd dat we daarmee negen keer heen én terug naar de maan kunnen!

Met de groeiende wereldbevolking is er nood aan woningen en bijhorende infrastructuren in de steden. Zand is een cruciale grondstof in de bouw. Voor 1 km autoweg is 30.000 ton zand nodig. In de hoogste toren van Dubai zit 400.000 ton zand in het beton en glas. En dat zand komt niet uit de woestijn, vanwege ongeschikt voor bouwtoepassingen, maar van de zeebodems. Door de groeiende wereldbevolking en de noden van de mens is zand kostbaar en zeldzaam aan het worden.

Naast land grabbing voor de verbouw van voedsel, is nu ook sand grabbing aan het ontstaan. Kustlijnen die afkalven door de zee worden kunstmatig in stand gehouden met opgespoten zand. Dat wordt door baggerschepen van de zeebodems gezogen. Met grote schade aan de ecosystemen op de zeebodems. Dat warrelende fijne zand maakt bovendien het water troebel, waardoor koraalriffen en ander zeeleven onvoldoende licht krijgen en dus sterven. Ook het afgraven van rivierbeddingen om steeds meer en grotere schepen door te laten leidt tot onstabiele oevers en meer overstromingen.

Steden, nog meer beton en asfalt.

De toenemende urbanisering en daarmee de toenemende verdichting van bodem en land met allerlei bouwerken en asfalt heeft desastreuze gevolgen. Elk jaar wordt in Europa een oppervlak ter grootte van Berlijn geurbaniseerd, waarvan de helft verdicht. Het water kan dan niet meer wegsijpelen in de bodem, er is geen vegetatie om de bodem vast te houden en dus ... toenemende overstromingen. Hoe treffend is het niet dat de Britse regering haar burgers n.a.v. de recente overstromingen heeft gevraagd om de tuintjes niet langer te betegelen, maar weer gewoon planten te plaatsen. En in een onderdoordringbare en verdichte bodem is ook geen enkel leven mogelijk. Verder verdwijnt overal landbouwgrond (oudere boeren zonder opvolging) in handen van projectontwikkelaars. En we kennen de projecten: de volgende Uplace, shoppingcentra, toeristenattracties, skipistes, autowegen, parkings, enz. Gevolg: erosie en overstromingen en steeds minder begroeide bodem. In 2011 is wereldwijd 24 miljard ton bodem weggespoeld. Dat is 3,4 ton per bewoner. Erosie kost elke burger € 60 per jaar; € 420 miljard wereldwijd!

Landbouw, voedselbron en habitat

Ook hier worden de grote middelen ingezet om de bodem te beheersen. Grote machines, het prepareren van immense oppervlaktes voor monoculturen, die alleen overeind blijven met kunstmest en pesticiden en waarvan een groot deel bestemd is voor veevoeder. Dit leidt tot massale verdichting van de bodem (en dat wordt niet verholpen door de bandenspanning van die traktoren te verlagen) en verarming (geen biodiversiteit aan bodemorganismen of wormen). Door de monoculturen ligt het land vaak braak na het rooien of als er geen rotatiesysteem wordt toegepast. Kinderspel voor de wind om de kostbare toplaag te laten verdwijnen, als sneeuw voor de zon. In dit industriële landbouwmodel neemt de vruchtbaarheid van de bodem steeds verder af. Dus minder opbrengsten, onvoldoende biodiversiteit op én in de bodem en met die erosie, overstromingen als kers op de taart.

Tijd voor herwaardering van de bodem onder onze voeten.

We kunnen niet de hele aardbodem asfalteren en ontginnen. We vernietigen ook nog eens de geologische en archeologische geschiedenis; onze bibliotheek, geheugen en oorsprong. We ontnemen bovendien heel veel andere levende wezens hun levensruimte, hun habitat en voedselbronnen. De vraag of we de wereldbevolking wel kunnen voeden is niet de juiste vraag. De vraag moet zijn: kunnen we ook de habitat van andere levende wezens, noodzakelijk voor alle leven, waarborgen? Zonder bodem zijn ook wij onze levensbasis snel kwijt.

We kunnen heel wat doen. Bijvoorbeeld een landbouwsysteem ontwikkelen, op basis van de kennis uit permacultuur en agro-ecologie, waarbij natuurbehoud, biodiversiteit en voldoende groen (zowel in oppervlak als in hoeveelheid planten) aanwezig zijn en samen gaan. Een systeem dat ons de noodzakelijke zuurstof, schone lucht, voldoende groene ruimtes, gezonde bodem én voedsel verschaft. Dit voorkomt ook de moeilijke spagaat waarin natuurbehoud en landbouw nu vaak de uiteinden vormen. Een landbouwsysteem, waar het beroep van boer weer tot het hart van de samenleving behoort en maatschappelijk en economisch opnieuw een relevante en gewaarde functie vervult. Een systeem ook dat vele nieuwe beroepen en banen schept en die mensen in contact brengt met de grond van ons bestaan. Geen overbodige luxe met de groeiende stroom ontheemden en de vele jongeren die nu aan de zijlijn op geasfalteerde straten staan.

Bij ruimtelijke ordening en bouwprojecten dient het belang van de bodem en de daaraan verbonden ecosystemen beter te worden bewaakt. Alleen daarom al is de elektrische auto geen oplossing, aangezien dat niets veranderd aan de hoeveelheid asfalt voor wegen en parkings.

De sleutel ligt ook in het onderwijs. Bij alle types ingenieursopleidingen moet het belang van de bodem voor het leven, tout court, worden bijgebracht. Ook kennis over geologie en astrologie helpt om onze relatie in het grote geheel beter te bevatten. In het basis en vooral het middelbaar onderwijs dient meer vakoverschrijdend geleerd te worden. Ecosysteem-denken en handelen vraagt mensen die zaken in hun verbanden kunnen zien en met complexiteit kunnen omgaan.

2016 is het internationale VN-jaar van de peulvruchten. Naast zeer belangrijke voedsel- en eiwitbron, en een goed plantaardig alternatief voor vlees, spelen bonensoorten ook een belangrijke rol bij het verrijken van de bodem. Ze binden stikstof, nodig voor de planten. En bonen helpen, bij gemengde teelten, ziektes in gewassen tegengaan. Ook bij dit thema is de bodem nooit ver weg.

 

Leestips, videos & kunst:

 

 

Read more...
Don't have an account yet? Register Now!

Sign in to your account