en

Winkelwagen leeg

Denktank voor Sociaal-Ecologische Verandering

Politiek

Politiek (24)

“Can Democracy Handle Climate Change?” Daniel J. Fiorino,

16 juli 2018 by Politiek 1752 Views
Johan Malcorps

Written by

Recensie boek Daniel J. Fiorino, Polity Press, UK/USA, 2018, 143 p door Johan Malcorps

Milieuproblemen en democratie

Is het klimaatprobleem nog op te lossen met democratische middelen? Alle grote klimaattoppen ten spijt, wordt er in werkelijkheid weinig vooruitgang geboekt met de traditionele democratische overlegmethodes. De uitstoot van broeikasgassen blijft maar stijgen. Moeten we dan niet durven toegeven dat het democratisch spel van inspraak, overleg, belangenafweging en stemmingen te traag is om snelle en effectieve, zelfs disruptieve beslissingen te nemen en vorm te geven aan een wereldwijde transitie op vlak van energie, mobiliteit, industrie, landbouw? Wellicht zijn alleen verlichte autoritaire regimes, zoals het China van Xi Jinping, nog in staat zijn om op een effectieve manier de aarde te redden?

De vraag is niet nieuw. James Lovelock, de vader van de Gaia-theorie, was één van de eersten om publiek te stellen dat democratieën niet opgewassen zijn tegen de immense uitdagingen die de klimaatverandering ons stelt. Het klimaatprobleem is te vergelijken met een oorlog. En als er een oorlog uitbreekt, moeten noodgedwongen democratische procedures opzij geschoven worden. Het model van de Romeinse dictator Cincinnatus die 16 dagen lang alle macht in handen kreeg in het oude Rome, de vijand versloeg, de stad redde en dan weer terugkeerde naar zijn boerderij om zijn akkers te gaan omploegen. 

In de jaren ’70 van de vorige eeuw waren er al ecologische auteurs die grote vragen stelden bij de mogelijkheid om milieuproblemen via de democratische weg op te lossen, zoals William Ophuls en Robert Heilbroner. Garrett Hardin stelde in zijn klassieker ‘The Tragedy of the Commons’ (1968) dat een basisdemocratische aanpak via commons niet kon werken en dat drastische ingrepen nodig waren, zoals de inperking van het recht om zich voort te planten (‘the freedom to breed’). Meer recent schreven David Shearman en Joseph Wayne Smith het boek “The Climate Challenge and the Failure of Democracy” (2007)  waarin ze de structurele zwakten van democratieën aan de kaak stellen om actie te ondernemen op vlak van klimaatbeleid. 

Hybride regimes

Daniel Fiorino brengt in zijn boekje overtuigende argumenten aan waarom deze pessimistische visies geen steek houden en waarom we juist meer democratie nodig hebben om voldoende draagvlak te krijgen om de klimaatproblemen onder controle te krijgen. 

Hij vertrekt daarvoor eerst en vooral van een vergelijkende analyse op het terrein van wat volwaardige democratische regimes en autoritaire regimes bereikten op het vlak van zowel klimaatmitigatie als –adaptatie. Daarbij onderscheidt hij ook een middenmoot van regimes die tussen de twee in zweven (“flawed democracies” en “hybride regimes”). Hij werkt met bekende rankings op vlak van democratie, maar ook op vlak van de aanpak van klimaatverandering (de CCPI of Climate Change Performance Index van Climate Action network) en de ND-GAIN Country Index (die landen rangschikt op basis van hun prestaties op vlak van klimaatadaptatie). Terzijde : voor de CCPI haalt België op wereldniveau een beschamende 32ste plaats, voor de ND-GAIN komt België pas op de 27ste plaats voor algemene veerkracht en op de 36ste plaats voor kwetsbaarheid t.a.v. de klimaatverandering.

Daarbij stelt hij zich ook de vraag waarom bepaalde democratieën (bijv. de Scandinavische landen) het dan nog zoveel beter doen dan andere democratische landen (zoals bijv. nu de VS van president Trump). Hij toont aan dat democratische landen met een proportioneel kiessysteem, met meer sociaal overleg en een meer federale spreiding van bevoegdheden het ook beter doen op vlak van klimaat. Interessant vooral is zijn beschrijving van wat hij ‘compensatory federalism’ noemt : steden, provincies of hele deelstaten die het wel heel goed doen op vlak van klimaatbeleid, ondanks het feit dat de nationale staten waartoe ze behoren het laten afweten. Als voorbeelden geeft hij Californië (in de VS van Trump) en British Columbia (in het Canada van de vorige premier Harper). Hij laat zien hoe ‘sub-national leadership’ op vlak van klimaat de negatieve acties van klimaatnegationistische leiders toch kan compenseren. 

Ook negatief voor de klimaatprestaties zijn afhankelijkheid van fossiele bronnen (wat  voor de hand ligt), maar ook economische ongelijkheid (wat minder evident is).

Daarnaast zijn er de louter politieke factoren, zoals nu het populisme à la Trump en de heersende bestuursfilosofie (zoals bijv. een blind geloof in de vrije markt en het streven naar een minimale staat).

Honderd oplossingen 

Het boek eindigt met een reeks positieve initiatieven die democratische landen kunnen nemen om de klimaatdoelstellingen te halen. Daarvoor baseert Fiorino zich op het ‘Project Drawdown’ van eco-activist Paul Hawken, die honderd oplossingen voorstelde om de klimaatverandering alsnog te stoppen, gaande van massale investeringen in windturbines op zee en zonnefarms tot meer inspanningen voor het opvoeden van meisjes in ontwikkelingslanden.

Al bij al dus een hartverwarmend positief boek dat veel pessimisten in het ongelijk stelt en aangeeft dat democratie, acties voor meer sociale rechtvaardigheid en voor een beter klimaat samengaan, meer zelfs mekaar juist versterken.

 

Johan Malcorps

 

Read more...

Hoe steden strijden tegen de angstzaaiers

05 juli 2018 by Politiek 1289 Views
Dirk Holemans

Written by

Hoe steden strijden tegen de angstmachine

U dacht dat de gemeenteraadsverkiezingen vooral gaan om wie de burgemeesters­sjerp verovert? DIRK HOLEMANS schetst de grootste uitdaging voor steden en gemeenten.

Grote discussies laten zich altijd op concrete plaatsen voelen. Denk aan het nationale identiteitsdebat dat zich uit in lokale discussies over discriminatie op de woonmarkt of standbeelden van kolonialen. In dat debat geven minderheden aan dat de dominante groepen in de samenleving te snel voorbijgaan aan diverse vormen van discriminatie en miskenning. Andere groepen voelen zich dan weer bedreigd omdat verschuivingen hun dominante cultuur in vraag stellen. Het is een kwestie waar we allemaal mee worstelen in een wereld die snel verandert.

De identiteitspolitiek kent ondertussen ook ter linkerzijde haar tegenstanders. In Nederland zwengelt de econoom Ewald Engelen het debat aan, volgens hem is links te veel bezig met de vrouw, de homo en de migrant en te weinig met economische ongelijkheid, waardoor het rechts in de kaart speelt. Als alle achtergestelde groepen zich verenigen om als klasse weer op de eerste plaats te vechten voor economische gelijkheid, komt het ook wel goed met de andere vormen van discriminatie of de ecologische kwestie.

Wijst Engelen terecht op de groeiende ongelijkheid, dan is zijn kracht ook zijn zwakte. Als marxist ziet hij alleen heil in een terugkeer van de klassenstrijd om de toenemende ongelijkheid te bestrijden. Alsof er een rangorde zou bestaan tussen de verschillende vormen van onderdrukking.

Maar het probleem zit nog dieper, zoals de ecologist Murray Bookchin duidelijk maakt. Die denker argumenteert dat de ecologische crisis, die het gevolg is van de idee dat de mens de natuur moet overheersen, is verbonden met de overheersing van de ene mens over de andere. Kent die overheersing een lange geschiedenis, dan krijgt ze een bijzondere invulling met het kapitalisme: marktdenken en concurrentie zetten de mensen tegen elkaar op, maar ook tegen de natuur. De beschadiging van de planeet gaat samen met de degradatie van het kader om goed samen te leven.

Antiracist = ecologist

Die redenering vinden we terug bij de Australische denker Ghassan Hage in zijn recente boek Is racism an environmental threat? Een vraag die hij instemmend beantwoordt: je kunt niet antiracist zijn zonder ecologist te zijn, en omgekeerd. Waarbij hij racisme vooral gericht ziet ten aanzien van moslims. Islamofobie en de ecologische crisis zijn voor hem een en dezelfde crisis, die van de dominante wijze waarop we in deze wereld staan. Racisme is uiteraard op zich niet milieuvervuilend, maar het versterkt wel de dominantie van sociale structuren die aan de oorzaak liggen van de ecologische crisis. De Amerikaanse president Donald Trump belichaamt dat op pijnlijk concrete wijze. De uitdaging bestaat erin om de ‘veralgemeende domesticatie’ van wat buiten ‘ons’ ligt op te heffen.

