Denktank voor Sociaal-Ecologische Verandering

Politiek

Politiek (15)

Iedereen proefkonijn. Het politieke gehalte van Onderzoek en Ontwikkeling

18 december 2019 by Politiek 101 Views
Gastauteur

Written by

Dit artikel verscheen op 8 november 2019 op website van PALA.

Politieke meerstemmigheid zou vooral voor mens- en geesteswetenschappers belangrijk zijn, zo luidt de overheersende teneur. Zou het? vraagt Marian Deblonde, zelf ‘exact’ wetenschapper. Wie introduceert in snel tempo tal van ontwrichtende technologische innovaties? Wie levert straks de hele wereld uit aan geo-engineering?

Is de politieke gezindheid van wetenschappers relevant voor de resultaten van Onderzoek en Ontwikkeling (O&O)? Deze vraag kwam afgelopen september in de Vlaamse media, o.a. De Standaard (verder afgekort tot dS) en de VRT, aan bod.

De stemmen in dit debat leken het erover eens dat politieke meerstemmigheid vooral bij mens- en geesteswetenschappers belangrijk is. Daar is meerstemmigheid nodig om de blinde vlekken, veroorzaakt door gedeelde ideologische normen en waarden, binnen de ‘zachte’ wetenschappen zichtbaar te maken. Meerstemmigheid is bij de ‘harde’ of ‘exacte’ wetenschappen niet zo nodig, klonk het. Aangezien wiskundige modellen en fysische fenomenen geen politieke kleur hebben, is de kans op ideologische vertekening daar veel kleiner. In de menswetenschappen ligt bovendien een ander probleem op de loer, stelde hoogleraar Andreas De Block in De Standaard, namelijk een te beperkte vraagstelling uit schrik maatschappij-ontwrichtende resultaten te genereren (Andreas De Block, dS 24/9/2019).

Laat het nu toch vooral de ‘exacte’ wetenschappers zijn die, zonder dat er in het publieke debat veel aanstoot aan genomen wordt, in snel tempo maatschappij ontwrichtende technologische innovaties introduceren. Meer nog, die zijn niet democratisch gelegitimeerd en ook niet bedoeld om tegemoet te komen aan menselijke behoeften. Technologische toepassingen zijn in de meeste gevallen niet ontwikkeld op basis van een zoektocht naar wederzijdse vormgeving van maatschappelijke behoeften en technologische mogelijkheden. (Dirk Stemerding, senior onderzoeker aan het Nederlandse Rathenau-instituut).

Veel belangrijker dan de politieke gezindheid is wat de vrijheden van onderzoek definieert

Zoals aangehaald door Dirk Holemans hebben de kritische Gentse filosofen – Vermeersch, Kruithof, Boehm - de mythe van Onderzoek & Ontwikkeling (O&O) als voldoende voorwaarde voor maatschappelijke vooruitgang al lang onderuit gehaald. Hun analyse was vooral gestoeld op de vaststelling dat wetenschappelijke en technologische vooruitgang worden meebepaald door politieke, militaire en industriële belangen die niet altijd samenvallen met het welzijn van de totale mensheid (dS 25/9/2019). Dit is een analyse die zowel op de ‘harde’ als op de ‘zachte’ wetenschappelijke disciplines van toepassing is. Zij relativeert heel erg het belang van een discussie over de politieke gezindheid van wetenschappers en technologen. Veel belangrijker is het kader dat de vrijheden van O&O definieert.

De grenzen van verantwoord onderzoek

Op Europees vlak zijn het de kaderprogramma’s die het subsidiebeleid voor O&O uittekenen. Sinds het verdrag van Lissabon (2000) stelt de Europese Unie (EU) uitdrukkelijk dat Europa een kenniseconomie moet worden: Kennis als middel om de Europese economie te doen groeien en de economische concurrentiepositie in een geglobaliseerde wereld te behouden en versterken.

Het departement Onderzoek en Ontwikkeling (O&O) van de EU is echter niet blind gebleven voor de gevolgen van dat beleid. Sinds het kaderprogramma, genaamd Horizon 2020, pleit het departement voor ‘verantwoord O&O’ (verder afgekort tot VO&O). VO&O wordt geacht antwoorden te bieden op de grote uitdagingen waar we nu voor staan. De uitdagingen: klimaatverandering, vervuiling van lucht, land en water, afnemende biodiversiteit en de globale trends van groeiende ongelijkheid, zowel binnen als tussen landen zijn genoegzaam bekend en de duurzame ontwikkelingsdoelen, gedefinieerd door de Verenigde Naties, kunnen gelden als richtlijnen voor de doelen die de EU via VO&O beoogt.

Het kaderprogramma gaat dus de ethische toer op, maar het is twijfelachtig of dit veel verschil zal maken als het O&O-systeem (op institutioneel niveau gevormd door de relaties tussen overheden, bedrijven en kennisinstellingen) zelf niet grondig verandert. Een grondige verandering betekent onder andere dat een vierde pijler, die van de finale gebruiker van kennis en technologie, op een ernstige manier deel uitmaakt van het O&O-systeem.

Het antropoceen

Voor drie planetaire grenzen komen we gevaarlijk dicht bij het kantelpunt

Sinds de industriële revolutie die startte ergens in de 18e eeuw, is de invloed van menselijk handelen op de toestand van onze planeet langzaam maar zeker toegenomen. Een internationale onderzoeksgroep rond prof. Johan Rockström (Stockholm Resilience Centre) heeft negen grenzen aangeduid die cruciaal zijn voor de toekomst van het leven op aarde. In drie gevallen (opwarming van de aarde, verlies van biodiversiteit, hoeveelheid stikstof per jaar die door de mens uit de atmosfeer wordt gehaald en de hoeveelheid fosfor per jaar die in de oceanen terechtkomt) komen we gevaarlijk dicht bij het kantelpunt. (1) De invloed van menselijk handelen gaat zover, dat wetenschappers het nodig vonden om een naam te geven aan het tijdvak waarin menselijke invloeden de planetaire conditie grondig begonnen te bepalen: het antropoceen.

De term ‘antropoceen’ drukt uit dat het vaststaat dat de impact van menselijk ingrijpen op mens en milieu sinds het begin van de industrialisering een hogere vlucht heeft genomen. Deze invloed neemt nog steeds toe. Niet alleen omdat de industrialisering verder globaliseert, maar ook omdat de industrialisering steeds nieuwe vormen aanneemt. Denk, behalve aan ICT-toepassingen, ook aan het vervangen van menselijke fysieke en cognitieve vaardigheden door robots en artificiële intelligentie (AI). Deze nieuwigheden duiken op steeds meer vlakken van het maatschappelijk leven op, zoals in de landbouw-, diensten-, zorg- en gezondheidssector.

Het ziet er niet naar uit dat, als we op dezelfde manier verder gaan, we er snel in zullen slagen het negatieve tij te keren. Neem, als voorbeeld, de evolutie van CO2 -emissies. In het Itinera-rapport over de energietransitie stelt Johan Albrecht dat de uitstoot van broeikasgassen in de rijke ontwikkelde landen in 2018 met 0,5 % is toegenomen. Meer nog, de impact op luchtkwaliteit, biodiversiteit, uitputting van natuurlijke rijkdommen en draagkracht van de planeet komen in het transitiebeleid ‘gewoonweg niet aan bod’.

Iedereen proefkonijn

In het antropoceen worden de gevolgen van menselijke activiteit steeds zichtbaarder naarmate de industrialisering zich verder ontwikkelt en zich globaler verspreidt. Deze gevolgen zijn steeds moeilijker te voorspellen omdat de complexiteit van de vele interacties tussen natuurlijke en sociale fenomenen immens is. Vandaar dat we sinds het antropoceen allemaal, zonder onderscheid van rang of stand, proefkonijnen geworden zijn in wereldwijde experimenten.

Veel mensen en dieren moesten tot hun schade al ondervinden wat het betekent een O&O-proefkonijn te zijn. Sommigen leden materiële en menselijke schade door vernietigende stormen of overstromingen, of door vervuiling van lucht, land en water. Anderen zagen hun habitat vernietigd door een stijgende zeespiegel of door de honger van machtige bedrijven naar schaarse of zeldzame grondstoffen.

Geo-engineering

Onze rol als proefkonijn dreigt nog riskanter te worden. Het ooit al fel bestreden idee van geo- of klimaatengineering is weer veld aan het winnen in O&O kringen. Geo-engineering is het opzettelijk grootschalig ingrijpen in de natuurlijke systemen van de aarde, met als doel klimaatverandering, en meer specifiek de opwarming van de aarde tegen te gaan. Het betreft ingrijpende maatregelen die direct effect hebben op grootschalige systemen.

Gaan we echt opzettelijk grootschalig ingrijpen in de natuurlijke systemen van de aarde?… zelfs zonder debat?

Een journalist noteert in de Wordpress Longreads Weekly van 4 Oktober 2019: we moeten meteen het gesprek starten over blijkbaar drastische antwoorden, zoals de injectie van aerosols in de stratosfeer die zonnestralen dimmen, als we het risico niet willen lopen dat we de democratische controle verliezen over de benadering van het klimaatprobleem. De journalist waarschuwt dat het moment dichterbij komt dat we noodgedwongen zullen teruggrijpen naar dit type engineering omdat het punt dichterbij komt waarop minder riskante initiatieven geen kans van slagen meer hebben.

Klimaatwetenschapster Holly Jean Buck legt helder uit hoe drastisch het idee van geo-engineering is. (2) Geo-engineering betreft de verzameling technologieën die nodig zijn om de zogenaamde zonneconstante (de hoeveelheid zonne-energie aanwezig in de stratosfeer) min of meer constant te houden. De zonneconstante is een aanduiding voor de smalle marge tussen te veel en te weinig energie, die het leven op aarde net wel of net niet meer mogelijk maakt.

De zonneconstante is eigenlijk geen constante maar een maat voor het onevenwicht tussen inkomende en uitgaande straling. De inkomende energie is afkomstig van de variabele zonnestraling. De uitgaande energie is afhankelijk van menselijke activiteit. Broeikasgassen houden zonne-energie vast en fijn stof heeft een verkoelend effect omdat het lichtstralen weerkaatst.

Het onevenwicht is belangrijker geworden sinds het begin van de industriële revolutie. De uitdaging voor geo-ingenieurs bestaat er dus in het onevenwicht tussen inkomende en uitgaande straling binnen de smalle marge te houden. Om duidelijk te maken dat deze uitdaging uit twee deel-uitdagingen bestaat, gebruikt de klimaatwetenschapster het beeld van een badkuip. Eén uitdaging bestaat erin de te volle badkuip (het teveel aan broeikasgassen) leger te maken. De andere uitdaging bestaat erin te voorkomen dat de badkuip weer voller loopt. Het gaat er in alle geval om het onevenwicht tussen opwarming en afkoeling binnen de genoemde marge te houden. Geo-engineering is dus een permanente noodzaak.

Het manipuleren van het onevenwicht kan via biologische (vb. herbebossing) of industriële methodes (vb. via de opslag van CO2 of de injectie van aerosols in de stratosfeer om inkomende straling tegen te houden). Deze laatste methode legt eigenlijk een omhulsel van intentionele vervuiling rond het al bestaande omhulsel van vervuiling. Deze strategie is zeer riskant omdat ze de werking van planten en fytoplankton op nog onbekende wijze verstoort.

Verbijstering

Zelfs ‘verantwoorde’ wetenschappers lijken zich neer te leggen bij steeds nieuwe wereldwijde experimenten

Onlangs woonde ik een workshop bij georganiseerd door het departement O&O van de EU over de uitdagingen voor verantwoord O&O (VO&O). Ondanks dat ik er mij al langer van bewust ben, een proefkonijn te zijn van onderzoekers die de hele wereld als hun laboratorium beschouwen, verliet ik de workshop met verbijstering. De aanwezige leden van de VO&O-gemeenschap lijken zich neer te leggen bij de onvermijdelijkheid van steeds nieuwe wereldwijde experimenten als antwoord op het tot nog toe gebleken onvermogen om het negatieve tij te keren.

Het is verbijsterend om vast te stellen dat de VO&O-gemeenschap zich gelaten nestelt in onze rol als proefkonijn. Een rol die de VO&O -gemeenschap niet publiekelijk aan de orde stelt. Integendeel, een snelle introductie van opeenvolgende technologische innovaties wordt nagenoeg kritiekloos geaccepteerd, hetzij dat de innovaties onvermijdelijk geacht worden (“technologie kan je niet tegenhouden”, nietwaar?), hetzij omdat technologische innovatie op mythische wijze gelijkgesteld wordt met maatschappelijke vooruitgang.

