en

Winkelwagen leeg

Denktank voor Sociaal-Ecologische Verandering

Politiek

Politiek (18)

#BeterNaCorona: Deliberatieve democratie als antwoord op de klimaat- en ecologische mutatie

07 mei 2020 by Politiek 621 Views

De derde eis van Extinction Rebellion. Deliberatieve democratie als antwoord op de klimaat- en ecologische mutatie

Met acties als de bezetting van het Koningsplein, de infiltratie van het Autosalon en de deepfake video met Eerste Minister Sophie Wilmès zette Extinction Rebellion (XR) ook in ons land de klimaat- en ecologische mutatie hoger op de politieke agenda. Dat is nodig. Het grote publiek beseft niet hoe ernstig die verandering is, en hoe snel ze zich ontvouwt. Covid-19 maakt deel uit van dit veel bredere plaatje. Volgens XR moet ook de democratie ‘beter na Corona’. Waarom pleit de beweging eigenlijk voor burgerparlementen?

Extinction Rebellion ontstond in de herfst van 2018 in het Verenigd Koninkrijk en verspreidde zich ondertussen in meer dan vijftig landen wereldwijd. De beweging richt zich met haar drie eisen rechtstreeks tot regeringen: (1) zij dienen de klimaat- en ecologische noodtoestand uit te roepen, (2) een nationaal noodplan uit te voeren, en (3) burgerparlementen rond klimaat en ecologie te installeren. De actiestrategie waarmee XR die eisen kracht bij zet is die van de geweldloze burgerlijke ongehoorzaamheid. In sommige gevallen leidt dat tot kortstondige massa-arrestaties.

De burgerparlementen van Sophie Wilmès

Covid-19 stelt milieuactivisten voor een serieuze uitdaging. In tijden van social distancing lijkt massaal politiek protest in de publieke ruimte uitgesloten, of toch zo goed als. Probeer maar eens verstorend te zijn op sociale media. De algoritmen zorgen ervoor dat je binnen je bubbel blijft: je preekt grotendeels voor eigen kerk. Met de deepfake video waarin Sophie Wilmès de waarheid vertelt over Covid-19 en de ecologische mutatie, probeerde XR via provocatie door die bubbel heen te breken. Het filmpje was fake, en maakte dat zelf ook duidelijk. De informatie in de speech was echter wetenschappelijk onderbouwd - bij elke waarheidsclaim hoorde een voetnoot. Online werd de video meer dan 100.000 keer bekeken. Prominente Belgen als Anne Teresa De Keersmaeker, Olivier De Schutter en David Van Reybrouck reageerden met een zelf opgenomen filmpje. De partijvoorzitters van MR en Groen stuurden XR achteraf een brief.

In haar speech legt de fictieve Wilmès niet alleen het verband tussen de huidige pandemie en de bredere ecologische catastrofe; ze kondigt ook de installatie van burgerparlementen aan. Slim gelote groepen burgers, die representatief zijn voor de diversiteit van de Belgische bevolking, moeten naar de wortels van het probleem gaan en concrete beleidsvoorstellen doen. Ze laten zich daarvoor - net als beroepspolitici, in het beste geval tenminste - grondig informeren door wetenschappers en ervaringsdeskundigen. 

De opkomst van deliberatieve democratie

België’s bekendste democratische experiment, de G1000, ontstond als reactie op de politieke crisis van 2010-2011, toen ons land zichzelf tot wereldrecordhouder regeringsvormen bombardeerde. Vandaag wint burgerparticipatie opnieuw aan belang. Duitstalig België beschikt sinds kort over een burgerparlement. In het religieuze Ierland slaagde een groep gelote burgers erin om de gordiaanse knoop van de abortuskwestie te ontwarren. Steden als Leeds, Gdansk en binnenkort ook Brussel laten burgers op waardevolle manieren participeren in de besluitvorming.

In Frankrijk agendeerden de Gilets Jaunes het verband tussen klimaatbeleid en sociale ongelijkheid. In respons op hun protesten trok de Franse president Emmanuel Macron maar liefst vier miljoen euro uit voor de Convention Citoyenne pour le Climat. Honderdvijftig gelote Fransen, die samen een representatieve dwarsdoorsnede van de totale bevolking vormen, buigen zich over de volgende vraag: ‘hoe kunnen we de CO2-uitstoot in Frankrijk tegen 2030 met minstens 40% verminderen (in vergelijking met het niveau van 1990), in de geest van sociale rechtvaardigheid?’ Het Franse burgerparlement ging in oktober vorig jaar van start. Een praatbarak is het niet; de Convention heeft - zo beloofde de president - échte macht: elk beleidsvoorstel wordt in een referendum aan de bevolking voorgelegd, gestemd in het parlement of per presidentieel decreet uitgevoerd.

Burgerparlementen als beste strategische gok

De kans bestaat dat crisissituaties als de huidige zich in de toekomst nog vaker zullen voordoen. De wereld koerst snel af op een uitgebreide ecologische catastrofe. Die creëert niet alleen een vruchtbare voedingsbodem voor pandemieën. Wie de wetenschappelijke rapporten serieus neemt, weet dat door woestijnvorming, zeespiegelstijging, overstromingen, bosbranden, verhitting en de ontregeling van ecosystemen honderden miljoenen mensenlevens op het spel staan.

Sinds de klimaat- en ecologische mutatie ongeveer dertig jaar geleden het onderwerp werd van politiek debat, slaagden regeringen en oppositiepartijen er niet in om het tij te keren, integendeel. Ook de groene partijen niet. Om de ergste gevolgen nu nog af te kunnen wenden is een fundamentele omslag nodig, en snel. XR gelooft niet in de mogelijkheid van een revolutionair tabula rasa, waarbij het maatschappelijke systeem simpelweg van de ene op de andere dag kan worden hertekend. Zelf draagt de beweging officieel geen politieke ideologie of concrete oplossingen uit, om zoveel mogelijk mensen te kunnen aanspreken, maar ook omdat de tijd ons ontbreekt om er voldoende democratisch draagvlak voor uit te bouwen binnen het huidige parlementaire systeem.

Een paar argumenten

Op dit historische kruispunt beschouwt XR burgerparlementen als de beste strategische gok. Een ‘gok’? Dat klinkt wat roekeloos. Toch is het goed om voor ogen te houden dat succes allesbehalve verzekerd is. Een aantal argumenten waarom deliberatieve democratie een aantrekkelijke weg - of uitweg - zou kunnen zijn voor zowel de politieke klasse als de brede bevolking:

(1) Politici willen de volgende verkiezingen overleven. Dat is perfect begrijpelijk. Toch botsen de electorale cycli van vier à vijf jaar met het langetermijnperspectief waar de klimaat- en ecologische mutatie ons toe dwingt. Gelote burgers lijden daarentegen niet onder de druk om herkozen te geraken;

(2) De nodige moeilijke, fundamentele beslissingen nemen kan politici potentieel veel stemmen kosten. Zij hebben er daarom baat bij om de hete aardappel van de klimaat- en ecologische verandering door te schuiven naar de burgers. Wanneer politieke bestuurders concrete acties kunnen ondernemen op basis van de besluiten van een burgerparlement, reduceren ze de kans op electorale afstraffing;

(3) In een sterk gemediatiseerd politiek landschap, is het moeilijk voor politici om niet toe te geven aan polariserende en vereenvoudigende communicatiestrategieën. Die botsen met de enorme complexiteit van de klimaat- en ecologische mutatie. In een burgerparlement zitten burgers van allerlei slag samen rond de tafel. Grondig geïnformeerd door experts, gaan ze met elkaar in dialoog. Ervaring leert dat wanneer ze zo letterlijk face to face kennismaken met de belangen en perspectieven van de anderen, ze noodgedwongen diplomatischer worden en minder ideologievast. Het overstijgen van de politieke polarisering zorgt ook voor eindeloos meer efficiëntie;

(4) Politici staan voortdurend onder druk van het gelobby van machtige maatschappelijke spelers, wier belangen niet zelden haaks staan op het algemene belang. Een burgerparlement met onafhankelijke, gelote leden beïnvloeden is een pak lastiger;

(5) Het ene compromis is het andere niet. In dit land behaalt geen enkele partij een absolute meerderheid (en gelukkig maar). Coalitiegesprekken betekenen vaak: geven en nemen. Dat leidt tot een patchwork van elementen uit partijprogramma’s die we samen een ‘regeerakkoord’ noemen. Tegenover deze logica van de democratie als partijpolitieke competitie, die vaak tot halfslachtige compromissen leidt, stellen burgerparlementen die van de democratie als samenwerking.

(6) Onze huidige parlementen zijn niet representatief genoeg voor de werkelijke diversiteit van de Belgische bevolking op vlak van gender, sociale klasse, opleidingsniveau, etnisch-culturele achtergrond, et cetera. Zo is één vijfde van de parlementsleden jurist, tegenover nog niet 1% van de Belgen. Het te nauwe spectrum van kennis en levenservaringen is nefast voor de democratie. Slimme loting zorgt voor meer representativiteit, breder gedragen beleidsvoorstellen en dus meer legitimiteit. Burgerparlementen kunnen ook het breed verspreide gevoel van politieke onmacht wegnemen dat de voedingsbodem vormt voor maatschappelijke verzuring.

(7) Verreikende maatregelen kunnen enkel legitiem zijn en genoeg steun onder bevolking verzamelen als degenen die de maatregelen aan den lijve zullen ondervinden, er mee over kunnen beslissen. Dat is direct ook het belangrijkste argument tegen de technocratie, bestuur vormgegeven door experten: wanneer burgers medeparticipanten worden van het beleid, al vanaf de agendasetting, dan hebben ze minder reden om er ook tegenstander van te zijn.

Onbeantwoorde vraagstukken

Zal deliberatieve democratie ons voor eens en voor altijd van de complexe multicrisis bevrijden? Neen, een wondermiddel is het niet. Maar dus wel onze beste gok, volgens XR. Tussen droom en daad liggen uiteraard nog heel wat onbeantwoorde vraagstukken. Rond welke thema’s of vragen komt de gelote groep burgers samen? Rond hoe de toekomst er na Covid-19 moet uitzien in dit land? En op welke manier dient het deliberatieve proces te verlopen? Hoe zorgen we ervoor dat de beleidsvoorstellen daadwerkelijk gerealiseerd worden? Wat is de rol van de regering? En die van het huidige parlement?

Binnen XR ontwikkelt een team concrete plannen voor een Belgisch burgerparlement, lerend van de sterktes en zwaktes van de Franse Convention, en aangepast aan de concrete Belgische politieke context. Iedereen die dit idee mee wil realiseren, of vragen en opmerkingen heeft, kan ons bereiken via rydrawong@protonmail.com.

Sébastien Hendrickx

Read more...

Ik schaam me

27 februari 2020 by Politiek 1005 Views
Jan Mertens

Written by

De houding van de Vlaamse regering in het debat over het zogenaamde ‘Just Transition Fund’ als onderdeel van de Europese Green Deal is bedroevend en beschamend. Eigenlijk zegt de regering daarmee dat men principieel niet solidair wil zijn met anderen, maar wel rekent op de solidariteit van anderen om zo begrip te krijgen voor het feit dat we een regio zijn die welvarend is en veel energie gebruikt. De essentie van het Europese project is nochtans solidariteit. De essentie van wat een verbeeld Vlaanderen zou kunnen zijn, zou ook generositeit en verantwoordelijkheid kunnen zijn. Dat is voorlopig nog lang niet het geval…

Als ik een goede Vlaming zou zijn volgens de officiële verwachtingen zou ik complexloos mijn identiteit moeten uitdragen. Op zich is de manier waarop die verwachting zo ongeveer als een plicht wordt geformuleerd, onder meer in het Vlaamse regeerakkoord, zelf al redelijk krampachtig (en dus niet zo complexloos). Iemand die rustig is in zijn of haar identiteit heeft meestal niet zoveel drang om die te bevestigen. Die persoon heeft ook geen enkele behoefte om anderen aan te vallen om zo het eigen wankele ego te schragen. Die persoon kan ook zonder probleem naar de meerlagigheid van de eigen identiteit kijken en kan zich zonder probleem genereus en nederig opstellen. Je verbinden met andere mensen, empathisch zijn voor hun situatie, hen steunen om ook rustig zichzelf te worden, dat zijn dingen die alleen maar normaal zijn. Je kunt alleen maar jezelf zijn, vanuit het besef dat je verbonden bent met anderen. Als je verbonden bent met anderen, is het ook gemakkelijker om begrip te vragen voor je eigen kwetsbaarheid. Als Vlaanderen zich zou laten leiden door zo’n soort nederig en open toekomstbeeld, dan zou ik zelf als Vlaming wel een verbondenheid kunnen voelen met het verhaal dat we over onszelf vertellen. De Vlaamse regering, ook al bestaat ze uit partijen die niet de mijne zijn, is in principe nog altijd een verhalenverteller die zogenaamd ook namens de hele gemeenschap spreekt. Ik zou mij deel moeten voelen van het ‘wervend verhaal’ van deze regering. Ik moet eerlijk bekennen: ik voel alleen maar diepe diepe plaatsvervangende schaamte.

Klimaatverandering is in wezen een rechtvaardigheidscrisis. Ze is het gevolg van de historische accumulatie van broeikasgassen, waarbij een rijke en ecologisch gulzige minderheid van de wereldbevolking een grote verantwoordelijkheid draagt. Die mensen die het minst verantwoordelijk zijn voor het probleem zijn er het grootste slachtoffer van. Als we echt bezorgd zijn over de toekomstkansen van anderen elders ter wereld dan zouden we dringend werk maken van een forse absolute verlaging van onze voetafdruk om zo ruimte te maken voor anderen. Wij zijn meer verantwoordelijk voor het feit dat mensen aan de andere kant van de wereld moeten vluchten omdat hun eiland onder de zeespiegel verdwijnt dan dat die mensen ervoor verantwoordelijk zouden zijn dat er bij ons te weinig bos is om koolstof vast te leggen. We zitten samen in de boot met gemeenschappelijke maar verschillende verantwoordelijkheden, zoals al lang geleden door de conferentie van Rio is bevestigd. Kiezen voor bewuste en ook nederige solidariteit is dan ook het beste ecorealisme.