Voor Bookchin ligt de oplossing vooral in diversiteit koesteren. Dat geldt voor hoe we, bijvoorbeeld, de landbouw organiseren of de energievoorziening. Op het lokale niveau kunnen we ecologische zorg, gelijkheid en emancipatorische omgang met diversiteit verankeren door nieuwe vormen van democratie en solidaire economie. Tegenover Trump heb je bijvoorbeeld een stad zoals Valencia. Die toonde gastvrijheid nadat de Italiaanse rechtse regering had geweigerd om de bootvluchtelingen op de Aquarius op te vangen. En in tegenstelling tot hun regering, waren de burgemeesters van Napels en Palermo daar wel toe bereid.

Fearless Cities

Valencia is een sterk voorbeeld van stedelijk weerwerk tegen de rechts-populistische angstmachine op nationaal niveau. Het sluit aan bij het groeiende netwerk van Fearless Cities, die zich zelfbewust oprichten om mensenrechten, democratie en gemeengoed te verdedigen.

Niet toevallig werd het eerste Fearless Cities-congres in 2017 georganiseerd door het burgerplatform Barcelona en Comú. Dat zette samen met soortgelijke burgerbewegingen Spanje op zijn kop bij de lokale verkiezingen in 2015. In Barcelona werd Ada Colau als kandidate van Barcelona en Comú verkozen als burgemeester. Ook in andere steden werd de burgemeester verkozen op basis van een burgerplatform dat erin slaagde de progressieve krachten te verenigen rond een toekomstgericht programma.

Fearless Cities ziet de stad als het niveau waar je de samenleving fundamenteel kan veranderen. Amerikaanse deelnemers maakten bijvoorbeeld duidelijk dat, terwijl Trump het klimaatbeleid aan zijn laars lapt, heel wat van hun steden hoge klimaatambities hebben.

Ondertussen breidt het netwerk van steden-zonder-angst zich verder uit en volgen er congressen in New York en Warschau. Vanuit het besef dat het noodzakelijk is om zich in grensoverschijdende netwerken te organiseren om de nieuwe hoopvolle politiek in Europa en wereldwijd op de kaart te zetten.

Amsterdam sluit zich aan

Na Spanje in 2015 kreeg ook Nederland dit jaar in heel wat steden een progressief bestuur. Het kan een belangrijke voedingsbodem zijn voor democratisch weerwerk op nationaal niveau. Dat het nieuwe linkse bestuur van Amsterdam zich zal aansluiten bij het Fearless Cities-netwerk, is veelbetekenend. De regering van het land wordt niet langer gesteund door het bestuur van zijn hoofdstad. Die bredere ontwikkelingen tonen dat de komende gemeenteraadsverkiezingen om veel meer gaan dan de vraag welke vrouw of man de nieuwe burgermoeder of -vader wordt. Het verklaart waarom de N-VA er alles aan doet om haar nationale thema’s van migratie en identiteit het debat te laten bepalen.

Onze steden en gemeenten zijn de plaatsen waar identiteitskwesties concreet ter discussie staan: op het plein waar het monument staat van een koloniale overheerser, in de scholen waar de toenemende diversiteit zich als realiteit toont. Tegelijk is het lokale niveau de plek waar progressieve politici en burgers de meest ambitieuze ecologische ambities formuleren. Ook de ongelijkheid is het duidelijkst op lokaal niveau: de zoektocht naar een betaalbare woning in de eigen stad, het kind in de klas met een lege brooddoos.

Hoe we die drie thema’s samen op hoopvolle wijze tegelijk kunnen aanpakken in steden en gemeenten waar het goed samenleven is in verschil, met gelijke toegang tot levenskansen en machtsbronnen binnen de grenzen van de planeet, dat is de echte uitdaging van de komende gemeenteraadsverkiezingen. Die ze tegelijk meer dan ooit overstijgt.

DIRK HOLEMANS voor De Standaard op 4 juli 2018. 

Read more...

Van structurele maatregelen om het Klimaatakkoord van Parijs na te leven is nog niet veel te merken

28 augustus 2017 by Politiek 2114 Views

Ondanks alle inspanningen stoten we niet minder, maar net steeds meer CO2 uit. 

Steeds meer mensen gaan vol goede moed aan de slag om hun leven en hun buurt duurzamer te maken. Kleine ecologische initiatieven rond o.a. voeding, delen of mobiliteit krijgen zo meer en meer steun. Nieuwe ondernemers zien hierin groene opportuniteiten en grote bedrijven experimenteren uit noodzaak. Toch zie ik die groeiende mentaliteitsverandering niet in een stroomversnelling geraken. Plastic is nog steeds overal, we eten nog altijd bijzonder veel vlees, fossiele mobiliteit blijft koning en consumeren gaat nog steeds hand in hand met wegwerpen. Het wordt hoog tijd om actief de positieve acties te versterken en negatieve te ontraden.

Sensibilisering of stimulering kunnen hierbij helpen, maar zorgen zelden voor een reële systeemverandering. De gratis etentjes, bijvoorbeeld, gaan de Antwerpse modal shift echt niet structureel beïnvloeden. Je kan ook kiezen om de spelregels en krijtlijnen van de markt te hertekenen. Neem de realisatie van het klimaatakkoord van Parijs. Sinds 5 mei 2017 is dit officieel van kracht gegaan voor België. Hiermee engageert ons land zich tot een (onvoldoende) vermindering van haar CO2-uitstoot, maar het akkoord komt zonder handleiding. Van structurele maatregelen is er voorlopig dan ook weinig te merken. Een gefaseerde sluiting van onze kerncentrales, bijvoorbeeld, zou een katalysator zijn voor coöperatieve investeringen in hernieuwbare energie. De invoering van een CO2-taks om de kostprijs van fossiele producten te verhogen, betekent meer kansen voor elektrische mobiliteit. Maar voorlopig blijven dit soort ingrepen in de markt uit.

 

Waarom beleidsmakers hier zo weigerachtig tegenover staan, is niet altijd duidelijk. Hun motivatie komt soms niet verder dan kromme logica of goedkope oneliners. Neem bijvoorbeeld de visie van Johan Van Overveldt op ecotaksen: "Lasten op milieuvervuiling leiden tot een wijziging van het gedrag, waardoor de ecologische doelstellingen worden gehaald, maar er op termijn geen inkomsten meer zijn." Of een recente reactie van Gwendolyn Rutten op maatregelen om de groeiende fiscale ongelijkheid aan te pakken: "Een samenleving gebaseerd op afgunst leidt tot een spiraal waar niemand gelukkig is." Zo geraken we natuurlijk nooit een stap verder om de systeemfouten te elimineren.

Een meer fundamentele tegenkanting ligt in de grote terughoudendheid om de markt in te perken binnen een sociaal-ecologische regulering. Het bestaande democratisch kader biedt beleidsmakers nochtans alle middelen om hier echt actie te ondernemen. Suggesties in deze zin worden spijtig genoeg al snel ad absurdum afgedaan als communistische ingrepen. Daarnaast is er een rotsvast geloof dat - met enig geduld - de huidige marktwerking ongeziene mirakeloplossingen zal opleveren. Kernfusie, artificiële hamburgers en grootschalige CO2-captatie zijn mooie voorbeelden van dit techno-optimisme.

Voorgaande excuses zijn eigenlijk niet meer dan een slinks pleidooi voor de status quo. Het ontneemt beleidsmakers de verantwoordelijkheid om echt in te grijpen. Echt radicaal ingrijpen, wordt immers nog te vaak gepercipieerd als electorale zelfmoord. Of zoals Bruno Tobback ooit zei: "Bijna elke politicus weet wat je moet doen om het klimaatprobleem aan te pakken. Er is alleen geen enkele politicus die weet hoe hij daarna nog moet verkozen raken." Die gedachte gaat verder dan het klimaat. Het verbieden van plastic zakjes vraagt eerst uitvoerig overleg met winkeliers. Het verbieden van bepaalde pesticide ligt moeilijk bij grote spelers. En over de regeling aangaande salariswagens zei Bart De Wever ooit cynisch: "Puur rationeel moet je daar iets aan doen, ik kies voor stabiliteit."

 

Het is klaar en duidelijk dat ons huidig model overloopt van de systeemfouten. Destructief ecologisch gedrag wordt nauwelijks bestraft en vaak zelfs beloond, terwijl positieve acties veel persoonlijk engagement vereisen om te volharden. Wie als beleidsmaker weigert om deze scheeftrekking radicaal bij te sturen, verzaakt aan zijn verantwoordelijkheid. De reglementering van de markt behoort tot de krachtigste sturingsmechanismes van onze samenleving. Het wordt hoog tijd om deze zonder scrupules in te zetten om onze maatschappij een meer ecologische koers te geven. Wie dat moedwillig weigert, is medeplichtig aan de teloorgang van onze planeet.