Degenen die te snelle en onvoldoende doordachte introducties van technologische toepassingen en de aard van ‘vooruitgang‘ die er mee gepaard gaat in vraag stellen, worden gemakkelijk aan de kant gezet als wereldvreemde vogels of erger nog - ten minste indien de geadresseerde een onderzoeker is - als activist. ‘Wil je misschien terug naar het stenen tijdperk?’ is de vraag die zij met neerbuigende ironie in het gezicht geslingerd krijgen. Het antwoord is uiteraard negatief. Zij verlangen naar toekomstbestendige vooruitgang, niet alleen voor zichzelf, maar voor iedereen. En graag een toekomst op aarde. Waarom zouden we onze hoop vestigen op een toekomst ergens in de onherbergzame ruimte, als we er niet in slagen onze toekomst op onze uitzonderlijke planeet aarde veilig te stellen. Vooruitgang begrijpen zij trouwens niet alleen in termen van welvaart, maar vooral in termen van welzijn.

We hebben eerder sociale innovatie nodig dan technologische innovatie

Wordt het dan niet hoogtijd om ons te bezinnen en, misschien wel, een radicaal andere weg in te slaan: een weg die meer gebaseerd is op common sense en minder op gefragmenteerde, gebrekkige kennis? We hebben niet zozeer nood aan technologische innovatie, maar aan sociale innovatie. Er bestaan ondertussen voorbeelden genoeg van (lokale en kleinschalige) sociale innovaties die laten zien dat de nodige verandering niet noodzakelijk uitsluitend op wetenschappelijke kennis gebaseerd hoeft te zijn en dat verandering ook geen offer hoeft te zijn, maar een verbetering kan zijn voor het algemeen welzijn. Of, zoals Rik Pinxten het treffend verwoordt: ‘We moeten stoppen met de ongelimiteerde roof en onderdrukking, en leren om wat bescheidener en samen te zoeken naar gedeelde, gemeenschappelijk gedragen actieplatformen die rechtvaardige herverdeling en solidariteit als belangrijk kenmerk hebben. […] Dat impliceert het beperken (of verbieden?) van het roofkapitalisme, van de ongelimiteerde eigendomsclaims van enkelen op grondstoffen, mensen, lucht en tijd van alle anderen’ (dS 18/10/2019).

Actiepunten voor de VO&O-gemeenschap

Een oproep in drie delen

1. Besef dat wetenschappers door en door politiek handelen

Het is hard nodig dat de VO&O gemeenschap- en de zogenaamd ‘harde’ wetenschappers in het bijzonder zich er van bewust worden dat hun handelen door en door politiek van aard is, in de zin dat zij de technologische toepassingen creëren en maatschappelijk introduceren die vorm geven aan het persoonlijke en publieke leven. Zij geven vorm aan de infrastructuren die mensen tot hun beschikking krijgen om te communiceren, zich te verplaatsen, te produceren en te consumeren en, niet te vergeten, om te onderzoeken en innoveren.

Ik verwacht van de zogenaamd ‘zachte’ wetenschappen, mens- en geesteswetenschappen, dat zij luider hun stem laten horen in debatten met politici, ondernemers, burgers en collega-wetenschappers, en hen wijzen op de mogelijkheden van andersoortige, met name sociale, i.p.v. technologische, innovaties. Wellicht is de kans dat dit soort innovaties leidt tot rechtvaardige en veilige toekomsten op lange termijn iets groter. Bovendien zijn ze veel ongevaarlijker.

2. Neem afstand van vernietigend economisch systeem

Ik nodig de VO&O gemeenschap uit om in het openbaar een eenduidig standpunt in te nemen t.a.v. een vernietigend economisch systeem dat enerzijds uitmondt in groeiende ongelijkheid en er anderzijds toe leidt dat de mogelijkheidsvoorwaarden voor menselijk leven in de toekomst in het gedrang komen. Groeiende ongelijkheid zet niet alleen een rem op door de markt gestuurde inclusieve innovaties, het beperkt ook de bereidheid van zowel burgers met hogere inkomens als de mogelijkheden van burgers met lagere inkomens om stappen te ondernemen om destructieve systemen fundamenteel te hervormen.

Hier hebben economische wetenschappers een immens grote verantwoordelijkheid, namelijk om het economische systeem zodanig te herontwerpen dat de vrijheid van de markt geleidelijk aan resulteert in een rechtvaardige verdeling van inkomen/macht en van de kansen op persoonlijke ontplooiing. De vrijheid van de markt is geen natuurlijk fenomeen. Zij is gecreëerd door wettelijke (bijvoorbeeld eigendomsregimes) en andere (bijvoorbeeld culturele normen en waarden) instituties. De vrijheid van de markt kan dus ook anders geconstrueerd worden als de politieke wil daar is.

Het doel van een nieuw economisch systeem zou in de eerste plaats moeten zijn om het welzijn te doen toenemen. Daarvoor nodig ik economische, exacte, mens- en geesteswetenschappers uit om, geïnspireerd door verschillende culturen wereldwijd, te onderzoeken welke niveaus en types van welvaart nodig zijn voor menselijk welzijn en wereldwijd toepasbaar zonder planetaire grenzen te overschrijden.

3. Steun klimaatjongeren

Het lijkt mij niet minder dan gepast dat de VO&O-gemeenschap in het publiek en met luide stem de dappere initiatieven van Greta Thunberg en haar jonge kompanen steunt, wanneer zij politici en volwassenen vragen om aan hen een wereld na te laten die hen zal toelaten om ook in de toekomst menswaardig te leven. Het was beschamend  om te zien hoe sommige (zelfs vooraanstaande) leden van de politieke en wetenschappelijke gemeenschap hen aan de kant schoven als onwetende, slecht geïnformeerde, paniek zaaiende kinderen.

Het was een troost te lezen dat Europees commissaris Frans Timmermans het opneemt voor de klimaatjongeren (dS9/10/2019). Zij het dat hij meteen de hoop op verandering temperde door te waarschuwen dat de financiering van een ‘Green Deal’ een Herculeswerk wordt. Het lijdt echter geen twijfel dat elk uitstel de financiële en menselijke kosten alleen maar zal opdrijven.

Doctor Marian Deblonde - zij schreef deze bijdrage op persoonlijke titel 

Voetnoten

(1) zie wikipedia 

zie ook Pala woordenboek met een overzicht van artikels over planetaire grenzen of rechtstreeks het Overzicht Pala artikelreeks over planetaire grenzen 

(2) Jean Buck publiceerde in 2019 bij uitgeverij Verso het boek Geoengineering Climate Tragedy, Repair and Restoration

Dit artikel verscheen op 8 november 2019 op website van PALA.

Read more...

Het neoliberale globaliseringsproject heeft tot reductie van verantwoordelijkheid en vrijheid geleid

25 juli 2019 by Politiek 508 Views
Jan Mertens

Written by

'Nog snel even door het oranje rijden is helemaal niet cool, ook al is het dan wel koel in je auto', schrijft Jan Mertens, lid van de denktank Oikos in Knack op 23/07.

De voorbije dagen kregen we het in de media vaak te horen. Code oranje. De watervoorraden hebben een kritiek punt bereikt. De temperaturen zullen fors stijgen. De ozonconcentraties zullen hoog zijn. In New York roept burgemeester Bill De Blasio een hittenoodtoestand uit. De airco mag niet te laag gezet worden, anders wordt er teveel energie verbruikt. Zal men zich daaraan houden? Wordt het 'eigen koelte eerst'? De rechtvaardigheidsdilemma's van de klimaatverandering komen dichterbij. Zullen ook bij ons zij die het normaal zijn gaan vinden om elke dag minstens een keer te douchen dat gedrag aanpassen opdat er voor anderen ook nog water zou zijn?

Gezamenlijke veiligheid

In de autorijles leerden we dat een oranje verkeerslicht betekent dat je moet stoppen en een rood dat je moet stilstaan. Velen interpreteren oranje echter nog steeds als: ik kan er waarschijnlijk nog net door, gas geven! Want oranje is nog altijd geen rood, het zal nog wel meevallen, die anderen moeten zich maar aan de regels houden.

Het is interessant, hoe we denken dat we het verkeersreglement voor onszelf kunnen oprekken, in zekere zin alsof het verkeer de 'anderen' zijn.

Het zijn de anderen die voor de file zorgen, in de weg staan, de mooie parkeerplaats hebben, en dus mag ik voor mezelf opkomen.

Het neoliberale globaliseringsproject heeft tot reductie van verantwoordelijkheid en vrijheid geleid

Het interessante van het verkeer is dat we in wezen niet alleen kunnen zijn. We zijn voor onze gezamenlijke veiligheid afhankelijk van de anderen, moeten erop kunnen vertrouwen dat de anderen zich ook aan de regels houden. We hebben er zelfs belang bij dat we de wegen zo inrichten dat de meest kwetsbaren beter beschermd of zelfs de norm worden. Veilig verkeer kunnen we alleen samen zijn. Anders heerst enkel de macht van de sterkste en zullen nog meer mensen zich terugtrekken in hun gepantserde en gekoelde SUV terwijl kwetsbaren het slachtoffer worden, wat die mensen in hun hoge auto dan niet meer hoeven te zien.

Er zijn allerlei varianten van het negeren van het oranje licht. 'Ik weet wel dat het slecht is voor mijn ecologische voetafdruk, maar ik ben toch naar Madagascar gevlogen. Nu het nog kan.' Die 'nu het nog kan' is fascinerend... Sommigen die tot voor kort stelden dat er eigenlijk niets aan de hand was met het klimaat, zeggen nu dat het toch al allemaal te laat is.

'Het zal mijn tijd nog wel net duren. Dat is dan wel pech voor mijn kinderen, maar je kunt er nu toch niets meer aan veranderen, dus kan ik er evengoed nog extra van genieten.'

Wat in deze uitspraken op persoonlijk niveau weerklinkt, zegt ook iets over een structurele ontwikkeling, die onder meer door Bruno Latour in zijn schitterende essay Waar kunnen we landen? is beschreven. Een groep in onze mondiale samenleving heeft beslist (of voor zichzelf aanvaard, bij gebrek aan zin in zelfreflectie) dat er op deze planeet geen toekomst is voor iedereen en dat men zich zo snel mogelijk van alle lasten van de solidariteit wil ontdoen.

Privévliegtuig

Sommigen van hen komen met hun privévliegtuig naar het World Economic Forum om daar te luisteren naar Greta Thunberg. Ze zijn lichtjes geëmotioneerd. "Het is inderdaad heel erg, we moeten er dringend iets aan doen." Ze hebben ook voor zichzelf uitgerekend dat het voor hen nog wel mee zal vallen. Er zijn ook populistische en nationalistische politici die gemakkelijk weg lijken te komen met een merkwaardige intellectuele spreidstand.

Ook zij weten dat de welvaart die we 'hier', 'bij ons' hebben er alleen maar kan zijn omdat die steunt op een geglobaliseerde onrechtvaardige economische keten (de grondstoffen komen van 'daar', het afval sturen we naar 'daar', de klimaatverandering is vooral 'daar').

Maar tegelijk zeggen ze aan hun kiezers dat we 'hier' volledig autonoom en soeverein kunnen zijn, en liefst met mensen 'zoals wijzelf'. Het is heel logisch dat de machthebbers in zo'n politiek project er alles aan zullen doen om de klimaatverandering actief te ontkennen. Dat vervelende klimaat maakt immers te duidelijk dat we op één planeet leven, dat we samen het klimaat zijn, zoals we samen het verkeer zijn.

Die 'nu het nog kan' blijft merkwaardig. Het neoliberale globaliseringsproject heeft tot een eigenaardige reductie van begrippen als verantwoordelijkheid en vrijheid geleid, alsof die twee begrippen niets met elkaar te maken hebben. 'Je kunt de mensen toch niet veranderen', klinkt het dan. In volle verantwoordelijkheid, in de jaren die we nog hebben om rechtvaardige keuzes te maken, er zelf voor kiezen om onze maatschappij grondig te transformeren, dat getuigt toch van een veel grotere vrijheid dan impliciet te aanvaarden dat het fout gaat of dat er wel een of andere verlichte dictator zal komen?

Misschien rust werkelijke vrijheid - die niet kan bestaan zonder rechtvaardigheid - wel in het aanvaarden van een aantal grenzen.

Soms is het alsof we beseffen dat we samen in een bus zitten die op de snelweg keihard de verkeerde richting uit rijdt, maar dat we ons gewoon niet durven inbeelden dat we niet in die bus zouden zitten. Misschien durven we de vrijheid niet aan van het denken van het duurzame en rechtvaardige alternatief en rijden we dus maar door het oranje.

Het besef van de dreigende klimaatchaos maakt ons ook duidelijk dat de aarde zelf een soort actor geworden is. Het was heel modern te doen alsof er een scheiding zou zijn tussen ons als mens en de rest. De aarde was als een soort willoos vat, een decor van de menselijke vooruitgang. We konden de aarde gebruiken als louter een productiefactor. We vonden het vanzelfsprekend dat dat decor - aangezien het uit louter materie of 'ondergeschikte' soorten bestond - zich wel zou schikken naar onze menselijke missie die alle grenzen zou overschrijden. (To boldly go where no man has gone before!)

