en

Winkelwagen leeg

Denktank voor Sociaal-Ecologische Verandering

Milieu en Natuur

Milieu en Natuur (28)

‘Het historische aandeel van België in de klimaatopwarming is bijzonder groot. Het is tijd om daar gevolg aan te geven’

27 juli 2022 by Milieu en Natuur 406 Views

Als we kijken naar de historische koolstofuitstoot, dan staat de Belgische bevolking op de tiende plaats van grootste uitstoters. Via herstelbetalingen en ruimere bijdrages in internationale klimaatfondsen kunnen we dat onrecht rechttrekken, meent Denktank Oikos.

Het was een pijnlijk accurate scène, in het laatste seizoen van de politieke dramaserie Borgen: tegen de magische achtergrond van het arctische landschap wordt in Groenland een nieuwe olievoorraad ontdekt. Birgitte Nyborg, hoofdpersonage en Deense minister van Buitenlandse Zaken, is er op bezoek. Haar missie bestaat erin de Groenlandse premier te overtuigen de olie in de grond te houden in naam van het klimaat. ‘Gun je je kinderen een wereld waar het ijs in rap tempo smelt, waar de planeet zichzelf niet kan voeden door klimaatverandering?’, vraagt ze.

De Groenlanders zien de olievoorraad vooral als een financiële bron om eindelijk onafhankelijk te worden van Denemarken. ‘Gaan jullie ons vertellen dat we niet naar olie mogen boren omdat het schadelijk is voor het klimaat, dat jullie hebben verpest?’, replikeert de Groenlandse oud-premier Jens Enok Berthelsen. ‘Plots moet Groenland betalen voor de Westerse vervuiling van de afgelopen 200 jaar. Betalen we de prijs niet al?’

De scène brengt op gebalde wijze vele hedendaagse malaises samen: de koloniale erfenis van voormalige Europese grootmachten, de legitieme wens van een etnisch volk om daar komaf mee te maken, de reeds tastbare gevolgen van klimaatverandering en onze hongerige afhankelijkheid van geld en fossiele brandstoffen. 

De klimaatverandering is er en de schade is intussen overal voelbaar. De realiteit overtreft zoals steeds de fictie: de afgelopen dagen alleen al stierven in Spanje en Portugal meer dan duizend mensen als gevolg van de hitte. De bosbranden zijn niet meer te overzien. Warmterecords sneuvelen overal ter wereld, opnieuw en opnieuw. En ondanks het feit dat we het ondertussen allemaal voelen, zijn het telkens weer de meest kwetsbaren die extra hard worden getroffen.

De tijd is dan ook rijp om het in België eindelijk te gaan hebben over ons historisch aandeel in de klimaatverandering. De temperaturen zoals we ze nu kennen, de extreme weerfenomenen, zijn mede het gevolg van de historische ecologische schuld die ‘het Westen’ niet enkel nu, maar door de eeuwen heen heeft opgebouwd. Dat moeten we durven inzien. We weten hoeveel CO2 sinds het begin van de industrialisering wereldwijd is uitgestoten, en door welke landen. Onze CO2-emissies van honderden jaren geleden blijven tot op vandaag bijdragen tot de opwarming van de planeet. Als we kijken naar de historische koolstofuitstoot voor de periode 1850-2021, dan staat de bevolking van het kleine België op de tiende plaats van grootste uitstoters. Dat noopt tot het opnemen van een politieke, economische en maatschappelijke verantwoordelijkheid die het gekissebis van alledag, zoals de kleinzerige discussie over salariswagens, overstijgt. 

In essentie is het klimaatvraagstuk een rechtvaardigheidsvraagstuk. Mia Mottley, de premier van Barbados, verwoordde het krachtig in haar speech op de COP26 in Glasgow: ’the pandemic has showed us that national solutions to global problems do not work. Failure to provide the critical finance and that of loss and damage is measured, my friends, in lives and livelihoods in our communities. This is immoral and unjust. Can there be peace and prosperity if one third of the world prospers and the other two thirds of the world live under siege and face calamitous threats to their well-being?’.

In het huidige tijdperk, waarin de ecologische crisis alle grenzen overstijgt, volstaat het in discussies over onze financiën niet meer om ons enkel op Vlaanderen of België te focussen, regio’s van amper een zakdoek groot. Ons terugtrekken binnen onze nationale of regionale grenzen is geen optie. We moeten durven inzien dat de ecologische voetafdruk van de gemiddelde Belg torenhoog blijft en dat ons historische aandeel in de wereldwijde klimaatopwarming bijzonder groot is.

Alle landen hebben een gedeelde verplichting om de ecologische crisis aan te pakken, maar niet iedereen draagt evenveel verantwoordelijkheid. Het is onrechtvaardig dat de bevolking uit Barbados moet opdraaien voor de uitstoot van de Belgen. Jammer genoeg is het wel hun eiland dat als eerste in zee verdwijnt als de temperaturen blijven stijgen. Een uitgebreide interpretatie van de common but differentiated responsibilities (gedeelde maar verschillende verantwoordelijkheid) kan compensatie bieden voor dit historische onrecht. Dit beginsel eist dat rijke landen herstelbetalingen doen die de ecologische schuld voor excessieve vervuiling erkennen. Dit kan bijvoorbeeld via ruime bijdrages aan de internationale klimaatfondsen voor het ‘Globale Zuiden’. We hebben er, als voormalige koloniale grootmacht, een groot deel van onze welvaart aan te danken. Ons land is gebouwd op hun ruggen. Het is tijd dat we dat teruggeven.

Onze CO2-uitstoot heeft niet alleen gevolgen voor de wereld nu. De ecologische schuld die we aan het opbouwen zijn naar onze toekomstige generaties toe, is enorm. In zijn essay De kolonisatie van de toekomst schrijft David Van Reybrouck: ‘2020 heerst over 2080 met een brutaliteit en een onverschilligheid die doen duizelen’. We ontnemen aan onze kinderen en kleinkinderen hun vrijheid, gezondheid, misschien zelfs hun leven.

Uiteindelijk gaat het om het respect voor internationale mensenrechten. Een verdere uitbouw van de milieumensenrechten en intergenerationele rechten (naast de rechten van de natuur en wetten tegen ecocide) is dan ook cruciaal. Zo stelde het Braziliaanse Hooggerechtshof recent een noodzakelijk precedent: ze erkende het Klimaatakkoord van Parijs als een mensenrechtenverdrag. Het vonnis past in het rijtje van klimaatzaken die wereldwijd tegen overheden worden aangespannen. In Ecuador bepaalde het hooggerechtshof dan weer dat plannen om koper en goud te ontginnen in een beschermd nevelwoud ongrondwettelijk zijn en een schending inhouden van de rechten van de natuur. Het zijn hoopvolle voorbeelden die aantonen dat dergelijke doortastende beslissingen effectief genomen kunnen worden, ook bij ons. 

Marie-Monique Franssen is milieu-antropologe en verbonden aan de sociaal-ecologische Denktank Oikos.

Dit opiniestuk verscheen in Knack

Read more...

Defensoras in Peru: Ecofeminisme in praktijk

30 mei 2022 by Milieu en Natuur 669 Views

Op vrouwendag bracht Catapa vier defensoras (Spaans voor ‘verdedigsters’) uit Peru, Colombia en Bolivia samen die zich inzetten voor het beschermen van planeet en mensenrechten. “Ja, ik ben trots mezelf ecofeminist te noemen”, zegt Dayana Corzo, moderator en Colombiaanse mensenrechtenactiviste. Maar wat betekent dat dan – ecofeminist zijn?