Dit artikel verscheen in de doordenkers van Knack op 23 augustus 2017. 

Read more...

Overleeft het parlement het digitale tijdperk?

31 mei 2017 by Politiek 1707 Views

Dit opinistuk is digitaal verschenen in De Morgen op 25/05/'17.

De parlementaire democratie zit in de 21ste eeuw in nauwe schoentjes. Heel wat mensen, vooral jongeren, aanzien de traditionele democratie niet langer als een goed bestuurssysteem. Dit leidde in 2014 tot de laagste opkomst bij de Europese verkiezingen ooit. Volgens de Eurobarometer bevraging gaat meer dan de helft van de burgers ervan uit dat hun stem niet telt in de Europese Unie. Democratie zoals we ze vandaag kennen lijkt toe te zijn aan een heuse upgrade. 

Feit is dat de democratische instellingen sinds hun oprichting in de 19de eeuw niet veel zijn veranderd. Hoewel ons leven inmiddels doordrongen is van digitale technologieën, zijn onze parlementen en gemeenteraden dat niet. Als we niet snel ingrijpen, dan dreigt onze democratie de digitaliseringsboot te missen en vergroot de kloof tussen burger en politiek nog verder. Nochtans biedt onze gedigitaliseerde maatschappij een vruchtbare voedingsbodem voor burgers die zich op innovatieve wijze organiseren om deel te nemen aan politieke besluitvorming. Digitale initiatieven zoals online kenniscentra en participatieplatformen duiken overal in Europa op als paddenstoelen uit de grond. 

Neem bijvoorbeeld Barcelona. De protestacties van de Indignados in 2011 effenden het pad voor nieuwe vormen van beleidsvorming. Uitgebreide deliberatie-oefeningen gingen gepaard met een intensief gebruik van digitale technologieën. Barcelona werd een broeihaard voor burgerinitiatieven en bracht bij de lokale verkiezingen van 2015 een partij in het zadel die uit dergelijke burgerinitiatieven is ontstaan. In februari 2016 lanceerde Barcelona ‘decidim.barcelona’, een project rond participatieve democratie met een open source software platform als basis. Het project laat burgers actief deelnemen aan de opmaak van het beleidsplan 2016-2019. Daarmee wil het een doorslaggevende stem geven aan de inwoners en verschillende wijken van Barcelona. Ze verzamelen voorstellen van burgers met uiteenlopende belangen en achtergronden.

Vandaag telt Decidim Barcelona meer dan 26.000 gebruikers en zijn er 10 projecten in ontwikkeling. Zo wordt momenteel beslist welke nieuwe invulling het oude Teatro Arnau zal krijgen. Het theater sloot in 2000 zijn deuren en staat er verwaarloosd bij, tot groot ongenoegen van lokale groepen. Barcelona roept zijn burgers nu via digitale wijze op om mee na te denken over toekomstmogelijkheden voor het theater. 

Ook door Parijs waait een frisse digitale wind. In 2014 lanceerde de nieuwe burgemeester een participatieve online budgetteringstool. Sinds 2015 kunnen Parijzenaren jaarlijks in januari en februari projectvoorstellen lanceren waarop iedereen kan reageren. Van maart tot mei vindt een co-creatie-fase plaats waar alle vertegenwoordigers van gelijkaardige voorstellen samen hun ideeën verder ontwikkelen. Een selectie van vertegenwoordigers van politieke partijen, het stadsbestuur, middenveldorganisaties en burgers pikken vervolgens de beste ideeën eruit. Deze worden in de zomer publiek gemaakt voor openbare evaluatie. Elk voorstel krijgt daarbij de nodige ondersteuning om campagne te voeren. In september mogen burgers stemmen en de meest succesvolle voorstellen worden opgenomen in het budget van december. Het jaar erop wordt gestart met de realisatie.

In 2016 hebben in totaal maar liefst 158.964 Parijzenaars gestemd voor een eindselectie van 219 ideeën afkomstig van een initiële 3.158 voorstellen. Op de vraag welke voorstellen de Parijzenaars willen verwezenlijkt zien met het oog op een klimaatneutrale stad bv. werd massaal gestemd voor o.a. versterking van de positie van de fiets in de stad en voor meer groen in de stad.

Ook in eigen land zien we steden digitale participatiestappen zetten. Zo lanceerde de Stad Hasselt samen met Citizenlab in 2016 een online ideeënplatform om digitale wederzijdse communicatie tussen de stad en haar burgers mogelijk te maken. Hasselt verzamelde op die manier ideeën van burgers over de heraanleg van het stadspark Kapermolen.

Ook de Stad Gent zet digitale platformen in voor burgerparticipatie, waaronder het burgerbudget. Ze nodigt alle Gentenaars uit om projecten voor te stellen die uitdagingen in de straat of wijk helpen aanpakken. Ruim 200 voorstellen werden inmiddels ontvankelijk verklaard. Na de zomer van 2017 kan elke Gentenaar van 14 jaar en ouder meebeslissen welke projecten ook effectief werkelijkheid worden. Dit kan door online te stemmen op de drie projectvoorstellen van hun voorkeur. 

Uiteraard vormen deze digitale tools niet de magische oplossing voor alle uitdagingen waar onze democratie voor staat. Met naïef technologisch optimisme zijn we niets, net als een cultuurpessimistisch afwijzen van technologische innovatie zoden aan de dijk zet. Uit onderzoek blijkt dat digitale burgerparticipatie voor vier uitdagingen staat. Doet iedereen mee, of is het een speeltje voor mannelijke middenklassers? Zijn de tools robuust en transparant zodat we ze kunnen vertrouwen? Maken ze werk van digitale burgerrechten met respect voor onze privacy? Zorgen ze voor meer gelijkheid of laten ze digitale vormen van discriminatie toe?

Voorstanders van digitale democratie vinden meer burgerbetrokkenheid doorgaans een goede zaak. Een gezonde democratie vereist inderdaad participatie van zijn burgers. Talloze experimenten laten zien dat meer digitale interactie tussen overheden en burgers tot vruchtbare resultaten kan leiden die de democratie versterken.

Read more...

De civiele samenleving in een tijd van surveillance: voorbij technisch-wettelijke oplossingen

23 mei 2017 by Politiek 2135 Views

In een tijd van datagestuurde surveillance, wat is de impact hiervan op de civiele samenleving? En hoe pogen activisten ertegen in verzet te gaan?

Zoals vele recente onthullingen tonen – van de Snowden Leaks tot WikiLeaks’ Vault7 files – maakt de monitoring en analyse van dataverkeer nu een integraal deel uit van overheids- en bedrijfspraktijken. De gegevensbronnen variëren van online communicatie, social media activiteit en gsm-locaties tot ‘slimme’ huishoudtoestellen, gezondheidstrackers en sensoren in ‘slimme’ steden. De ‘dataficatie’ van ons leven, met name de verzameling en verwerking van communicatie, gezondheid, locatie etc. als datapunten heeft de traceerbaarheid en zichtbaarheid van burgers verhoogd en heeft het vermogen versterkt van een reeks instellingen om ons te monitoren. Terwijl dit gevolgen heeft voor burgers in het algemeen, brengt het ook specifieke uitdagingen met zich mee voor actoren uit de civiele samenleving die actief betrokken zijn bij de bevordering en vormgeving van sociale en politieke verandering.  In een tijd van datagestuurde surveillance, welke impact heeft dit op de civiele samenleving? En hoe pogen activisten ertegen in verzet te gaan?

Met de snelle technologische ontwikkeling nemen zowel de middelen voor het verzamelen als voor het gebruik van gegevens in hoog tempo toe. Grote hoeveelheden van persoonlijke gegevens worden nu verzameld en gedeeld op social media en digitale platformen, ‘smart homes’ detecteren onze aanwezigheid en bewegingen, en ‘slimme’ TV’s kunnen naar onze conversaties luisteren. Dergelijke gegevens worden verzameld en geanalyseerd door bedrijven, gedeeld en verkocht door de data-industrie, en gebruikt door overheidsinstanties. Burgers worden steeds meer gecategoriseerd en krijgen een profiel volgens gegevenssamenstellingen, bv. via data scores gebruikt in het strafrechtsysteem of door sociaal krediet scores, zoals ontwikkeld in China. Het doel van dergelijke scores is toekomstig gedrag te voorspellen en navenant middelen en criteria uit te trekken voor dienstverlening (of bestraffing). Data analyse slaat bijgevolg op een specifieke vorm van besturen, een waarvan de dominante logica menselijk gedrag wil voorspellen als middel om grip te krijgen op populaties en om inkomsten te genereren —  een informatiesysteem dat de term ‘surveillance capitalism’ mee kreeg.