We wilden ons zo graag 'bevrijden' van de natuur, alsof wij niet zelf natuur zouden zijn. En nu lijkt de aarde via klimaatverandering, luchtvervuiling, grondstoffenconflicten, ... terug te slaan.

Die bevrijding door scheiding maakt ons nu vooral minder vrij en vergroot op acute wijze de rechtvaardigheidsuitdaging. Misschien rust werkelijke vrijheid - die niet kan bestaan zonder rechtvaardigheid - wel in het aanvaarden van een aantal grenzen, in het besef dat we in zekere zin samen met de andere aardebewoners zelf de aarde zijn.

Return to sender

Keuzes dringen zich op. Geloven dat we eindeloos kunnen blijven groeien en dat we die toenemende productie en consumptie volledig, op grote schaal, en langdurig zullen kunnen loskoppelen van de impact op de planeet is als in volle bewustzijn door het oranje rijden. Er zijn immers onvoldoende bewijzen dat zo'n absolute ontkoppeling mogelijk is. Zeggen dat we in onze 'schone diensteneconomie' ontkoppeling hebben is je ogen sluiten voor het feit dat we het 'gekoppelde of herkoppelde' deel van onze economie hebben verbannen naar de andere kant van de wereld. Eerst was het naar China, en nu stuurt China de hinder ook al door naar andere landen waar ze hopelijk weinig zullen protesteren. Al zijn die landen nu ook begonnen met het terugsturen van afval naar afzender.

De koppeling wordt doorgeschoven naar de armsten, zodat de rijksten ontkoppeld kunnen leven (waarmee ze zich ook mentaal en ethisch hebben ontkoppeld van die ene wereld waar ze in de feiten niet toe willen behoren).

We hebben dus keuzes te maken. Gaan we ons in de Europese, federale en Vlaamse programma's voor circulaire economie vooral laten leiden door een verlangen naar meer groei en competitiviteit of gaan we echt proberen kringlopen te sluiten, de voetafdruk te verkleinen en rechtvaardigheid te verbeteren?

Dat is ook beter voor het klimaat. Gaan we het Europese Stabiliteits- en Groeipact vervangen door een project dat stabiliteit zoekt voorbij de klassieke groei? Gaan we onder ogen willen zien dat er voor onze zogenaamd 'efficiënte' groene economie door mensen aan de andere kant van de wereld een te grote prijs wordt betaald of gaan we even nadenken voor we ook de zeebodem gaan ontginnen? Een beleid van sufficiëntie, een economie van het genoeg dus, getuigt misschien wel van veel meer vrijheid in verantwoordelijkheid, van het besef dat we alleen samen veilig kunnen zijn in het verkeer, dan te denken dat we ongestoord door het oranje kunnen blijven rijden.

Dit artikel verscheen op 23/07 in de doordenkers van Knack.

Read more...

De verkiezingsoverwinning van de klimaatgeruststellers

01 juni 2019 by Politiek 1358 Views

Hoe is het mogelijk dat uitgerekend de twee partijen die het verst staan van alles waarvoor de laatste maanden tienduizenden mensen betoogd hebben, de grootste partijen in Vlaanderen zijn? Hoe hebben N-VA en VB kunnen vermijden dat mensen massaal “klimaatvriendelijke” partijen boven hen verkozen? De overwinning van het VB en het feit dat de N-VA veruit de grootste partij in Vlaanderen gebleven is, hebben natuurlijk vele oorzaken. In dit artikel heb ik het alleen over de manier waarop ze met de klimaatproblematiek zijn omgegaan. 

Zijn Vlamingen niet begaan met het klimaat? Hebben ze het niet begrepen of wat is er aan de hand? Er is al maandenlang een breed front, van scholieren over wetenschappers tot vakbonden en bedrijfsleiders, met tal van betogingen, persinitatieven en petities. Ik denk dat alle partijen de klimaatproblematiek heel goed begrepen hebben. Mijn stelling is dat N-VA en VB, net zoals andere partijen in het buitenland, zich met succes hebben opgesteld als “klimaatgeruststellers”, als partijen die de klimaatproblematiek minimaliseren en de kiezers geruststellen. Het gaat niet klimaatontkenning, zoals we dat zien bij een Donald Trump of Thierry Baudet. Het is subtieler. De feiten worden erkend, maar de verantwoordelijkheid wordt doorgeschoven naar anderen en – hoofdzaak! - de burgers worden ontheven van elke verantwoordelijkheid en gerustgesteld. 

“Où atterrir” van Bruno Latour is een bijzonder boeiend boek over mondialisering, groeiende ongelijkheid en klimaatnegationisme. Hij schreef het voor de klimaatacties van jongeren, maar kondigt ze impliciet aan. Het boek hier samenvatten zou afdoen aan de rijkdom aan analyses en ideeën die je er vindt. Ik beperk me tot enkele grote punten. Latour stelt dat de aarde een actor wordt, dat ze zich laat horen. Kijk maar naar de orkanen en droogtes van de laatste jaren, of de walvissen die op onze kusten aanspoelen, met hun maag vol plastic. We hebben bepaalde fysieke grenzen – op de eerste plaats natuurlijk de concentratie aan broeikasgassen- niet gerespecteerd en nu is het net alsof de aarde terugslaat en zich gaat moeien met ons leven. Voor sommige mensen is de erkenning hiervan vanzelfsprekend. Het komt er nu op aan om onder elkaar af te spreken hoe we samen welvarend en gelukkig leven, rekening houdend met de fysieke wetten van de aarde. Voor anderen is dit onwezenlijk en wordt dat inzicht van grenzen verdrongen. Het kan niet dat de aarde hen aanzet tot het heroverwegen van wat volgens hen het goede leven is. De boodschap wordt zoveel mogelijk geminimaliseerd of verdrongen. De aarde spreekt, zegt Latour, ook via mensen die actievoeren en zich laten horen. De Franse zadisten, verdedigers van gebieden tegen grote infrastructuurprojecten, zegden: “We verdedigen de natuur niet, we zijn de natuur die zich verdedigt.” Het boek van Anuna De Wever en Kyra Gantois draagt niet voor niets de titel “Wij zijn het klimaat.” De klimaatbrossers als stem van de planeet, hun betogingen als de waarschuwende hand van een planeet in nood wiens incasseringsvermogen op is.

De klimaatacties van de laatste maanden gaven vele mensen hoop, maar dat was niet overal zo. Een korte anekdote illustreert dat. Ik stond een tijd terug in de rij in een pizzeria en op de TV was er net een nieuwsuitzending. Het ging over een betoging van de klimaatspijbelaars. De uitbater zuchtte diep. Dan volgde een item waarin het WWF zei dat we minder vlees moesten eten, een kwestie van onze planeet te redden. De man liet nu zijn ergernis nog meer blijken.  Laten we het leven van die man even fictief uitspinnen. Hij heeft na 20 jaar hard werken eindelijk een (dure) SUV en kan een paar keer per jaar een citytrip maken. Binnen enkele jaren zal hij van zijn ouders een mooie bouwgrond op het platteland erven. Wat komen die klimaatjongeren -meisjes dan nog! – hem zeggen (toch in zijn perceptie)? Gedaan met de SUV en de citytrips, de bouwgrond zal niet meer mogen bebouwd worden en hij zal minder vlees eten. Zolang ik dat niet doe, moet ik me schuldig voelen, zelfs moreel minderwaardig, want het gaat hier eigenlijk om wat het goede leven is en wat het niet is. Zo begrijpt mijn personage dat. Hij voelt zich verraden. Heel zijn leven heeft men hem gezegd dat zijn gedrag wel ok was, maatschappelijk aanvaard en moreel niet problematisch. Dat lijkt nu toch niet het geval te zijn. Dit is niet rechtvaardig, dit is woordbreuk! Niemand houdt ervan zich schuldig te voelen. Het kan dan ook niet verbazen dat Anuna De Wever en Adelaïde Charlier veel commentaar krijgen, al was de stijl ervan al te vaak grof en misplaatst. In de perceptie van velen verstoren ze hun feestje, dreigen ze hen op te zadelen met schuldgevoelens (wat hun bedoeling niet is). Het lijkt een nieuwe versie van het sprookje van de nieuwe kleren van de keizer. Tieners roepen – terecht – dat de keizer in zijn blootje loopt, maar tal van omstaanders willen dat niet horen. Ze willen blijven dromen. De tieners moeten maar beter hun mond houden, klinkt het. Wanneer een paar mensen van adel zeggen dat de tieners liegen en de keizer wel een prachtig kleed draagt, slaken de omstaanders een zucht van opluchting. Het feest kan doorgaan. 

Die mensen van adel staan uiteraard symbool voor die politieke partijen die een antwoord bieden aan mensen die betreuren dat het zogenaamde feestje verstoord wordt: de klimaatgeruststellers. Dit is hun boodschap. Het klimaat verandert inderdaad, maar ons landje is verantwoordelijk voor minder dan een procent van de uitstoot op wereldvlak. Dus ook al nemen we strenge maatregelen, dat heeft nauwelijks effect. Het zijn grote vervuilers zoals China die hun verantwoordelijkheid moeten opnemen. Bovendien hebben wetenschappers in het verleden altijd oplossingen gevonden en dat zal nu weer zo zijn. Ecorealisme, geen doemdenken, klinkt het. Dus geen slimme kilometerheffing of hogere fiscaliteit op vliegtuigreizen, en stop met mensen een schuldgevoel aan te praten als ze een lekkere biefsteak eten. Voor vele mensen klinkt die boodschap als muziek in de oren. Het feest kan doorgaan. Er zijn geen grenzen, noch aan de groei, noch aan de consumptie. We hoeven ons niet schuldig te voelen, we kunnen ongestoord verder leven zoals we willen. We zijn niet onverantwoordelijk tegenover onze kinderen en kleinkinderen. 

Twee data illustreren de kloof tussen twee totaal verschillende houdingen. Op 12 december 2005 erkenden in Parijs 150 landen dat de aarde niet alles aan kan en spraken ze af om in overleg oplossingen te zoeken zodat alle aardbewoners een goed leven zouden hebben binnen de grenzen van de planeet. Op 1 juli 2017 besliste Donald Trump zich terug te trekken uit het Parijse klimaatakkoord en gaf hij dus het signaal dat hij de fysieke grenzen van de planeet niet erkent en dat iedereen maar zijn plan moeten trekken. Hij neemt de vlucht naar voren en luistert niet naar degenen die zeggen dat je nergens meer heen kan vluchten, dat elke vluchtweg een door mensen construeerde luchtspiegeling is. In de verkiezingscampagne kregen we van sommige partijen een Vlaamse versie van dat verhaal te horen: impliciet ontkennen van wetenschappelijke evidentie, beweren dat klimaatbeleid tot een tsunami van belastingen voor de Vlaming zal leiden en mensen wijsmaken dat “het feest” kan doorgaan (daarbij vergetend dat vele mensen nooit hebben kunnen feesten, dat de volgende generaties zware facturen van het feest zullen betalen en dat het aantal zelfmoorden, depressies en burn-out in dit land ons zou moeten doen afvragen of dit wel een “feest” is).

Hoe ga je daar mee om? Latour komt bewust niet met pasklare oplossingen. Hij vindt dat het onze eerste taak het volgende is: “Hoe moeten we ons richten tot degenen die zich terecht in de steek gelaten voelen door het historisch verraad van de leidende klassen en die nu met veel misbaar vragen om de veiligheid van een afgeschermde ruimte?” Welke boodschap heb ik voor mensen zoals de eigenaar van de pizzeria? Hoe kan ik hem overtuigen dat een klimaatvriendelijk leven kan leiden tot een beter en gelukkiger leven? Moeten we niet meer spreken over individueel gedrag en alleen over beleid? Maar dat beleid heeft natuurlijk impact op het dagelijks leven van de mensen, denk maar aan de betonstop of een autovrije binnenstad. Geen gemakkelijke kwestie. Latour stelt ook dat we andere vragen op tafel moeten gooien: “Vraag mensen zélf te beschrijven wat de condities van hun bestaan zijn. Met wie kun je leven? Van wie ben je afhankelijk?” Dat opent nieuwe debatten en kan leiden tot verfrissende ideeën. Probeer mensen buiten het huidig kader te doen denken en te overtuigen dat er meerdere toekomstscenario’s zijn, dat noch experten noch betogers één scenario willen opleggen maar dat we samen een ander scenario willen uittekenen en uitvoeren.