Vlaanderen toetert de hele tijd rond dat we een van de meest welvarende en innovatieve plekjes van de hele wereld zijn. Dat wil zeggen dat het hier in wezen het allergemakkelijkst is om verregaande transities door te voeren. Je hebt dus, anders geformuleerd, ook nog eens enorme kansen om maximaal in te spelen op de creatieve mogelijkheden die die transitie biedt. Nu de klimaatruimte op is en we voor moeilijke keuzes staan, moeten we de dilemma’s toch even in perspectief zien. Neem een land als India. Men wil aan alle inwoners een waardig leven bieden. Men wil waarschijnlijk uitzicht op hetzelfde type welvaart dat landen als het onze als norm hebben voorgesteld, maar de klimaatruimte is op. Het is aanlokkelijk voor hen om toch voluit voor fossiele brandstoffen te gaan. Wat moeten ze doen? Dat is een heel ander soort dilemma dan waar we in Vlaanderen voor staan. Vergeleken daarmee is het ‘moeilijke’ probleem van de salariswagens nog klein bier. Officieel is Vlaanderen nochtans ‘open op de wereld’. Of wil dat alleen zeggen: klaar voor een liefst zo open mogelijke wereldmarkt?

In die context komt de EU met de Green Deal. In de normale orde der dingen zouden de mainstreampartijen voluit voor het hele pakket van die Green Deal gaan en zouden de Groenen daarnaast nog fundamentele kritische bedenkingen maken. Hier lijkt de logica omgekeerd. De groene partijen en de milieubeweging moeten de Green Deal verdedigen alsof het een soort gevaarlijke utopie is. De Commissie heeft een voorzet gegeven, de volgende maanden zullen de lidstaten en het Parlement ook hun werk doen, in de hoop een nieuwe duurzame dynamiek op gang te trekken. Wat je er ook van vindt, je kunt moeilijk ontkennen dat deze Commissie eindelijk weer een ‘wervend project’ voor de EU heeft gelanceerd. Laten we het dus bekijken als een glas dat half vol is.

De Commissie stelt vast dat we tegen het huidig tempo de klimaatdoelstellingen niet tijdig zullen halen. Daarom stelt men een ambitieuze klimaatwet voor, met scherpere doelstellingen. Doel is om klimaatneutraal te worden. Als we sneller vooruit willen gaan, moeten we ook extra inspanningen doen om wie moeilijk mee kan ook aan boord te houden en dus actief te helpen bij de transitie. Logisch. En eerbaar. Ondertussen hebben we van de Vlaamse regering gehoord dat men de doelstellingen van 2020 niet zal halen, die van 2030 waarschijnlijk ook niet, dat men het goed vindt als het geheel klimaatneutraal wordt zo lang men het zelf maar niet moet zijn. Op het voorstel van de Commissie zegt de Vlaamse minister dat we “eerst maar eens moeten uitvoeren wat al afgesproken is”. Diezelfde minister die net daarvoor had gezegd dat we de afgesproken doelstellingen niet zullen halen… Als we alle uitspraken van de voorbije weken optellen, komen die neer op: we willen geen hogere doelstellingen, maar we willen wel meer geld. De verklaring is steeds dezelfde: we wonen in een dichtbevolkte regio, we hebben een energie-intensieve industrie, we hebben te weinig groen om zelf te compenseren, dus men zou meer begrip moeten hebben voor de uitdagingen van ons soort welvarende regio. De Vlaamse minister verwoordt dat dan als: “Wij hebben veel industrie, Wallonië heeft veel open ruimte.” Ofwel klopt die stelling niet, en waarom zou je dan een probleem hebben met het feit dat mogelijk Europese middelen zouden gebruikt worden voor de energie-intensieve industrie die er blijkbaar toch wel is in Wallonië en die op een duurzame en rechtvaardige manier moet worden omgebouwd? Ofwel is die stelling een beetje wel waar, en waarom zou je dan niet intensief vanuit een geest van waar federalisme gaan samenwerken met Wallonië zodat je opgeteld binnen België elkaars sterktes en zwaktes kunt opheffen? In beide gevallen is het antwoord: solidariteit is de sleutel.

De Commissie stelt een globaal financieringspakket van meer dan € 1.000 miljard voor. Daarbinnen is er een € 100 miljard voor een Just Transition Mechanism, op basis van verschillende bronnen. De discussie nu gaat over het Just Transition Fund. Een fonds van € 7,5 miljard, waarvoor trouwens nog geld moet gevonden worden in het kader van de begrotingsbesprekingen. (Even ter herinnering, dat bedrag, voor heel Europa, is minder dan de federale begrotingsschuld in ons land en is veel minder dan wat Duitsland alleen al uitgeeft voor de transitie van de steenkoolregio’s in eigen land.) De Commissie heeft op basis van een aantal criteria een verdeelsleutel ingesteld, waardoor België 68 miljoen zou krijgen. De Commissie heeft nu op rustige wijze in het pas gepubliceerde Country Report van België geargumenteerd waarom dat geld binnen België bij voorkeur naar Henegouwen zouden moeten gaan. Het is niet onlogisch dat je zegt: dat deel van het land heeft nood aan een snellere transitie dan het andere deel, waar men – zoals Vlaanderen ook zelf zegt – al verder staat. De Vlaamse regering draait die redenering om: net omdat wij verder staan, moeten anderen minder geld krijgen en wij meer.

Het is de essentie van een solidariteitsmechanisme – zoals bv. de sociale zekerheid – dat wie het goed heeft (zelfs uit goed begrepen eigenbelang) bijdraagt voor wie het minder goed heeft. Dat principe geldt ondertussen blijkbaar niet meer voor de Vlaamse regering. Vlaanderen zou voluit kunnen gebruik maken van allerlei andere fondsen en veel en veel meer binnenhalen dan die enkele miljoenen. Als Vlaanderen voluit zou gaan om op het vlak van klimaat de allerbeste van de klas te worden, dan zou men daar heel erg veel geld mee kunnen binnenhalen. Maar dat is niet de logica die men volgt. Nochtans kun je in het al genoemde Country Report lezen dat België een van de landen is die het meest kunnen profiteren van een goed systeem van koolstoffiscaliteit. In het kader van het Nationaal Energie- en Klimaatplan bleek echter dat het Vlaanderen is die daar niet over wil praten.

De redenering van de Vlaamse minister is: waarom zouden wij Henegouwen moeten helpen als wij het beter doen? Of andere variant: waarom zou Polen nu veel geld moeten krijgen om de steenkooltransitie mogelijk te maken, als wij dat al eerder gedaan hebben, waardoor we in de situatie komen dat wij nu dus minder geld krijgen (en we dus “benadeeld” zijn)? Een Vlaamse minister die uit Limburg komt zou kunnen weten dat de hele transitie van de Belgische steenkoolsector er gekomen is dankzij inzet van publieke middelen, onder meer van Europa. Dankzij solidariteit dus. Maar het argument is nu blijkbaar: het is hun eigen schuld dat ze niet eerder aan de transitie begonnen zijn, omdat ze – net als de Walen – volharden in slecht bestuur, en daar moeten wij niet voor benadeeld worden. Misschien is het nuttig te begrijpen dat België al iets langer in de Europese politieke structuur zit dan Polen. Maar dat zijn mogelijk enkel vervelende details.

Het lijkt er steeds meer op dat men principieel niet solidair wil zijn. Dat blijkt ook uit de visienota van de Vlaamse regering. “Bij de intra-Belgische verdeling van de middelen zal Vlaanderen niet uitgaan van de criteria zoals voorgesteld door de Europese Commissie. Vlaanderen zal binnen zijn territoriale transitieplan zelf de gebieden aanduiden die in aanmerking moeten komen voor ondersteuning.” Hoewel Vlaanderen blijkbaar een deel van Europa wil zijn, wil men toch liever geen overstijgende solidariteitsafspraken die te weinig respect hebben voor de moeilijke situatie van de welvarende regio’s. En binnen België willen we vooral onze eigen wafelijzerpolitiek eerst… Het voorstel om via de ETS-middelen gelden te kanaliseren naar de Europese begroting, een interessante vorm van solidariteit, kan ook al niet voor Vlaanderen: “De Vlaamse regering is niet akkoord met het onttrekken van de nationale opbrengsten uit ETS om de Green Deal te financieren.”

Het doet me denken aan toen ik vroeger bij ons in het dorp huis aan huis ging voor de 11.11.11-actie. De rijkste mensen gaven het minst en het moeilijkst. Het fascinerende is dat Vlaanderen – en iemand zou de auteurs van al die Vlaamse beleidsnota’s nu eindelijk eens moeten duidelijk maken dat Vlaanderen geen lidstaat van de EU is, maar wel een deel van een kleine lidstaat van de EU – voor de eigen positie systematisch wel rekent op de solidariteit van anderen. Voor het bepalen van de klimaatinspanningen wil men een ‘bottom-up aanpak’. Samengevat: wij zeggen wat we volgens ons economisch gezien aankunnen, en wat er dan te kort is Europees moet flexibel kunnen verdeeld worden tussen de anderen, met respect – uiteraard! – voor de al moeilijke situatie van de welvarende regio’s. Of anders gezegd: wat we willen kan in wezen alleen maar als anderen bereid zijn daarin mee te stappen en dus solidair zijn met onze ‘moeilijke’ situatie. Het staat er ook letterlijk: “Wat telt is dat er een balans tussen beiden wordt bereikt, zoals ook voorgeschreven door het Akkoord van Parijs. Vlaanderen rekent hier op solidariteit met landen waar negatieve emissies gerealiseerd worden.” En als Vlaanderen binnenkort zal vragen dat er toch meer geld moet gaan naar de landbouwers, dan zal men daarvoor ook rekenen op de solidariteit van anderen…

In heel wat alle landen van de EU is momenteel het debat aan de gang over de Green Deal en het Just Transition Fund. Ook het Europees Parlement is aan de discussie begonnen. Blijkbaar beseft de Vlaamse regering niet dat men zich enigszins belachelijk maakt door nu op zo’n kortzichtige manier te gaan zeuren over een heel klein beetje geld. Het is dus principieel. Het is perfect mogelijk om binnen België een geïntegreerd Nationaal Energie en Klimaatplan te maken, met volle respect voor de bevoegdheden van het federale en de gewesten. Je kunt perfect in een plan duidelijk maken wat het ene gewest doet en wat het andere en wat het federale en toch ook tegelijk rustig met elkaar onderhandelen en samen iets geïntegreerds maken. Dat tweede onderdeel is exact wat Vlaanderen liever niet wil, om principiële redenen. Zo zou je ook perfect een geïntegreerd nationaal mobiliteitsplan kunnen maken, in volle respect voor de bevoegdheden. Men wil het niet, om principiële redenen. Men is er nog trots op ook, en gaat dan stoer verklaren dat het Nationaal Energie- en Klimaatplan ‘confederaal’ is gemaakt. Zucht.

Vlaanderen is wat mij betreft oninteressant in de mate dat het een oefening in natievorming is, België is interessant in de mate dat het een oefening in Europa is. Binnen onze federale structuur zouden de gewesten heel erg veel van elkaar kunnen leren. We vinden het in Vlaanderen normaal dat we drinkwater in Wallonië halen, we vinden het normaal dat we hopen te kunnen rekenen op emissiekredieten in Wallonië en op meer hernieuwbare energie daar, maar als het omgekeerd is, kunnen we niet straf genoeg zijn. Samen moeten werken met andere gewesten en met het federale is ‘vervelend’. Zodra je samenwerkt moet je immers ook naar jezelf kijken, moet je jezelf kwetsbaar opstellen. En wat zich binnen België voordoet, is heus niet anders in de hele EU.

De Europese federalisten, en enkele van de partijen in de Vlaamse regering horen daar toch hopelijk nog altijd bij, hadden al snel begrepen dat je als klein land maar kunt overleven in een grote wereld door actief in een proces van solidariteit te stappen. Dat is het ware realisme. Sommige grote Europese leiders komen trouwens uit partijen die nu mee in de Vlaamse regering zitten. Eerlijk gezegd: ze zouden zich denk ik omdraaien in hun graf door het discours over de “mean deal”. Zij hadden nog een band met een Europees project dat net voorbij een heilloos en verscheurend nationalisme wilde gaan. De essentie van federalisme is uitgaan van gedeelde bevoegdheden en dan samenwerken. Zo kun je dan als kleine zwaarder wegen. Zo werkt ook de stemmenweging. Dat uit zich eveneens in allerlei steunmechanismen die de EU heeft uitgebouwd. Telkens uitgaand van solidariteit. Het was in ons belang dat een nieuwe lidstaat als Portugal of Polen snel mee kon, en daarom steunden we hen. De andere logica is die van de tunnelvisie van het nationaal egoïsme. Het lijkt er stilaan op dat sommigen in de Vlaamse regering op dat spoor terecht gaan komen.

Als je wilt dat anderen solidair zijn met jou, zelfs al heb je het al heel erg goed en loop je voorop, dan moet je ook op een rustige manier solidair zijn met een ander. Dat is waar het in het Europese project over gaat. Misschien moet je dan andere gevechten voeren dan dit pijnlijke gedoe over een klein beetje geld, en dat enkel om principiële redenen. Laten we er eerst als eens voor zorgen dat er een Europese begroting is. Met dezelfde kneuterige en beschamend egoïstische houding als die van de Nederlandse premier Rutte zullen we er zeker niet komen. Het is overigens een interessante vaststelling dat de voorzitter van de begrotingscommissie in het Europees Parlement lid is van dezelfde partij als de Vlaamse minister-president en in die hoedanigheid net veel meer geld moet vragen namens het EP dan wat nu op tafel ligt…

De Vlaming in mij denkt dat een gemeenschap die zichzelf complexloos rustig in zichzelf vindt geen behoefte heeft aan dit soort pijnlijk gedrag dat meer ingegeven lijkt door rancune en bitter egoïsme. Ik kan me een heel ander soort Vlaanderen voorstellen. Een Vlaanderen dat vanuit het besef van de historische verantwoordelijkheid voor de ecologische crisis waar de hele wereld nu in zit net voluit kiest voor een genereuze solidariteit en de wil om een werkelijke ecologische pionier te worden. Je kunt groots zijn in je nederigheid, je kunt klein zijn in je arrogantie. Blijkbaar zou ik trots moeten zijn op het soort Vlaming dat ik zou moeten worden, als ik het Vlaamse regeerakkoord lees. Ik denk het niet. Op dit moment voel ik alleen maar diepe schaamte.

Read more...