De transformatie naar bestuur gestoeld op data, en het historisch moment van de Snowden Leaks, hebben de aandacht gevestigd op belangrijke uitdagingen voor de bescherming van burgers in een gedataficeerde omgeving. Beleid betreffende dataverzameling heeft de technologische verandering echter nauwelijks kunnen bijhouden en heeft vaak meer macht gegeven aan bedrijven en de overheid in plaats van aan de burger. Terwijl gegevensbescherming werd versterkt in de VS met de Freedom Act, en in de EU met de General Data Protection Regulation, werden toezichtsmogelijkheden van de Staat uitgebreid in landen als Frankrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. In het VK meer bepaald, maakt de Investigatory Powers Act van 2016 de toezichtsmogelijkheden van de staat meer transparant, maar laat het tevens een bredere waaier aan gegevensverzameling en –analyse toe dan voorheen en waarschijnlijk ook dan elders in de Westerse wereld.

Terwij de Snowden onthullingen en het toenemend gebruik van ‘slimme’ technologieën wijzen op massale verzameling van gegevens en dus op de gevolgen voor alle burgers, zijn bepaalde groepen en actoren bijzonder kwetsbaar in een maatschappij gebaseerd op surveillance. Het mag niet verbazen dat hiertoe ook sleutelfiguren van de civiele samenleving behoren die betrokken zijn in politiek activisme, zowel in institutionale vorm als daarbuiten.

Documenten van de Snowden onthullingen toonden dat inlichtingendiensten in de VS en de VK internationale organisaties bespioneerden als Medecins Du Monde, UNICEF, Amnesty International en Human Rights Watch, leden van Anonymous en eender wie voldoende politiek geëngageerd is om websites als Wikileaks te bezoeken. Zowel rechtshandhavers als bedrijven gebruiken nu routinematig sociale media om informatie te verzamelen over activisten en manifestanten, en we evolueren naar een beleidsmodel dat gebaseerd is op het voorkomen van bepaalde activiteiten en van het samenkomen van groepen.

Een belangrijk gevolg hiervan kan het zgn. ontradingseffect zijn dat de mogelijkheden om machtsinstellingen uit te dagen en sociale verandering te bepleiten onderdrukt. Hoewel de theorie van het ontradingseffect empirisch moeilijk te bewijzen is, is het algemeen gekend dat mensen afgeschrikt worden om deel te nemen aan bepaalde legale (of zelfs wenselijke) activiteiten als ze vrezen dat ze geobserveerd worden. Een onderzoek door het PEN American Center bijvoorbeeld, ontdekte dat schrijvers aan zelfcensuur deden ten gevolge van de Snowden onthullingen. Andere studies toonden een terughoudendheid onder burgers om zich in te laten met politiek gevoelige onderwerpen op internet zoals een daling van ‘privacy-gevoelige’ zoektermen op Google, een daling van het aantal page views van Wikipedia-artikels rond terrorisme en een ‘spiraal van stilte’ in discussies rond surveillance op sociale media. Voor activisten en voorvechters van de civiele samenleving die hun afkeer tonen en vechten voor sociale en politieke verandering, kan doordringende surveillance leiden tot bezorgdheid voor hun eigen privacy en veiligheid. Het heeft echter ook praktische implicaties voor hun inspanningen om te organiseren en mobiliseren. In de woorden van Glenn Greenwald, in een cultuur van prominent toezicht wordt “zelfs het organiseren van andersdenkende bewegingen moeilijk wanneer de overheid alles in het oog houdt wat mensen doen”.  Naast dergelijke praktische bekommernissen, verschuift door surveillance het machtsevenwicht tussen activisten en de staat (zowel als grote bedrijven) fundamenteel. De staat heeft er immers een machtig wapen bij om potentiële tegenstanders te monitoren en te viseren.

De alomtegenwoordigheid van surveillance infrastructuren en hun inbedding in dagelijkse aspecten van sociale, politieke en culturele participatie maakt het voor burgers moeilijk om te denken dat ze kunnen worden uitgedaagd, ondanks het heersende onbehagen en bezorgdheden omtrent het huidige systeem. De institutionele en ook in het publieke debat aanwezige normalisatie van dataverzameling doorheen het alledaagse leven leidt vaak tot een wijdverspreide gelatenheid ten aanzien van het status quo, deels gedreven door een zeker pragmatisme en een waargenomen gebrek aan alternatieven. We hebben hiernaar verwezen als een toestand van surveillance realisme (voortbouwend op Mark Fischer’s concept van kapitalistisch realisme)  waarin de normalisatie van toezicht de mogelijkheden beknot voor het bedenken van een andere manier om de maatschappij te organiseren. Dit slaat bij uitbreiding ook op politiek actieve leden van de maatschappij. In de uitvoering van onderzoek met activistengroeperingen, vonden we dat zelfs onder de middenveldorganisaties er een relatieve aanvaarding en verwachting is van prominente monitoring. Sommige groepen wegen het risico hiervan af in relatie tot hun eigen activiteiten en naargelang de bedreiging die ze denken te zijn voor de staat. Ze vinden veiligheid in het opereren binnen een aanvaard mainstream kader. In die zin is het ‘ontradingseffect’ zeker evident binnen de civiele samenleving.

Terwijl deze gevoelens van ‘ontmachtiging’ de oppositie hebben verzwakt, zagen we uiteraard ook een groeiend aantal inspanningen binnen bepaalde delen van de civiele samenleving om het bestaande toezichtsregime rechtstreeks te confronteren en uit te dagen. Digitalerechtengroeperingen en technologie-activisten hebben samen significante stappen gezet op het vlak van verdediging en verzet. De ontwikkeling en verspreiding van privacy-bevorderende tools zoals de TOR browser, het GPG e-mail encryptiesysteem en de geëncrypteerde telefoon- en tekstberichtensoftware Signal hebben aan belang gewonnen sinds de Snowden onthullingen en voorzien in mechanismen voor veilige online communicatie voor o.a. maatschappelijke groeperingen. Een groeiend aantal websites ondersteunen nu het meer beveiligde https-protocol i.p.v. het standaard http, en een stijgend aantal internetgebruikers hebben tools gedownload als https everywhere dat verbindt met die meer beveiligde websites. Privacy-handleidingen zoals de Electronic Frontier Foundation’s Surveillance Self-Defense en het Tactical Tech Collective’s Security in a Box leggen het gebruik uit van privacy-bevorderende instrumenten en bieden advies over veilige online communicatie. ‘Crypto-partijen’ hebben voorzien in de nodige trainingen voor gemeenten en steden wereldwijd. Technische oplossingen voor surveillance omvatten voorts de ontwikkeling van zelf-georganiseerde communicatie-infrastructuren als alternatieven tot commerciële diensten als Google en Facebook. Groepen als Riseup.net o.a. hebben mailinglists, blog platformen en collaboratieve online workspaces aangeboden die de privacy van gebruikers beschermt en gehost wordt op de eigen veilige servers van de groepen.

Hieraan gekoppeld hebben digitalerechten- en mensenrechtengroeperingen zich toegespitst op beleidshervormingen. In het VK hebben organisaties als Privacy International, Open Rights Group, Big Brother Watch, Article 19 en Liberty regelmatig verklaringen gepubliceerd inzake hun bezorgdheid omtrent surveillance, publieke debatten georganiseerd en gelobbyd bij wetgevers. Als een directe reactie op de Snowden Leaks hebben deze en andere groeperingen de coalitie Don’t Spy On Us opgericht, die hun voorvechterswerk hebben gebundeld in een gezamenlijke campagne. Hun stem speelde een veelbetekenende rol in gespecialiseerd overleg alom, bijvoorbeeld bij de opmaak van de Investigatory Powers Act. Sommige campagnevoerende organisaties waren betrokken bij gerechtelijke actie, bijvoorbeeld door Britse toezichtspraktijken voor het Investigatory Powers Tribunal en het Europees Gerechtshof te dagen.

Digitalerechtenactivisten en maatschappelijke technologie-ontwikkelaars waren invloedrijk in al deze domeinen. Maar in een sfeer van surveillance realism waren de omstandigheden waarin ze zich konden toeleggen op surveillance beperkt. Ze worstelden om verder te gaan dan geïndividualiseerde antwoorden, gespecialiseerd overleg en een verzameling experten. Anonimiserings- en encryptietools leggen de verantwoordelijkheid bij het individu om zijn eigen privacy te beschermen. Het pleiten voor beleidshervorming mag dan wel verder reiken dan individuele gebruikers; het behoudt toch een focus op het specifieke publiek van beleidsmakers, gebaseerd op thema-specifieke expertise en overleg. Ondertussen blijft bezorgdheid om datagedreven surveillance gemarginaliseerd in publieke percepties en praktijken, met inbegrip van politieke activisten, deels omwille van een voortgezette afhankelijkheid van onveilige communicatieplatformen die worden gepercipieerd als toegankelijker en meer wijdverspreid.