Voor mij versterkt Latour het idee dat iedereen die met ons klimaat begaan is de volgende maanden en jaren niet alleen met energie-, mobiliteits- en andere experten moeten praten. Dat moeten we blijven doen. We moeten nu onze horizon verruimen en ook met sociologen en psychologen praten, over maatschappelijke verandering, over rouwprocessen – want daar gaat het ook om -, over methoden over het zoeken naar welke waarden we wel delen met degenen die op 26 mei voor de klimaatgeruststellers kozen. Dat zal een lang en complex proces zijn, maar het lijkt me een noodzakelijke aanvulling en uitdieping van wat al gebeurt.  Dat betekent niet dat we moeten hopen en mikken op consensus over alle issues. Dat is een illusie. Er zullen altijd tegengestelde belangen en meningen zijn en keuzes moeten gemaakt worden. Samenlevingen zijn divers. Het komt er wel op aan werk te maken van een sociaal rechtvaardige transitie met perspectieven voor alle groepen. Ondertussen zal de aarde ons blijven herinneren aan het feit dat we haar incasseringsvermogen niet respecteren, met stormen, overstromingen en droogtes, van hier tot in Bangladesh. De volgende jaren zullen die feiten, naast wetenschappelijke rapporten en tal van klimaatacties ons keer op keer eraan herinneren dat de keizer wel naakt loopt. Ook al verliezen we ondertussen veel tijd, alle ontsnappingsroutes zullen telkens weer niet meer dan fictieve constructies blijken te zijn die door de feiten weerlegd worden. Eens we het eens zijn dat de keizer echt wel in zijn blootje loopt, kunnen we de illusie achter ons laten en een nieuw hoofdstuk van onze geschiedenis schrijven.

 

Luc Barbé

Read more...

Over de noodzaak van een nieuwe participatiecultuur

15 april 2019 by Politiek 677 Views

Recensie: Uit de puinhopen. Een nieuwe politiek in een tijd van crisis.  Monbiot, George (Lemniscaat, Rotterdam, 2018, 207 p.) door Roger Jacobs.

George Monbiot (geb. 1963) studeerde zoölogie in Oxford en maakte in zijn jonge jaren naam als een tot de verbeelding sprekende groene onderzoeksjournalist, activist en wereldreiziger. Later zou hij zijn niet van gevaren gespeende baan inruilen voor die van The Guardian – columnist wiens analyses en voorstellen hem in Engeland de titel van ‘the foremost green public intellectual for 30 years’ (Antipode, februari 2017) opleverde. Alhoewel zijn naam tot voor kort wel een belletje bij mij deed rinkelen –ik denk daarbij aan zijn pleidooi voor de herintroductie van grote, wilde diersoorten in de Europese natuur (‘Feral’ (2013))- had ik nog nooit een boek van hem gelezen. Toen ik op aanraden van drie van mijn kennissen (onafhankelijk van elkaar) zijn laatste pennenproduct ‘Uit de puinhopen’ doornam besefte ik dat dit een kennismaking was met  één van de interessantste groene auteurs van de laatste jaren. Natuurlijk omdat hij een aantal van mijn opvattingen – zeker niet allemaal - bevestigde maar deze tegelijk dichter bij de leefwereld van de doorsnee burgers liet aansluiten door ze op te nemen in een  ‘Groot Verhaal’ geschreven in een begrijpelijke taal.

Wetenschappelijke waarheid en narratieve getrouwheid

In het aanvangshoofdstuk legt Monbiot het belang van ‘verhalen’ uit: het zijn middelen waarmee we een weg zoeken doorheen de wereld. Als we pogen een complexe situatie te doorgronden dan doen we dat niet door op zoek te gaan naar samenhangende en betrouwbare feiten maar wel naar een samenhangend en begrijpelijk verhaal. Filosofische of wetenschappelijke rationaliteit moet het steeds afleggen tegenover ‘narratieve getrouwheid’: weerspiegelt het verhaal onze verwachtingen ten aanzien van het menselijk gedrag, verloopt het zoals verhalen horen te verlopen, … ? Een wetenschappelijk gefundeerd ‘waar’ verhaal is nooit in staat zo’n krachtig ‘imaginair’ verhaal te ontkrachten of zelfs maar te corrigeren. Feiten die niet passen binnen de narratieve ‘waarheid’ worden gewoonweg genegeerd behalve als ze deel gaan uitmaken van een nog krachtiger verhaal. Het patroon van zo’n politiek relevant krachtig verhaal is steeds hetzelfde. Het land verkeert in chaos door toedoen van machtige en boosaardige krachten die ingaan tegen de belangen van de mensheid. De ‘held’ – enkeling of groep- neemt het met vallen en opstaan op tegen deze duistere machten en herstelt uiteindelijk de orde. Zelfs de meest groteske doctrines worden aanvaardbaar als ze ingebed worden in een dergelijke verhaalstructuur.

Het mag ons daarom ook niet verwonderen datzelfde narratieve patroon terug te vinden in de twee meest succesvolle ideologieën van de laatste eeuw. De ‘sociaal - democratie’ verklaarde het verval van de wereld door het inhalige gedrag van de op winst beluste kapitalisten die een politiek en financieel monopolie bezaten. Met als gevolg: crisis en oorlogen. Slechts door zich te verenigen op basis van haar gemeenschappelijke belangen kon de wereldbevolking de macht van het uitbuitende kapitaal breken en deze vervangen door een herverdelende en beschermende staat die de rechtvaardige orde herstelde en de toekomstige bestaanszekerheid garandeerde. Vanaf de zeventiger jaren van de vorige eeuw verklaarde het opkomende ‘neo – liberalisme’ de toenemende economische en sociale stagnatie door de wurggreep van een te machtig geworden staat die vrijheid, individualisme en kansen in de kiem smoorde. Dankzij het moedige optreden van vrijheidslievende ondernemers en academici werd de statelijke moloch op de knieën gedwongen en terug in dienst van de maatschappelijke dynamiek gesteld. De orde wordt hersteld door de creatie van vrije markten die rijkdommen en kansen voortbrengt en zo een welvarende toekomst voor alle initiatiefrijke mensen in petto houdt. Deze twee doctrines bots(t)en voortdurend tegen feiten die hen hadden kunnen weerleggen indien hun narratieve overtuigingskracht geringer was geweest.

Het neo - liberale beeld van de werkelijkheid heeft ondertussen het sociaal – democratische verhaal onderuit gehaald maar staat nog sterk genoeg om politieke  mainstream verhalen én fragmentarische contra-verhalen (populisme, ecologisme) te weerstaan.

Dat draagt bij aan de meest kenmerkende toestand van onze tijd: vervreemding. ‘Vervreemding is een breed begrip. Het houdt onder meer in dat mensen geen macht meer hebben over het werk dat ze doen, geen binding met de gemeenschap en de samenleving, hun vertrouwen verliezen in de politieke instituties, de toekomst niet meer met een gerust hart tegemoet zien, hun gevoel van zin en betekenis verliezen, en het idee hebben dat ze geen greep meer hebben over hun eigen bestaan. (p. 58). Het ergste slachtoffer van deze vervreemding is het samenhorigheidsgevoel. De sociaal – democratie heeft wel gezorgd voor een systeem van sociale voorzieningen dat welvaart bracht maar tevens de zelfstandigheid en de wederzijdse hulp van de ontvangers aantastte. Toen dat systeem onder het neo – liberale gesternte sterk werd ingekrompen (West-Europa) of zo goed als afgeschaft (in de Angelsaksische wereld) kwam het sociale lijden terug maar dit keer in een maatschappelijk vacuüm (‘Je staat er alleen voor’ want de gemeenschap is verdwenen en de staat ‘pampert’ voortaan niet meer maar ‘activeert’). De gemeenschap moet dus hersteld worden in combinatie met de heropbouw van een sociaal valnet.

De onontbeerlijke participatiecultuur

Dat is enkel te bewerkstelligen via de geleidelijke revival van de participatiecultuur. Deze kan het gemeenschapsleven terug gaan bezielen en het gras onder de voeten van de zondebokjagers wegmaaien. Daarvoor moeten kleine bestaande initiatieven (denk maar aan volkstuintjes, repair – café’s, LET’s, parochiale vluchtelingenopvang …) uitgroeien tot ‘dikke netwerken’: gestadig zich uitbreidende projecten vormen de voedingsbodem van onvoorziene nieuwe initiatieven waarin steeds meer mensen –niet enkel de maatschappelijk betrokken types en superburgers- een plaats en functie vinden. Monbiot benadrukt het belang van laagdrempeligheid waar mensen met weinig geld, opleiding en maatschappelijk zelfvertrouwen zich op hun gemak kunnen voelen en waar niet te veel van hen gevergd wordt. Samen voor kinderen zorgen, samen inkopen doen, eenvoudige vaardigheden aanleren, gereedschap en apparatuur delen en iets maken of herstellen … Financieel geruggensteund door de lokale overheid kan dit na een tijd leiden tot een omslagpunt wanneer 10 à 15% van de buurtbewoners regelmatig aan dit soort activiteiten deelneemt.

Het is een ‘understatement’ om te stellen dat dergelijke participatiecultuur politieke neveneffecten heeft. Een werkzame participatiecultuur is het nieuwe politieke leven.

De meeste mensen baseren hun politieke keuzen immers niet op rationele argumenten (= beredeneerd informatie beoordelen) maar op wie ze ‘zijn’. Als politieke wezens handelen we als leden van maatschappelijke groepen die hun identiteit tot uitdrukking willen brengen. Mensen stemmen op politieke partijen die het best lijken aan te sluiten bij hun cultureel milieu, onafhankelijk van het feit of die partijen echt hun belangen dienen. Geschoolde milieus hebben weliswaar oog en oor voor informatie maar gebruiken die vooral om hun vast staande meningen te rechtvaardigen maar niet om deze te herzien of bij te sturen. Een effectieve participatiecultuur kan onze identiteit een nieuwe vorm geven via onze dagdagelijkse ervaringen die ons het gevoel geven van ‘Hier hoor ik bij en daar niet: deze mensen zijn mijn bondgenoten en dat daar zijn mijn tegenstanders’ (p. 87). Ook iemand met een andere cultuur of taal kan ‘zoals jij zijn’. Monbiot gaat akkoord met de bekende post – kapitalist Paul Mason wanneer deze stelt dat sterke gemeenschappen een vervanging kunnen bieden voor de uiteengevallen en geflexibiliseerde arbeidersklasse. Zij vormen de nieuwe voedingsbodem van verzet én van constructieve voorstellen die niet enkel hun eigen (werknemers)belangen dienen maar tevens die van de gemeenschap en –waarom niet?- van de maatschappij in zijn geheel. Sterke gemeenschappen kunnen voor zichzelf opkomen door eisen te gaan stellen bij hun lokale overheden en de openbare nutsbedrijven (mobiliteit, ruimtelijke ordening, groene omgeving, lucht- en waterkwaliteit, enz.). Het grote voordeel van actief burgerschap in de lokale gemeenschap is dat de daarmee samenhangende identiteit en waardigheid volledig in eigen hand liggen en niet afhangen van een baan die staat of valt naargelang van de grillige koers van de beursaandelen!

Staat, markteconomie en de ‘commons’

Dikwijls wordt gesteld dat het de fundamentele uitdaging van de politiek is om het juiste evenwicht te vinden tussen de macht van de markt en die van de staat. Monbiot beschouwt dit als een verkeerde premisse want noch de markt, noch de staat, noch de combinatie van de twee kunnen in al onze behoeften voorzien. Beide hebben hun aandeel gehad in de vernietiging van de samenhorigheid en daardoor bijgedragen tot vervreemding, woede, normvervaging en extremisme. Eén element blijft opvallend onvermeld: het gemeenschappelijke bezit (‘commons’). Dit kan een lokale gemeenschap doel en richting verschaffen. Mooi citaat: ‘De bestaansmiddelen die het levert kunnen helpen om de leden van de gemeenschap bestaanszekerheid te verschaffen (…) De gemeenschappelijke bestaansmiddelen zorgen ervoor dat de levens van de leden met elkaar verweven raken. Het intact houden van de bron van die bestaansmiddelen houdt in dat er met andere mensen samengewerkt dien te worden om regels en ethische codes op te stellen en naleving daarvan af te dwingen. Bloeiende commons vormen, naar mijn overtuiging, een cruciaal onderdeel van de samenhorigheidspolitiek’ (p. 96). Hij gaat tamelijk diep in op mogelijke beheervormen van gemeenschappelijk bezit en suggereert om hun opbrengsten te gebruiken on een universeel basisinkomen te financieren.