Groenen zijn de nieuwe conservatieven

11 februari 2020 by Politiek 461 Views
Johan Malcorps

Written by

Boekbespreking: Worauf wir uns verlassen wollen. Für eine neue Idee des Konservativen, Winfried Kretschmann

door Johan Malcorps

Winfried Kretschmann is een atypische groene, zoveel is zeker. Hij is 72 jaar en sinds 2011 minister-president van de Duitse deelstaat Baden-Württemberg (35.750 km2 - 10,6 miljoen inwoners, een stuk groter dus dan Vlaanderen). Hij regeerde eerst samen met de sociaal-democraten in een groen-rode coalitie (2011-2016), nadien met de christen-democraten in wat in Duitsland een groen-zwarte coalitie heet. In 2016 haalden de Groenen in Baden-Württemberg 30,3% van de stemmen. Kretschmann is gelovig en komt daar ook voor uit. Hij pleit voor een politiek van evenwicht en het zoeken van de gulden middenweg, het steeds streven naar verbinding. Of in zijn woorden : eine Politik des “UND”. Vorig jaar bracht hij een klein boekje uit, “Worauf wir uns verlassen wollen. Für eine neue Idee des Konservativen”. Voor hem is de groene beweging een neo-conservatieve beweging. ”Conservare” staat immers voor bewaren. En dat is nu juist wat de Groenen willen doen : het milieu en de natuur bewaren, maar ook de open samenleving, solidariteit en het goede leven.

Zijn boekje kan begrepen worden als een reactie op de conservatieve revolutie die de partijvoorzitter van de CSU, Alexander Dobrindt begin 2018 afkondigde. Dobrindt nam het op voor de Duitse grondwaarden (“Kinder – Kirche – Küche”) en verketterde alle linkse progressieven en islamisten die deze christelijke waarden volgens hem vertrappelen. Om zijn partij terug meer schwung te geven pleit hij voor een ruk naar rechts. Zo wil hij de opgang van Alternative für Deutschland afstoppen en in het spoor treden van de jonge Oostenrijkse premier Sebastian Kurz.

Kreztschmann gaat frontaal in de tegenaanval : nergens verwijst hij naar Dobrindt, maar intussen tekent hij fijntjes uit dat de toekomst van het conservatisme niet zwart is, maar groen.

Afscheid van het oude conservatisme

Kretschmann neemt afstand van het oude, aftandse conservatisme van de CDU en van de Beierse CSU van Franz Josef Strauss. Hun naïef “technologieconservatisme” met een blind geloof in technologische vooruitgang  en modernisering staat voor hem haaks op authentieke conservatieve waarden.  Hij denkt daarbij aan de steun van de Duitse christendemocraten voor grootschalige projecten, zoals wegenbouw, mijnbouw, industrie, kerncentrales, die de natuur kapot maakten en dorpsgemeenschappen aan stukken reten. De CDU en CSU vielen terug op een “structuurconservatisme”, dat streefde naar het bestendigen van de macht van lobby’s en  instellingen, maar niet naar het behoud van waarden of het behoud van het gemene goed van mensen. Hun pleidooien voor de Heimat, het Christendom of de Duitse Leitkultur, klinken daardoor steeds holler.

Kretschmann pleit voor een nieuwe invulling van de conservatieve idee. Hij pleit voor een nieuw conservatisme dat opkomt voor klimaat, milieu en voor menselijke leefgemeenschappen. Maar dat tegelijk ook de strijd aangaat voor het behoud van onze democratie en voor de verdediging van onze open samenleving, tegen oprukkend populisme en autoritarisme.

Het bewaren van de Schepping

Opkomen voor duurzaamheid is voor Kretschmann een typisch conservatieve houding. Nieuwe conservatieven zoeken de verbinding tussen economie en ecologie, willen een economie die gebaseerd is op het creëren van waarden, en niet een economie gebaseerd op roofbouw. De klimaatcrisis is dé belangrijkste uitdaging voor ons mens-zijn de komende eeuw. Door de klimaatcrisis zullen miljoenen mensen hun ‘heimat’ moeten verlaten. Kretschmann is de stichter en bezieler van een netwerk van regio’s die opkomen voor een sterk klimaatbeleid. In zijn eigen deelstaat liet hij als eerste een klimaatwet stemmen. Conservatieven willen de natuur en het milieu bewaren die de grondlagen vormen van ons bestaan. De schepping is geen mensenwerk, maar een Godsgeschenk aan mensen gegeven. Alle soorten hebben een eigen waarde en zijn het waard om beschermd te worden.

Heimat = een open democratische samenleving

Wie opkomt voor de bescherming van landschap, klimaat en natuur, komt op voor de bescherming van de Heimat. Die Heimat is de plaats waar mensen zich thuis weten, schept een gevoelen van samenhorigheid van mensen die veel gemeen hebben (een geboorteplaats, een streek, een dialect). Tegelijk gaat het om mensen die van mekaar verschillen. Ieder mens is uniek. Ieder mens die geboren wordt, markeert het begin van een nieuwe schepping. Een goede samenleving tracht onderscheiden niet uit te vlakken zoals volksnationalisten, maar organiseert ze juist. Een nieuwe conservatieve politiek verbindt veelheid en samenhorigheid en wil niet van bovenuit een “Leitkultur“ opleggen. Mensen kunnen zich maar thuis voelen als ze opgenomen zijn in een sterke en veelzijdige gemeenschap van burgers. Als ze gehoord worden. Je voelt je thuis in lokale burgerinitiatieven, verenigingen, religieuze gemeenschappen of partijen. Een moderne open islam vindt hier ook een plaats. Een nieuw conservatisme beschermt het gemeenschapsleven, het middenveld en tracht het niet te onderwerpen aan het primaat van staat of politiek. Waar op die manier een gemeenschap van gemeenschappen opbloeit, ontstaat een ‘Heimat’. Volksnationalisme en populisme zijn reactionair, niet conservatief. Zij beroepen zich valselijk op de Heimat, maar in werkelijkheid verscheuren ze de Heimat. Want ‘Heimat’ staat niet voor verenging en tweedeling, maar voor samenhang, vrijheid en verscheidenheid.

Echte conservatieven behoeden de democratie, het georganiseerd meningsverschil, de grondwet die alle burgers rechten garandeert. Wie de democratie respecteert, zoekt naar gewogen compromissen, naar complementaire coalities ook als die haaks komen te staan op het klassieke links-rechts-schema. Echte democratie gedijt het best lokaal en regionaal. Maar ‘taking back control’ kan vandaag best op Europees niveau, niet via het terugplooien op natiestaten. Voor Kretschmann biedt een Europa van de Regio’s de beste synthese. Regio, natiestaat en Europa dienen verbonden te worden. Het is én-én-én.

Voor familie, gastvrijheid en religie

De oude conservatieven verdedigen het klassieke kerngezin. En deinzen terug voor de gevolgen van emancipatie van vrouwen, LBTQ+, etnische minderheden.  De nieuwe conservatieven gaan naar de kern van wat mensen verbindt, beschermt elke relatie waarin mensen verantwoordelijkheid opnemen voor mekaar. En dan is het om het even of het om hetero- of homoseksuele koppels gaat. Of nog andere vormen van samenleven en zorgen voor mekaar. Ook hier gaat het om het opkomen voor waarden, niet om het verdedigen van oude structuren. Nieuwe conservatieven komen op voor hun naaste, ook als het om vreemden gaat. Denk aan de parabel van de Barmhartige Samaritaan. Naastenliefde houdt in dat je mensen die op de vlucht zijn voor onrecht en verdrukking gastvrij onthaalt. Mensen die houden van hun Heimat, weten wat het betekent als je uit je eigen thuis verdreven wordt. Maar tegelijk is Kretschmann erg categoriek : wie geen recht heeft op politiek asiel, moet terugkeren naar de eigen thuis. Duitsland kan mensen opnemen die vooral op de vlucht zijn voor armoede, maar dat dient dan geregeld te worden in een nieuwe immigratiewet. Vormen van intolerantie bij nieuwkomers kunnen niet geduld worden. Er zijn grenzen aan de tolerantie voor wie zelf  vrijheid en verdraagzaamheid miskent.

Het is niet de rol van de staat om zelf aan zingeving te doen, wel om ruimte te scheppen voor gemeenschappen die zin stichten. Dat is meer dan een zakelijke scheiding tussen staat en religie. Kretschmann pleit voor een coöperatieve, uitgebalanceerde scheiding van religie en staat. De samenleving kan haar voordeel doen met religieuze waarden. Zo bijvoorbeeld de zondagsrust : een geschenk van de gelovigen aan de hele gemeenschap. Godsdienstvrijheid is mogelijk door de wet, staat nooit boven de wet. Er is plaats voor de islam in de Duitse gemeenschap, niet voor fanatiek islamisme.

Een ecologische sociale markteconomie

Het vertrouwen in de sociale markteconomie (die stoelt op christelijke principes) moet terug hersteld worden. Bijvoorbeeld door volop de nieuwe uitdagingen aan te gaan van digitalisering, globalisering en vergrijzing. Als het economisch beleid aanstuurt op een industrie 4.0, is er ook dringend nood aan een sociale markteconomie 4.0. Met een humane digitalisering en sterke inzet in onderwijs en vorming op empathie, creativiteit en kritische zin,  eigenschappen die mensen complementair maken aan machines.

Economische groei en verbruik van milieugoederen moeten ontkoppeld worden. Kretschmann pleit voor een slimme groei in een ecologisch-sociale markteconomie. De ecologische transformatie van onze economie is één van de kernopdrachten van het nieuwe conservatisme. “Conservare” staat dan gelijk aan “transformare” : de economie vergroenen om de welvaart veilig te stellen. En dan is het van groot belang dat dit transformatieproces plaats vindt in permanente dialoog. Kretschmann startte in Baden-Württemberg een grote strategische dialoog rond de ecologische ombouw van de economie, met alle betrokkenen : bedrijven, vakbonden, burgerverenigingen, wetenschappers. Zo maakte hij de verbinding tussen economie en ecologie. Als onderdeel van zijn “Politik des UND”. Kretschmann breekt ten slotte een lans voor (rechtvaardige) vrije handel, omdat handel  een waarborg biedt voor vrede. Waar protectionisme juist afschermt en verdeelt.

Een nieuwe lijn voor de Groenen?

Atypisch groen, zo mogen we het boekje van Kretschmann dus zeker wel noemen. Hij maakt een duidelijke strategische keuze. Niet voor een ruk naar rechts. Maar wel voor een duidelijke verschuiving naar het centrum. Hij wil de hele links-rechts-deling achter zich laten. Hij kiest ook niet automatisch voor het progressieve kamp. Wat toch heel opmerkelijk is voor een kopstuk van een van oorsprong links-alternatieve partij als Bundniss 90/Die Grünen. Hij daagt liever de conservatieven uit op hun eigen terrein.

Kretschmann is binnen zijn partij natuurlijk de super-realo, de man die onverkort gekozen heeft voor machtsdeelname. In 2011 won hij de verkiezingen o.m. dankzij het massaal verzet tegen het Stuttgart 21 – bouwproject. Maar in het referendum later dat jaar verloren de burgerbewegingen en de Groenen. Het bouwproject kwam er toch. Maar Kretschmann bleef op post, en is vandaag nog steeds minister-president.

Of ook de nationale leiding van de Duitse Groenen eenzelfde koers wil gaan varen, is niet zeker. Ook de nieuwe gangmaker van de Groenen, Robert Habeck, lijkt aan te sturen op het centrum en mikt op mee besturen, waarbij een zwart-groene coalitie met de partij van Angela Merkel al lang geen taboe meer is. Werner Kogler smeedde in Oostenrijk zelfs een tegennatuurlijke alliantie van groenen en rechts-conservatieven.  De geschiedenis zal leren of het model Kretschmann baanbrekend wordt.

Read more...

Iedereen proefkonijn. Het politieke gehalte van Onderzoek en Ontwikkeling

18 december 2019 by Politiek 331 Views
Gastauteur

Written by

Dit artikel verscheen op 8 november 2019 op website van PALA.

Politieke meerstemmigheid zou vooral voor mens- en geesteswetenschappers belangrijk zijn, zo luidt de overheersende teneur. Zou het? vraagt Marian Deblonde, zelf ‘exact’ wetenschapper. Wie introduceert in snel tempo tal van ontwrichtende technologische innovaties? Wie levert straks de hele wereld uit aan geo-engineering?

Is de politieke gezindheid van wetenschappers relevant voor de resultaten van Onderzoek en Ontwikkeling (O&O)? Deze vraag kwam afgelopen september in de Vlaamse media, o.a. De Standaard (verder afgekort tot dS) en de VRT, aan bod.

De stemmen in dit debat leken het erover eens dat politieke meerstemmigheid vooral bij mens- en geesteswetenschappers belangrijk is. Daar is meerstemmigheid nodig om de blinde vlekken, veroorzaakt door gedeelde ideologische normen en waarden, binnen de ‘zachte’ wetenschappen zichtbaar te maken. Meerstemmigheid is bij de ‘harde’ of ‘exacte’ wetenschappen niet zo nodig, klonk het. Aangezien wiskundige modellen en fysische fenomenen geen politieke kleur hebben, is de kans op ideologische vertekening daar veel kleiner. In de menswetenschappen ligt bovendien een ander probleem op de loer, stelde hoogleraar Andreas De Block in De Standaard, namelijk een te beperkte vraagstelling uit schrik maatschappij-ontwrichtende resultaten te genereren (Andreas De Block, dS 24/9/2019).

Laat het nu toch vooral de ‘exacte’ wetenschappers zijn die, zonder dat er in het publieke debat veel aanstoot aan genomen wordt, in snel tempo maatschappij ontwrichtende technologische innovaties introduceren. Meer nog, die zijn niet democratisch gelegitimeerd en ook niet bedoeld om tegemoet te komen aan menselijke behoeften. Technologische toepassingen zijn in de meeste gevallen niet ontwikkeld op basis van een zoektocht naar wederzijdse vormgeving van maatschappelijke behoeften en technologische mogelijkheden. (Dirk Stemerding, senior onderzoeker aan het Nederlandse Rathenau-instituut).

Veel belangrijker dan de politieke gezindheid is wat de vrijheden van onderzoek definieert

Zoals aangehaald door Dirk Holemans hebben de kritische Gentse filosofen – Vermeersch, Kruithof, Boehm - de mythe van Onderzoek & Ontwikkeling (O&O) als voldoende voorwaarde voor maatschappelijke vooruitgang al lang onderuit gehaald. Hun analyse was vooral gestoeld op de vaststelling dat wetenschappelijke en technologische vooruitgang worden meebepaald door politieke, militaire en industriële belangen die niet altijd samenvallen met het welzijn van de totale mensheid (dS 25/9/2019). Dit is een analyse die zowel op de ‘harde’ als op de ‘zachte’ wetenschappelijke disciplines van toepassing is. Zij relativeert heel erg het belang van een discussie over de politieke gezindheid van wetenschappers en technologen. Veel belangrijker is het kader dat de vrijheden van O&O definieert.