Een deel van de uitdaging in het verzet van de civiele samenleving tegen surveillance en de gevolgen van dataficatie schuilt in het overstijgen van het willen oplossingen bieden vanuit de domeinen van technologie en wetgeving.. Dit heeft veel van het debat tot op heden gedomineerd. Er is integendeel nood aan het voeden van een bredere politieke beweging rond de rol en natuur van ‘big data’ en andere technische artefacten (AI, IoT etc.) in de samenleving. Dit betekent het debat kaderen voorbij de bekommernissen om individuele privacy en verschillende delen van de civiele samenleving te betrekken bij het onderwerp. Het uitlichten van de bredere maatschappelijke implicaties en machtsrelaties die voortkomen uit dataficatie, leidt naar onze mening tot een begrip van wat we omschrijven als ‘data justice’ dat zich richt tot de ingewikkelde relatie tussen dataficatie en sociale rechtvaardigheid. We zien dit als een groeiend antwoord binnen de samenleving gezien het steeds duidelijker wordt hoe de alomtegenwoordige verzameling en verwerking van data doorheen het sociale leven niet alleen de privacy aantast, maar ook kan leiden tot het marginaliseren, discrimineren, onderdrukken en uitbuiten van individuen en gemeenschappen op nieuwe en uitdagende manieren. Zulke ontwikkelingen vragen collectieve antwoorden die een brede waaier van belanghebbenden betrekken, doorheen de samenleving, met als doel surveillance realisme te doorbreken, alternatieve manieren te bedenken om de samenleving te organiseren en nieuwe afspraken te maken rond data.

Bron: https://civilsocietyfutures.org/civil-society-in-an-age-of-surveillance-beyond-techno-legal-solutionism/ 
(Nederlandse vertaling door Kati Van de Velde)  

Bio:
Lina Dencik en Arne Hintz zijn Senior Docenten aan Cardiff University’s School voor Journalistiek, Media en Culturele Studies waar ze co-directeurs zijn van het Data Justice Lab

 

Read more...

De G11.000.000

28 maart 2017 by Politiek 2456 Views
Dirk Holemans

Written by

‘Nederland heeft “ho” gezegd tegen het verkeerde soort populisme.’ Deze uitspraak van Mark Rutte tijdens de Nederlandse verkiezingsnacht is blijven hangen. Bestaan er dan juiste vormen van populisme? En rekent Rutte zich daar toe?

Zelf beschouw ik populisme als een uitwas van ons politiek systeem. Niet positief maar wel iets om mee rekening te houden. Democratie betekent letterlijk dat het volk heerst, maar daar kom je niet zo ver mee. Want wie behoort tot het volk, en wie niet? En hoe vul je heersen in? Is dat een keer om de vijf jaar een bolletje kleuren of gaat het om de actieve inbreng van burgers? Oosterweel toont hoe actueel dit debat is.

Populisme is een wijd verspreid fenomeen, zowel ter linker- als ter rechterzijde. Als je de framing van populisten bekijkt, zie je steeds drie kenmerken. Ten eerste pretenderen ze namens het volk te spreken. Terwijl onze democratie er juist in bestaat de diversiteit aan meningen tot uitdrukking te laten komen. Als dus Nigel Farage de uitslag van het Brexit-referendum omschrijft als een ‘overwinning voor echte mensen’, dan betekent dit impliciet dat hij 48 procent van de Britse kiezers niet beschouwt als echte mensen.

Het tweede kenmerk van populisme is dat het zich afzet tegen de elite. Daardoor meet je jezelf een aureool aan van zuiverheid. Kijk eens hoe de elite zichzelf bedient, wij horen daar niet bij! Dat is de kern van het europopulisme in veel landen: het is allemaal de schuld van Brussel. Ook extreemlinks in ons land bedient zich van dit tweede kenmerk, door ongenuanceerd van leer te trekken tegen de Wetstraat-elite. Terwijl hun enige betrachting is zoveel mogelijk verkozenen te krijgen in dezelfde Wetstraat.

Het derde kenmerk is het kwalijkste: een groep in de samenleving aanwijzen voor alles wat er mis gaat, de zondebok. Als we die kunnen verwijderen, zo gaat de populistische illusie, smelten alle problemen als sneeuw voor de zon. Denk aan de beruchte ‘meer of minder Marokkanen’-uitspraak van Geert Wilders. Als we hen verwijderen komt het wel goed. Net als alle andere burgers ‘normaal gaan doen’. Nog zo’n vreemde uitspraak, want wie bepaalt wat normaal is? Nog niet zo lang geleden vond bijvoorbeeld de Vlaamse samenleving homorelaties niet normaal.

Het is een raadsel wat een goede vorm van populisme kan zijn. Daarmee is niet gezegd dat populisme geen belangrijk signaal is. Het geeft aan dat een deel van de bevolking zich niet meer herkent in de geijkte vormen en procedures waarin we vorm geven aan ‘het volk heerst’. Tijd dus, na een interessant experiment met de G1000, voor de zoektocht naar de G met 11 miljoen.

 

Deze bijdrage verscheen op vrijdag 17 lmaart ’17 als ‘De mening’ in dS Avond

Read more...

De democratie onteerd

25 juni 2016 by Politiek 9058 Views

De Brexit hing al geruime tijd als een donderwolk boven het hoofd. Maar dat de bliksem ook effectief zou inslaan kwam toch onverwacht. David Cameron ging all-in met Europa, en verspeelde naast zijn eigen politieke carrière ook het laatste restje politieke en economische stabiliteit tussen Groot-Brittannië en de Europese Unie. De gevolgen op zowel korte als langere termijn zijn moeilijk te voorspellen, maar er vallen alvast drie conclusies te trekken.

1. De breuklijn tussen hoog- en laagopgeleid

Eind vorige maand vonden in Oostenrijk de federale verkiezingen plaats. Zo’n 80% van de Oostenrijkers met een universitair diploma koos voor Die Grüne Alternative, terwijl 86% van de arbeiders op de extreemrechtse partij van Norbert Hofer stemde. De groenen haalden het nipt, maar kersvers staatshoofd Alexander Van der Bellen wacht nu de enorm moeilijke taak dit schisma te repareren. Er is een lagere middenklasse die weinig tot geen vruchten heeft geplukt van de globalisering, en zelfs eerder het gevoel heeft er de tol voor te betalen. Ze staat op z’n zachtst gezegd sceptisch tegenover een multiculturele samenleving. Dit staat in schril contrast met de hoogopgeleide kosmopolieten die wel ten volle kunnen profiteren en genieten van een groeiende mondialiteit, en ervan overtuigd zijn dat veel problemen op supranationaal niveau dienen aangepakt te worden. Het is een trend die zich overigens ook manifesteert in landen als Frankrijk, Nederland en Hongarije.

Dit blijkt nu eveneens het geval in Groot-Brittannië, dat meer dan ooit een Verdeeld Koninkrijk is. Een van de breuklijnen van die verdeeldheid blijkt ook hier dwars door de scholingsgraad te lopen. Het grootste deel van de laagopgeleide arbeiders stemden tegen de EU en voor een Brexit, in tegenstelling tot de (hoog)opgeleiden die bij de EU wilden blijven. Deze Britse hoogopgeleiden zien de relatie met Europa liever niet bekoeld, en daar zijn gegronde professionele en economische redenen voor. Onder deze hoogopgeleiden bevinden zich heel wat expats – niet zelden tewerkgesteld in Europese instellingen –, academici die er alle baat bij hebben de internationale dialoog met andere universiteiten intens te blijven voeren, handelsingenieurs en bedrijfsmanagers die hun bedrijf willen zien groeien in een internationale context, enzovoort.

Het is echter diezelfde internationalisering, zij het in een andere vorm, die voor anderen de reden is de EU wél te willen verlaten. Het immigratie-argument is de meest getrokken kaart van laaggeschoolde arbeiders, die hun jobs – en de enorm werkonzekerheid waar ze reeds mee kampen – nu bedreigd zien door migranten en vluchtelingen. Maar zonder het te beseffen schieten ze met een Brexit in de eigen voet. Deel uitmaken van de EU verplicht een lidstaat namelijk om een heel aantal maatregelen en wetten te aanvaarden, zo ook op het vlak van arbeid. Deze regelgeving, die verregaande sociale bescherming biedt aan arbeiders, is veel strenger in de EU dan in Groot-Brittannië, en het is niet zeker wat er met die arbeidswetgeving zal gebeuren na de Brexit. Het zou met andere woorden goed kunnen dat deze arbeiders de ene precaire situatie voor de andere geruild hebben.

2. De breuklijn tussen generaties

Het referendum bleek eveneens een kloof tussen generaties te slaan. Uit cijfers bleek 64% van de jongeren tussen 18 en 24 jaar te stemmen voor een ‘remain’. Slechts 24% wilde uit de EU. Ook in de leeftijdsgroep 25 tot 49 jaar koos ongeveer 45% om te blijven, ten opzichte van zo’n 39% dat liever wilde ‘leaven’. De leeftijdsgroep van 50 tot 64 jaar, samen met de 65-plussers, stemden echter wel overwegend voor een Brexit. Een cynisch gevolg is dat de leeftijdsgroepen die het langst met deze beslissing geconfronteerd zullen worden, er overwegend niet voor hebben gekozen. Ze zullen minder kunnen genieten van de verworvenheden van Europese integratie. Interculturele relaties worden dus minder toegankelijk, met alle gevolgen van dien. Mijn Britse leeftijdsgenoten zijn door het referendum 50 jaar terug de tijd in gekatapulteerd.