PICTURE 1 copy.jpg

Foto door Maxime Degroote, Catapa / Grufides, workshop mensenrechten en burgerjournalistiek in Cajamarca

In ‘Voor wie willen we zorgen?’ lezen we over ecofeminisme als inspiratiebron. Het ecofeminisme bevindt zich “op het kruispunt tussen de vernietiging van de natuur en … sociale onderdrukking” (Holemans et al. 2021). Het is een denkkader dat stelt dat de onderdrukking en onderwaardering van natuur en vrouw (en van eigenschappen die als ‘vrouwelijk’ worden bestempeld door de heersende cultuur) dezelfde oorsprong hebben. Net zoals onze natuurlijke omgeving werd gereduceerd tot een hiërarchie van grondstoffen, gequoteerd op basis van de economische waarde voor ‘de mens’, werd de waarde van ‘de vrouw’ bepaald door haar rol ten opzichte van ‘de man’. Wanneer we dit breder trekken, zien we dat verschillende vormen van onderdrukking met elkaar verbonden zijn; seksisme, uitbuiting van de natuur, racisme en in het geval van veel Latijns-Amerikaanse landen, anti-indigenismo – het onderdrukken en minachten van de inheemse bevolking. Ecofeminisme pleit er daarom voor de bestrijding van deze systemen van onderdrukking samen te nemen.

De strijd tegen mijnbouw in Cajamarca

Wat betekent het om ecofeminist en defensora te zijn, in praktijk? Wat verdedigen en beschermen we?


PICTURE 2 copy.jpg

Mirtha Villanueva Cotrina. Foto door Bérengère Sarrazin, Ingenierîa Sin Fronteras / Grufides, still uit documentaire “Las Damas Azules”

 

Voor Mirtha Villanueva Cotrina, Peruviaanse defensora, is dit “het leven zelf. Aarde en water geven ons leven. We beschermen ons gemeenschappelijke huis.” Andere defensoras sluiten zich hierbij aan: we verdedigen het web van leven, de aarde, waar we deel van zijn. “Hoe hebben we kunnen laten gebeuren dat onze verbinding met de Aarde werd verbroken?” vragen ze zich af. “Elke keer dat ze in de Aarde boren, is het alsof ze onze baarmoeder openbreken – de bron van alle leven.” Niet toevallig strijden ze allemaal tegen mijnbouw en extractivisme. Dit zijn praktijken die letterlijk de bodem openbreken en van hun leefomgeving een vernielingsgebied maakten. De ontginning van goud, coltan, koper… leidt tot vervuilde grond en vervuilde rivieren, veroorzaakt ziektes en brengt armoede met zich mee.

Geen van deze vrouwen koos ervoor defensora te zijn: ze konden niet anders dan deze strijd aangaan, voor hun grond, voor komende generaties en voor het leven zelf.

 compressjpgPICTURE 3.jpg

Condebamba-Vallei in Cajamarca. Foto door Maxime Degroote, Catapa / Grufides

 

Mirtha strijdt al jaren voor rechten van vrouwen en van de natuur in de vallei van Cajamarca. Cajamarca is een regio in Peru met een enorme rijkdom aan biodiversiteit. Verschillende rivieren ontspringen hier die water brengen tot het amazonegebied. En net in deze cruciale regio richt mijnbouw, onder meer door bedrijven Shahundo en Minera Yanacocha, een ravage aan.

Mirtha noemt zichzelf een ‘verdediger van het leven en van Pachamama (Moeder Aarde)’. Ze is directeur van Grufides, een lokale ecologisch-activistische ngo. De Belgische vzw Catapa ondersteunt de organisatie en de lokale beweging tegen mijnbouwreus Yanacocha sinds een aantal jaar. Toen Minera Yanacocha in de jaren ‘90 haar intrede maakte in Cajamarca, profiteerden zij van de onwetendheid van de lokale bevolking om land aan te kopen voor 25 euro per hectare. De ontginning van goud dreef de vallei van een vruchtbare oase naar een droge woestenij. Al snel begonnen rivieren van kleur te veranderen en werden land en water vergiftigd. Mensen werden omgekocht om de mijnbedrijven te steunen. Zij die verderop de rivier wonen, te ver van de plek van ontginning om compensatie te ontvangen maar evengoed afhankelijk zijn van het vervuilde water, zijn degenen die in opstand komen, gesteund door Grufides.

PICTURE 4 copy.jpg

Vervuilde rivier in Hualgayoc, Cajamarca. Foto door Maxime Degroote, Catapa / Grufides

De impact op vrouwen

De mijnbouw heeft een grote impact voor de lokale inheemse bevolking, en in het bijzonder op vrouwen. Hoewel mijnbedrijven voor hogere functies kiezen voor hoogopgeleide mannen van buitenaf, is er ook veel werk voor de lokale Quechua mannen – onder meer omdat zij meer onderwijs genoten dan vrouwen en daardoor Spaans spreken. Hierdoor kreeg het mannelijke deel van de bevolking toegang tot geld. Waar de lokale bevolking vroeger zelfvoorzienend was, werd het leven steeds meer bepaald door de markt. Campesinas (vrouwen die het land bewerken) kwamen hierdoor in een zeer afhankelijke positie. Hoe kunnen zij voor zichzelf en hun kinderen voorzien zonder echtgenoot? In combinatie met toenemend alcoholmisbruik en de handel in vrouwen en prostitutie die de mijnbouw met zich meebracht, daalde het respect voor vrouwen zienderdogen.

Ook de milieuvernietiging heeft een buitenproportionele impact op vrouwen. Het leven van vrouwen is verweven met de rivier: ze wassen zichzelf, hun kinderen en hun kleren hier; ze drinken dit water en bereiden hun voedsel ermee. Wanneer de rivieren rood kleuren door chemicaliën, merken zij het als eerste. Het water is niet meer veilig en moeders merken op dat hun kinderen huidziektes ontwikkelen. Een ander gevolg is dat lokaal geproduceerd voedsel overmatig veel zware metalen bevat, met gezondheidsproblemen tot gevolg (Barenys et al. 2014). Desondanks beweren de mijnlobbies dat de rivieren altijd al zo’n kleur hadden en dat de mijnbouw niet vervuilt. Er gebeurde reeds (beperkt) onderzoek naar de watervervuiling en de impact op het waterleven (zie Yacoub et al. 2012), maar bijster weinig naar de impact op menselijk welzijn. Wat een ramp is voor de hele gemeenschap, wordt door gebrek aan wetenschappelijk onderzoek afgewimpeld als onbelangrijk.

Om zich voor te bereiden op de toekomst, leert Grufides nu aan de campesinas om de kwaliteit van het rivierwater te monitoren. Zo kunnen ze meteen alarm slaan bij veranderingen en de nodige bewijzen voorleggen. Ondersteund door Catapa, krijgen zij ook een opleiding in burgerjournalistiek, zodat de gemeenschap verslag kan uitbrengen en niet hulpeloos staat tegen de machtige mijnreuzen. Zoals vaak het geval is bij ecologische schade, zijn de gevolgen echter niet altijd direct meetbaar. Vervuild water en vergiftigd voedsel, droogte en povere oogsten hebben (vaak onzichtbare) gevolgen op lange termijn. Een ondervoed kind heeft bijvoorbeeld meer moeite om dingen te leren en zal minder snel zijn/haar school afmaken. De impact valt daarom niet zomaar te meten of te compenseren.

 

compressjpgPICTURE 5 copy.jpg

Watermeting rivier in Cajamarca, foto door Maxime Degroote, Catapa / Grufides

Een verbonden wereld

In de stad Cajamarca, hoewel op slechts 18km van Minera Yanacocha gelegen, zijn de meeste mensen zich van geen kwaad bewust. Velen zijn er pro-mijnbouw. Maar, zoals Mirtha zegt: “Ze weten niet waar het water in hun kraan vandaan komt”. Er wordt niet over nagedacht en bijgevolg is er geen groot bewustzijn over de impact van vervuiling. Ook hier in het Westen kennen we vaak de oorsprong van ons voedsel en ons water niet. Dit is onzichtbaar, tot we ervoor kiezen het weer te zien. En dan zien we dat de strijd tegen mijnbouw niet enkel een lokale, maar ook een globale strijd is. Zo wordt er in de regio van Cajamarca veel fruit geproduceerd voor export. In het fruit werd tot 3 keer meer dan de maximale toegestane hoeveelheid arseen aangetroffen (OEFA). Door corruptie wordt dit fruit toch geëxporteerd en belandt het op onze borden, aldus Grufides.