Dit alles mag niet de indruk wekken dat Monbiot het bestaansrecht van de staat en van de markteconomie zou ontkennen. Wat de staat betreft schrijft hij: we hebben haar nodig om ons te beschermen tegen de macht van het geld en van de wapens. Maar momenteel heeft zij zich vereenzelvigd met de oligarchieën: de bescherming van de bevolking heeft moeten wijken voor de winst van de bedrijven en de miljonairs. Ter remediëring doet hij een aantal concrete voorstellen die gericht zijn op de Britse en Amerikaanse politieke systemen. Als voorbeeldland verwijst hij daarbij naar de referendum – democratie in Zwitserland: Zwitserse burgers hebben  opvallend meer vertrouwen in hun overheid dan in andere landen omdat zij er meer greep op hebben. Hij schrijft: ‘Het is een belachelijke gedachte dat welke regering dan ook goed zou kunnen inspelen op de behoeften van een moderne natie zonder aanhoudende feedback op haar beleid en daadwerkelijke (in plaats van impliciete) instemming daarmee door de bevolking. De gedachte dat een regering daar wél toe in staat is, blokkeert het potentieel voor echte democratie dat de huidige technologie ons biedt’ (p.147). De reëel bestaande markteconomie én de economische wetenschap wordt verweten dat zij de biosfeer behandelen als een externe factor en zich doodstaren op de heilige koe ‘groei’. Economische groei is afhankelijk van consumentisme dat parasiteert op grondstoffenverbruik en dus op aantasting van eco - systemen. Als efficiënte anti – stof prijst Monbiot Kate Raworths boek ‘Donuteconomie’ aan dat het onderwerp van de economie ‘reframet’ (frame = het gedachtenkader dat onze kijk op een kwestie bepaalt). Economie draait niet om groei maar ‘binnen de mogelijkheid van de planeet voorzien in de behoeften van iedereen’. We hebben geen nood aan groeiende economieën maar wel aan economieën die gedijen binnen de ecologisch veilige en sociaal rechtvaardige ruimte van de donut. Monbiot wijdt in dit verband uit over het belang van burgerbegroten: het grip krijgen op overheidsbegrotingen en dan vooral op het beschikbare investeringskapitaal. Als burgers macht krijgen over begrotingen zal hun betrokkenheid bij overheidsbestedingen toenemen en zal er ook meer nagedacht worden over de betekenis van ‘economie’ (een groeimachine of een welzijnsinstrument).

Een paar bedenkingen

Ik zou ‘Uit de puinhopen’ willen aanbevelen aan allen die geboeid zijn door de complexiteit, draagwijdte en mogelijkheden van de zich voltrekkende sociaal – ecologische transitie. Ik heb zelden een zo vlot geschreven boek gelezen waarin de meest uiteenlopende aspecten van de transitie (maatschappelijke en politieke decentralisatie, een participatieve staat, een groene economie met een belangrijke ‘commons’ – peiler, het basisinkomen, de burgerbegroting, een communicatieve en politieke strategie) op een kleine 200 bladzijden zeer bevattelijk behandeld worden.

George Monbiot is echter een Engelsman die zich op de eerste plaats richt tot een Brits en Amerikaans publiek en dat maakt dat bepaalde passages en hoofdstukken minder relevant zijn voor een continentaal publiek. Het meerderheidskiesstelsel in Groot Brittannië en de V.S. maakt dat het bestuur bijna uitsluitend de zaak is van de twee grootste partijen en dat er voor de groene partijen slechts een figurantenrol is weggelegd.  Hetzelfde kan gezegd worden van het laatste hoofdstuk (‘Zorgen dat het gebeurt’) dat volledig gewijd aan de electorale strategie (‘Big organizing’) van de campagnevoerders rond Bernie Sanders: zeker lezenswaardig maar,  veronderstel ik,  niet van toepassing ‘bij ons’. Ook de sociale kaalslag die het neo – liberalisme van Thatcher en The Third Way van Blair in de volkswijken van de grote Engelse steden hebben aangericht is nauwelijks vergelijkbaar met het beleid van ‘onze’ actieve welvaartsstaat.

Verder heb ik de indruk dat Monbiot niet echt op de hoogte is van gelijkaardige transitiebewegingen in het verleden of in het buitenland. In een korte passage (p.75) verwijst hij wel naar vormen van ‘socialistisch municipalisme’ in de eerste helft van vorige eeuw (in Wenen, Catalonië en de V.S.) en recenter naar de vluchtige protestbewegingen Occupy, Indignados en het Franse Nuit Debout maar veel meer dan dat ze zich inzetten voor het ‘herstel van de gemeenschap’ en ‘scholing’ van arbeiders wordt daarover niet gezegd. Ook over het recente Spaanse municipalisme of het Koerdische ‘Democratische Confederalisme’ geen woord. Ik vond in zijn boek geen enkele verwijzing naar het werk van Murray Bookchin wiens municipalistische theorie toch in het verlengde lag van een doorwrocht ecologisch wereldbeeld (‘sociale ecologie’). Bookchin zou zeker niet onder de indruk geweest zijn van de Monbiots zwierige aanpak vanuit de losse pols net zoals Monbiot niet hoog zal oplopen met Bookchins nadruk op rationaliteit en een wetenschappelijk gefundeerd ‘waar’ verhaal. Bookchin kon echter ongetwijfeld wel iets leren van Monbiots ongedwongen en ondogmatische aanpak terwijl Monbiots groene mozaïek beter uit de verf zou zijn gekomen met een wat meer coherente methodologie.

Nochtans doet Monbiots ‘groene utopie’ in laatste instantie zeer Bookchiaans aan. ‘Laten we ons voorstellen, ook al zijn we misschien niet in staat of bereid om daarnaar te handelen, dat de grote natiestaat aan haar einde is gekomen. Misschien kunnen we ons een systeem voorstellen waarin de primaire politieke eenheid de stad is, met het daarbij behorende achterland, of de subnationale regio. Deze autoriteit zou macht zoveel mogelijk delegeren aan haar districten en dorpen. Ze zou samenwerken met andere kantons om gemeenschappelijke problemen op te lossen en federale fora oprichten om bepaalde kwesties af te handelen, maar in andere opzichten onafhankelijk blijven. De federale fora zouden grotere kwesties delegeren aan mondiale organisaties met strak omschreven werkterreinen en bevoegdheden.

Op elk niveau, van dorp tot mondiaal forum, zou een rechtstreeks verkozen lichaam het primaat hebben over zowel niet – gekozen als indirect gekozen instituties. (…) Overal zou de soevereiniteit bij het volk berusten.

Met deze middelen kunnen we misschien een evenwicht vinden tussen mondiaal universalisme en lokale samenhorigheid. Zonder inbreuk te maken op onze fundamentele rechten zouden we weer greep krijgen op systemen die beweren ons te vertegenwoordigen. Zo ziet democratie eruit’ (p. 160 – 161). 

Roger Jacobs is filosoof en leerkracht basiseducatie, publicist en medeauteur van o.m. Het pomphuis van de 21ste eeuw (2000) en Terra incognita. Globalisering, ecologie en duurzame rechtvaardigheid (2006).

Read more...

In de landen die al een klimaatwet hebben, is weinig te merken van democratisch verval

11 april 2019 by Politiek 764 Views
Dirk Holemans

Written by

'Zijn het niet net de klimaattwijfelaars zoals Marc De Vos die medeplichtig zijn aan schuldig verzuim, en wel omdat ze doortastend klimaatbeleid tegen elke prijs willen afremmen', schrijft Dirk Holemans van Oikos. In een column stelde De Vos 'dat de klimaatbetogers met hun goede voornemens ook de weg naar de hel kunnen plaveien'.

Je moet er bijzonder talent voor hebben, om zo'n stuk te schrijven. Net nadat Australië de heetste eindejaarsperiode ooit kende, waarbij alle hitterecords sneuvelden, rivieren opdroogden, steenfruit kapot kookte aan de bomen en dieren massaal stierven. Tekenen van een verontrustend veranderend weerpatroon dat het Australische KMI in haar tweejaarlijkse rapport duidelijk linkt aan klimaatverandering. Juist dan schrijft Marc De Vos, decaan aan de Macquarie University in Sydney en Itinera fellow omomwonden het volgende: 'Welke omvang de klimaatopwarming heeft, of de mens er iets aan kan doen, en welke gevolgen de klimaatopwarming heeft, in het bijzonder voor onze contreien, staan niet vast.' Dat kan tellen als negatie van een pak wetenschappelijke rapporten. U leest het goed: het staat niet vast dat de mens iets kan doen aan klimaatopwarming of wat de gevolgen zijn. Hier is niet meer of minder dan een merchant of doubt aan het woord in het klimaatdebat.

In de landen die al een klimaatwet hebben, is weinig te merken van democratisch verval.

Daarbij blijft het niet. Daarop haalt De Vos in de meest onwaarschijnlijke termen uit naar de klimaatbetogers. Let wel, hij vindt ze zogezegd sympathiek maar in wat volgt klinkt alleen diepe minachting. Want omdat ze een bindend klimaatbeleid een prioriteit vinden en een klimaatwet eisen, is geen krachtterm te min. Leest u even mee: de klimaatbetogers zijn niet alleen doemdenkers - dat verwijt kennen we al van Maarten Boudry - maar ze dragen de kiemen in zich van klimaattotalitarisme, hun emotie is het basisingrediënt 'van elke totalitaire ontsporing in de bloedige annalen van de mensheid'. Mocht u dat niet genoeg vinden, dan doet De Vos er graag nog een schepje bovenop: de klimaatagenda is te vergelijken met het communisme en het islamisme, de opstap naar absolutisme en mensontering zoals in dictaturen.

Je zal maar als tiener je engageren in deze samenleving voor de ecologische kwestie. Jongeren zo openlijk schofferen, het is meer dan bevreemdend. Mocht het trouwens nog nodig zijn om op te merken: de redenering raakt ook feitelijk kant noch wal. Want in de landen die al een klimaatwet hebben, is weinig te merken van democratisch verval. Of gaat het dan echt steil bergaf in al de Scandinavische landen en Nederland? Als drogredenering voor een professor kan dat dus tellen.

Waarvoor deze onwaarschijnlijk agressieve uitval moet dienen, wordt duidelijk in de rest van het opiniestuk. De klimaatjongeren durven het aan kritische vragen te stellen bij ons economisch systeem, het kapitalisme. Daar stopt duidelijk de vrije meningsuiting voor De Vos. Want het kapitalisme staat voor hem voor economische vrijheid. Vragen om een fundamentele bijsturing van het huidig economisch model die de leefbaarheid op aarde onderuit haalt, dat is automatisch hetzelfde als communist zijn. Een pijnlijk simplisme voor een academicus.

Nochtans noemde de eminente Britse econoom Nicolas Stern klimaatverandering het resultaat van 'het grootste marktfalen dat de wereld ooit heeft gezien'. Al meer dan tien jaar geleden stelde hij dat het bewijs van de ernst van de risico's, verbonden met uitgestelde of non-actie, overweldigend is. Hij voegde eraan toe dat 'het probleem diep onrechtvaardig is, omdat de rijke landen het grootste deel van de huidige voorraad broeikasgassen hebben veroorzaakt en de arme landen het zwaarst en het hardst zijn getroffen - wat betekent dat de rijke landen het voortouw moeten nemen'.

Maar dat ziet Marc De Vos anders, hij onderschrijft het discours van de zogenaamde climate delayers, zeg maar klimaattreuzelaars of klimaattwijfelaars. Zij trekken de klimaatverandering niet in twijfel, maar halen alles uit de kast om de samenleving, en de daarbij horende machtsverhoudingen, niet te moeten veranderen. Een mooi staaltje daarvan zagen we in februari in de Verenigde Staten. Toch vroeg een groep Amerikaanse klimaatspijbelaars aan de Democratische senatrice Dianne Feinstein waarom ze het voorstel voor een doortastende Green New Deal niet wilde steunen. Haar antwoord was dubbel: zo'n doortastend klimaatbeleid is onbetaalbaar, en bovendien 'Ik doe dit al meer dan dertig jaar. Ik weet wat ik doe.'

Zo toont zich een nieuwe kloof tussen zij die denken dat we klimaatverandering heel rustig kunnen aanpakken en de groep die de urgentie van de klimaatverandering onderstrepen op basis van klimaatonderzoek. Wat dat laatste betreft is er ten andere geen gebrek: tijdens het schrijven van dit stuk viel het bericht binnen van opnieuw een omvattend onderzoek dat toont dat klimaatverandering zich veel sneller doorzet dan voorheen gedacht. De Noordpool warmt drie keer sneller op dan voorheen ingeschat, waardoor zelfs co-auteurs van het rapport geschrokken reageren. Dat was maar enkele dagen nadat wetenschappers voor het eerst de impact van de klimaatverandering specifiek voor Canada in kaart brachten. In het Canada's Changing Climate Report blijkt duidelijk dat Het klimaat in Canada is opgewarmd en zal blijven opwarmen, onder invloed van menselijke activiteiten.

Gelukkig groeit het aantal mensen, zeker bij jongeren, die de ernst van de klimaatsituatie wel inzien.

Klimaattwijfelaars zoals De Vos wijzen hooghartig de analyse van de hand die wijst op de fundamentele onrechtvaardigheid vervat in de opwarming van de aarde, namelijk onze verantwoordelijkheid als historisch grote uitstoter van broeikasgassen. De oplossing ligt voor climate delayers steeds later en ook elders, in Afrika, India en China. Wij hoeven ons dus niet te haasten met ons klimaatbeleid, laat staan minder vlees te eten of zo. Take it easy. En zo moeten we bovenal ons economisch systeem, haar machtsverhoudingen en de toenemende ongelijkheid die het veroorzaakt, niet in vraag stellen.