En ook hier vallen er parallellen te trekken. In de aanloop van de Amerikaanse presidentsverkiezingen kon de Democratische kandidaat Bernie Sanders op een overweldigende meerderheid van de jonge kiezers rekenen. Jongeren voelden zich aangesproken door zijn boodschap over sociale verandering, over vooruitgang en vernieuwing, en door zijn openlijke aanklachten tegen invloedrijke lobbyisten, machtswellustige politici en de heerschappij van multinationals. Democratische kiezers vanaf 40 jaar kozen dan weer massaal voor Hillary Clinton die, naast een kandidaat als Sanders, eerder het status quo vertegenwoordigt. In Groot-Brittannië wordt er geargumenteerd dat de oudere generatie zichzelf – en het land – niet meer herkent in de sterk veranderde situatie van de laatste jaren. Hun roep om een Brexit is doorspekt met nostalgie, terwijl de jongeren zich wel kunnen vinden in een Europeanisering. Al zijn politieke meningsverschillen tussen generaties allesbehalve een nieuw fenomeen, het valt vandaag toch op hoe de generatiekloof vergroot in het licht van zulke fundamentele kwesties.

3. Twijfel over het functioneren van de democratie

Na het groeiende succes van de Amerikaanse presidentskandidaat Donald Trump, publiceerde het Chinese staatsblad Global Times een paper die de werking van de democratie openlijk in vraag stelde. Natuurlijk kan dit moeilijk los gezien worden van een politieke, communistische agenda. Desalniettemin doet de democratie, hoewel nog steeds het meest wenselijk als bestuursvorm, meer en meer twijfels rijzen. Het was hemeltergend om zien hoeveel desinformatie, misleiding en bedrieglijke campagnevoering aan het Britse referendum vooraf gingen. Zowel in het Brexit- als in het remain-kamp stapelden de leugens zich op en werden cijfers handig gemanipuleerd. Als triest dieptepunt verzuchtte Michael Gove – voorstander Brexit – op de openbare omroep dat hij het beu was, al “die experts die denken het steeds beter te weten”.

Gove had daarentegen wel “faith in the British people”. Diezelfde British people die later google overstelpten met de vraag “wat dat nu precies is, die EU” en “welke gevolgen een brexit juist heeft voor Groot-Brittannië”. Jammer genoeg deden ze dit pas nà het referendum. "The best argument against democracy is a five-minute conversation with the average voter", zo redeneerde wijlen Winston Churchill. Hier valt zeker over te discussiëren, maar het mag ons niet doen vergeten hoezeer er – bewust – met onwaarheden werd gestrooid in aanloop van de stemming. Daarnaast is het onbegrijpelijk hoe de moeilijke relatie tussen Groot-Brittannië en Europa, en een enorm complex thema als de Europese Unie, wordt herleidt tot een simpele ja-nee-vraag. Democratie is meer dan referenda en het kleuren van een bolletje, sprak een duidelijk geëmotioneerde David Van Reybrouck. Hoe is het dan in godsnaam mogelijk dat zo’n beperkt instrument als een referendum wordt aangewend om de democratie te belichamen in zulk een aangrijpende aangelegenheid?

Ik zal altijd een voorstander zijn van de democratie en geloof heilig in de noodzaak van burgerinspraak. Net daarom is het zo pijnlijk en verwarrend om te constateren hoe makkelijk de democratie wordt onteerd door massa-manipulatie. Deze Brexit, en de opbouw ernaar, is een nieuwe klap voor het vertrouwen in politiek, voor het geloof in een Europese en interculturele samenwerking en voor het samen-leven in het algemeen. Hopelijk schudt het mensen wakker.

Read more...

We moeten turen naar de horizon, maar de kerktoren belemmert het zicht

30 mei 2016 by Politiek 3234 Views

De huidige institutionele structuren bieden hoe langer hoe minder een kader dat doortastende en duurzame oplossingen biedt. Dat laat zich voelen in sociale onrusten en groeiende chaos, zowel in ons land als daarbuiten. Een eerste stap in de richting van sociale en ecologische duurzaamheid is meer internationaal-gericht denken en samenwerken.

Wim Vandermeersch, hoofdredacteur van het maandblad Sampol, liet recent in Knack optekenen dat de linkse oppositie opnieuw in de hoofden van de mensen moet geraken. Wil het tijdens de volgende verkiezingen een meerderheid halen, moet het de culturele hegemonie weer zien te veroveren en een sociale consensus trachten te bewerkstelligen. Al wie sociale en ecologische vooruitgang een warm hart toedraagt, kan het hier moeilijk mee oneens zijn. Daarbij lijkt de tijd er stilaan rijp voor. Want zoals bovengetekende eveneens opmerkte, gaat de regering-Michel momenteel door haar – voorlopig? – diepste dal. De stijgende facturen en stilaan talloze sociale onrusten mogen dit beamen. 

Maar men kan zich de vraag stellen in hoeverre de sociale onrust, het gebrek aan vertrouwen in politiek en algemeen groeiend gevoel van onbehagen te wijten zijn aan de huidige regering, dan wel aan de constitutionele en institutionele structuren van vandaag. Het is een spijker waar (extreem) links wel vaker op klopt, maar het wordt echt interessant wanneer personen als Jeremy Rifkin, Yochai Benkler of Michel Bauwens – geniale denkers zonder politieke agenda en uitgesproken voorkeur – eveneens deze bedenking maken. Zonder er een links of rechts partijprogramma aan te linken, brengen ze in essentie hetzelfde verhaal: er is iets mis op een hoger niveau. De huidige structuren bieden geen oplossingen meer. Op sociaal vlak heerst er onrust, op ecologisch terrein dreigt de rampspoed, en de economie draagt enkel nog bij aan de lucky few. 

Wanneer er dan toch hervormingen plaatsvinden – hetzij aan de onderhandelingstafel, hetzij doorgevoerd in de praktijk – bevinden die zich nog steeds binnen het framework van een gedateerd systeem. Het is als een paalwoning waar binnenin wat aan gemorreld wordt terwijl buiten het waterpeil stijgt. Treffend was de ontmoeting tussen Rutger Bregman en Liesbeth Homans tijdens Reyers Laat begin 2015, waarin Bregman de N-Va-politica het concept van een basisinkomen trachtte duidelijk te maken. Homans lachte er eens mee en wuifde het idee weg door te stellen dat “het allemaal wel mooi klinkt, maar helemaal niet past binnenin de regelgeving en structuur van onze maatschappij vandaag”. Dat is het punt net, hoorde je Bregman denken. 

Spelletjes spelen

Men kan voor- dan wel tegenstander zijn van een basisinkomen, het heeft alleszins de verdienste om als concept aan te zetten tot een grondige theoretische herstructurering van het maatschappijmodel. Het probleem met zulke revolutionaire en verregaande ideeën is echter dat het de bevoegdheid van het wetgevende machtsorgaan dreigt te ondermijnen. Wie zich de spelregels heeft toegeëigend, zal het spel niet (meer) willen aantasten. Het is een typevoorbeeld van de Habitus, een van de concepten en stokpaardjes van de Franse socioloog Pierre Bourdieu. Personen worden als het ware klaargestoomd om in een bepaald veld te functioneren. Hoe sterker de toegangsproeven tot dat veld, hoe sterker de geslaagden de zin van dat spel zullen inzien. En elk veld heeft zo haar veldspecifieke disposities, waarnemingsschema’s en handelingpatronen. Een cynische conclusie zou kunnen zijn dat wie streeft naar revolutionaire en totale politieke verandering, zich best niet te fel inlijft in het politieke spel.

Het is echter al te makkelijk en onjuist om als criticus zomaar alles tot de prullenmand te veroordelen. Zo is er vandaag een groeiend draagvlak voor de idee dat de rechts-links tegenstelling achterhaald is. Veel mensen geven aan te bricoleren en “zowel linkse als rechtse ideeën te koesteren”. Dat kan goed zijn, maar in de kern van de links-rechts-tegenstelling ligt er nog steeds een essentieel verschil in maatschappijvisie vervat. Kort door de bocht: men wil veiligheid of men wil vrijheid. Iedereen zal aanvankelijk aangeven beide thema’s belangrijk te vinden, maar geconfronteerd met acute en reële problematieken, in casu de vluchtelingencrisis, neigt men haast instinctief naar het ene, dan wel het andere. Toch lijkt de klassieke partij-consequentie niet meer van deze tijd, en dat zou er wel op kunnen wijzen dat partijen alsmaar meer moeilijkheden ondervinden om visie en beleid af te stellen op een razendsnel veranderende realiteit. Vraag maar aan de sp.a.