De strijd voor een gezonde leefomgeving gaat ons allemaal aan en we spelen er allemaal een rol in. Wie weet er welke metalen er in je gsm zitten? Van welke mijnen zijn ze afkomstig en onder welke omstandigheden werden ze ontgind? Het is noodzakelijk om dit zichtbaar te maken, zodat we bewust kunnen kiezen voor een betere wereld.

 

compressjpgPICTURE 6 copy.jpg

Mijnbouwproject Corona van Gold Fields, in Hualgayoc, Cajamarca. Foto door Maxime Degroote, Catapa / Grufides

 

Defensoras en de relatie met het land

Hoewel de campesinas reeds overbelast zijn en vele rollen te vervullen hebben (van moeder, echtgenote, boerin) zijn ze ook zeer activistisch, aangewakkerd door de verantwoordelijkheid die ze voelen voor hun kinderen, hun dieren, hun land. In de connectie met de Aarde en de grond ligt hun identiteit. Ook spiritueel voelen ze zich verbonden met hun omgeving: ze bedanken de bergen, ze zegenen het land. In vroegere tijden speelden de vrouwen instrumenten en dansten ze om het leven te vieren. De kerk en kolonisatie poogde hen dit te ontnemen, en slaagde daar deels in. Desondanks staan de vrouwen vandaag nog sterk en houden ze de verbinding met het land in ere, onder meer via hun activisme en de rol van ‘Defensoras’ – verdedigsters – die ze opnemen.

De defensoras zetten al hun strijdvaardigheid in voor hun zaak. In protestmarsen lopen vrouwen steevast voorop; voor hun engagement, maar ook omdat verwacht wordt dat zij minder hard behandeld worden door de ordediensten dan mannen. Dit is echter niet altijd het geval. De defensoras worden blootgesteld aan zowel fysiek als verbaal en psychisch geweld (met beledigingen van ‘groene terrorist’ tot ‘hoer’). Het risico op seksueel geweld is groot, en meer nog voor vrouwen van kleur, die slachtoffer zijn van zowel racisme, anti-indigenismo als seksisme. Ook binnen de activistische beweging is de (gender)ongelijkheid groot. Een zorgcultuur ontbreekt; vrouwen worden zwanger en blijven alleen achter, er vinden verkrachtingen plaats … De zorgen van vrouwen worden niet gehoord en al te vaak wordt het verband tussen de feministische strijd en de strijd voor de Aarde niet gezien. Nochtans kan de strijd voor het vrouwenlichaam niet even aan de kant worden geschoven – het gaat namelijk in beide gevallen om ‘ons lichaam’. Dayana Corzo (2019) beschrijft de analogie tussen het vrouwenlichaam, historisch vaak gereduceerd tot ‘eigendom’, en de natuur, gezien als materiële hulpbron ter voordele van man en kapitaal. De bevrijding van het vrouwenlichaam en de bevrijding van de natuur kunnen slechts samen gebeuren. Het bestrijden van seksueel geweld en seksisme binnen de activistische bewegingen is een eerste noodzakelijke stap.

Het recht om te beslissen over ons vrouwelijk lichaam en het recht om te beslissen over ons territorium zijn inherent verbonden. De relatie met het territorium heeft in veel inheemse kosmologieën een meer diepgaande betekenis dan het westerse eigendomsrecht. Het woord ‘territorium’ houdt dan ook meer in dan grond alleen: het omvat de integriteit van het land, het ecosysteem en alle elementen en dimensies (economisch, ecologisch, sociaal, spiritueel). Het het is bovendien datgene wat verschillende lagen met elkaar verbindt: menselijke en niet-menselijke actoren; verleden, heden en toekomst. De oorspronkelijke volkeren zien zichzelf als deel van het territorium, en het territorium als deel van het eigen lichaam. Deze relationele visie leidt tot een gevoel van verantwoordelijkheid waarin zorg, wederkerigheid en respect centraal staan.

 

PICTURE 7 copy.jpg

Campagne “Defensores en Defensoras” om aandacht te vragen voor de schrijnende context voor milieuverdedigers en -verdedigsters in Peru. Foto door Maxime Degroote, Catapa / Grufides.

De toekomst van Cajamarca?

Waar er tot nu toe vooral naar goud werd gemijnd met een ‘open-pit mine’, die de vallei letterlijk tot open wonde maakt, worden er nu voorbereidingen getroffen om met ondergrondse mijnbouw te starten. Naast goud zouden vooral zilver en koper ontgonnen worden. Dit is gemotiveerd door de vraag naar nieuwe mineralen voor de infrastructuur voor ‘groene energie’ en de groene transitie in het algemeen (zonnepanelen, batterijen voor elektrische auto’s etc.). Wederom komen zo de milieu- en sociale gevolgen terecht op de schouders van zij die er geen zeg in hebben.

Het ziet er grimmig uit. Toch blijft Mirtha hoopvol. Tijdens haar bezoek aan België had ze de kans om in gesprek te gaan met Europarlementsleden Manon Aubry en Antonius Manders om de situatie aan te kaarten (lees hier het volledige verslag). Overconsumptie in de EU is namelijk direct verbonden met mijnbouw in Latijns-Amerika. Haar doel is eenvoudig: een einde aan de schadelijke mijnbouw in Cajamarca. In het verleden werden een aantal projecten (zoals het Conga-project) stopgezet door activisme en dankzij internationale steun. Dit toont dat het mogelijk is. Dit is dan ook het doel van Catapa en hun campagne rond ‘The right to say NO’: het recht om als gemeenschap nee te zeggen tegen mijnbouw.

En laten we dit dan ook koppelen aan het recht op autonomie over eigen lichaam – of dit nu ons vrouwenlichaam betreft, of het territorium als een verlengde hiervan.

 

PICTURE 8 copy.jpg

Protestmars tegen mijnbouw in Condebamba-vallei, in Cajamarca. Foto door Maxime Degroote, Catapa / Grufides

 

Geschreven door Myrah Vandermeulen, medewerker van Oikos Denktank, in samenwerking met CATAPA vzw.

 

 

 


 

Bronnen

Barenys, M., Boix, N., Farran-Codina, A., Palma-Linares, I., Montserrat, R., Curto, A., ... & Llobet, J. M. (2014). Heavy metal and metalloids intake risk assessment in the diet of a rural population living near a gold mine in the Peruvian Andes (Cajamarca). Food and chemical toxicology71, 254-263.

Corzo, Dayana Andrea Joya. 2019. Ecofeminismos: una alianza entre el feminismo y la naturaleza. Ideas verdes, 15.

Holemans, Dirk; Franssen, Marie-Monique & Osman, Philsan. 2021. Voor wie willen we zorgen? Ecofeminisme als inspiratiebron. EPO.

OEFA, “Informe de la evaluación ambiental temprana en el área de influencia de la Unidad Minera Shahuindo y zonas aledañas, en el distrito de Cachachi, provincia de Cajabamba, departamento de Cajamarca, durante el año 2017”. http://visorsig.oefa.gob.pe/datos_de/PM0203/PM020302/03/IF/IF_067-2017-OEFA-DE-SDCA-CMVA.pdf

Yacoub, C., Pérez-Foguet, A., Miralles, N., 2012. Trace metal content of sediments close to mine sites in the Andean region. Sci. World J. 2012, 732519.

Read more...

Pablo Tittonell: 'We speculeren toch ook niet met ziekenhuizen?' - over agro-ecologie

25 mei 2022 by Milieu en Natuur 483 Views

Op dinsdagavond 17 mei konden Dierenartsen Zonder Grenzen en De Landgenoten prof. Dr. Pablo Tittonell strikken voor een interview over agro-ecologie. De foyer in de Gentse Vooruit was goed gevuld. Dirk Holemans van Oikos ontlokte aan Tittonell antwoorden op vaak moeilijke vraagstukken. Niet zonder humor! Een kort verslag.