De grenzen van verantwoord onderzoek

Op Europees vlak zijn het de kaderprogramma’s die het subsidiebeleid voor O&O uittekenen. Sinds het verdrag van Lissabon (2000) stelt de Europese Unie (EU) uitdrukkelijk dat Europa een kenniseconomie moet worden: Kennis als middel om de Europese economie te doen groeien en de economische concurrentiepositie in een geglobaliseerde wereld te behouden en versterken.

Het departement Onderzoek en Ontwikkeling (O&O) van de EU is echter niet blind gebleven voor de gevolgen van dat beleid. Sinds het kaderprogramma, genaamd Horizon 2020, pleit het departement voor ‘verantwoord O&O’ (verder afgekort tot VO&O). VO&O wordt geacht antwoorden te bieden op de grote uitdagingen waar we nu voor staan. De uitdagingen: klimaatverandering, vervuiling van lucht, land en water, afnemende biodiversiteit en de globale trends van groeiende ongelijkheid, zowel binnen als tussen landen zijn genoegzaam bekend en de duurzame ontwikkelingsdoelen, gedefinieerd door de Verenigde Naties, kunnen gelden als richtlijnen voor de doelen die de EU via VO&O beoogt.

Het kaderprogramma gaat dus de ethische toer op, maar het is twijfelachtig of dit veel verschil zal maken als het O&O-systeem (op institutioneel niveau gevormd door de relaties tussen overheden, bedrijven en kennisinstellingen) zelf niet grondig verandert. Een grondige verandering betekent onder andere dat een vierde pijler, die van de finale gebruiker van kennis en technologie, op een ernstige manier deel uitmaakt van het O&O-systeem.

Het antropoceen

Voor drie planetaire grenzen komen we gevaarlijk dicht bij het kantelpunt

Sinds de industriële revolutie die startte ergens in de 18e eeuw, is de invloed van menselijk handelen op de toestand van onze planeet langzaam maar zeker toegenomen. Een internationale onderzoeksgroep rond prof. Johan Rockström (Stockholm Resilience Centre) heeft negen grenzen aangeduid die cruciaal zijn voor de toekomst van het leven op aarde. In drie gevallen (opwarming van de aarde, verlies van biodiversiteit, hoeveelheid stikstof per jaar die door de mens uit de atmosfeer wordt gehaald en de hoeveelheid fosfor per jaar die in de oceanen terechtkomt) komen we gevaarlijk dicht bij het kantelpunt. (1) De invloed van menselijk handelen gaat zover, dat wetenschappers het nodig vonden om een naam te geven aan het tijdvak waarin menselijke invloeden de planetaire conditie grondig begonnen te bepalen: het antropoceen.

De term ‘antropoceen’ drukt uit dat het vaststaat dat de impact van menselijk ingrijpen op mens en milieu sinds het begin van de industrialisering een hogere vlucht heeft genomen. Deze invloed neemt nog steeds toe. Niet alleen omdat de industrialisering verder globaliseert, maar ook omdat de industrialisering steeds nieuwe vormen aanneemt. Denk, behalve aan ICT-toepassingen, ook aan het vervangen van menselijke fysieke en cognitieve vaardigheden door robots en artificiële intelligentie (AI). Deze nieuwigheden duiken op steeds meer vlakken van het maatschappelijk leven op, zoals in de landbouw-, diensten-, zorg- en gezondheidssector.

Het ziet er niet naar uit dat, als we op dezelfde manier verder gaan, we er snel in zullen slagen het negatieve tij te keren. Neem, als voorbeeld, de evolutie van CO2 -emissies. In het Itinera-rapport over de energietransitie stelt Johan Albrecht dat de uitstoot van broeikasgassen in de rijke ontwikkelde landen in 2018 met 0,5 % is toegenomen. Meer nog, de impact op luchtkwaliteit, biodiversiteit, uitputting van natuurlijke rijkdommen en draagkracht van de planeet komen in het transitiebeleid ‘gewoonweg niet aan bod’.

Iedereen proefkonijn

In het antropoceen worden de gevolgen van menselijke activiteit steeds zichtbaarder naarmate de industrialisering zich verder ontwikkelt en zich globaler verspreidt. Deze gevolgen zijn steeds moeilijker te voorspellen omdat de complexiteit van de vele interacties tussen natuurlijke en sociale fenomenen immens is. Vandaar dat we sinds het antropoceen allemaal, zonder onderscheid van rang of stand, proefkonijnen geworden zijn in wereldwijde experimenten.

Veel mensen en dieren moesten tot hun schade al ondervinden wat het betekent een O&O-proefkonijn te zijn. Sommigen leden materiële en menselijke schade door vernietigende stormen of overstromingen, of door vervuiling van lucht, land en water. Anderen zagen hun habitat vernietigd door een stijgende zeespiegel of door de honger van machtige bedrijven naar schaarse of zeldzame grondstoffen.

Geo-engineering

Onze rol als proefkonijn dreigt nog riskanter te worden. Het ooit al fel bestreden idee van geo- of klimaatengineering is weer veld aan het winnen in O&O kringen. Geo-engineering is het opzettelijk grootschalig ingrijpen in de natuurlijke systemen van de aarde, met als doel klimaatverandering, en meer specifiek de opwarming van de aarde tegen te gaan. Het betreft ingrijpende maatregelen die direct effect hebben op grootschalige systemen.

Gaan we echt opzettelijk grootschalig ingrijpen in de natuurlijke systemen van de aarde?… zelfs zonder debat?

Een journalist noteert in de Wordpress Longreads Weekly van 4 Oktober 2019: we moeten meteen het gesprek starten over blijkbaar drastische antwoorden, zoals de injectie van aerosols in de stratosfeer die zonnestralen dimmen, als we het risico niet willen lopen dat we de democratische controle verliezen over de benadering van het klimaatprobleem. De journalist waarschuwt dat het moment dichterbij komt dat we noodgedwongen zullen teruggrijpen naar dit type engineering omdat het punt dichterbij komt waarop minder riskante initiatieven geen kans van slagen meer hebben.

Klimaatwetenschapster Holly Jean Buck legt helder uit hoe drastisch het idee van geo-engineering is. (2) Geo-engineering betreft de verzameling technologieën die nodig zijn om de zogenaamde zonneconstante (de hoeveelheid zonne-energie aanwezig in de stratosfeer) min of meer constant te houden. De zonneconstante is een aanduiding voor de smalle marge tussen te veel en te weinig energie, die het leven op aarde net wel of net niet meer mogelijk maakt.

De zonneconstante is eigenlijk geen constante maar een maat voor het onevenwicht tussen inkomende en uitgaande straling. De inkomende energie is afkomstig van de variabele zonnestraling. De uitgaande energie is afhankelijk van menselijke activiteit. Broeikasgassen houden zonne-energie vast en fijn stof heeft een verkoelend effect omdat het lichtstralen weerkaatst.

Het onevenwicht is belangrijker geworden sinds het begin van de industriële revolutie. De uitdaging voor geo-ingenieurs bestaat er dus in het onevenwicht tussen inkomende en uitgaande straling binnen de smalle marge te houden. Om duidelijk te maken dat deze uitdaging uit twee deel-uitdagingen bestaat, gebruikt de klimaatwetenschapster het beeld van een badkuip. Eén uitdaging bestaat erin de te volle badkuip (het teveel aan broeikasgassen) leger te maken. De andere uitdaging bestaat erin te voorkomen dat de badkuip weer voller loopt. Het gaat er in alle geval om het onevenwicht tussen opwarming en afkoeling binnen de genoemde marge te houden. Geo-engineering is dus een permanente noodzaak.

Het manipuleren van het onevenwicht kan via biologische (vb. herbebossing) of industriële methodes (vb. via de opslag van CO2 of de injectie van aerosols in de stratosfeer om inkomende straling tegen te houden). Deze laatste methode legt eigenlijk een omhulsel van intentionele vervuiling rond het al bestaande omhulsel van vervuiling. Deze strategie is zeer riskant omdat ze de werking van planten en fytoplankton op nog onbekende wijze verstoort.

Verbijstering

Zelfs ‘verantwoorde’ wetenschappers lijken zich neer te leggen bij steeds nieuwe wereldwijde experimenten

Onlangs woonde ik een workshop bij georganiseerd door het departement O&O van de EU over de uitdagingen voor verantwoord O&O (VO&O). Ondanks dat ik er mij al langer van bewust ben, een proefkonijn te zijn van onderzoekers die de hele wereld als hun laboratorium beschouwen, verliet ik de workshop met verbijstering. De aanwezige leden van de VO&O-gemeenschap lijken zich neer te leggen bij de onvermijdelijkheid van steeds nieuwe wereldwijde experimenten als antwoord op het tot nog toe gebleken onvermogen om het negatieve tij te keren.

Het is verbijsterend om vast te stellen dat de VO&O-gemeenschap zich gelaten nestelt in onze rol als proefkonijn. Een rol die de VO&O -gemeenschap niet publiekelijk aan de orde stelt. Integendeel, een snelle introductie van opeenvolgende technologische innovaties wordt nagenoeg kritiekloos geaccepteerd, hetzij dat de innovaties onvermijdelijk geacht worden (“technologie kan je niet tegenhouden”, nietwaar?), hetzij omdat technologische innovatie op mythische wijze gelijkgesteld wordt met maatschappelijke vooruitgang.

Degenen die te snelle en onvoldoende doordachte introducties van technologische toepassingen en de aard van ‘vooruitgang‘ die er mee gepaard gaat in vraag stellen, worden gemakkelijk aan de kant gezet als wereldvreemde vogels of erger nog - ten minste indien de geadresseerde een onderzoeker is - als activist. ‘Wil je misschien terug naar het stenen tijdperk?’ is de vraag die zij met neerbuigende ironie in het gezicht geslingerd krijgen. Het antwoord is uiteraard negatief. Zij verlangen naar toekomstbestendige vooruitgang, niet alleen voor zichzelf, maar voor iedereen. En graag een toekomst op aarde. Waarom zouden we onze hoop vestigen op een toekomst ergens in de onherbergzame ruimte, als we er niet in slagen onze toekomst op onze uitzonderlijke planeet aarde veilig te stellen. Vooruitgang begrijpen zij trouwens niet alleen in termen van welvaart, maar vooral in termen van welzijn.

We hebben eerder sociale innovatie nodig dan technologische innovatie

Wordt het dan niet hoogtijd om ons te bezinnen en, misschien wel, een radicaal andere weg in te slaan: een weg die meer gebaseerd is op common sense en minder op gefragmenteerde, gebrekkige kennis? We hebben niet zozeer nood aan technologische innovatie, maar aan sociale innovatie. Er bestaan ondertussen voorbeelden genoeg van (lokale en kleinschalige) sociale innovaties die laten zien dat de nodige verandering niet noodzakelijk uitsluitend op wetenschappelijke kennis gebaseerd hoeft te zijn en dat verandering ook geen offer hoeft te zijn, maar een verbetering kan zijn voor het algemeen welzijn. Of, zoals Rik Pinxten het treffend verwoordt: ‘We moeten stoppen met de ongelimiteerde roof en onderdrukking, en leren om wat bescheidener en samen te zoeken naar gedeelde, gemeenschappelijk gedragen actieplatformen die rechtvaardige herverdeling en solidariteit als belangrijk kenmerk hebben. […] Dat impliceert het beperken (of verbieden?) van het roofkapitalisme, van de ongelimiteerde eigendomsclaims van enkelen op grondstoffen, mensen, lucht en tijd van alle anderen’ (dS 18/10/2019).

Actiepunten voor de VO&O-gemeenschap

Een oproep in drie delen

1. Besef dat wetenschappers door en door politiek handelen

Het is hard nodig dat de VO&O gemeenschap- en de zogenaamd ‘harde’ wetenschappers in het bijzonder zich er van bewust worden dat hun handelen door en door politiek van aard is, in de zin dat zij de technologische toepassingen creëren en maatschappelijk introduceren die vorm geven aan het persoonlijke en publieke leven. Zij geven vorm aan de infrastructuren die mensen tot hun beschikking krijgen om te communiceren, zich te verplaatsen, te produceren en te consumeren en, niet te vergeten, om te onderzoeken en innoveren.

Ik verwacht van de zogenaamd ‘zachte’ wetenschappen, mens- en geesteswetenschappen, dat zij luider hun stem laten horen in debatten met politici, ondernemers, burgers en collega-wetenschappers, en hen wijzen op de mogelijkheden van andersoortige, met name sociale, i.p.v. technologische, innovaties. Wellicht is de kans dat dit soort innovaties leidt tot rechtvaardige en veilige toekomsten op lange termijn iets groter. Bovendien zijn ze veel ongevaarlijker.

2. Neem afstand van vernietigend economisch systeem

Ik nodig de VO&O gemeenschap uit om in het openbaar een eenduidig standpunt in te nemen t.a.v. een vernietigend economisch systeem dat enerzijds uitmondt in groeiende ongelijkheid en er anderzijds toe leidt dat de mogelijkheidsvoorwaarden voor menselijk leven in de toekomst in het gedrang komen. Groeiende ongelijkheid zet niet alleen een rem op door de markt gestuurde inclusieve innovaties, het beperkt ook de bereidheid van zowel burgers met hogere inkomens als de mogelijkheden van burgers met lagere inkomens om stappen te ondernemen om destructieve systemen fundamenteel te hervormen.

Hier hebben economische wetenschappers een immens grote verantwoordelijkheid, namelijk om het economische systeem zodanig te herontwerpen dat de vrijheid van de markt geleidelijk aan resulteert in een rechtvaardige verdeling van inkomen/macht en van de kansen op persoonlijke ontplooiing. De vrijheid van de markt is geen natuurlijk fenomeen. Zij is gecreëerd door wettelijke (bijvoorbeeld eigendomsregimes) en andere (bijvoorbeeld culturele normen en waarden) instituties. De vrijheid van de markt kan dus ook anders geconstrueerd worden als de politieke wil daar is.

Het doel van een nieuw economisch systeem zou in de eerste plaats moeten zijn om het welzijn te doen toenemen. Daarvoor nodig ik economische, exacte, mens- en geesteswetenschappers uit om, geïnspireerd door verschillende culturen wereldwijd, te onderzoeken welke niveaus en types van welvaart nodig zijn voor menselijk welzijn en wereldwijd toepasbaar zonder planetaire grenzen te overschrijden.