Daarnaast mag een roep om radicale verandering geen aanzet vormen om verworvenheden uit het verleden overboord te gooien. Dat zou dom zijn. We boeken medische en technologische vooruitgang, extreme armoede wordt langzaamaan teruggedrongen en zelfs op ecologisch terrein lijkt het draagvak voor verandering te groeien. Maar zulke zaken overmatig belichten zou een vorm van schuldig verzuim zijn. We moeten durven inzien dat er vandaag vragen zijn en problemen rijzen waar het huidige paradigma geen antwoorden meer op vindt. Grote, overkoepelende thema’s zoals de groeiende ongelijkheidskloof of de klimaatverandering. Om zulke zaken te tackelen is er nood aan een doortastend, vernieuw(en)d en vooral internationaal verhaal. Als zelfs het IMF toegeeft dat het neoliberalisme geen oplossingen meer biedt, is de tijd echt wel rijp.  

Verandering pas na crisis

Of toch bijna, want een drastisch ander beeld van de werkelijkheid komt er nooit zomaar. De Copernicaanse revolutie – het schoolvoorbeeld van een paradigmaverschuiving – heeft al bij al ook bijna anderhalve eeuw geduurd. De idee dat de aarde plat was paste dan wel mooi in het kraam van de almachtige katholieken, er ontstonden hoe langer hoe meer hiaten in het verhaal. Toch konden de geestelijke leiders groeiend gemor en aanhoudende aanklachten steeds de kop indrukken. Het was pas toen er slijtage kwam op de onderdrukking van vernieuwing, dat de crisis opflakkerde. De druk op het heersende denkkader werd opgevoerd door geniale geesten (Copernicus, Kepler, Newton) en wetenschappelijk-technologische bijdragen (optica, een betere telescoop, wiskunde), en na lang en koppig zwoegen en doorduwen – in bepaalde gevallen zelfs ten koste van het eigen leven – vond er dan toch een transformatie plaats. 

De sociale onrusten in eigen land, de chaos in Frankrijk, de groeiende populariteit van politiek extremisme in Europa en Amerika, oorlogs- en klimaatvluchtelingen uit Syrië en elders, wereldwijde fiscale fraude, de groeiende ongelijkheidskloof,… Problemen dringen zich op en structurele antwoorden blijven uit. Pessimisten en realisten zullen inbrengen dat de wereld nooit een periode van langdurige stabiliteit heeft gekend, maar dat versterkt enkel de noodzaak aan het actief uitdenken van een nieuw kader dat mogelijk wél een stap in die richting kan zetten. Want wanneer morgen de complete crisis komt aankloppen – Jeremy Rifkin spreekt van een perfecte storm gecreëerd door de klimaatcrisis, een economische crisis en een brandstoffencrisis – hebben we maar beter een alternatief voorhanden. Het lijkt immers in de menselijke aard te liggen om pas actie te ondernemen wanneer het water ons echt aan de lippen staat.

Richting ‘ruimer en verder’

Een allereerste noodzakelijke stap lijkt me de internationale dialoog. Het pad van het nationialisme – en al zeker het provincialisme – leidt ons weg van duurzaamheid. We moeten naar de horizon durven turen, maar dat wordt moeilijk als de kerktoren in de weg staat. Politicoloog Dave Sinardet maakte recent in De Tijd nog brandhout van de Belgische versnippering. “In één Belgische regering akkoorden maken tussen vier partijen met verschillende communautaire en andere belangen is vaak moeilijk. Maar is het veel makkelijker om akkoorden te maken tussen vier regeringen samengesteld uit acht partijen met bijgevolg nog meer uiteenlopende belangen?” 

Dit geldt zeker ook over de landsgrenzen heen. Een professor Internationaal Recht vertelde onlangs dat het “alsmaar moeilijk lijkt om internationale verdragen af te sluiten. Mede door een groeiende complexiteit, maar ook door een gebrek aan sterk Westers leiderschap”. Globalisering is al decennialang een feit, en daarmee omgaan volgens het free riders-principe begint zich te wreken. Sommige thema’s dienen dringend en doortastend op internationale schaal te worden aangepakt. De klimaatverandering en een daaraan gekoppeld energiebeleid lijken evident, maar ook zaken als mobiliteit en economie stijgen hoe langer hoe meer boven de grip van natiestaten uit. Hoe sneller we die globalisering een sociale en ecologische richting kunnen uitsturen, hoe beter we er allemaal bij zullen varen.

 

Read more...

Meer geheimhoudingsrechten voor de multinationals? Nee, bedankt!

06 april 2016 by Politiek 3351 Views

Klokkenluiders, journalisten, wetenschappers, vakbondsleden, werknemers, burgers: De Europese "Trade Secrets Protection" (“bescherming van bedrijfsgeheimen”) richtlijn bedreigt de democratie.

Toen Antoine Deltour, een werknemer van het multinationale accountantskantoor PricewaterhouseCoopers, besloot zeer geheime financiële informatie te lekken naar de Franse journalist Edouard Perrin, wisten ze waarschijnlijk niet waar ze aan begonnen waren. “Luxleaks” legde geheime Luxemburgse belastingafspraken bloot, die maakten dat multinationale bedrijven als Amazon voor miljarden euro’s belasting konden ontwijken in de EU. En toch staan Deltour en Perrin nu terecht voor inbreuk op het bedrijfsgeheim. 

In 2015 won Deltour de Europese Burger Prijs van het Europees Parlement voor zijn moed. Maar dat is blijkbaar al vergeten. Want op 14 april 2016, enkele dagen voor aanvang van het proces, stemt het Europees Parlement over een nieuwe wet die klokkenluiders en journalisten het zwijgen op kan leggen door het risico op lange gevangenisstraffen en hoge boetes te vergroten.

Deze nieuwe wet wordt de “bescherming van het bedrijfsgeheim richtlijn" (Trade Secrets Protection directive) genoemd. De definitie van bedrijfsgeheimen in deze nieuwe EU-richtlijn is zo breed dat bijna alle interne informatie van een bedrijf kan worden beschouwd als bedrijfsgeheim. Het soort informatie dat in de toekomst (en soms nu al) niet gepubliceerd mag worden omvat bijvoorbeeld de uitkomsten van (veiligheids)studies rond pesticiden, medicijnen, de uitstoot van auto's, enzovoorts. Deze EU-richtlijn betekent een direct gevaar voor iedereen die dergelijke informatie onthult zonder toestemming van de onderneming. Burgers, journalisten en wetenschappers hebben juist toegang nodig tot deze informatie om deze in het algemeen belang te kunnen publiceren. Maar welke krant of tv-zender kan het zich veroorloven om het risico van financiële ondergang te nemen? 

Nog erger: Als de richtlijn wordt goedgekeurd op Europees niveau, mogen de lidstaten er op nationaal niveau nog een schepje bovenop doen en bedrijven nog meer bescherming bieden. Zij zullen door de industrie zwaar onder druk gezet worden om dit ook daadwerkelijk te doen.  

Ondertussen tonen de Panama Papers opnieuw aan hoe groot het belang is om de persvrijheid te beschermen tegen dit EU voorstel. Mossack Fonseca, het in Panama gevestigde advocatenkantoor dat centraal staat in het Panama Papers schandaal, heeft met de volgende waarschuwende woorden gereageerd op vragen van de media: ''Het lijkt erop dat u ongeautoriseerde toegang heeft gehad tot informatie afkomstig van ons bedrijf en deze uit hun verband getrokken heeft gepresenteerd. Wij vertrouwen erop dat u zich er volledig bewust van bent dat het gebruik van onrechtmatig verkregen informatie/documentatie een misdaad is. We zullen niet aarzelen om alle beschikbare strafrechtelijke en civiele middelen in te zetten. '' 

Een pan-Europese coalitie van NGO's, vakbonden, journalisten, klokkenluiders en onderzoekers hebben het Europees Parlement opgeroepen om dit voorstel te verwerpen en de Europese Commissie gevraagd om met een beter voorstel te komen. De coalitie is een online petitie gestart tegen de tekst, die al meer dan 72.000 handtekeningen heeft verzameld.  Dit wordt geen gemakkelijke strijd: multinationals lobbyen al jaren op dit onderwerp, maar het grote publiek weet hier nauwelijks iets over. 

 

Teken nu de petitie:

https://act.wemove.eu/campaigns/whistleblowers-at-risk

 

Read more...

Het probleem achter politieke impotentie

14 maart 2016 by Politiek 3314 Views

Een begrotingstekort van € 3,2 miljard. En dat bedrag kan volgens Vlaams Minister-President Kris Peeters nog oplopen. Een gigantische rekenfout volgens de ene, een ideologische afwijking volgens de andere. Fractieleider van Groen Kristof Calvo slaat alvast de nagel op de kop: “men vraagt offer na offer terwijl de begroting er niet op vooruit gaat. De mensen snappen dit niet meer” . Het onbegrip is inderdaad groot, en de eis om een vermogensbelasting door te voeren klinkt luider dan ooit. Maar de terughoudendheid van De Roover, kersvers fractieleider van N-VA, sprak boekdelen. In een interview tijdens Terzake herhaalde hij steevast dat zulke zaken niet voor de camera worden besproken. 