Pablo T

Voedsel produceren daar waar het nodig is

Na een korte introductie over wat agro-ecologie is, komen Holemans en Tittonell al gauw tot de essentie van wat Tittonell wereldwijd verkondigt: we hebben een transformatie van het voedselsysteem nodig, waarbij we voedsel produceren daar waar het het meeste nodig is. Het heeft geen zin om in landen waar de productie al hoog ligt, in te zetten op bijkomende productieverhoging. Dat vergroot namelijk de negatieve impact van landbouw. Daarnaast staat een hoge productie in een specifiek land niet garant voor voedselzekerheid, laat staan voedselsoevereiniteit. Tittonell verwijst naar Argentinië dat 10 keer meer calorieën produceert dan het land zelf nodig heeft, terwijl er toch honger rondwaart. Het is in de armere landen waar vele kleine arme boeren aan het werk zijn om weinig te produceren, dat de productie omhoog moet. En dan liefst met technieken die passen bij hun context. Agro-ecologie is daar het best geplaatst voor. Bodems zijn in die regio’s vaak erg geërodeerd en arm aan humus. Door de bodem te voeden met compost en mest kan deze recupereren en meteen ook koolstof opslaan. Zo wordt meer voedsel produceren meteen ook een rem op de klimaatverandering.

Wie profiteert van subsidies in landbouw?

Tittonell is glashelder over de crisis waarin landbouw wereldwijd vertoeft: zonder subsidies kan de sector niet overeind blijven. Dus kunnen we via die subsidies maar liever sturen naar een voedselproductie met minder negatieve impact. Subsidies komen overigens niet ten goede van de boeren zelf, die deze sommen meteen weer uitgeven om hun bedrijf draaiende te houden. Maar wie profiteert dan wel? Dat moeten we ons afvragen.

Dure grondprijzen hypothekeren duurzame landbouw

Hij wijst erop dat landbouw altijd beperkt wordt door de heersende politieke context: zo kan landbouw nooit rendabel zijn op landbouwgrond die buitengewoon duur is. Speculeren met landbouwgrond ontlokt hem de uitroep “we don’t speculate with hospitals either?”. Hij prijst de stad Groningen die publieke gronden inzet om duurzame boeren kansen te geven en bovendien de korteketenverkoop van de oogst ondersteunt. Dit geeft een sterk signaal aan burgers dat voedsel lokaal geproduceerd kan worden. Als de markt het gebruik van landbouwgronden bepaalt, dan is ondersteuning simpelweg nodig voor zij die duurzaam willen telen.

Geïnformeerde voedselkeuzes maken

Tittonell pleit niet voor een 100% lokale productie, wel voor een stevige verhoging van het lokale aandeel. 20% lokale voeding zou reeds een omwenteling betekenen. En daarvoor is ‘food literacy’ nodig: dat mensen zien en beseffen wat ze eigenlijk kopen en wat ze steunen met hun aankopen. En misschien is het nodig dat de overheid in een eerste fase een verbod oplegt, om zo te evolueren naar een nieuwe morele norm. Een beetje zoals de overheid heeft verwezenlijkt dat we intussen roken op vele plaatsen onaanvaardbaar vinden.

Er is geen one-size-fits-all-oplossing in agro-ecologie

Agro-ecologie betekent dat we voedsel anders produceren, op een manier die duurzaam is. Eigen aan agro-ecologie is dat elke context een eigen, aangepaste oplossing nodig heeft. Technieken die werken voor de ene regio, kan je niet zomaar overplanten naar een andere regio. Uitspraken die gelden voor de ene, gelden niet per se voor de andere.

Agro-ecologie werkt met de natuur en de kringloop mee. Kringlopen sluiten, zodat afval opnieuw grondstof wordt, is een belangrijk onderdeel van agro-ecologie. Veeteelt kan in de ogen van Tittonell absoluut een plaats hebben in een agro-ecologisch model. Want dieren kunnen grassen en reststromen omzetten in eiwitten. Die eigenschap kan ingezet worden in een ecosysteem. Tittonell geeft nog mee dat de Wereldgezondheidsorganisatie WHO 90 gram vlees per dag als maatstaf meegeeft. Dat is goed voor zo’n 32 kg vlees per persoon per jaar. In vele ontwikkelde landen ligt het gemiddelde op meer dan het dubbele. Denemarken spant de kroon met meer dan 100 kg vlees per jaar. Voor Tittonell dragen landen met een hoge vleesconsumptie (>80 kg/jaar) de morele verplichting om deze te doen dalen: “32 kg meat per year is not a sacrifice!”

Wereldwijd inspireren

Tittonell stelt zich als missie om mensen wereldwijd te inspireren. Dat is in Gent alleszins geslaagd. Dierenartsen zonder Grenzen en De Landgenoten haalden plezier en vernieuwde energie uit zijn bezoek.

 

Oorspronkelijk gepubliceerd door De Landgenoten.

Read more...

Oikos tijdschrift - Lees nu: dossier agroecologie

05 mei 2022 by Milieu en Natuur 682 Views
Administrator

Written by

 

Het maatschappelijk bewustzijn groeit dat het dominante voedsel- en landbouwsysteem onhoudbaar is. Megastallen beschadigen de natuur door hun stikstofuitstoot, waterslurpende exportgewassen staan haaks op drogere zomers, insecten en weidevogels verdwijnen, en in het Globale Zuiden maken leefgebieden van inheemse volkeren vol biodiversiteit plaats voor de productie van veevoeder. Het is een pijnlijke paradox dat terwijl dit landbouwsysteem veel broeikasgassen uitstoot, het net het minst bestand is tegen klimaatontwrichting. Bovendien zijn zowel boeren als consumenten de dupe van dit industrieel model in handen van een kleine groep grote bedrijven. Boeren moeten steeds meer produceren tegen lagere prijzen, consumenten zien hun keuze beperkt tot wat supermarkten willen aanbieden, met rekken vol processed food, terwijl gezonde, lokale voeding niet voor iedereen betaalbaar is.

Gelukkig is er een groeiende groep mensen - boeren, activisten en wetenschappers in binnen- en buitenland - die al geruime tijd het hoopvolle model van agroecologie ontwikkelen en uitbouwen. Agroecologie is een vorm van landbouw die ecologische kennis en praktijk samenbrengt, een gebalanceerde en holistische manier om voedsel te produceren. Het vertrekt van het inzicht dat alles samenhangt en we allemaal deel uitmaken van het web van het leven. Dit besef van lotsverbondenheid gaat hand in hand met zorgzaam in de wereld staan. Vanuit het agroecologisch denken en handelen is het logisch dat je zowel zorg draagt voor het bodemleven als investeert in een verbindend sociaal netwerk rond de boerderij. Het welzijn van de mens, bodem, natuur en sociale leefomgeving zijn afhankelijk van en beïnvloeden elkaar. 

Om al deze redenen besloten we Oikos n°98 en n°99 te wijden aan agroecologie en het volledige dossier openbaar te zetten. Dit vind je terug via deze link

Veel leesplezier!

Read more...

Het is genoeg geweest

07 april 2022 by Milieu en Natuur 884 Views
Dirk Holemans

Written by

 

 

Het nieuwste, alweer dramatische klimaatrapport vestigt de aandacht op wat we (misschien graag) dreigen te vergeten: het ligt ook bij ons. Als de mens sneller zegt dat hij genoeg heeft, schrijft Dirk Holemans, kan dat een wezenlijk verschil maken.

 

Het eerste klimaatverdrag van Kyoto is intussen een jonge dertiger. Alle ­beloftes ten spijt is sindsdien de jaarlijkse CO2-uitstoot met maar liefst 60 procent gestegen. Bent u al ongerust?

Maandag verscheen het nieuwste rapport van het klimaatpanel IPCC, toegespitst op deze ene vraag: hoe kunnen we de uitstoot van broeikasgassen snel en drastisch terugdringen, om een onherbergzame klimaattoekomst te vermijden? Die opdracht is niet evident. De mondiale uitstoot van broeikasgassen was in het afgelopen decennium groter dan ooit. Die uitstoot is ongeveer even groot als het koolstofbudget dat overblijft om de opwarming tot anderhalve graad ­Celsius te beperken. Dus als we dit ­decennium nog eens evenveel uit­stoten, is ons koolstofbudget op.