3. Steun klimaatjongeren

Het lijkt mij niet minder dan gepast dat de VO&O-gemeenschap in het publiek en met luide stem de dappere initiatieven van Greta Thunberg en haar jonge kompanen steunt, wanneer zij politici en volwassenen vragen om aan hen een wereld na te laten die hen zal toelaten om ook in de toekomst menswaardig te leven. Het was beschamend  om te zien hoe sommige (zelfs vooraanstaande) leden van de politieke en wetenschappelijke gemeenschap hen aan de kant schoven als onwetende, slecht geïnformeerde, paniek zaaiende kinderen.

Het was een troost te lezen dat Europees commissaris Frans Timmermans het opneemt voor de klimaatjongeren (dS9/10/2019). Zij het dat hij meteen de hoop op verandering temperde door te waarschuwen dat de financiering van een ‘Green Deal’ een Herculeswerk wordt. Het lijdt echter geen twijfel dat elk uitstel de financiële en menselijke kosten alleen maar zal opdrijven.

Doctor Marian Deblonde - zij schreef deze bijdrage op persoonlijke titel 

Voetnoten

(1) zie wikipedia 

zie ook Pala woordenboek met een overzicht van artikels over planetaire grenzen of rechtstreeks het Overzicht Pala artikelreeks over planetaire grenzen 

(2) Jean Buck publiceerde in 2019 bij uitgeverij Verso het boek Geoengineering Climate Tragedy, Repair and Restoration

Dit artikel verscheen op 8 november 2019 op website van PALA.

Read more...

Het neoliberale globaliseringsproject heeft tot reductie van verantwoordelijkheid en vrijheid geleid

25 juli 2019 by Politiek 711 Views
Jan Mertens

Written by

'Nog snel even door het oranje rijden is helemaal niet cool, ook al is het dan wel koel in je auto', schrijft Jan Mertens, lid van de denktank Oikos in Knack op 23/07.

De voorbije dagen kregen we het in de media vaak te horen. Code oranje. De watervoorraden hebben een kritiek punt bereikt. De temperaturen zullen fors stijgen. De ozonconcentraties zullen hoog zijn. In New York roept burgemeester Bill De Blasio een hittenoodtoestand uit. De airco mag niet te laag gezet worden, anders wordt er teveel energie verbruikt. Zal men zich daaraan houden? Wordt het 'eigen koelte eerst'? De rechtvaardigheidsdilemma's van de klimaatverandering komen dichterbij. Zullen ook bij ons zij die het normaal zijn gaan vinden om elke dag minstens een keer te douchen dat gedrag aanpassen opdat er voor anderen ook nog water zou zijn?

Gezamenlijke veiligheid

In de autorijles leerden we dat een oranje verkeerslicht betekent dat je moet stoppen en een rood dat je moet stilstaan. Velen interpreteren oranje echter nog steeds als: ik kan er waarschijnlijk nog net door, gas geven! Want oranje is nog altijd geen rood, het zal nog wel meevallen, die anderen moeten zich maar aan de regels houden.

Het is interessant, hoe we denken dat we het verkeersreglement voor onszelf kunnen oprekken, in zekere zin alsof het verkeer de 'anderen' zijn.

Het zijn de anderen die voor de file zorgen, in de weg staan, de mooie parkeerplaats hebben, en dus mag ik voor mezelf opkomen.

Het neoliberale globaliseringsproject heeft tot reductie van verantwoordelijkheid en vrijheid geleid

Het interessante van het verkeer is dat we in wezen niet alleen kunnen zijn. We zijn voor onze gezamenlijke veiligheid afhankelijk van de anderen, moeten erop kunnen vertrouwen dat de anderen zich ook aan de regels houden. We hebben er zelfs belang bij dat we de wegen zo inrichten dat de meest kwetsbaren beter beschermd of zelfs de norm worden. Veilig verkeer kunnen we alleen samen zijn. Anders heerst enkel de macht van de sterkste en zullen nog meer mensen zich terugtrekken in hun gepantserde en gekoelde SUV terwijl kwetsbaren het slachtoffer worden, wat die mensen in hun hoge auto dan niet meer hoeven te zien.

Er zijn allerlei varianten van het negeren van het oranje licht. 'Ik weet wel dat het slecht is voor mijn ecologische voetafdruk, maar ik ben toch naar Madagascar gevlogen. Nu het nog kan.' Die 'nu het nog kan' is fascinerend... Sommigen die tot voor kort stelden dat er eigenlijk niets aan de hand was met het klimaat, zeggen nu dat het toch al allemaal te laat is.

'Het zal mijn tijd nog wel net duren. Dat is dan wel pech voor mijn kinderen, maar je kunt er nu toch niets meer aan veranderen, dus kan ik er evengoed nog extra van genieten.'

Wat in deze uitspraken op persoonlijk niveau weerklinkt, zegt ook iets over een structurele ontwikkeling, die onder meer door Bruno Latour in zijn schitterende essay Waar kunnen we landen? is beschreven. Een groep in onze mondiale samenleving heeft beslist (of voor zichzelf aanvaard, bij gebrek aan zin in zelfreflectie) dat er op deze planeet geen toekomst is voor iedereen en dat men zich zo snel mogelijk van alle lasten van de solidariteit wil ontdoen.

Privévliegtuig

Sommigen van hen komen met hun privévliegtuig naar het World Economic Forum om daar te luisteren naar Greta Thunberg. Ze zijn lichtjes geëmotioneerd. "Het is inderdaad heel erg, we moeten er dringend iets aan doen." Ze hebben ook voor zichzelf uitgerekend dat het voor hen nog wel mee zal vallen. Er zijn ook populistische en nationalistische politici die gemakkelijk weg lijken te komen met een merkwaardige intellectuele spreidstand.

Ook zij weten dat de welvaart die we 'hier', 'bij ons' hebben er alleen maar kan zijn omdat die steunt op een geglobaliseerde onrechtvaardige economische keten (de grondstoffen komen van 'daar', het afval sturen we naar 'daar', de klimaatverandering is vooral 'daar').

Maar tegelijk zeggen ze aan hun kiezers dat we 'hier' volledig autonoom en soeverein kunnen zijn, en liefst met mensen 'zoals wijzelf'. Het is heel logisch dat de machthebbers in zo'n politiek project er alles aan zullen doen om de klimaatverandering actief te ontkennen. Dat vervelende klimaat maakt immers te duidelijk dat we op één planeet leven, dat we samen het klimaat zijn, zoals we samen het verkeer zijn.

Die 'nu het nog kan' blijft merkwaardig. Het neoliberale globaliseringsproject heeft tot een eigenaardige reductie van begrippen als verantwoordelijkheid en vrijheid geleid, alsof die twee begrippen niets met elkaar te maken hebben. 'Je kunt de mensen toch niet veranderen', klinkt het dan. In volle verantwoordelijkheid, in de jaren die we nog hebben om rechtvaardige keuzes te maken, er zelf voor kiezen om onze maatschappij grondig te transformeren, dat getuigt toch van een veel grotere vrijheid dan impliciet te aanvaarden dat het fout gaat of dat er wel een of andere verlichte dictator zal komen?

Misschien rust werkelijke vrijheid - die niet kan bestaan zonder rechtvaardigheid - wel in het aanvaarden van een aantal grenzen.

Soms is het alsof we beseffen dat we samen in een bus zitten die op de snelweg keihard de verkeerde richting uit rijdt, maar dat we ons gewoon niet durven inbeelden dat we niet in die bus zouden zitten. Misschien durven we de vrijheid niet aan van het denken van het duurzame en rechtvaardige alternatief en rijden we dus maar door het oranje.

Het besef van de dreigende klimaatchaos maakt ons ook duidelijk dat de aarde zelf een soort actor geworden is. Het was heel modern te doen alsof er een scheiding zou zijn tussen ons als mens en de rest. De aarde was als een soort willoos vat, een decor van de menselijke vooruitgang. We konden de aarde gebruiken als louter een productiefactor. We vonden het vanzelfsprekend dat dat decor - aangezien het uit louter materie of 'ondergeschikte' soorten bestond - zich wel zou schikken naar onze menselijke missie die alle grenzen zou overschrijden. (To boldly go where no man has gone before!)

We wilden ons zo graag 'bevrijden' van de natuur, alsof wij niet zelf natuur zouden zijn. En nu lijkt de aarde via klimaatverandering, luchtvervuiling, grondstoffenconflicten, ... terug te slaan.

Die bevrijding door scheiding maakt ons nu vooral minder vrij en vergroot op acute wijze de rechtvaardigheidsuitdaging. Misschien rust werkelijke vrijheid - die niet kan bestaan zonder rechtvaardigheid - wel in het aanvaarden van een aantal grenzen, in het besef dat we in zekere zin samen met de andere aardebewoners zelf de aarde zijn.

Return to sender

Keuzes dringen zich op. Geloven dat we eindeloos kunnen blijven groeien en dat we die toenemende productie en consumptie volledig, op grote schaal, en langdurig zullen kunnen loskoppelen van de impact op de planeet is als in volle bewustzijn door het oranje rijden. Er zijn immers onvoldoende bewijzen dat zo'n absolute ontkoppeling mogelijk is. Zeggen dat we in onze 'schone diensteneconomie' ontkoppeling hebben is je ogen sluiten voor het feit dat we het 'gekoppelde of herkoppelde' deel van onze economie hebben verbannen naar de andere kant van de wereld. Eerst was het naar China, en nu stuurt China de hinder ook al door naar andere landen waar ze hopelijk weinig zullen protesteren. Al zijn die landen nu ook begonnen met het terugsturen van afval naar afzender.

De koppeling wordt doorgeschoven naar de armsten, zodat de rijksten ontkoppeld kunnen leven (waarmee ze zich ook mentaal en ethisch hebben ontkoppeld van die ene wereld waar ze in de feiten niet toe willen behoren).

We hebben dus keuzes te maken. Gaan we ons in de Europese, federale en Vlaamse programma's voor circulaire economie vooral laten leiden door een verlangen naar meer groei en competitiviteit of gaan we echt proberen kringlopen te sluiten, de voetafdruk te verkleinen en rechtvaardigheid te verbeteren?

Dat is ook beter voor het klimaat. Gaan we het Europese Stabiliteits- en Groeipact vervangen door een project dat stabiliteit zoekt voorbij de klassieke groei? Gaan we onder ogen willen zien dat er voor onze zogenaamd 'efficiënte' groene economie door mensen aan de andere kant van de wereld een te grote prijs wordt betaald of gaan we even nadenken voor we ook de zeebodem gaan ontginnen? Een beleid van sufficiëntie, een economie van het genoeg dus, getuigt misschien wel van veel meer vrijheid in verantwoordelijkheid, van het besef dat we alleen samen veilig kunnen zijn in het verkeer, dan te denken dat we ongestoord door het oranje kunnen blijven rijden.

Dit artikel verscheen op 23/07 in de doordenkers van Knack.

Read more...

De verkiezingsoverwinning van de klimaatgeruststellers

01 juni 2019 by Politiek 1542 Views

Hoe is het mogelijk dat uitgerekend de twee partijen die het verst staan van alles waarvoor de laatste maanden tienduizenden mensen betoogd hebben, de grootste partijen in Vlaanderen zijn? Hoe hebben N-VA en VB kunnen vermijden dat mensen massaal “klimaatvriendelijke” partijen boven hen verkozen? De overwinning van het VB en het feit dat de N-VA veruit de grootste partij in Vlaanderen gebleven is, hebben natuurlijk vele oorzaken. In dit artikel heb ik het alleen over de manier waarop ze met de klimaatproblematiek zijn omgegaan. 

Zijn Vlamingen niet begaan met het klimaat? Hebben ze het niet begrepen of wat is er aan de hand? Er is al maandenlang een breed front, van scholieren over wetenschappers tot vakbonden en bedrijfsleiders, met tal van betogingen, persinitatieven en petities. Ik denk dat alle partijen de klimaatproblematiek heel goed begrepen hebben. Mijn stelling is dat N-VA en VB, net zoals andere partijen in het buitenland, zich met succes hebben opgesteld als “klimaatgeruststellers”, als partijen die de klimaatproblematiek minimaliseren en de kiezers geruststellen. Het gaat niet klimaatontkenning, zoals we dat zien bij een Donald Trump of Thierry Baudet. Het is subtieler. De feiten worden erkend, maar de verantwoordelijkheid wordt doorgeschoven naar anderen en – hoofdzaak! - de burgers worden ontheven van elke verantwoordelijkheid en gerustgesteld. 

“Où atterrir” van Bruno Latour is een bijzonder boeiend boek over mondialisering, groeiende ongelijkheid en klimaatnegationisme. Hij schreef het voor de klimaatacties van jongeren, maar kondigt ze impliciet aan. Het boek hier samenvatten zou afdoen aan de rijkdom aan analyses en ideeën die je er vindt. Ik beperk me tot enkele grote punten. Latour stelt dat de aarde een actor wordt, dat ze zich laat horen. Kijk maar naar de orkanen en droogtes van de laatste jaren, of de walvissen die op onze kusten aanspoelen, met hun maag vol plastic. We hebben bepaalde fysieke grenzen – op de eerste plaats natuurlijk de concentratie aan broeikasgassen- niet gerespecteerd en nu is het net alsof de aarde terugslaat en zich gaat moeien met ons leven. Voor sommige mensen is de erkenning hiervan vanzelfsprekend. Het komt er nu op aan om onder elkaar af te spreken hoe we samen welvarend en gelukkig leven, rekening houdend met de fysieke wetten van de aarde. Voor anderen is dit onwezenlijk en wordt dat inzicht van grenzen verdrongen. Het kan niet dat de aarde hen aanzet tot het heroverwegen van wat volgens hen het goede leven is. De boodschap wordt zoveel mogelijk geminimaliseerd of verdrongen. De aarde spreekt, zegt Latour, ook via mensen die actievoeren en zich laten horen. De Franse zadisten, verdedigers van gebieden tegen grote infrastructuurprojecten, zegden: “We verdedigen de natuur niet, we zijn de natuur die zich verdedigt.” Het boek van Anuna De Wever en Kyra Gantois draagt niet voor niets de titel “Wij zijn het klimaat.” De klimaatbrossers als stem van de planeet, hun betogingen als de waarschuwende hand van een planeet in nood wiens incasseringsvermogen op is.