Het is dan ook al langer een gevoelig thema binnen de partij. Minister van Financiën en kop van jut Johan Van Overtveldt weigerde eind vorig jaar al om illegale staatsteun – ondertussen opgelopen tot bijna € 1 miljard – terug te vorderen. Het zou een nefast gevolg hebben op het ondernemingsklimaat, zo klonk het. Het is een onpopulaire maatregel die een portie gefundeerde frustratie en furiositeit uitlokt, maar anderzijds eveneens een voorzichtige vorm van begrip verdient. Het zou de eerste keer niet zijn dat een groot bedrijf dreigt met een landverhuizing wanneer een winstbelasting wordt geopperd. Werkloosheid en imagoverlies als gevolg, het is iets wat elke regering liever vermijdt.

Maar hoe, dient men zich af te vragen, is een situatie zo ver kunnen komen? Waar is die verhouding tussen markt en staat zo fel in onevenwicht gebracht? Volgens de Duitse jurist en politicoloog Otto Kirchheimer heeft er sinds de jaren 60 van de vorige eeuw een markante trend binnen politieke partijen plaatsgevonden. Hij gebruikt de term “catch-all”-model: electorale belangen en het verlangen om te regeren overstijgen de zin van vertegenwoordiging, integriteit en ideologie – drie pijlers die in begin van de 20ste eeuw nochtans enorm prominent aanwezig waren. De Ierse politicoloog Peter Mair ziet dat deze evolutie gevolgen heeft voor de intermediaire positie die politieke partijen tot dan innamen. Ze vormden de schakel tussen het volk enerzijds, en de regerende en wet-makende instellingen anderzijds. Twee verschillende domeinen waar andere dynamieken en andere strategische contingenties gelden.

De razende trein van het financiële systeem

Sinds de laatste decennia van de 20ste eeuw zien we echter een terugtrekking van politieke partijen uit het civiele domein richting bestuur en staat. Parallel daarmee is er eveneens een groeiende civiele ontkoppeling en desinteresse naar politiek toe. Partijen zijn weggedrift van het volk en dichter naar elkaar toe gegroeid. Er ontstond een ‘governing class’ . Aan de basis hiervan ontwaart Mair twee oorzakelijke trends. Enerzijds vond er een sterke individualisering plaats. Bepaalde hoekstenen van het gemeenschapsleven, denk maar aan de kerk, brokkelden af. De cohesie van sociale engagementen erodeerde en er ontstond fragmentatie van collectieve identiteiten. Dit leidde ook tot een herinvulling van de eigenheid en persoonlijkheid. 

Anderzijds zorgde globalisering ervoor dat natiestaten en hun regeringen alsmaar minder grip kregen op de veranderingen in de wereld. Ze kampten met een afnemend vermogen om autonome beleidsmaatregelen vorm te geven. Het is in deze context, het post-Fordistisch tijdperk vanaf 1970, dat de geboorte van een nieuw politiek-economisch regime plaatsvindt. De metafoor van professor Bassens (2013)  is duidelijk: Twee treinen rijden op parallel-lopende historische sporen. De ene trein symboliseert het gebied van geld – het internationaal financiële systeem, de andere wijst op de politiek-economische regionen van het internationaal monetaire systeem. De eerste trein loopt op een bepaald punt verder uit, en er vindt een transfer plaats van economisch beleid naar technocratische instituties die geen verantwoording dienen af te leggen aan het volk. Op een bepaald punt arriveren we in een situatie waar het financiële systeem is ‘increasingly governed without government’. 

Natiestaten hebben geen grip meer op de speelwijzen en tactieken van grote bedrijven die opereren op een internationale markt en er zelf ook nog eens fungeren als scheidsrechter. Regeringen zouden kunnen opteren voor maatregelen ten voordele van de egalitaire democratie en voor het beheersen van sociale spanningen als gevolg van een kapitalistisch woekeringsproces. Maar zulke maatregelen leiden tot economische beroering en, vooral, kapitaalvlucht. Politiek-economische omstandigheden hebben het quasi onmogelijk gemaakt voor partijen om nog gehoor te geven aan populaire noden en eisen. Deze onmacht speelt de verdere loskoppeling van de kiezers enkel in de hand. Het verklaart voor een deel de populariteit van een man als Donald Trump, die voor velen een verpersoonlijking is van het anti-establishment en op zijn inmiddels bekende, luide en potsierlijke wijze de impotentie van vastgeroeste, politieke actoren bekritiseert. Mensen begrijp de politiek niet meer, maar begrijpen de driftige razernij van dolle Donald wél.

Hedonistisch levensstijl-kapitalisme

De Duitse socioloog Wolfgang Streeck maakt een interessante analyse over de rol van sociale media in deze context. Hij noemt het een haast onmisbaar en onontbeerlijk werktuig in het scheppen van een eigen identiteit. Mensen krijgen de mogelijkheid om ‘leuk te vinden’ wat ze maar willen, zonder druk van ideologische of politieke consistentie. Ze bricoleren zichzelf uit verscheidene invloeden die hen aanspreken, liever dan te moeten verantwoorden aan de coherentie en consequentheid van een politieke partij-agenda waar ze al lang geen affiniteit meer mee hebben. De “welke-politieke-partij-past-het-best-bij-u”-quizjes ten tijde van politieke verkiezingen zijn hier het beste voorbeeld van. Streeck noemt het ‘Consumeration of Political Commitment’.

Maar ook individuele consumptie – hoe langer hoe minder gelimiteerd door de grenzen van rechtsgebieden – speelt een enorme rol in het scheppen van de eigen identiteit. Streeck stelt dat de individuele consumentenkeuze stilaan de politieke keuze begint te vervangen die faalt om tegemoet te komen aan het ‘Hedonistic Lifestyle Capitalism’ dat we ondertussen zo gewoon zijn. Politieke partijen zien een terugtrekking van hun sociale basis, terwijl bedrijfsverenigingen veel aantrekkelijker en attenter omgaan met hun klantenbestand. En terwijl bedrijven miljoenen klanten verleiden met op maat gemaakte aanbiedingen, trekken ze zich los van de verstrikkingen van vakbonden en natiestaten. Het gevaar, zo stelt de Duitse socioloog, ligt erin dat we het onvermogen van politieke organisaties om onze belangen te verdedigen binnenkort als overbodig – of erger nog; beperkend – gaan beschouwen. 

Het moge duidelijk zijn dat de rol van de burger in dit relaas van groot belang is. Daarom moeten we zelf goed nadenken over het pad dat we willen bewandelen. We zijn eraan gewend geraakt op onze wenken bediend te worden. Maar het is broodnodig de bedrijven achter die bediening onder de loep te nemen. De Duitse staat werd voor zo’n $ 3,7 miljard aangeklaagd door de Zweedse energiemaatschappij Vattenfall nadat het besloot af te stappen van kernenergie. Britse tabaksfabrikant British American Tobacco deed hetzelfde met Australië, toen er een wet werd goedgekeurd om tabaksreclame te limiteren. Het Franse bedrijf Veolia klaagt sinds 2012 Egypte aan omdat het land besliste het minimuminkomen te verhogen. De maatregel, zo klinkt het, zorgt er rechtstreeks voor dat de opgebrachte winsten lager liggen dan aanvankelijk verwacht. Veolia eist nu € 82 miljoen. Op dit moment zijn Bayer, BASF en Syngenta de Europese Commissie aan het aanklagen omdat er een verbod op pesticiden werd goedgekeurd dat vorige zomer verantwoordelijk was voor de dood van 37 miljoen bijen. 

Misschien is het tijd om de politieke actoren die een zinkend schip trachten te redden, niet meer eenduidig te verwijten dat ze de ijsberg maar hadden moeten zien aankomen. Misschien kunnen we in de plaats daarvan een hand helpen en het gemaakte gat – excuseer mij voor de metafoor – mee trachten te dichten. En misschien kunnen we dat doen door onszelf te informeren. Door uit te zoeken aan wie we ons geld eigenlijk geven en welke bedrijven we sponsoren wanneer we bepaalde producten aankopen. En door ons (koop)gedrag aan te passen, al is het maar een klein beetje. De vleugels van de vlinder veroorzaken maanden later een orkaan, zo vertelt ons de metafoor van Edward Lorenz. En gesteund door een orkaan zou een politicus misschien wél moedige beslissingen durven te nemen.


 

http://www.standaard.be/cnt/dmf20160308_02171093

https://newleftreview.org/II/88/wolfgang-streeck-the-politics-of-exit

Bassens, D. (2013) “No more credit to Europe? Cross-border bank lending, financial integration, and the rebirth of the national scale as a credit scorecard”, Department of Geography, VUB

 

 

Read more...
Pagina 2 van 2
Don't have an account yet? Register Now!

Sign in to your account