Wat dat betekent na 26 klimaat­toppen, vatte VN-secretaris António ­Guterres gevat samen bij de lancering van het rapport: ‘Het is een tekst vol schaamte, die de lege beloftes catalogeert die ons fors op weg zetten naar een onleefbare aarde.’

Van Somalië tot Pepinster

Het rapport onderstreept nog eens hoe urgent de situatie is. Als we ons niet heel snel massaal inzetten om ­onze samen­leving klimaatneutraal te maken, missen we de steeds kleiner wordende window of opportunity om … en meestal volgt hier dan de zins­nede: een leefbare ­wereld achter te ­laten. Maar dat zou een neokoloniale redenering zijn. Alleen al in Somalië heeft het door de klimaatverandering op veel plaatsen al vier jaar niet geregend. Zeker een half miljoen ­bewoners zijn ontheemd. De klimaat­ellende ís er al, dat weten ze ook in Pepinster en omstreken.

Het probleem is ook alomvattend. Het gaat niet over specifieke reducties aan broeikasgassen in bepaalde sectoren. We komen er alleen als we een snelle én forse daling realiseren in alle sectoren van de globale economie. En dat is de verantwoordelijkheid van ­alle beleidsniveaus: elke gemeente, elke ­regio, elk land moet alles op alles zetten, willen we nog een kans maken om de wereldwijde opwarming te ­beperken tot anderhalve of 2 graden Celsius. Dat betekent meer dan ‘een tandje bijsteken’. Als de landen ­gewoon hun klimaatbeloften voor 2030 uitvoeren – en zelfs dat is lang niet zeker – is het gewoon onmogelijk om de opwarming te beperken tot ­anderhalve graad.

Vlees eten, snel rijden

Het rapport benadrukt ook dat ongelijkheid er wezenlijk toe doet. Zogenoemde ‘ontwikkelde’ landen ­hebben een veel hogere uitstoot per inwoner, terwijl de ‘minst ontwikkelde’ landen een verwaarloosbaar deel van de historische uitstoot hebben ­geproduceerd. Maar ook in de landen zelf zijn de inkomensverschillen relevant. De rijkste 10 procent is er verantwoordelijk voor 34 tot 45 procent van de consumptiegebaseerde uitstoot van huishoudens. Ongelijkheid bestrijden maakt het dus makkelijker om de klimaattransitie te realiseren. Expliciete aandacht voor rechtvaardigheid komt volgens het rapport ­zowel de maatschappelijke aanvaarding als een fair en effectief klimaatbeleid ten goede.

Voor de eerste keer besteedt een IPCC-rapport ook aandacht aan sufficiëntie, zeg maar: een economie van het genoeg. Dat betekent dat we ­moeten ‘de vraag vermijden naar energie, materialen, land en water, om zo ­menselijk welzijn voor iedereen binnen planetaire grenzen te realiseren’. Het rapport besteedt vanuit deze ­focus een hoofdstuk aan hoe je via het ­gedrag van mensen en de ­keuzes die hun worden aangeboden, emissies kan terugdringen.

Wie de discussie over vlees eten of snel rijden een non-debat vindt, moet het rapport daar misschien eens openslaan. Gedrags- en culturele wijzigingen vertegenwoordigen een ­‘wezenlijk vergeten strategie’ die in heel wat scenario’s is weggelaten in het verleden. Nochtans bevatten ­dergelijke wijzigingen het potentieel tot ‘gigantische CO2-reductie’, zegt het IPCC. Tegen 2050 kunnen strategieën die de vraag beperken, globale broeikasgassen met 40 tot 70 procent doen dalen. Dus ja, wat we eten, hoe we ons verplaatsen en wat we doen met onze huizen, het doet er absoluut wel toe.

Dat betekent niet dat we de klimaatverantwoordelijkheid moeten individualiseren. ­Integendeel, de uitdaging voor de ­beleids­verant­woordelijkheden is net de keuze voor duurzame levenswijzen actief ondersteunen en mogelijk ­maken. Vaker de fiets en het openbaar vervoer gebruiken? Dan hebben we veilige fietsinfrastructuur en een goed openbaar vervoer nodig. De steden dragen een verantwoordelijkheid, stelt het rapport, en een goede ruimtelijke ordening is cruciaal.

Als samenleving het debat voeren over bijvoorbeeld vlees eten, zoals ­deze krant ook doet in de reeks ‘Vlees of vegan’, is dus geen luxe, maar heeft alles te maken met een doortastend klimaatbeleid. Wie weet komt er ooit betaalbaar en energiezuinig kweekvlees, maar dat zal niet voor de eerste tien jaar zijn. Daarom moeten we het hebben over wat we eten. De klimaaturgentie keert namelijk om wie elitair is: dat zijn niet degenen die oproepen tot een duur­zame ­levensstijl, wel zij die zich daartegen verzetten en hun persoonlijke vrijheid denken aan­getast te zien en blind zijn voor de veroorzaakte ellende.

Mijn vrijheid, jouw vrijheid

Dit is de kernvraag die het nieuwe ­klimaatrapport stelt: hoe vullen we in het rijke Westen ons vrijheidsbegrip in? Dominant in onze samenleving is de liberale invulling ervan: mijn ­vrijheid stopt waar die van jou begint. Laten we die eens echt toepassen. Als we vrijheid van (over)leven in streken die nu al hard lijden onder klimaatverandering ter harte nemen, is onze consumptievrijheid inderdaad begrensd. Maar is dat niet een te een­zijdige kijk? Dirk Kurbjuweit haalde het al aan in de krant (DS 1 april): de focus op consumptievrijheid heeft ons de poli­tieke vrijheid en haar aandacht voor veiligheid en zekerheid doen vergeten. Maar hij ziet een afruil tussen vrijheid en zekerheid: we moeten nu het eerste inperken voor het tweede. Zoals ik uiteenzette in mijn boek Vrijheid & zekerheid, is de echte uitdaging beide te combineren. Dat vergt een rijkere invulling van vrijheid, namelijk die om niet ten koste te leven van anderen.

Wat we daartoe nodig hebben, is een systeemverandering, zodat ook mensen met weinig koopkracht zich de meest duurzame opties kunnen veroorloven. En die optie moet ­natuurlijk ook bestaan – denk aan Europese snelle treinverbindingen die vliegreizen vervangen.

Dus ja, we zullen in de toekomst anders eten, reizen, ­wonen en energie opwekken. Dat kan alleen door gecoördineerd overheidsbeleid dat bestaat uit robuuste ‘beleidspakketten’ en overheidsinvesteringen. En uiteraard speelt techno­logische innovatie een heel ­belangrijke rol. Maar daar had ik het even niet over – dat doen de duizenden lobbyisten in Brussel al elke dag. Dat de prijs van hernieuwbare energie onwaarschijnlijk is gedaald, biedt alvast een no-brainer voor wie in actie wil schieten.

 

 

Verschenen in De Standaard op woensdag 6 april 2022.
 
Read more...

De vergeten crisis van onze biodiversiteit

 

Nu de coronapandemie terug in het centrum van de aandacht staat, verdwijnt de klimaatcrisis naar de achtergrond. En achter die klimaatcrisis verschuilt zich nog een andere, grotere crisis: die van de biodiversiteit. Waar er terecht veel aandacht is voor de vernietiging van regenwouden, is ook in onze streken het verdwijnen van biodiversiteit zeer zichtbaar. We zien het allemaal: open ruimte, met weiden, hagen en bomen, wijkt elke dag voor wegen en gebouwen. En op de resterende landbouwvelden zie je amper nog een akkervogel.

In 2019 publiceerde het IPBES (International Panel for Biodiversity and Ecosystem Services) het ‘Global Assessment Report on Biodiversity and Ecosystem Services’. Dit werd gepubliceerd in aanloop naar de COP15 (Conference of Parties) van het Biodiversiteitsverdrag, het minder bekende broertje van de COP26 over klimaat, die meerdere keren werd uitgesteld. In april 2022 zal deze hopelijk eindelijk kunnen afronden met ambitieuze doelstellingen én maatregelen. Want de bevindingen in het IPBES-rapport laten geen twijfel bestaan over de urgentie.