De klimaatacties van de laatste maanden gaven vele mensen hoop, maar dat was niet overal zo. Een korte anekdote illustreert dat. Ik stond een tijd terug in de rij in een pizzeria en op de TV was er net een nieuwsuitzending. Het ging over een betoging van de klimaatspijbelaars. De uitbater zuchtte diep. Dan volgde een item waarin het WWF zei dat we minder vlees moesten eten, een kwestie van onze planeet te redden. De man liet nu zijn ergernis nog meer blijken.  Laten we het leven van die man even fictief uitspinnen. Hij heeft na 20 jaar hard werken eindelijk een (dure) SUV en kan een paar keer per jaar een citytrip maken. Binnen enkele jaren zal hij van zijn ouders een mooie bouwgrond op het platteland erven. Wat komen die klimaatjongeren -meisjes dan nog! – hem zeggen (toch in zijn perceptie)? Gedaan met de SUV en de citytrips, de bouwgrond zal niet meer mogen bebouwd worden en hij zal minder vlees eten. Zolang ik dat niet doe, moet ik me schuldig voelen, zelfs moreel minderwaardig, want het gaat hier eigenlijk om wat het goede leven is en wat het niet is. Zo begrijpt mijn personage dat. Hij voelt zich verraden. Heel zijn leven heeft men hem gezegd dat zijn gedrag wel ok was, maatschappelijk aanvaard en moreel niet problematisch. Dat lijkt nu toch niet het geval te zijn. Dit is niet rechtvaardig, dit is woordbreuk! Niemand houdt ervan zich schuldig te voelen. Het kan dan ook niet verbazen dat Anuna De Wever en Adelaïde Charlier veel commentaar krijgen, al was de stijl ervan al te vaak grof en misplaatst. In de perceptie van velen verstoren ze hun feestje, dreigen ze hen op te zadelen met schuldgevoelens (wat hun bedoeling niet is). Het lijkt een nieuwe versie van het sprookje van de nieuwe kleren van de keizer. Tieners roepen – terecht – dat de keizer in zijn blootje loopt, maar tal van omstaanders willen dat niet horen. Ze willen blijven dromen. De tieners moeten maar beter hun mond houden, klinkt het. Wanneer een paar mensen van adel zeggen dat de tieners liegen en de keizer wel een prachtig kleed draagt, slaken de omstaanders een zucht van opluchting. Het feest kan doorgaan. 

Die mensen van adel staan uiteraard symbool voor die politieke partijen die een antwoord bieden aan mensen die betreuren dat het zogenaamde feestje verstoord wordt: de klimaatgeruststellers. Dit is hun boodschap. Het klimaat verandert inderdaad, maar ons landje is verantwoordelijk voor minder dan een procent van de uitstoot op wereldvlak. Dus ook al nemen we strenge maatregelen, dat heeft nauwelijks effect. Het zijn grote vervuilers zoals China die hun verantwoordelijkheid moeten opnemen. Bovendien hebben wetenschappers in het verleden altijd oplossingen gevonden en dat zal nu weer zo zijn. Ecorealisme, geen doemdenken, klinkt het. Dus geen slimme kilometerheffing of hogere fiscaliteit op vliegtuigreizen, en stop met mensen een schuldgevoel aan te praten als ze een lekkere biefsteak eten. Voor vele mensen klinkt die boodschap als muziek in de oren. Het feest kan doorgaan. Er zijn geen grenzen, noch aan de groei, noch aan de consumptie. We hoeven ons niet schuldig te voelen, we kunnen ongestoord verder leven zoals we willen. We zijn niet onverantwoordelijk tegenover onze kinderen en kleinkinderen. 

Twee data illustreren de kloof tussen twee totaal verschillende houdingen. Op 12 december 2005 erkenden in Parijs 150 landen dat de aarde niet alles aan kan en spraken ze af om in overleg oplossingen te zoeken zodat alle aardbewoners een goed leven zouden hebben binnen de grenzen van de planeet. Op 1 juli 2017 besliste Donald Trump zich terug te trekken uit het Parijse klimaatakkoord en gaf hij dus het signaal dat hij de fysieke grenzen van de planeet niet erkent en dat iedereen maar zijn plan moeten trekken. Hij neemt de vlucht naar voren en luistert niet naar degenen die zeggen dat je nergens meer heen kan vluchten, dat elke vluchtweg een door mensen construeerde luchtspiegeling is. In de verkiezingscampagne kregen we van sommige partijen een Vlaamse versie van dat verhaal te horen: impliciet ontkennen van wetenschappelijke evidentie, beweren dat klimaatbeleid tot een tsunami van belastingen voor de Vlaming zal leiden en mensen wijsmaken dat “het feest” kan doorgaan (daarbij vergetend dat vele mensen nooit hebben kunnen feesten, dat de volgende generaties zware facturen van het feest zullen betalen en dat het aantal zelfmoorden, depressies en burn-out in dit land ons zou moeten doen afvragen of dit wel een “feest” is).

Hoe ga je daar mee om? Latour komt bewust niet met pasklare oplossingen. Hij vindt dat het onze eerste taak het volgende is: “Hoe moeten we ons richten tot degenen die zich terecht in de steek gelaten voelen door het historisch verraad van de leidende klassen en die nu met veel misbaar vragen om de veiligheid van een afgeschermde ruimte?” Welke boodschap heb ik voor mensen zoals de eigenaar van de pizzeria? Hoe kan ik hem overtuigen dat een klimaatvriendelijk leven kan leiden tot een beter en gelukkiger leven? Moeten we niet meer spreken over individueel gedrag en alleen over beleid? Maar dat beleid heeft natuurlijk impact op het dagelijks leven van de mensen, denk maar aan de betonstop of een autovrije binnenstad. Geen gemakkelijke kwestie. Latour stelt ook dat we andere vragen op tafel moeten gooien: “Vraag mensen zélf te beschrijven wat de condities van hun bestaan zijn. Met wie kun je leven? Van wie ben je afhankelijk?” Dat opent nieuwe debatten en kan leiden tot verfrissende ideeën. Probeer mensen buiten het huidig kader te doen denken en te overtuigen dat er meerdere toekomstscenario’s zijn, dat noch experten noch betogers één scenario willen opleggen maar dat we samen een ander scenario willen uittekenen en uitvoeren.

Voor mij versterkt Latour het idee dat iedereen die met ons klimaat begaan is de volgende maanden en jaren niet alleen met energie-, mobiliteits- en andere experten moeten praten. Dat moeten we blijven doen. We moeten nu onze horizon verruimen en ook met sociologen en psychologen praten, over maatschappelijke verandering, over rouwprocessen – want daar gaat het ook om -, over methoden over het zoeken naar welke waarden we wel delen met degenen die op 26 mei voor de klimaatgeruststellers kozen. Dat zal een lang en complex proces zijn, maar het lijkt me een noodzakelijke aanvulling en uitdieping van wat al gebeurt.  Dat betekent niet dat we moeten hopen en mikken op consensus over alle issues. Dat is een illusie. Er zullen altijd tegengestelde belangen en meningen zijn en keuzes moeten gemaakt worden. Samenlevingen zijn divers. Het komt er wel op aan werk te maken van een sociaal rechtvaardige transitie met perspectieven voor alle groepen. Ondertussen zal de aarde ons blijven herinneren aan het feit dat we haar incasseringsvermogen niet respecteren, met stormen, overstromingen en droogtes, van hier tot in Bangladesh. De volgende jaren zullen die feiten, naast wetenschappelijke rapporten en tal van klimaatacties ons keer op keer eraan herinneren dat de keizer wel naakt loopt. Ook al verliezen we ondertussen veel tijd, alle ontsnappingsroutes zullen telkens weer niet meer dan fictieve constructies blijken te zijn die door de feiten weerlegd worden. Eens we het eens zijn dat de keizer echt wel in zijn blootje loopt, kunnen we de illusie achter ons laten en een nieuw hoofdstuk van onze geschiedenis schrijven.

 

Luc Barbé

Read more...

Over de noodzaak van een nieuwe participatiecultuur

15 april 2019 by Politiek 832 Views

Recensie: Uit de puinhopen. Een nieuwe politiek in een tijd van crisis.  Monbiot, George (Lemniscaat, Rotterdam, 2018, 207 p.) door Roger Jacobs.

George Monbiot (geb. 1963) studeerde zoölogie in Oxford en maakte in zijn jonge jaren naam als een tot de verbeelding sprekende groene onderzoeksjournalist, activist en wereldreiziger. Later zou hij zijn niet van gevaren gespeende baan inruilen voor die van The Guardian – columnist wiens analyses en voorstellen hem in Engeland de titel van ‘the foremost green public intellectual for 30 years’ (Antipode, februari 2017) opleverde. Alhoewel zijn naam tot voor kort wel een belletje bij mij deed rinkelen –ik denk daarbij aan zijn pleidooi voor de herintroductie van grote, wilde diersoorten in de Europese natuur (‘Feral’ (2013))- had ik nog nooit een boek van hem gelezen. Toen ik op aanraden van drie van mijn kennissen (onafhankelijk van elkaar) zijn laatste pennenproduct ‘Uit de puinhopen’ doornam besefte ik dat dit een kennismaking was met  één van de interessantste groene auteurs van de laatste jaren. Natuurlijk omdat hij een aantal van mijn opvattingen – zeker niet allemaal - bevestigde maar deze tegelijk dichter bij de leefwereld van de doorsnee burgers liet aansluiten door ze op te nemen in een  ‘Groot Verhaal’ geschreven in een begrijpelijke taal.

Wetenschappelijke waarheid en narratieve getrouwheid

In het aanvangshoofdstuk legt Monbiot het belang van ‘verhalen’ uit: het zijn middelen waarmee we een weg zoeken doorheen de wereld. Als we pogen een complexe situatie te doorgronden dan doen we dat niet door op zoek te gaan naar samenhangende en betrouwbare feiten maar wel naar een samenhangend en begrijpelijk verhaal. Filosofische of wetenschappelijke rationaliteit moet het steeds afleggen tegenover ‘narratieve getrouwheid’: weerspiegelt het verhaal onze verwachtingen ten aanzien van het menselijk gedrag, verloopt het zoals verhalen horen te verlopen, … ? Een wetenschappelijk gefundeerd ‘waar’ verhaal is nooit in staat zo’n krachtig ‘imaginair’ verhaal te ontkrachten of zelfs maar te corrigeren. Feiten die niet passen binnen de narratieve ‘waarheid’ worden gewoonweg genegeerd behalve als ze deel gaan uitmaken van een nog krachtiger verhaal. Het patroon van zo’n politiek relevant krachtig verhaal is steeds hetzelfde. Het land verkeert in chaos door toedoen van machtige en boosaardige krachten die ingaan tegen de belangen van de mensheid. De ‘held’ – enkeling of groep- neemt het met vallen en opstaan op tegen deze duistere machten en herstelt uiteindelijk de orde. Zelfs de meest groteske doctrines worden aanvaardbaar als ze ingebed worden in een dergelijke verhaalstructuur.

Het mag ons daarom ook niet verwonderen datzelfde narratieve patroon terug te vinden in de twee meest succesvolle ideologieën van de laatste eeuw. De ‘sociaal - democratie’ verklaarde het verval van de wereld door het inhalige gedrag van de op winst beluste kapitalisten die een politiek en financieel monopolie bezaten. Met als gevolg: crisis en oorlogen. Slechts door zich te verenigen op basis van haar gemeenschappelijke belangen kon de wereldbevolking de macht van het uitbuitende kapitaal breken en deze vervangen door een herverdelende en beschermende staat die de rechtvaardige orde herstelde en de toekomstige bestaanszekerheid garandeerde. Vanaf de zeventiger jaren van de vorige eeuw verklaarde het opkomende ‘neo – liberalisme’ de toenemende economische en sociale stagnatie door de wurggreep van een te machtig geworden staat die vrijheid, individualisme en kansen in de kiem smoorde. Dankzij het moedige optreden van vrijheidslievende ondernemers en academici werd de statelijke moloch op de knieën gedwongen en terug in dienst van de maatschappelijke dynamiek gesteld. De orde wordt hersteld door de creatie van vrije markten die rijkdommen en kansen voortbrengt en zo een welvarende toekomst voor alle initiatiefrijke mensen in petto houdt. Deze twee doctrines bots(t)en voortdurend tegen feiten die hen hadden kunnen weerleggen indien hun narratieve overtuigingskracht geringer was geweest.

Het neo - liberale beeld van de werkelijkheid heeft ondertussen het sociaal – democratische verhaal onderuit gehaald maar staat nog sterk genoeg om politieke  mainstream verhalen én fragmentarische contra-verhalen (populisme, ecologisme) te weerstaan.

Dat draagt bij aan de meest kenmerkende toestand van onze tijd: vervreemding. ‘Vervreemding is een breed begrip. Het houdt onder meer in dat mensen geen macht meer hebben over het werk dat ze doen, geen binding met de gemeenschap en de samenleving, hun vertrouwen verliezen in de politieke instituties, de toekomst niet meer met een gerust hart tegemoet zien, hun gevoel van zin en betekenis verliezen, en het idee hebben dat ze geen greep meer hebben over hun eigen bestaan. (p. 58). Het ergste slachtoffer van deze vervreemding is het samenhorigheidsgevoel. De sociaal – democratie heeft wel gezorgd voor een systeem van sociale voorzieningen dat welvaart bracht maar tevens de zelfstandigheid en de wederzijdse hulp van de ontvangers aantastte. Toen dat systeem onder het neo – liberale gesternte sterk werd ingekrompen (West-Europa) of zo goed als afgeschaft (in de Angelsaksische wereld) kwam het sociale lijden terug maar dit keer in een maatschappelijk vacuüm (‘Je staat er alleen voor’ want de gemeenschap is verdwenen en de staat ‘pampert’ voortaan niet meer maar ‘activeert’). De gemeenschap moet dus hersteld worden in combinatie met de heropbouw van een sociaal valnet.

De onontbeerlijke participatiecultuur

Dat is enkel te bewerkstelligen via de geleidelijke revival van de participatiecultuur. Deze kan het gemeenschapsleven terug gaan bezielen en het gras onder de voeten van de zondebokjagers wegmaaien. Daarvoor moeten kleine bestaande initiatieven (denk maar aan volkstuintjes, repair – café’s, LET’s, parochiale vluchtelingenopvang …) uitgroeien tot ‘dikke netwerken’: gestadig zich uitbreidende projecten vormen de voedingsbodem van onvoorziene nieuwe initiatieven waarin steeds meer mensen –niet enkel de maatschappelijk betrokken types en superburgers- een plaats en functie vinden. Monbiot benadrukt het belang van laagdrempeligheid waar mensen met weinig geld, opleiding en maatschappelijk zelfvertrouwen zich op hun gemak kunnen voelen en waar niet te veel van hen gevergd wordt. Samen voor kinderen zorgen, samen inkopen doen, eenvoudige vaardigheden aanleren, gereedschap en apparatuur delen en iets maken of herstellen … Financieel geruggensteund door de lokale overheid kan dit na een tijd leiden tot een omslagpunt wanneer 10 à 15% van de buurtbewoners regelmatig aan dit soort activiteiten deelneemt.