Dat alles leidt tot de fundamentele vraag of het net niet de klimaattwijfelaars zoals De Vos zijn die medeplichtig zijn aan schuldig verzuim, omdat ze doortastend klimaatbeleid tegen elke prijs willen afremmen. Waardoor we kostbare tijd verliezen. Wat betekent dat voor groeiende groepen kwetsbare mensen de hel zich op deze aarde zal afspelen. Misschien nemen klimaattwijfelaars wel de meest mensonterende positie in.

Gelukkig groeit het aantal mensen, zeker bij jongeren, die de ernst van de klimaatsituatie wel inzien. Het gaat om een wereldwijde nieuwe beweging, je hebt nu klimaatspijbelaars van Californië tot in Australië. Die gebruik maken van hun burgerrechten om te eisen dat de politici hun werk doen, namelijk zorgen voor de toekomst van hun land en haar bewoners. In feite kan je dit enkel als een zegen beschouwen voor onze samenleving en haar democratie: jongeren die het maatschappelijk debat voeden op de straat, in de klas en aan de keukentafel, naar het parlement komen om er de werkzaamheden te volgen, het belang van wetenschappelijk onderzoek onderstrepen. Voor mij is de jeugd van tegenwoordig van de bovenste plank. Ze zijn de klimaatversnellers die we nodig hebben.

Dit artikel verscheen als opiniestuk in Knack op 11/04/19. 

Read more...

“Can Democracy Handle Climate Change?” Daniel J. Fiorino,

16 juli 2018 by Politiek 883 Views
Johan Malcorps

Written by

Recensie boek Daniel J. Fiorino, Polity Press, UK/USA, 2018, 143 p door Johan Malcorps

Milieuproblemen en democratie

Is het klimaatprobleem nog op te lossen met democratische middelen? Alle grote klimaattoppen ten spijt, wordt er in werkelijkheid weinig vooruitgang geboekt met de traditionele democratische overlegmethodes. De uitstoot van broeikasgassen blijft maar stijgen. Moeten we dan niet durven toegeven dat het democratisch spel van inspraak, overleg, belangenafweging en stemmingen te traag is om snelle en effectieve, zelfs disruptieve beslissingen te nemen en vorm te geven aan een wereldwijde transitie op vlak van energie, mobiliteit, industrie, landbouw? Wellicht zijn alleen verlichte autoritaire regimes, zoals het China van Xi Jinping, nog in staat zijn om op een effectieve manier de aarde te redden?

De vraag is niet nieuw. James Lovelock, de vader van de Gaia-theorie, was één van de eersten om publiek te stellen dat democratieën niet opgewassen zijn tegen de immense uitdagingen die de klimaatverandering ons stelt. Het klimaatprobleem is te vergelijken met een oorlog. En als er een oorlog uitbreekt, moeten noodgedwongen democratische procedures opzij geschoven worden. Het model van de Romeinse dictator Cincinnatus die 16 dagen lang alle macht in handen kreeg in het oude Rome, de vijand versloeg, de stad redde en dan weer terugkeerde naar zijn boerderij om zijn akkers te gaan omploegen. 

In de jaren ’70 van de vorige eeuw waren er al ecologische auteurs die grote vragen stelden bij de mogelijkheid om milieuproblemen via de democratische weg op te lossen, zoals William Ophuls en Robert Heilbroner. Garrett Hardin stelde in zijn klassieker ‘The Tragedy of the Commons’ (1968) dat een basisdemocratische aanpak via commons niet kon werken en dat drastische ingrepen nodig waren, zoals de inperking van het recht om zich voort te planten (‘the freedom to breed’). Meer recent schreven David Shearman en Joseph Wayne Smith het boek “The Climate Challenge and the Failure of Democracy” (2007)  waarin ze de structurele zwakten van democratieën aan de kaak stellen om actie te ondernemen op vlak van klimaatbeleid. 

Hybride regimes

Daniel Fiorino brengt in zijn boekje overtuigende argumenten aan waarom deze pessimistische visies geen steek houden en waarom we juist meer democratie nodig hebben om voldoende draagvlak te krijgen om de klimaatproblemen onder controle te krijgen. 

Hij vertrekt daarvoor eerst en vooral van een vergelijkende analyse op het terrein van wat volwaardige democratische regimes en autoritaire regimes bereikten op het vlak van zowel klimaatmitigatie als –adaptatie. Daarbij onderscheidt hij ook een middenmoot van regimes die tussen de twee in zweven (“flawed democracies” en “hybride regimes”). Hij werkt met bekende rankings op vlak van democratie, maar ook op vlak van de aanpak van klimaatverandering (de CCPI of Climate Change Performance Index van Climate Action network) en de ND-GAIN Country Index (die landen rangschikt op basis van hun prestaties op vlak van klimaatadaptatie). Terzijde : voor de CCPI haalt België op wereldniveau een beschamende 32ste plaats, voor de ND-GAIN komt België pas op de 27ste plaats voor algemene veerkracht en op de 36ste plaats voor kwetsbaarheid t.a.v. de klimaatverandering.

Daarbij stelt hij zich ook de vraag waarom bepaalde democratieën (bijv. de Scandinavische landen) het dan nog zoveel beter doen dan andere democratische landen (zoals bijv. nu de VS van president Trump). Hij toont aan dat democratische landen met een proportioneel kiessysteem, met meer sociaal overleg en een meer federale spreiding van bevoegdheden het ook beter doen op vlak van klimaat. Interessant vooral is zijn beschrijving van wat hij ‘compensatory federalism’ noemt : steden, provincies of hele deelstaten die het wel heel goed doen op vlak van klimaatbeleid, ondanks het feit dat de nationale staten waartoe ze behoren het laten afweten. Als voorbeelden geeft hij Californië (in de VS van Trump) en British Columbia (in het Canada van de vorige premier Harper). Hij laat zien hoe ‘sub-national leadership’ op vlak van klimaat de negatieve acties van klimaatnegationistische leiders toch kan compenseren. 

Ook negatief voor de klimaatprestaties zijn afhankelijkheid van fossiele bronnen (wat  voor de hand ligt), maar ook economische ongelijkheid (wat minder evident is).

Daarnaast zijn er de louter politieke factoren, zoals nu het populisme à la Trump en de heersende bestuursfilosofie (zoals bijv. een blind geloof in de vrije markt en het streven naar een minimale staat).

Honderd oplossingen 

Het boek eindigt met een reeks positieve initiatieven die democratische landen kunnen nemen om de klimaatdoelstellingen te halen. Daarvoor baseert Fiorino zich op het ‘Project Drawdown’ van eco-activist Paul Hawken, die honderd oplossingen voorstelde om de klimaatverandering alsnog te stoppen, gaande van massale investeringen in windturbines op zee en zonnefarms tot meer inspanningen voor het opvoeden van meisjes in ontwikkelingslanden.

Al bij al dus een hartverwarmend positief boek dat veel pessimisten in het ongelijk stelt en aangeeft dat democratie, acties voor meer sociale rechtvaardigheid en voor een beter klimaat samengaan, meer zelfs mekaar juist versterken.

 

Johan Malcorps

 

Read more...

Hoe steden strijden tegen de angstzaaiers

05 juli 2018 by Politiek 516 Views
Dirk Holemans

Written by

Hoe steden strijden tegen de angstmachine

U dacht dat de gemeenteraadsverkiezingen vooral gaan om wie de burgemeesters­sjerp verovert? DIRK HOLEMANS schetst de grootste uitdaging voor steden en gemeenten.

Grote discussies laten zich altijd op concrete plaatsen voelen. Denk aan het nationale identiteitsdebat dat zich uit in lokale discussies over discriminatie op de woonmarkt of standbeelden van kolonialen. In dat debat geven minderheden aan dat de dominante groepen in de samenleving te snel voorbijgaan aan diverse vormen van discriminatie en miskenning. Andere groepen voelen zich dan weer bedreigd omdat verschuivingen hun dominante cultuur in vraag stellen. Het is een kwestie waar we allemaal mee worstelen in een wereld die snel verandert.

De identiteitspolitiek kent ondertussen ook ter linkerzijde haar tegenstanders. In Nederland zwengelt de econoom Ewald Engelen het debat aan, volgens hem is links te veel bezig met de vrouw, de homo en de migrant en te weinig met economische ongelijkheid, waardoor het rechts in de kaart speelt. Als alle achtergestelde groepen zich verenigen om als klasse weer op de eerste plaats te vechten voor economische gelijkheid, komt het ook wel goed met de andere vormen van discriminatie of de ecologische kwestie.

Wijst Engelen terecht op de groeiende ongelijkheid, dan is zijn kracht ook zijn zwakte. Als marxist ziet hij alleen heil in een terugkeer van de klassenstrijd om de toenemende ongelijkheid te bestrijden. Alsof er een rangorde zou bestaan tussen de verschillende vormen van onderdrukking.

Maar het probleem zit nog dieper, zoals de ecologist Murray Bookchin duidelijk maakt. Die denker argumenteert dat de ecologische crisis, die het gevolg is van de idee dat de mens de natuur moet overheersen, is verbonden met de overheersing van de ene mens over de andere. Kent die overheersing een lange geschiedenis, dan krijgt ze een bijzondere invulling met het kapitalisme: marktdenken en concurrentie zetten de mensen tegen elkaar op, maar ook tegen de natuur. De beschadiging van de planeet gaat samen met de degradatie van het kader om goed samen te leven.

Antiracist = ecologist

Die redenering vinden we terug bij de Australische denker Ghassan Hage in zijn recente boek Is racism an environmental threat? Een vraag die hij instemmend beantwoordt: je kunt niet antiracist zijn zonder ecologist te zijn, en omgekeerd. Waarbij hij racisme vooral gericht ziet ten aanzien van moslims. Islamofobie en de ecologische crisis zijn voor hem een en dezelfde crisis, die van de dominante wijze waarop we in deze wereld staan. Racisme is uiteraard op zich niet milieuvervuilend, maar het versterkt wel de dominantie van sociale structuren die aan de oorzaak liggen van de ecologische crisis. De Amerikaanse president Donald Trump belichaamt dat op pijnlijk concrete wijze. De uitdaging bestaat erin om de ‘veralgemeende domesticatie’ van wat buiten ‘ons’ ligt op te heffen.

Voor Bookchin ligt de oplossing vooral in diversiteit koesteren. Dat geldt voor hoe we, bijvoorbeeld, de landbouw organiseren of de energievoorziening. Op het lokale niveau kunnen we ecologische zorg, gelijkheid en emancipatorische omgang met diversiteit verankeren door nieuwe vormen van democratie en solidaire economie. Tegenover Trump heb je bijvoorbeeld een stad zoals Valencia. Die toonde gastvrijheid nadat de Italiaanse rechtse regering had geweigerd om de bootvluchtelingen op de Aquarius op te vangen. En in tegenstelling tot hun regering, waren de burgemeesters van Napels en Palermo daar wel toe bereid.

Fearless Cities

Valencia is een sterk voorbeeld van stedelijk weerwerk tegen de rechts-populistische angstmachine op nationaal niveau. Het sluit aan bij het groeiende netwerk van Fearless Cities, die zich zelfbewust oprichten om mensenrechten, democratie en gemeengoed te verdedigen.

Niet toevallig werd het eerste Fearless Cities-congres in 2017 georganiseerd door het burgerplatform Barcelona en Comú. Dat zette samen met soortgelijke burgerbewegingen Spanje op zijn kop bij de lokale verkiezingen in 2015. In Barcelona werd Ada Colau als kandidate van Barcelona en Comú verkozen als burgemeester. Ook in andere steden werd de burgemeester verkozen op basis van een burgerplatform dat erin slaagde de progressieve krachten te verenigen rond een toekomstgericht programma.

Fearless Cities ziet de stad als het niveau waar je de samenleving fundamenteel kan veranderen. Amerikaanse deelnemers maakten bijvoorbeeld duidelijk dat, terwijl Trump het klimaatbeleid aan zijn laars lapt, heel wat van hun steden hoge klimaatambities hebben.

Ondertussen breidt het netwerk van steden-zonder-angst zich verder uit en volgen er congressen in New York en Warschau. Vanuit het besef dat het noodzakelijk is om zich in grensoverschijdende netwerken te organiseren om de nieuwe hoopvolle politiek in Europa en wereldwijd op de kaart te zetten.