Volgens wetenschappers stevenen we af op een ‘Zesde Massale Uitstervingsgolf’ in de geschiedenis van de planeet. Meer nog; we verliezen soorten aan een veel sneller tempo dan voorheen: wel honderd tot duizenden keren sneller dan het natuurlijke tempo. Dierenpopulaties gaan pijlsnel achteruit. Om een voorbeeld te geven: tussen 2008 en 2017 verminderde het aantal insecten in Duitse graslanden met 78 procent. In tegenstelling tot de vorige golven, is deze keer de mens de oorzaak. En dat kan ook goed nieuws zijn: het plaatst ons als mensen in de positie om er iets aan te doen en het tij te keren.

En dat is broodnodig. Een gezonde biodiversiteit is essentieel voor het behoud van de ecosystemen die zorgen voor een leefbare Aarde. Vreemd genoeg wordt er nog altijd naar de mensheid gekeken als losstaand van de natuur; alsof we met de verdwijnende biodiversiteit, jammer maar helaas, een paar bossen minder zullen hebben, een pak minder dieren op het land en in de lucht, … en wij als mens nog steeds naar ons werk zullen gaan, Netflix-documentaires zullen kijken over lang vervlogen natuur en bij het avondeten onze dag zullen overlopen.

Die idee, een vorm van dissociatie van de werkelijkheid, klopt absoluut niet. Drievierde van ons voedsel is afhankelijk van bestuivers zoals bijen, bestanddelen van medicijnen vinden we in de natuur, onze luchtkwaliteit hebben we aan planten te danken, …  Beschadigen we zonder omzien de natuur? Dan doen we onszelf pijn en zetten we onze bestaansvoorwaarden op de helling. Als we zo verdergaan, zullen steeds meer gebieden van de Aarde voor de mens onherbergzaam worden.

Ook de meest zichtbare crisis van vandaag – de pandemie – is onlosmakelijk verbonden met de biodiversiteitscrisis, zoals experte Myriam Dumortier (INBO) uitvoerig beschreef. Als we bijvoorbeeld tropische bossen kappen voor plantages, stijgt de kans op ziekten en pandemieën door zoönosen (ziektes overdraagbaar van gewervelde dieren op mensen). Dit kunnen we doortrekken naar industriële landbouw: monoculturen zijn veel kwetsbaarder voor ziektes en klimaatverandering dan bijvoorbeeld agro-ecologische landbouw. Terwijl een enorm aantal soorten achteruitgaat en uitsterft, gedijen enkele andere soorten zeer goed, waaronder ziektekiemen zoals coronavirussen en de dragers hiervan.

Toch leeft nog steeds het idee dat er van ons, mensen, een opoffering wordt gevraagd om voor de planeet te zorgen. En ja, een radicale verandering in levenswijze is noodzakelijk: het opnieuw handelen vanuit erkenning en respect voor onze onderlinge verbondenheid met alle elementen in de levende natuur. Voor overconsumptie van grondstoffen en van vlees is hier geen plaats. Deze ommezwaai is echter geen opoffering, maar net een manier om weer in relatie te treden met de natuur en onze plek hierin weer op te nemen. Dit is een manier om onze kinderen en kleinkinderen, onze buren en mensen op andere continenten, en ook onze planten- en dierenverwanten een goed leven te bieden.

Het helpt ons daarbij niet om elkaar met de vinger te wijzen. Het is noodzakelijk om samen te werken. Allemaal willen we een goed leven, voor onszelf, onze kinderen en kleinkinderen. De definitie van wat een goed leven is mag dan verschillen, maar dat dit propere lucht en schoon water, vervulling van basisbehoeftes, gemeenschap en verbinding omvat, lijkt de essentie. Meer en meer onderzoek wijst trouwens ook op het belang van natuur in je omgeving voor psychisch welzijn.

Om biodiversiteit te koesteren, moeten we ruimte geven aan de natuur. Het is nodig om natuurgebieden te beschermen, maar als dit eilanden blijven omringd door monoculturen en beton, lost dat weinig op. In Vlaanderen kreunt ongeveer elk natuurgebied onder de neerslag van stikstof, wat leidt tot het verdwijnen van veel soorten. We hebben dus gezonde landbouwsystemen nodig die zonder fossiele brandstoffen kunnen en ook zelf biodivers zijn. Daarbij hoort een meer plantaardig dieet en dus minder vis, vlees en zuivel, en ons waar mogelijk lokaal en seizoensgebonden te voeden. Dit is niet enkel een technologische uitdaging of een louter economisch vraagstuk. Het gaat om het herstel van onze relatie met de natuur. Door zorg te dragen voor onze omgeving, zorgen we voor onszelf en voor elkaar. Hier kunnen we veel leren van inheemse volkeren. Wetenschappers schatten dat ongeveer tachtig procent van de biodiversiteit op aarde zich bevindt op gebieden waar inheemse volken zorg voor dragen. Daarom is het verstandig om met open blik te kijken naar de wijze waarop deze volken in de wereld staan, hun concrete praktijken en wereldbeeld, nu maar ook vroeger. Wat kunnen we bijvoorbeeld leren van de Iroquois die zich bij elke belangrijke beslissing de vraag stellen hoe deze de zeven volgende generaties beïnvloedt?

Om de cirkel te sluiten: er wordt veel gepraat – hoewel er te weinig gedaan wordt – over de klimaatverandering. Daarbij lijkt het misschien alsof de biodiversiteitscrisis minder belangrijk is. Niets is minder waar. Beide cruciale uitdagingen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Klimaatverandering – denk aan hittegolven en droogtes – is een immense bedreiging voor tal van ecosystemen en biodiversiteit. Andersom biedt ruimte geven aan de natuur en investeren in biodiversiteit grote kansen voor koolstofopslag en het tegengaan van de verdere opwarming van onze Aarde. En nog ruimer: we hebben ons leven te danken aan deze bio-diverse wereld; is het zo een gek idee om er een respectvolle relatie mee op te bouwen?

Om meer aandacht te brengen naar deze belangrijke kwestie, organiseert de Green European Foundation in samenwerking met Oikos Denktank een reeks Green Post-Corona Talks rond biodiversiteit. Schrijf je hier in voor deze gratis webinar-reeks.

 

_____

 

Dit opiniestuk verscheen ook in De Wereldmorgen

 

Read more...

We hebben weer meer boeren nodig. Over de wedloop tussen voedselproductie en biodiversiteit

Door de eeuwen heen produceerden steeds minder boeren voedsel voor steeds meer mensen. Het gaf ons de ruimte om rijke culturen op te bouwen. Deze trend heeft zijn limieten overschreden. Ons geglobaliseerde voedselsysteem heeft rampzalige gevolgen voor de biodiversiteit, terwijl biodiversiteit net essentieel is voor de voedselproductie. Willen we voedselproductie en biodiversiteit verzoenen, dan hebben we weer meer boeren nodig.

Lees het volledige artikel van Myriam Dumortier en Wouter Vanhove hier.

Read more...

Herbekijk - Webinar - Landschap en natuur: scheiden of verweven?

25 mei 2021 by Milieu en Natuur 1598 Views
Administrator

Written by

Hoe moeten we onze schaarse ruimte inzetten indien we tegelijkertijd de wereld willen voeden en onze biodiversiteit willen beschermen?  Dat dit niet mogelijk is via industriële landbouw met monoculturen en hoge afhankelijkheid van chemische pesticiden, kunstmeststoffen en antibiotica, is intussen voor velen vanzelfsprekend. Toch blijven sommigen dat hardnekkig in vraag stellen: het argument luidt dan dat het beter is te streven naar opbrengstmaximalisatie op zo weinig mogelijk grond, waardoor er meer ruimte vrijkomt voor de natuur. 

Tijdens deze webinar analyseert Esmeralda Borgo (beleidsverantwoordelijke BioForum) deze argumenten. Myriam Dumortier (Landbouw- en Biodiversiteitsdeskundige INBO) en Hubert Gulinck, (emeritus hoofddocent Aard- en Omgevingswetenschappen KU Leuven) reageren.

Herbekijk de volledige webinar via deze link.