Het is een ‘understatement’ om te stellen dat dergelijke participatiecultuur politieke neveneffecten heeft. Een werkzame participatiecultuur is het nieuwe politieke leven.

De meeste mensen baseren hun politieke keuzen immers niet op rationele argumenten (= beredeneerd informatie beoordelen) maar op wie ze ‘zijn’. Als politieke wezens handelen we als leden van maatschappelijke groepen die hun identiteit tot uitdrukking willen brengen. Mensen stemmen op politieke partijen die het best lijken aan te sluiten bij hun cultureel milieu, onafhankelijk van het feit of die partijen echt hun belangen dienen. Geschoolde milieus hebben weliswaar oog en oor voor informatie maar gebruiken die vooral om hun vast staande meningen te rechtvaardigen maar niet om deze te herzien of bij te sturen. Een effectieve participatiecultuur kan onze identiteit een nieuwe vorm geven via onze dagdagelijkse ervaringen die ons het gevoel geven van ‘Hier hoor ik bij en daar niet: deze mensen zijn mijn bondgenoten en dat daar zijn mijn tegenstanders’ (p. 87). Ook iemand met een andere cultuur of taal kan ‘zoals jij zijn’. Monbiot gaat akkoord met de bekende post – kapitalist Paul Mason wanneer deze stelt dat sterke gemeenschappen een vervanging kunnen bieden voor de uiteengevallen en geflexibiliseerde arbeidersklasse. Zij vormen de nieuwe voedingsbodem van verzet én van constructieve voorstellen die niet enkel hun eigen (werknemers)belangen dienen maar tevens die van de gemeenschap en –waarom niet?- van de maatschappij in zijn geheel. Sterke gemeenschappen kunnen voor zichzelf opkomen door eisen te gaan stellen bij hun lokale overheden en de openbare nutsbedrijven (mobiliteit, ruimtelijke ordening, groene omgeving, lucht- en waterkwaliteit, enz.). Het grote voordeel van actief burgerschap in de lokale gemeenschap is dat de daarmee samenhangende identiteit en waardigheid volledig in eigen hand liggen en niet afhangen van een baan die staat of valt naargelang van de grillige koers van de beursaandelen!

Staat, markteconomie en de ‘commons’

Dikwijls wordt gesteld dat het de fundamentele uitdaging van de politiek is om het juiste evenwicht te vinden tussen de macht van de markt en die van de staat. Monbiot beschouwt dit als een verkeerde premisse want noch de markt, noch de staat, noch de combinatie van de twee kunnen in al onze behoeften voorzien. Beide hebben hun aandeel gehad in de vernietiging van de samenhorigheid en daardoor bijgedragen tot vervreemding, woede, normvervaging en extremisme. Eén element blijft opvallend onvermeld: het gemeenschappelijke bezit (‘commons’). Dit kan een lokale gemeenschap doel en richting verschaffen. Mooi citaat: ‘De bestaansmiddelen die het levert kunnen helpen om de leden van de gemeenschap bestaanszekerheid te verschaffen (…) De gemeenschappelijke bestaansmiddelen zorgen ervoor dat de levens van de leden met elkaar verweven raken. Het intact houden van de bron van die bestaansmiddelen houdt in dat er met andere mensen samengewerkt dien te worden om regels en ethische codes op te stellen en naleving daarvan af te dwingen. Bloeiende commons vormen, naar mijn overtuiging, een cruciaal onderdeel van de samenhorigheidspolitiek’ (p. 96). Hij gaat tamelijk diep in op mogelijke beheervormen van gemeenschappelijk bezit en suggereert om hun opbrengsten te gebruiken on een universeel basisinkomen te financieren.

Dit alles mag niet de indruk wekken dat Monbiot het bestaansrecht van de staat en van de markteconomie zou ontkennen. Wat de staat betreft schrijft hij: we hebben haar nodig om ons te beschermen tegen de macht van het geld en van de wapens. Maar momenteel heeft zij zich vereenzelvigd met de oligarchieën: de bescherming van de bevolking heeft moeten wijken voor de winst van de bedrijven en de miljonairs. Ter remediëring doet hij een aantal concrete voorstellen die gericht zijn op de Britse en Amerikaanse politieke systemen. Als voorbeeldland verwijst hij daarbij naar de referendum – democratie in Zwitserland: Zwitserse burgers hebben  opvallend meer vertrouwen in hun overheid dan in andere landen omdat zij er meer greep op hebben. Hij schrijft: ‘Het is een belachelijke gedachte dat welke regering dan ook goed zou kunnen inspelen op de behoeften van een moderne natie zonder aanhoudende feedback op haar beleid en daadwerkelijke (in plaats van impliciete) instemming daarmee door de bevolking. De gedachte dat een regering daar wél toe in staat is, blokkeert het potentieel voor echte democratie dat de huidige technologie ons biedt’ (p.147). De reëel bestaande markteconomie én de economische wetenschap wordt verweten dat zij de biosfeer behandelen als een externe factor en zich doodstaren op de heilige koe ‘groei’. Economische groei is afhankelijk van consumentisme dat parasiteert op grondstoffenverbruik en dus op aantasting van eco - systemen. Als efficiënte anti – stof prijst Monbiot Kate Raworths boek ‘Donuteconomie’ aan dat het onderwerp van de economie ‘reframet’ (frame = het gedachtenkader dat onze kijk op een kwestie bepaalt). Economie draait niet om groei maar ‘binnen de mogelijkheid van de planeet voorzien in de behoeften van iedereen’. We hebben geen nood aan groeiende economieën maar wel aan economieën die gedijen binnen de ecologisch veilige en sociaal rechtvaardige ruimte van de donut. Monbiot wijdt in dit verband uit over het belang van burgerbegroten: het grip krijgen op overheidsbegrotingen en dan vooral op het beschikbare investeringskapitaal. Als burgers macht krijgen over begrotingen zal hun betrokkenheid bij overheidsbestedingen toenemen en zal er ook meer nagedacht worden over de betekenis van ‘economie’ (een groeimachine of een welzijnsinstrument).

Een paar bedenkingen

Ik zou ‘Uit de puinhopen’ willen aanbevelen aan allen die geboeid zijn door de complexiteit, draagwijdte en mogelijkheden van de zich voltrekkende sociaal – ecologische transitie. Ik heb zelden een zo vlot geschreven boek gelezen waarin de meest uiteenlopende aspecten van de transitie (maatschappelijke en politieke decentralisatie, een participatieve staat, een groene economie met een belangrijke ‘commons’ – peiler, het basisinkomen, de burgerbegroting, een communicatieve en politieke strategie) op een kleine 200 bladzijden zeer bevattelijk behandeld worden.

George Monbiot is echter een Engelsman die zich op de eerste plaats richt tot een Brits en Amerikaans publiek en dat maakt dat bepaalde passages en hoofdstukken minder relevant zijn voor een continentaal publiek. Het meerderheidskiesstelsel in Groot Brittannië en de V.S. maakt dat het bestuur bijna uitsluitend de zaak is van de twee grootste partijen en dat er voor de groene partijen slechts een figurantenrol is weggelegd.  Hetzelfde kan gezegd worden van het laatste hoofdstuk (‘Zorgen dat het gebeurt’) dat volledig gewijd aan de electorale strategie (‘Big organizing’) van de campagnevoerders rond Bernie Sanders: zeker lezenswaardig maar,  veronderstel ik,  niet van toepassing ‘bij ons’. Ook de sociale kaalslag die het neo – liberalisme van Thatcher en The Third Way van Blair in de volkswijken van de grote Engelse steden hebben aangericht is nauwelijks vergelijkbaar met het beleid van ‘onze’ actieve welvaartsstaat.

Verder heb ik de indruk dat Monbiot niet echt op de hoogte is van gelijkaardige transitiebewegingen in het verleden of in het buitenland. In een korte passage (p.75) verwijst hij wel naar vormen van ‘socialistisch municipalisme’ in de eerste helft van vorige eeuw (in Wenen, Catalonië en de V.S.) en recenter naar de vluchtige protestbewegingen Occupy, Indignados en het Franse Nuit Debout maar veel meer dan dat ze zich inzetten voor het ‘herstel van de gemeenschap’ en ‘scholing’ van arbeiders wordt daarover niet gezegd. Ook over het recente Spaanse municipalisme of het Koerdische ‘Democratische Confederalisme’ geen woord. Ik vond in zijn boek geen enkele verwijzing naar het werk van Murray Bookchin wiens municipalistische theorie toch in het verlengde lag van een doorwrocht ecologisch wereldbeeld (‘sociale ecologie’). Bookchin zou zeker niet onder de indruk geweest zijn van de Monbiots zwierige aanpak vanuit de losse pols net zoals Monbiot niet hoog zal oplopen met Bookchins nadruk op rationaliteit en een wetenschappelijk gefundeerd ‘waar’ verhaal. Bookchin kon echter ongetwijfeld wel iets leren van Monbiots ongedwongen en ondogmatische aanpak terwijl Monbiots groene mozaïek beter uit de verf zou zijn gekomen met een wat meer coherente methodologie.

Nochtans doet Monbiots ‘groene utopie’ in laatste instantie zeer Bookchiaans aan. ‘Laten we ons voorstellen, ook al zijn we misschien niet in staat of bereid om daarnaar te handelen, dat de grote natiestaat aan haar einde is gekomen. Misschien kunnen we ons een systeem voorstellen waarin de primaire politieke eenheid de stad is, met het daarbij behorende achterland, of de subnationale regio. Deze autoriteit zou macht zoveel mogelijk delegeren aan haar districten en dorpen. Ze zou samenwerken met andere kantons om gemeenschappelijke problemen op te lossen en federale fora oprichten om bepaalde kwesties af te handelen, maar in andere opzichten onafhankelijk blijven. De federale fora zouden grotere kwesties delegeren aan mondiale organisaties met strak omschreven werkterreinen en bevoegdheden.

Op elk niveau, van dorp tot mondiaal forum, zou een rechtstreeks verkozen lichaam het primaat hebben over zowel niet – gekozen als indirect gekozen instituties. (…) Overal zou de soevereiniteit bij het volk berusten.

Met deze middelen kunnen we misschien een evenwicht vinden tussen mondiaal universalisme en lokale samenhorigheid. Zonder inbreuk te maken op onze fundamentele rechten zouden we weer greep krijgen op systemen die beweren ons te vertegenwoordigen. Zo ziet democratie eruit’ (p. 160 – 161). 

Roger Jacobs is filosoof en leerkracht basiseducatie, publicist en medeauteur van o.m. Het pomphuis van de 21ste eeuw (2000) en Terra incognita. Globalisering, ecologie en duurzame rechtvaardigheid (2006).

Read more...

In de landen die al een klimaatwet hebben, is weinig te merken van democratisch verval

11 april 2019 by Politiek 954 Views
Dirk Holemans

Written by

'Zijn het niet net de klimaattwijfelaars zoals Marc De Vos die medeplichtig zijn aan schuldig verzuim, en wel omdat ze doortastend klimaatbeleid tegen elke prijs willen afremmen', schrijft Dirk Holemans van Oikos. In een column stelde De Vos 'dat de klimaatbetogers met hun goede voornemens ook de weg naar de hel kunnen plaveien'.

Je moet er bijzonder talent voor hebben, om zo'n stuk te schrijven. Net nadat Australië de heetste eindejaarsperiode ooit kende, waarbij alle hitterecords sneuvelden, rivieren opdroogden, steenfruit kapot kookte aan de bomen en dieren massaal stierven. Tekenen van een verontrustend veranderend weerpatroon dat het Australische KMI in haar tweejaarlijkse rapport duidelijk linkt aan klimaatverandering. Juist dan schrijft Marc De Vos, decaan aan de Macquarie University in Sydney en Itinera fellow omomwonden het volgende: 'Welke omvang de klimaatopwarming heeft, of de mens er iets aan kan doen, en welke gevolgen de klimaatopwarming heeft, in het bijzonder voor onze contreien, staan niet vast.' Dat kan tellen als negatie van een pak wetenschappelijke rapporten. U leest het goed: het staat niet vast dat de mens iets kan doen aan klimaatopwarming of wat de gevolgen zijn. Hier is niet meer of minder dan een merchant of doubt aan het woord in het klimaatdebat.

In de landen die al een klimaatwet hebben, is weinig te merken van democratisch verval.

Daarbij blijft het niet. Daarop haalt De Vos in de meest onwaarschijnlijke termen uit naar de klimaatbetogers. Let wel, hij vindt ze zogezegd sympathiek maar in wat volgt klinkt alleen diepe minachting. Want omdat ze een bindend klimaatbeleid een prioriteit vinden en een klimaatwet eisen, is geen krachtterm te min. Leest u even mee: de klimaatbetogers zijn niet alleen doemdenkers - dat verwijt kennen we al van Maarten Boudry - maar ze dragen de kiemen in zich van klimaattotalitarisme, hun emotie is het basisingrediënt 'van elke totalitaire ontsporing in de bloedige annalen van de mensheid'. Mocht u dat niet genoeg vinden, dan doet De Vos er graag nog een schepje bovenop: de klimaatagenda is te vergelijken met het communisme en het islamisme, de opstap naar absolutisme en mensontering zoals in dictaturen.

Je zal maar als tiener je engageren in deze samenleving voor de ecologische kwestie. Jongeren zo openlijk schofferen, het is meer dan bevreemdend. Mocht het trouwens nog nodig zijn om op te merken: de redenering raakt ook feitelijk kant noch wal. Want in de landen die al een klimaatwet hebben, is weinig te merken van democratisch verval. Of gaat het dan echt steil bergaf in al de Scandinavische landen en Nederland? Als drogredenering voor een professor kan dat dus tellen.

Waarvoor deze onwaarschijnlijk agressieve uitval moet dienen, wordt duidelijk in de rest van het opiniestuk. De klimaatjongeren durven het aan kritische vragen te stellen bij ons economisch systeem, het kapitalisme. Daar stopt duidelijk de vrije meningsuiting voor De Vos. Want het kapitalisme staat voor hem voor economische vrijheid. Vragen om een fundamentele bijsturing van het huidig economisch model die de leefbaarheid op aarde onderuit haalt, dat is automatisch hetzelfde als communist zijn. Een pijnlijk simplisme voor een academicus.