Amsterdam sluit zich aan

Na Spanje in 2015 kreeg ook Nederland dit jaar in heel wat steden een progressief bestuur. Het kan een belangrijke voedingsbodem zijn voor democratisch weerwerk op nationaal niveau. Dat het nieuwe linkse bestuur van Amsterdam zich zal aansluiten bij het Fearless Cities-netwerk, is veelbetekenend. De regering van het land wordt niet langer gesteund door het bestuur van zijn hoofdstad. Die bredere ontwikkelingen tonen dat de komende gemeenteraadsverkiezingen om veel meer gaan dan de vraag welke vrouw of man de nieuwe burgermoeder of -vader wordt. Het verklaart waarom de N-VA er alles aan doet om haar nationale thema’s van migratie en identiteit het debat te laten bepalen.

Onze steden en gemeenten zijn de plaatsen waar identiteitskwesties concreet ter discussie staan: op het plein waar het monument staat van een koloniale overheerser, in de scholen waar de toenemende diversiteit zich als realiteit toont. Tegelijk is het lokale niveau de plek waar progressieve politici en burgers de meest ambitieuze ecologische ambities formuleren. Ook de ongelijkheid is het duidelijkst op lokaal niveau: de zoektocht naar een betaalbare woning in de eigen stad, het kind in de klas met een lege brooddoos.

Hoe we die drie thema’s samen op hoopvolle wijze tegelijk kunnen aanpakken in steden en gemeenten waar het goed samenleven is in verschil, met gelijke toegang tot levenskansen en machtsbronnen binnen de grenzen van de planeet, dat is de echte uitdaging van de komende gemeenteraadsverkiezingen. Die ze tegelijk meer dan ooit overstijgt.

DIRK HOLEMANS voor De Standaard op 4 juli 2018. 

Read more...

Van structurele maatregelen om het Klimaatakkoord van Parijs na te leven is nog niet veel te merken

28 augustus 2017 by Politiek 1301 Views

Ondanks alle inspanningen stoten we niet minder, maar net steeds meer CO2 uit. 

Steeds meer mensen gaan vol goede moed aan de slag om hun leven en hun buurt duurzamer te maken. Kleine ecologische initiatieven rond o.a. voeding, delen of mobiliteit krijgen zo meer en meer steun. Nieuwe ondernemers zien hierin groene opportuniteiten en grote bedrijven experimenteren uit noodzaak. Toch zie ik die groeiende mentaliteitsverandering niet in een stroomversnelling geraken. Plastic is nog steeds overal, we eten nog altijd bijzonder veel vlees, fossiele mobiliteit blijft koning en consumeren gaat nog steeds hand in hand met wegwerpen. Het wordt hoog tijd om actief de positieve acties te versterken en negatieve te ontraden.

Sensibilisering of stimulering kunnen hierbij helpen, maar zorgen zelden voor een reële systeemverandering. De gratis etentjes, bijvoorbeeld, gaan de Antwerpse modal shift echt niet structureel beïnvloeden. Je kan ook kiezen om de spelregels en krijtlijnen van de markt te hertekenen. Neem de realisatie van het klimaatakkoord van Parijs. Sinds 5 mei 2017 is dit officieel van kracht gegaan voor België. Hiermee engageert ons land zich tot een (onvoldoende) vermindering van haar CO2-uitstoot, maar het akkoord komt zonder handleiding. Van structurele maatregelen is er voorlopig dan ook weinig te merken. Een gefaseerde sluiting van onze kerncentrales, bijvoorbeeld, zou een katalysator zijn voor coöperatieve investeringen in hernieuwbare energie. De invoering van een CO2-taks om de kostprijs van fossiele producten te verhogen, betekent meer kansen voor elektrische mobiliteit. Maar voorlopig blijven dit soort ingrepen in de markt uit.

 

Waarom beleidsmakers hier zo weigerachtig tegenover staan, is niet altijd duidelijk. Hun motivatie komt soms niet verder dan kromme logica of goedkope oneliners. Neem bijvoorbeeld de visie van Johan Van Overveldt op ecotaksen: "Lasten op milieuvervuiling leiden tot een wijziging van het gedrag, waardoor de ecologische doelstellingen worden gehaald, maar er op termijn geen inkomsten meer zijn." Of een recente reactie van Gwendolyn Rutten op maatregelen om de groeiende fiscale ongelijkheid aan te pakken: "Een samenleving gebaseerd op afgunst leidt tot een spiraal waar niemand gelukkig is." Zo geraken we natuurlijk nooit een stap verder om de systeemfouten te elimineren.

Een meer fundamentele tegenkanting ligt in de grote terughoudendheid om de markt in te perken binnen een sociaal-ecologische regulering. Het bestaande democratisch kader biedt beleidsmakers nochtans alle middelen om hier echt actie te ondernemen. Suggesties in deze zin worden spijtig genoeg al snel ad absurdum afgedaan als communistische ingrepen. Daarnaast is er een rotsvast geloof dat - met enig geduld - de huidige marktwerking ongeziene mirakeloplossingen zal opleveren. Kernfusie, artificiële hamburgers en grootschalige CO2-captatie zijn mooie voorbeelden van dit techno-optimisme.

Voorgaande excuses zijn eigenlijk niet meer dan een slinks pleidooi voor de status quo. Het ontneemt beleidsmakers de verantwoordelijkheid om echt in te grijpen. Echt radicaal ingrijpen, wordt immers nog te vaak gepercipieerd als electorale zelfmoord. Of zoals Bruno Tobback ooit zei: "Bijna elke politicus weet wat je moet doen om het klimaatprobleem aan te pakken. Er is alleen geen enkele politicus die weet hoe hij daarna nog moet verkozen raken." Die gedachte gaat verder dan het klimaat. Het verbieden van plastic zakjes vraagt eerst uitvoerig overleg met winkeliers. Het verbieden van bepaalde pesticide ligt moeilijk bij grote spelers. En over de regeling aangaande salariswagens zei Bart De Wever ooit cynisch: "Puur rationeel moet je daar iets aan doen, ik kies voor stabiliteit."

 

Het is klaar en duidelijk dat ons huidig model overloopt van de systeemfouten. Destructief ecologisch gedrag wordt nauwelijks bestraft en vaak zelfs beloond, terwijl positieve acties veel persoonlijk engagement vereisen om te volharden. Wie als beleidsmaker weigert om deze scheeftrekking radicaal bij te sturen, verzaakt aan zijn verantwoordelijkheid. De reglementering van de markt behoort tot de krachtigste sturingsmechanismes van onze samenleving. Het wordt hoog tijd om deze zonder scrupules in te zetten om onze maatschappij een meer ecologische koers te geven. Wie dat moedwillig weigert, is medeplichtig aan de teloorgang van onze planeet.

Dit artikel verscheen in de doordenkers van Knack op 23 augustus 2017. 

Read more...

Overleeft het parlement het digitale tijdperk?

31 mei 2017 by Politiek 970 Views

Dit opinistuk is digitaal verschenen in De Morgen op 25/05/'17.

De parlementaire democratie zit in de 21ste eeuw in nauwe schoentjes. Heel wat mensen, vooral jongeren, aanzien de traditionele democratie niet langer als een goed bestuurssysteem. Dit leidde in 2014 tot de laagste opkomst bij de Europese verkiezingen ooit. Volgens de Eurobarometer bevraging gaat meer dan de helft van de burgers ervan uit dat hun stem niet telt in de Europese Unie. Democratie zoals we ze vandaag kennen lijkt toe te zijn aan een heuse upgrade. 

Feit is dat de democratische instellingen sinds hun oprichting in de 19de eeuw niet veel zijn veranderd. Hoewel ons leven inmiddels doordrongen is van digitale technologieën, zijn onze parlementen en gemeenteraden dat niet. Als we niet snel ingrijpen, dan dreigt onze democratie de digitaliseringsboot te missen en vergroot de kloof tussen burger en politiek nog verder. Nochtans biedt onze gedigitaliseerde maatschappij een vruchtbare voedingsbodem voor burgers die zich op innovatieve wijze organiseren om deel te nemen aan politieke besluitvorming. Digitale initiatieven zoals online kenniscentra en participatieplatformen duiken overal in Europa op als paddenstoelen uit de grond. 

Neem bijvoorbeeld Barcelona. De protestacties van de Indignados in 2011 effenden het pad voor nieuwe vormen van beleidsvorming. Uitgebreide deliberatie-oefeningen gingen gepaard met een intensief gebruik van digitale technologieën. Barcelona werd een broeihaard voor burgerinitiatieven en bracht bij de lokale verkiezingen van 2015 een partij in het zadel die uit dergelijke burgerinitiatieven is ontstaan. In februari 2016 lanceerde Barcelona ‘decidim.barcelona’, een project rond participatieve democratie met een open source software platform als basis. Het project laat burgers actief deelnemen aan de opmaak van het beleidsplan 2016-2019. Daarmee wil het een doorslaggevende stem geven aan de inwoners en verschillende wijken van Barcelona. Ze verzamelen voorstellen van burgers met uiteenlopende belangen en achtergronden.

Vandaag telt Decidim Barcelona meer dan 26.000 gebruikers en zijn er 10 projecten in ontwikkeling. Zo wordt momenteel beslist welke nieuwe invulling het oude Teatro Arnau zal krijgen. Het theater sloot in 2000 zijn deuren en staat er verwaarloosd bij, tot groot ongenoegen van lokale groepen. Barcelona roept zijn burgers nu via digitale wijze op om mee na te denken over toekomstmogelijkheden voor het theater. 

Ook door Parijs waait een frisse digitale wind. In 2014 lanceerde de nieuwe burgemeester een participatieve online budgetteringstool. Sinds 2015 kunnen Parijzenaren jaarlijks in januari en februari projectvoorstellen lanceren waarop iedereen kan reageren. Van maart tot mei vindt een co-creatie-fase plaats waar alle vertegenwoordigers van gelijkaardige voorstellen samen hun ideeën verder ontwikkelen. Een selectie van vertegenwoordigers van politieke partijen, het stadsbestuur, middenveldorganisaties en burgers pikken vervolgens de beste ideeën eruit. Deze worden in de zomer publiek gemaakt voor openbare evaluatie. Elk voorstel krijgt daarbij de nodige ondersteuning om campagne te voeren. In september mogen burgers stemmen en de meest succesvolle voorstellen worden opgenomen in het budget van december. Het jaar erop wordt gestart met de realisatie.

In 2016 hebben in totaal maar liefst 158.964 Parijzenaars gestemd voor een eindselectie van 219 ideeën afkomstig van een initiële 3.158 voorstellen. Op de vraag welke voorstellen de Parijzenaars willen verwezenlijkt zien met het oog op een klimaatneutrale stad bv. werd massaal gestemd voor o.a. versterking van de positie van de fiets in de stad en voor meer groen in de stad.

Ook in eigen land zien we steden digitale participatiestappen zetten. Zo lanceerde de Stad Hasselt samen met Citizenlab in 2016 een online ideeënplatform om digitale wederzijdse communicatie tussen de stad en haar burgers mogelijk te maken. Hasselt verzamelde op die manier ideeën van burgers over de heraanleg van het stadspark Kapermolen.

Ook de Stad Gent zet digitale platformen in voor burgerparticipatie, waaronder het burgerbudget. Ze nodigt alle Gentenaars uit om projecten voor te stellen die uitdagingen in de straat of wijk helpen aanpakken. Ruim 200 voorstellen werden inmiddels ontvankelijk verklaard. Na de zomer van 2017 kan elke Gentenaar van 14 jaar en ouder meebeslissen welke projecten ook effectief werkelijkheid worden. Dit kan door online te stemmen op de drie projectvoorstellen van hun voorkeur. 

Uiteraard vormen deze digitale tools niet de magische oplossing voor alle uitdagingen waar onze democratie voor staat. Met naïef technologisch optimisme zijn we niets, net als een cultuurpessimistisch afwijzen van technologische innovatie zoden aan de dijk zet. Uit onderzoek blijkt dat digitale burgerparticipatie voor vier uitdagingen staat. Doet iedereen mee, of is het een speeltje voor mannelijke middenklassers? Zijn de tools robuust en transparant zodat we ze kunnen vertrouwen? Maken ze werk van digitale burgerrechten met respect voor onze privacy? Zorgen ze voor meer gelijkheid of laten ze digitale vormen van discriminatie toe?

Voorstanders van digitale democratie vinden meer burgerbetrokkenheid doorgaans een goede zaak. Een gezonde democratie vereist inderdaad participatie van zijn burgers. Talloze experimenten laten zien dat meer digitale interactie tussen overheden en burgers tot vruchtbare resultaten kan leiden die de democratie versterken.

Read more...

De civiele samenleving in een tijd van surveillance: voorbij technisch-wettelijke oplossingen

23 mei 2017 by Politiek 1329 Views

In een tijd van datagestuurde surveillance, wat is de impact hiervan op de civiele samenleving? En hoe pogen activisten ertegen in verzet te gaan?