Read more...

Eentje meer kan geen kwaad? Dat gaat niet meer op

15 maart 2021 by Milieu en Natuur 1482 Views

De stikstofcrisis stond in de sterren geschreven, zegt Dirk Holemans. Collectieve problemen pak je beter niet geval per geval aan, maar dat is precies wat Vlaanderen gedaan heeft met de megastallen.

De Duitse socioloog Ulrich Beck schreef in 1989 zijn baanbrekende werk De risicomaatschappij. Daarin toonde hij hoe de naoorlogse welvaartsstaat zich had bekwaamd in de verdeling van de ‘goods’, en niet in het beheer van de ‘bads’. Ja, de industriële samenleving produceerde veel welvaart, maar tegelijk ongeziene milieuvervuiling. Zijn analyse past naadloos bij de tot nu toe hopeloze aanpak van de stikstofcrisis: zolang we collectieve problemen geval per geval aanpakken, zullen we die nooit oplossen.

In het ethische denken omschrijven ze die kwestie als het probleem van de vele handen. Stel, een groep van vijf stampt iemand in elkaar, en die is daardoor gewond geraakt. Voor de rechter is het een heikele kwestie om de verantwoordelijkheid per persoon vast te stellen. Beck geeft het voorbeeld van de impact van luchtvervuiling door bedrijven. Als er naast een dorp één bedrijf ligt dat vergif de lucht in pompt, waardoor kinderen in het dorp ziek worden, lukt het in de meeste gevallen om een oorzakelijk verband te leggen en het bedrijf aansprakelijk te stellen. Maar als er naast dat dorp een industrieterrein ligt met tien bedrijven die allemaal giftige stoffen uitstoten, valt er met die aanpak nauwelijks iets te doen aan de veel zwaardere impact op de gezondheid.

Alles hangt samen

Voor Beck was dat een voorbeeld van de georganiseerde onverantwoordelijkheid die onze samenleving kenmerkt. Gelukkig hebben we op sommige vlakken lessen getrokken, en hebben we bijvoorbeeld algemene milieukwaliteitsnormen ingevoerd. Op een aantal vlakken vervuilen we ons leefmilieu in de 21ste eeuw minder. Ook het klimaatbeleid vertrekt van het totaal aan broeikasgassen per land, om van daaruit te discussiëren over de bijdrage van ‘elke hand’, zeg maar elke sector.

Dat het Vlaamse stikstofbeleid zou falen, stond in de sterren geschreven. In plaats van het probleem collectief aan te pakken, werd het geval per geval bekeken. Elke nieuwe megastal mocht er komen, zolang die niet te veel extra stikstof uitstootte. Die extra ‘bads’ zouden geen kwaad kunnen, ze blijven nodig om onze welvaart als overkoepelend ‘good’ te versterken. Wat ontbreekt, is systeemdenken. Nochtans is die holistische benadering onontbeerlijk voor een adequate aanpak van collectieve problemen.

Systeemdenken is de wetenschap die vertrekt van het basisgegeven dat alles samenhangt en op elkaar inspeelt. Een van de grondleggers ervan is de Amerikaanse Donella Meadows, de coauteur van het befaamde rapport Grenzen aan de groei aan de Club van Rome. Dat rapport was de eerste poging om vanuit systeemdenken grote wereldfenomenen in hun onderlinge samenhang te analyseren, zoals de groei van de wereldbevolking, industrialisering en de uitputting van natuurlijke grondstoffen.

Volgelopen stikstofbad

Meadows wijst in haar postuum verschenen boek Thinking in systems op het belang van stromen van bepaalde stoffen of goederen, of het nu stikstof of water is, naast de voorraad ervan. Dat illustreerde Hendrik Schoukens, ­expert milieurecht, in zijn stuk (DS 3 maart) met het beeld van de badkuip: ‘Onze natuur is de voorbije eeuw met stikstof overladen door landbouw en industrie, zoals een badkuip die met water wordt gevuld.’ Als het bad vol zit, moet je kijken naar de afvoer- en afvoerstroom. De stikstof in het bad kan alleen dalen door de kraan dicht te draaien en de afvoer te verbeteren.

De analogie met de waterproblematiek, waar Pano zich deze week over boog, ligt voor de hand. Is bij stikstof het bad vol, dan is het in het geval van water leeg in de zomer. De belangrijkste toevoerkraan, regen, hebben we niet in de hand. En doordat we steeds meer verharden, raakt het water moeilijker in het bad. Zoals we bij stikstof denken dat die extra stal erbij mag, denken we bij water dat die extra boorput geen kwaad kan. Maar wie het systemisch opvat, ziet een bad met steeds meer afvoerleidingen dat steeds sneller leegloopt. Als we daar niets aan doen, blijft het dweilen met de afvoerkraan open.

Van systeemdenken valt nog meer te leren. Meadows komt, in een essay waarin ze terugkijkt op wat ze zelf geleerd heeft, tot een verrassend inzicht. Als we systeemverandering willen bereiken, in ons geval de transitie naar een sociaalecologische samen­leving, kijken we jammer genoeg meestal naar zaken met het kleinste hefboomeffect. Mensen met subsidies stimuleren om voor elektrische auto’s te kiezen, draagt maar beperkt bij tot systeemverandering. Je zit nog altijd met hetzelfde systeem. Redesign – zeg maar make better things, don’t make things better – heeft al veel meer impact. Denk in de stikstofkwestie aan andere landbouwmodellen. Maar de allergrootste hefboom heb je als je de mindset van mensen, het heersende paradigma in de samenleving kan veranderen. Daarover doen we volgens Meadows veel te weinig onderzoek.

Daar wringt het schoentje bij de stikstofcrisis. Kranten staan vol met artikels over hoe die een bedreiging vormt voor de aanleg van de Oosterweel-verbinding (nog meer auto’s en vrachtwagens), extra megastallen (nog meer industriële kweek van dieren) of Ineos-fabrieken (nog meer olie- en gasindustrie). De realiteit, vanuit systeemdenken, is net het omgekeerde. De uitbreiding van wegen, olie- en gasindustrie en industriële landbouw bedreigt op structurele wijze de natuur en onze gezondheid. We zagen de tak af waarop we zitten.

Praat over wat je ziet

Je kunt onze biosfeer niet blijven beschadigen zonder dat die finaal de functies verliest die essentieel zijn voor ons voortbestaan. De kuip met stikstof loopt over, die met water in de zomer leeg, maar het bad van de natuur is stilaan aan het barsten.

Meadows heeft deze fundamentele kwestie goed omschreven: ‘We praten eigenlijk niet over wat we zien, we zien maar datgene waarover we kunnen praten.’ Laten we vaker het gesprek voeren over hoe belangrijk we volksgezondheid en biodiversiteit vinden, over de noodzaak en weldaad van een gezonde natuur, ook voor onze gezondheid. En over landbouwmodellen zoals agro-ecologie, die daarin passen. Dat betekent een politiek die het lef heeft om de oorzaken van de ‘bads’ radicaal aan te pakken zodat we opnieuw kunnen focussen op de versterking en verdeling van de ‘goods’. Je kunt het ook omschrijven als op geor­ganiseerde wijze je verantwoordelijkheid nemen.

 

Dit opiniestuk verscheen oorspronkelijk in De Standaard.

Read more...

'De nertsencrisis is de zoveelste crisis van de industriële dierlijke productie'

19 november 2020 by Milieu en Natuur 2050 Views
Myriam Dumortier

Written by

'De nertsencrisis is de zoveelste crisis van de industriële dierlijke productie'


'De verspreiding van ziekten via verwilderde pelsdieren is niet nieuw', schrijft Myriam Dumortier (UGent) nu op verschillende plaatsen in de wereld nertsen opgeruimd moeten worden na problemen met het coronavirus.


Denemarken heeft het leger ingezet om meer dan 15 miljoen nertsen op te ruimen. De alarmbel ging af na de ontdekking van een gemuteerd SARS-CoV-2-virus, met eigenschappen die de werking van een toekomstig vaccin zouden kunnen schaden. In Denemarken is in ruim 200 van de 1500 pelsdierfokkerijen Covid-19 uitgebroken. In zeker vijf fokkerijen is het gemuteerde virus aangetroffen en minstens 12 mensen werden ermee besmet.

 Denemarken is de tweede grootste bontproducent ter wereld, gekend om de exclusieve kwaliteit van zijn pelzen. Er worden jaarlijks meer dan 17 miljoen pelsdieren gevild, de grote meerderheid daarvan nertsen. Het huidige risico wordt dermate ernstig ingeschat, dat het land overging tot de draconische maatregel om al zijn nertsen te vernietigen. De ravage is enorm.

Covid-19 uitbraken in pelsdierfokkerijen zijn niet nieuw

Dat pelsdierfokkerijen met Covid-19 worstelen is niet nieuw. Sinds de eerste besmettingen in Nederlandse fokkerijen in april van dit jaar, werden ook daar al ruim twee miljoen nertsen opgeruimd. Nederland leverde de eerste bevestiging dat het virus niet alleen van mensen op nertsen, maar ook van nertsen op mensen wordt overgedragen. De Nederlandse overheid, die eerder al om ethische redenen besliste zijn pelsdierfokkerijen tegen 2024 te sluiten, vervroegde deze einddatum ondertussen naar 1 maart 2021. Dit wil zeggen dat de huidige dieren nog gevild worden en daarna de productie wordt stilgelegd.

Ook andere landen werden getroffen. In juli leidde een Covid-19 uitbraak in een Spaanse fokkerij tot de vernietiging van 100.000 nertsen. In augustus kregen ook fokkerijen in de Verenigde Staten met Covid-19 af te rekenen. Later volgden ook Italiaanse en Zweedse bedrijven. De acht Vlaamse pelsdierfokkerijen blijven voorlopig buiten schot. Ook bij ons werd twee jaar geleden om ethische redenen een uitdoofscenario tegen 2024 afgekondigd. Ook hier zou een vervroegde einddatum ons leed kunnen besparen.

De nummer één producent én consument van bont in de wereld is China. China zou wel 50 miljoen pelzen per jaar produceren, en daar bovenop de bulk van de Europese pelzen importeren. Om de verstrengende beperkingen in de handel van wilde dieren te ontwijken, wil China zijn pelsdieren het statuut van vee geven. Afbouw is daar duidelijk niet aan de orde. Er is voorlopig geen informatie over Covid-19 uitbraken in Chinese fokkerijen. In die fokkerijen worden ook meer dan 14 miljoen wasbeerhonden gehouden. Daarvan werd aangetoond dat ze SARS-CoV-2 kunnen overdragen zonder zelf symptomen te vertonen. Laten we hopen dat de Chinese autoriteiten dit zeer nauw opvolgen.


De verspreiding van ziekten via verwilderde pelsdieren is niet nieuw

Nertsen in fokkerijen zijn altijd Amerikaanse nertsen. Zowel de Amerikaanse nerts, de wasbeerhond, de beverrat als de muskusrat zijn naar Europa gebracht voor hun pels. Hier en daar ontsnapten exemplaren (of werden ze vrijgelaten door dierenrechtenactivisten), waarna ze verwilderden. De roofzuchtige Amerikaanse nertsen bedreigen de laatste populaties Europese nerts, die met uitsterven bedreigd is, alsook tal van kleine zoogdieren, vogels, amfibieën en vissen. Idem voor de andere ontsnapte uitheemse pelsdiersoorten. Omwille van hun negatieve impact op de biodiversiteit werden de wasbeerhond, de beverrat en de muskusrat opgenomen op de Europese lijst van verboden invasieve exoten. Ook de Amerikaanse nerts hoort thuis op deze lijst.

Ontsnapte pelsdieren zijn al langer gekend als verspreider van ziekten en parasieten. De Amerikaanse nerts verspreidt de Aleoetse nertsziekte, de wasbeerhond de rondworm Trichinella spiralis, de wasbeerhond en de muskusrat verspreiden de vossenlintworm, en de beverrat is berucht omwille van Leptospirose.

Het is zeer aannemelijk dat binnenkort SARS-CoV-2 zal opduiken bij verwilderde nertsen. De soort heeft zich bijna overal in Europa in het wild gevestigd en blijft zijn territorium uitbreiden. Op veel plaatsen, onder meer in Denemarken, worden verwilderde nertsen bejaagd of verdelgd. In Vlaanderen is de aanwezigheid van de soort voorlopig beperkt.


Het ontstaan van gevaarlijke pathogenen in industriële stallen is niet nieuw

Bioveiligheid is het toverwoord waarmee de industriële veehouderij haar superioriteit tegenover de kleinschalige veehouderij in de verf zet. De Deense pelsdiersector gaat bij uitstek prat op zijn strenge veiligheidsmaatregelen. Hoewel deze inderdaad een wereld van verschil maken, kunnen ze nooit sluitend zijn. SARS-CoV-2 maakt dit overduidelijk. Het virus tart de verbeelding door zich schijnbaar moeiteloos tussen sterk beveiligde kooien, stallen en fokkerijen te laten vervoeren. Hoe dit mogelijk is, blijft voorlopig onzeker. Besmette druppels, stofdeeltjes, veevoeder en stro behoren tot de verdachten.

 Als bij industriële veehouderij, ondanks de bioveiligheid, toch een pathogeen binnenraakt, en de besmetting kan zich verspreiden, dan is het hek van de dam. De grote aantallen, de hoge dichtheden, de geringe genetische variatie en de suboptimale gezondheid van de dieren vormen de perfecte voedingsbodem voor een supersnelle verspreiding. Hoe meer verspreiding, hoe meer mutaties, hoe reëler het risico op conversie naar risicovolle varianten. Onderzoek toonde aan dat bijna alle zeer pathogene varianten van vogelgriep in grote stallen in het globale noorden ontstonden. Bij kleinschalige veehouderij is het risico op besmetting dan wel groter, maar blijven de omvang van de uitbraak en het risico op het ontstaan van zeer pathogene varianten, beperkter.

Een vermindering van de dierlijke productie is de enige uitweg

Ook al behoren nertsen niet tot het klassieke vee, deze crisis dikt de lijst van crisissen in de industriële dierlijke productie verder aan. Industriële dierlijke productie botst op tal van limieten. De sanitaire crisissen, met momenteel naast de covid-19 uitbraken ook een zeer pathogene vogelgriep die vervaarlijk rondwaart, vormen niet het enige probleem. Alle inspanningen ten spijt raakt de mestproblematiek maar niet opgelost. En onze veestapel is dermate groot dat Zuid-Amerikaanse wouden branden om er soja voor te kunnen produceren.

 De oplossing voor al deze problemen is de vermindering van de dierlijke productie. Minder vee betekent minder consumptie van dierlijk eiwit, hetgeen ook de volksgezondheid ten goede komt. De productie van plantaardig eiwit is veel efficiënter dan de productie van dierlijk eiwit. Een verschuiving van dierlijk naar plantaardig eiwit zal helpen om de natuur meer ruimte te geven (en daarmee het risico op nieuwe zoönoses te verkleinen). Het zal ook helpen om de wereldbevolking te kunnen blijven voeden.

Let wel, dit is geen pleidooi tegen dierlijke productie an sich. Gedomesticeerd vee vormt een essentieel onderdeel van het landbouwsysteem, met mest als waardevolle grondstof. Op ecologisch vlak zijn grazende dieren van belang voor het behoud van open ecosystemen. En dierlijke eiwitten leveren een waardevolle bijdrage aan de wereldvoedselvoorziening.

De vermindering van de dierlijke productie wordt geen gemakkelijke opgave. Een cruciale voorwaarde zal zijn de boer een eerlijke prijs te betalen, zodat hij ook uit een meer kleinschalige productie een waardig inkomen kan putten. Een tweede voorwaarde zal zijn de ongelijkheid in de samenleving aan te pakken, zodat iedereen die eerlijke prijs kan betalen.

 

Dit opiniestuk verscheen eerder in Knack.

 
Read more...
Pagina 1 van 2
Don't have an account yet? Register Now!

Sign in to your account