Zoals vele recente onthullingen tonen – van de Snowden Leaks tot WikiLeaks’ Vault7 files – maakt de monitoring en analyse van dataverkeer nu een integraal deel uit van overheids- en bedrijfspraktijken. De gegevensbronnen variëren van online communicatie, social media activiteit en gsm-locaties tot ‘slimme’ huishoudtoestellen, gezondheidstrackers en sensoren in ‘slimme’ steden. De ‘dataficatie’ van ons leven, met name de verzameling en verwerking van communicatie, gezondheid, locatie etc. als datapunten heeft de traceerbaarheid en zichtbaarheid van burgers verhoogd en heeft het vermogen versterkt van een reeks instellingen om ons te monitoren. Terwijl dit gevolgen heeft voor burgers in het algemeen, brengt het ook specifieke uitdagingen met zich mee voor actoren uit de civiele samenleving die actief betrokken zijn bij de bevordering en vormgeving van sociale en politieke verandering.  In een tijd van datagestuurde surveillance, welke impact heeft dit op de civiele samenleving? En hoe pogen activisten ertegen in verzet te gaan?

Met de snelle technologische ontwikkeling nemen zowel de middelen voor het verzamelen als voor het gebruik van gegevens in hoog tempo toe. Grote hoeveelheden van persoonlijke gegevens worden nu verzameld en gedeeld op social media en digitale platformen, ‘smart homes’ detecteren onze aanwezigheid en bewegingen, en ‘slimme’ TV’s kunnen naar onze conversaties luisteren. Dergelijke gegevens worden verzameld en geanalyseerd door bedrijven, gedeeld en verkocht door de data-industrie, en gebruikt door overheidsinstanties. Burgers worden steeds meer gecategoriseerd en krijgen een profiel volgens gegevenssamenstellingen, bv. via data scores gebruikt in het strafrechtsysteem of door sociaal krediet scores, zoals ontwikkeld in China. Het doel van dergelijke scores is toekomstig gedrag te voorspellen en navenant middelen en criteria uit te trekken voor dienstverlening (of bestraffing). Data analyse slaat bijgevolg op een specifieke vorm van besturen, een waarvan de dominante logica menselijk gedrag wil voorspellen als middel om grip te krijgen op populaties en om inkomsten te genereren —  een informatiesysteem dat de term ‘surveillance capitalism’ mee kreeg.

De transformatie naar bestuur gestoeld op data, en het historisch moment van de Snowden Leaks, hebben de aandacht gevestigd op belangrijke uitdagingen voor de bescherming van burgers in een gedataficeerde omgeving. Beleid betreffende dataverzameling heeft de technologische verandering echter nauwelijks kunnen bijhouden en heeft vaak meer macht gegeven aan bedrijven en de overheid in plaats van aan de burger. Terwijl gegevensbescherming werd versterkt in de VS met de Freedom Act, en in de EU met de General Data Protection Regulation, werden toezichtsmogelijkheden van de Staat uitgebreid in landen als Frankrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. In het VK meer bepaald, maakt de Investigatory Powers Act van 2016 de toezichtsmogelijkheden van de staat meer transparant, maar laat het tevens een bredere waaier aan gegevensverzameling en –analyse toe dan voorheen en waarschijnlijk ook dan elders in de Westerse wereld.

Terwij de Snowden onthullingen en het toenemend gebruik van ‘slimme’ technologieën wijzen op massale verzameling van gegevens en dus op de gevolgen voor alle burgers, zijn bepaalde groepen en actoren bijzonder kwetsbaar in een maatschappij gebaseerd op surveillance. Het mag niet verbazen dat hiertoe ook sleutelfiguren van de civiele samenleving behoren die betrokken zijn in politiek activisme, zowel in institutionale vorm als daarbuiten.

Documenten van de Snowden onthullingen toonden dat inlichtingendiensten in de VS en de VK internationale organisaties bespioneerden als Medecins Du Monde, UNICEF, Amnesty International en Human Rights Watch, leden van Anonymous en eender wie voldoende politiek geëngageerd is om websites als Wikileaks te bezoeken. Zowel rechtshandhavers als bedrijven gebruiken nu routinematig sociale media om informatie te verzamelen over activisten en manifestanten, en we evolueren naar een beleidsmodel dat gebaseerd is op het voorkomen van bepaalde activiteiten en van het samenkomen van groepen.

Een belangrijk gevolg hiervan kan het zgn. ontradingseffect zijn dat de mogelijkheden om machtsinstellingen uit te dagen en sociale verandering te bepleiten onderdrukt. Hoewel de theorie van het ontradingseffect empirisch moeilijk te bewijzen is, is het algemeen gekend dat mensen afgeschrikt worden om deel te nemen aan bepaalde legale (of zelfs wenselijke) activiteiten als ze vrezen dat ze geobserveerd worden. Een onderzoek door het PEN American Center bijvoorbeeld, ontdekte dat schrijvers aan zelfcensuur deden ten gevolge van de Snowden onthullingen. Andere studies toonden een terughoudendheid onder burgers om zich in te laten met politiek gevoelige onderwerpen op internet zoals een daling van ‘privacy-gevoelige’ zoektermen op Google, een daling van het aantal page views van Wikipedia-artikels rond terrorisme en een ‘spiraal van stilte’ in discussies rond surveillance op sociale media. Voor activisten en voorvechters van de civiele samenleving die hun afkeer tonen en vechten voor sociale en politieke verandering, kan doordringende surveillance leiden tot bezorgdheid voor hun eigen privacy en veiligheid. Het heeft echter ook praktische implicaties voor hun inspanningen om te organiseren en mobiliseren. In de woorden van Glenn Greenwald, in een cultuur van prominent toezicht wordt “zelfs het organiseren van andersdenkende bewegingen moeilijk wanneer de overheid alles in het oog houdt wat mensen doen”.  Naast dergelijke praktische bekommernissen, verschuift door surveillance het machtsevenwicht tussen activisten en de staat (zowel als grote bedrijven) fundamenteel. De staat heeft er immers een machtig wapen bij om potentiële tegenstanders te monitoren en te viseren.

De alomtegenwoordigheid van surveillance infrastructuren en hun inbedding in dagelijkse aspecten van sociale, politieke en culturele participatie maakt het voor burgers moeilijk om te denken dat ze kunnen worden uitgedaagd, ondanks het heersende onbehagen en bezorgdheden omtrent het huidige systeem. De institutionele en ook in het publieke debat aanwezige normalisatie van dataverzameling doorheen het alledaagse leven leidt vaak tot een wijdverspreide gelatenheid ten aanzien van het status quo, deels gedreven door een zeker pragmatisme en een waargenomen gebrek aan alternatieven. We hebben hiernaar verwezen als een toestand van surveillance realisme (voortbouwend op Mark Fischer’s concept van kapitalistisch realisme)  waarin de normalisatie van toezicht de mogelijkheden beknot voor het bedenken van een andere manier om de maatschappij te organiseren. Dit slaat bij uitbreiding ook op politiek actieve leden van de maatschappij. In de uitvoering van onderzoek met activistengroeperingen, vonden we dat zelfs onder de middenveldorganisaties er een relatieve aanvaarding en verwachting is van prominente monitoring. Sommige groepen wegen het risico hiervan af in relatie tot hun eigen activiteiten en naargelang de bedreiging die ze denken te zijn voor de staat. Ze vinden veiligheid in het opereren binnen een aanvaard mainstream kader. In die zin is het ‘ontradingseffect’ zeker evident binnen de civiele samenleving.

Terwijl deze gevoelens van ‘ontmachtiging’ de oppositie hebben verzwakt, zagen we uiteraard ook een groeiend aantal inspanningen binnen bepaalde delen van de civiele samenleving om het bestaande toezichtsregime rechtstreeks te confronteren en uit te dagen. Digitalerechtengroeperingen en technologie-activisten hebben samen significante stappen gezet op het vlak van verdediging en verzet. De ontwikkeling en verspreiding van privacy-bevorderende tools zoals de TOR browser, het GPG e-mail encryptiesysteem en de geëncrypteerde telefoon- en tekstberichtensoftware Signal hebben aan belang gewonnen sinds de Snowden onthullingen en voorzien in mechanismen voor veilige online communicatie voor o.a. maatschappelijke groeperingen. Een groeiend aantal websites ondersteunen nu het meer beveiligde https-protocol i.p.v. het standaard http, en een stijgend aantal internetgebruikers hebben tools gedownload als https everywhere dat verbindt met die meer beveiligde websites. Privacy-handleidingen zoals de Electronic Frontier Foundation’s Surveillance Self-Defense en het Tactical Tech Collective’s Security in a Box leggen het gebruik uit van privacy-bevorderende instrumenten en bieden advies over veilige online communicatie. ‘Crypto-partijen’ hebben voorzien in de nodige trainingen voor gemeenten en steden wereldwijd. Technische oplossingen voor surveillance omvatten voorts de ontwikkeling van zelf-georganiseerde communicatie-infrastructuren als alternatieven tot commerciële diensten als Google en Facebook. Groepen als Riseup.net o.a. hebben mailinglists, blog platformen en collaboratieve online workspaces aangeboden die de privacy van gebruikers beschermt en gehost wordt op de eigen veilige servers van de groepen.

Hieraan gekoppeld hebben digitalerechten- en mensenrechtengroeperingen zich toegespitst op beleidshervormingen. In het VK hebben organisaties als Privacy International, Open Rights Group, Big Brother Watch, Article 19 en Liberty regelmatig verklaringen gepubliceerd inzake hun bezorgdheid omtrent surveillance, publieke debatten georganiseerd en gelobbyd bij wetgevers. Als een directe reactie op de Snowden Leaks hebben deze en andere groeperingen de coalitie Don’t Spy On Us opgericht, die hun voorvechterswerk hebben gebundeld in een gezamenlijke campagne. Hun stem speelde een veelbetekenende rol in gespecialiseerd overleg alom, bijvoorbeeld bij de opmaak van de Investigatory Powers Act. Sommige campagnevoerende organisaties waren betrokken bij gerechtelijke actie, bijvoorbeeld door Britse toezichtspraktijken voor het Investigatory Powers Tribunal en het Europees Gerechtshof te dagen.

Digitalerechtenactivisten en maatschappelijke technologie-ontwikkelaars waren invloedrijk in al deze domeinen. Maar in een sfeer van surveillance realism waren de omstandigheden waarin ze zich konden toeleggen op surveillance beperkt. Ze worstelden om verder te gaan dan geïndividualiseerde antwoorden, gespecialiseerd overleg en een verzameling experten. Anonimiserings- en encryptietools leggen de verantwoordelijkheid bij het individu om zijn eigen privacy te beschermen. Het pleiten voor beleidshervorming mag dan wel verder reiken dan individuele gebruikers; het behoudt toch een focus op het specifieke publiek van beleidsmakers, gebaseerd op thema-specifieke expertise en overleg. Ondertussen blijft bezorgdheid om datagedreven surveillance gemarginaliseerd in publieke percepties en praktijken, met inbegrip van politieke activisten, deels omwille van een voortgezette afhankelijkheid van onveilige communicatieplatformen die worden gepercipieerd als toegankelijker en meer wijdverspreid.

Een deel van de uitdaging in het verzet van de civiele samenleving tegen surveillance en de gevolgen van dataficatie schuilt in het overstijgen van het willen oplossingen bieden vanuit de domeinen van technologie en wetgeving.. Dit heeft veel van het debat tot op heden gedomineerd. Er is integendeel nood aan het voeden van een bredere politieke beweging rond de rol en natuur van ‘big data’ en andere technische artefacten (AI, IoT etc.) in de samenleving. Dit betekent het debat kaderen voorbij de bekommernissen om individuele privacy en verschillende delen van de civiele samenleving te betrekken bij het onderwerp. Het uitlichten van de bredere maatschappelijke implicaties en machtsrelaties die voortkomen uit dataficatie, leidt naar onze mening tot een begrip van wat we omschrijven als ‘data justice’ dat zich richt tot de ingewikkelde relatie tussen dataficatie en sociale rechtvaardigheid. We zien dit als een groeiend antwoord binnen de samenleving gezien het steeds duidelijker wordt hoe de alomtegenwoordige verzameling en verwerking van data doorheen het sociale leven niet alleen de privacy aantast, maar ook kan leiden tot het marginaliseren, discrimineren, onderdrukken en uitbuiten van individuen en gemeenschappen op nieuwe en uitdagende manieren. Zulke ontwikkelingen vragen collectieve antwoorden die een brede waaier van belanghebbenden betrekken, doorheen de samenleving, met als doel surveillance realisme te doorbreken, alternatieve manieren te bedenken om de samenleving te organiseren en nieuwe afspraken te maken rond data.

Bron: https://civilsocietyfutures.org/civil-society-in-an-age-of-surveillance-beyond-techno-legal-solutionism/ 
(Nederlandse vertaling door Kati Van de Velde)  

Bio:
Lina Dencik en Arne Hintz zijn Senior Docenten aan Cardiff University’s School voor Journalistiek, Media en Culturele Studies waar ze co-directeurs zijn van het Data Justice Lab

 

Read more...
Pagina 1 van 2
Don't have an account yet? Register Now!

Sign in to your account