Nochtans noemde de eminente Britse econoom Nicolas Stern klimaatverandering het resultaat van 'het grootste marktfalen dat de wereld ooit heeft gezien'. Al meer dan tien jaar geleden stelde hij dat het bewijs van de ernst van de risico's, verbonden met uitgestelde of non-actie, overweldigend is. Hij voegde eraan toe dat 'het probleem diep onrechtvaardig is, omdat de rijke landen het grootste deel van de huidige voorraad broeikasgassen hebben veroorzaakt en de arme landen het zwaarst en het hardst zijn getroffen - wat betekent dat de rijke landen het voortouw moeten nemen'.

Maar dat ziet Marc De Vos anders, hij onderschrijft het discours van de zogenaamde climate delayers, zeg maar klimaattreuzelaars of klimaattwijfelaars. Zij trekken de klimaatverandering niet in twijfel, maar halen alles uit de kast om de samenleving, en de daarbij horende machtsverhoudingen, niet te moeten veranderen. Een mooi staaltje daarvan zagen we in februari in de Verenigde Staten. Toch vroeg een groep Amerikaanse klimaatspijbelaars aan de Democratische senatrice Dianne Feinstein waarom ze het voorstel voor een doortastende Green New Deal niet wilde steunen. Haar antwoord was dubbel: zo'n doortastend klimaatbeleid is onbetaalbaar, en bovendien 'Ik doe dit al meer dan dertig jaar. Ik weet wat ik doe.'

Zo toont zich een nieuwe kloof tussen zij die denken dat we klimaatverandering heel rustig kunnen aanpakken en de groep die de urgentie van de klimaatverandering onderstrepen op basis van klimaatonderzoek. Wat dat laatste betreft is er ten andere geen gebrek: tijdens het schrijven van dit stuk viel het bericht binnen van opnieuw een omvattend onderzoek dat toont dat klimaatverandering zich veel sneller doorzet dan voorheen gedacht. De Noordpool warmt drie keer sneller op dan voorheen ingeschat, waardoor zelfs co-auteurs van het rapport geschrokken reageren. Dat was maar enkele dagen nadat wetenschappers voor het eerst de impact van de klimaatverandering specifiek voor Canada in kaart brachten. In het Canada's Changing Climate Report blijkt duidelijk dat Het klimaat in Canada is opgewarmd en zal blijven opwarmen, onder invloed van menselijke activiteiten.

Gelukkig groeit het aantal mensen, zeker bij jongeren, die de ernst van de klimaatsituatie wel inzien.

Klimaattwijfelaars zoals De Vos wijzen hooghartig de analyse van de hand die wijst op de fundamentele onrechtvaardigheid vervat in de opwarming van de aarde, namelijk onze verantwoordelijkheid als historisch grote uitstoter van broeikasgassen. De oplossing ligt voor climate delayers steeds later en ook elders, in Afrika, India en China. Wij hoeven ons dus niet te haasten met ons klimaatbeleid, laat staan minder vlees te eten of zo. Take it easy. En zo moeten we bovenal ons economisch systeem, haar machtsverhoudingen en de toenemende ongelijkheid die het veroorzaakt, niet in vraag stellen.

Dat alles leidt tot de fundamentele vraag of het net niet de klimaattwijfelaars zoals De Vos zijn die medeplichtig zijn aan schuldig verzuim, omdat ze doortastend klimaatbeleid tegen elke prijs willen afremmen. Waardoor we kostbare tijd verliezen. Wat betekent dat voor groeiende groepen kwetsbare mensen de hel zich op deze aarde zal afspelen. Misschien nemen klimaattwijfelaars wel de meest mensonterende positie in.

Gelukkig groeit het aantal mensen, zeker bij jongeren, die de ernst van de klimaatsituatie wel inzien. Het gaat om een wereldwijde nieuwe beweging, je hebt nu klimaatspijbelaars van Californië tot in Australië. Die gebruik maken van hun burgerrechten om te eisen dat de politici hun werk doen, namelijk zorgen voor de toekomst van hun land en haar bewoners. In feite kan je dit enkel als een zegen beschouwen voor onze samenleving en haar democratie: jongeren die het maatschappelijk debat voeden op de straat, in de klas en aan de keukentafel, naar het parlement komen om er de werkzaamheden te volgen, het belang van wetenschappelijk onderzoek onderstrepen. Voor mij is de jeugd van tegenwoordig van de bovenste plank. Ze zijn de klimaatversnellers die we nodig hebben.

Dit artikel verscheen als opiniestuk in Knack op 11/04/19. 

Read more...

“Can Democracy Handle Climate Change?” Daniel J. Fiorino,

16 juli 2018 by Politiek 1090 Views
Johan Malcorps

Written by

Recensie boek Daniel J. Fiorino, Polity Press, UK/USA, 2018, 143 p door Johan Malcorps

Milieuproblemen en democratie

Is het klimaatprobleem nog op te lossen met democratische middelen? Alle grote klimaattoppen ten spijt, wordt er in werkelijkheid weinig vooruitgang geboekt met de traditionele democratische overlegmethodes. De uitstoot van broeikasgassen blijft maar stijgen. Moeten we dan niet durven toegeven dat het democratisch spel van inspraak, overleg, belangenafweging en stemmingen te traag is om snelle en effectieve, zelfs disruptieve beslissingen te nemen en vorm te geven aan een wereldwijde transitie op vlak van energie, mobiliteit, industrie, landbouw? Wellicht zijn alleen verlichte autoritaire regimes, zoals het China van Xi Jinping, nog in staat zijn om op een effectieve manier de aarde te redden?

De vraag is niet nieuw. James Lovelock, de vader van de Gaia-theorie, was één van de eersten om publiek te stellen dat democratieën niet opgewassen zijn tegen de immense uitdagingen die de klimaatverandering ons stelt. Het klimaatprobleem is te vergelijken met een oorlog. En als er een oorlog uitbreekt, moeten noodgedwongen democratische procedures opzij geschoven worden. Het model van de Romeinse dictator Cincinnatus die 16 dagen lang alle macht in handen kreeg in het oude Rome, de vijand versloeg, de stad redde en dan weer terugkeerde naar zijn boerderij om zijn akkers te gaan omploegen. 

In de jaren ’70 van de vorige eeuw waren er al ecologische auteurs die grote vragen stelden bij de mogelijkheid om milieuproblemen via de democratische weg op te lossen, zoals William Ophuls en Robert Heilbroner. Garrett Hardin stelde in zijn klassieker ‘The Tragedy of the Commons’ (1968) dat een basisdemocratische aanpak via commons niet kon werken en dat drastische ingrepen nodig waren, zoals de inperking van het recht om zich voort te planten (‘the freedom to breed’). Meer recent schreven David Shearman en Joseph Wayne Smith het boek “The Climate Challenge and the Failure of Democracy” (2007)  waarin ze de structurele zwakten van democratieën aan de kaak stellen om actie te ondernemen op vlak van klimaatbeleid. 

Hybride regimes

Daniel Fiorino brengt in zijn boekje overtuigende argumenten aan waarom deze pessimistische visies geen steek houden en waarom we juist meer democratie nodig hebben om voldoende draagvlak te krijgen om de klimaatproblemen onder controle te krijgen. 

Hij vertrekt daarvoor eerst en vooral van een vergelijkende analyse op het terrein van wat volwaardige democratische regimes en autoritaire regimes bereikten op het vlak van zowel klimaatmitigatie als –adaptatie. Daarbij onderscheidt hij ook een middenmoot van regimes die tussen de twee in zweven (“flawed democracies” en “hybride regimes”). Hij werkt met bekende rankings op vlak van democratie, maar ook op vlak van de aanpak van klimaatverandering (de CCPI of Climate Change Performance Index van Climate Action network) en de ND-GAIN Country Index (die landen rangschikt op basis van hun prestaties op vlak van klimaatadaptatie). Terzijde : voor de CCPI haalt België op wereldniveau een beschamende 32ste plaats, voor de ND-GAIN komt België pas op de 27ste plaats voor algemene veerkracht en op de 36ste plaats voor kwetsbaarheid t.a.v. de klimaatverandering.

Daarbij stelt hij zich ook de vraag waarom bepaalde democratieën (bijv. de Scandinavische landen) het dan nog zoveel beter doen dan andere democratische landen (zoals bijv. nu de VS van president Trump). Hij toont aan dat democratische landen met een proportioneel kiessysteem, met meer sociaal overleg en een meer federale spreiding van bevoegdheden het ook beter doen op vlak van klimaat. Interessant vooral is zijn beschrijving van wat hij ‘compensatory federalism’ noemt : steden, provincies of hele deelstaten die het wel heel goed doen op vlak van klimaatbeleid, ondanks het feit dat de nationale staten waartoe ze behoren het laten afweten. Als voorbeelden geeft hij Californië (in de VS van Trump) en British Columbia (in het Canada van de vorige premier Harper). Hij laat zien hoe ‘sub-national leadership’ op vlak van klimaat de negatieve acties van klimaatnegationistische leiders toch kan compenseren. 

Ook negatief voor de klimaatprestaties zijn afhankelijkheid van fossiele bronnen (wat  voor de hand ligt), maar ook economische ongelijkheid (wat minder evident is).

Daarnaast zijn er de louter politieke factoren, zoals nu het populisme à la Trump en de heersende bestuursfilosofie (zoals bijv. een blind geloof in de vrije markt en het streven naar een minimale staat).

Honderd oplossingen 

Het boek eindigt met een reeks positieve initiatieven die democratische landen kunnen nemen om de klimaatdoelstellingen te halen. Daarvoor baseert Fiorino zich op het ‘Project Drawdown’ van eco-activist Paul Hawken, die honderd oplossingen voorstelde om de klimaatverandering alsnog te stoppen, gaande van massale investeringen in windturbines op zee en zonnefarms tot meer inspanningen voor het opvoeden van meisjes in ontwikkelingslanden.

Al bij al dus een hartverwarmend positief boek dat veel pessimisten in het ongelijk stelt en aangeeft dat democratie, acties voor meer sociale rechtvaardigheid en voor een beter klimaat samengaan, meer zelfs mekaar juist versterken.

 

Johan Malcorps

 

Read more...

Hoe steden strijden tegen de angstzaaiers

05 juli 2018 by Politiek 684 Views
Dirk Holemans

Written by

Hoe steden strijden tegen de angstmachine

U dacht dat de gemeenteraadsverkiezingen vooral gaan om wie de burgemeesters­sjerp verovert? DIRK HOLEMANS schetst de grootste uitdaging voor steden en gemeenten.

Grote discussies laten zich altijd op concrete plaatsen voelen. Denk aan het nationale identiteitsdebat dat zich uit in lokale discussies over discriminatie op de woonmarkt of standbeelden van kolonialen. In dat debat geven minderheden aan dat de dominante groepen in de samenleving te snel voorbijgaan aan diverse vormen van discriminatie en miskenning. Andere groepen voelen zich dan weer bedreigd omdat verschuivingen hun dominante cultuur in vraag stellen. Het is een kwestie waar we allemaal mee worstelen in een wereld die snel verandert.

De identiteitspolitiek kent ondertussen ook ter linkerzijde haar tegenstanders. In Nederland zwengelt de econoom Ewald Engelen het debat aan, volgens hem is links te veel bezig met de vrouw, de homo en de migrant en te weinig met economische ongelijkheid, waardoor het rechts in de kaart speelt. Als alle achtergestelde groepen zich verenigen om als klasse weer op de eerste plaats te vechten voor economische gelijkheid, komt het ook wel goed met de andere vormen van discriminatie of de ecologische kwestie.

Wijst Engelen terecht op de groeiende ongelijkheid, dan is zijn kracht ook zijn zwakte. Als marxist ziet hij alleen heil in een terugkeer van de klassenstrijd om de toenemende ongelijkheid te bestrijden. Alsof er een rangorde zou bestaan tussen de verschillende vormen van onderdrukking.

Maar het probleem zit nog dieper, zoals de ecologist Murray Bookchin duidelijk maakt. Die denker argumenteert dat de ecologische crisis, die het gevolg is van de idee dat de mens de natuur moet overheersen, is verbonden met de overheersing van de ene mens over de andere. Kent die overheersing een lange geschiedenis, dan krijgt ze een bijzondere invulling met het kapitalisme: marktdenken en concurrentie zetten de mensen tegen elkaar op, maar ook tegen de natuur. De beschadiging van de planeet gaat samen met de degradatie van het kader om goed samen te leven.

Antiracist = ecologist

Die redenering vinden we terug bij de Australische denker Ghassan Hage in zijn recente boek Is racism an environmental threat? Een vraag die hij instemmend beantwoordt: je kunt niet antiracist zijn zonder ecologist te zijn, en omgekeerd. Waarbij hij racisme vooral gericht ziet ten aanzien van moslims. Islamofobie en de ecologische crisis zijn voor hem een en dezelfde crisis, die van de dominante wijze waarop we in deze wereld staan. Racisme is uiteraard op zich niet milieuvervuilend, maar het versterkt wel de dominantie van sociale structuren die aan de oorzaak liggen van de ecologische crisis. De Amerikaanse president Donald Trump belichaamt dat op pijnlijk concrete wijze. De uitdaging bestaat erin om de ‘veralgemeende domesticatie’ van wat buiten ‘ons’ ligt op te heffen.

Voor Bookchin ligt de oplossing vooral in diversiteit koesteren. Dat geldt voor hoe we, bijvoorbeeld, de landbouw organiseren of de energievoorziening. Op het lokale niveau kunnen we ecologische zorg, gelijkheid en emancipatorische omgang met diversiteit verankeren door nieuwe vormen van democratie en solidaire economie. Tegenover Trump heb je bijvoorbeeld een stad zoals Valencia. Die toonde gastvrijheid nadat de Italiaanse rechtse regering had geweigerd om de bootvluchtelingen op de Aquarius op te vangen. En in tegenstelling tot hun regering, waren de burgemeesters van Napels en Palermo daar wel toe bereid.

Fearless Cities

Valencia is een sterk voorbeeld van stedelijk weerwerk tegen de rechts-populistische angstmachine op nationaal niveau. Het sluit aan bij het groeiende netwerk van Fearless Cities, die zich zelfbewust oprichten om mensenrechten, democratie en gemeengoed te verdedigen.

Niet toevallig werd het eerste Fearless Cities-congres in 2017 georganiseerd door het burgerplatform Barcelona en Comú. Dat zette samen met soortgelijke burgerbewegingen Spanje op zijn kop bij de lokale verkiezingen in 2015. In Barcelona werd Ada Colau als kandidate van Barcelona en Comú verkozen als burgemeester. Ook in andere steden werd de burgemeester verkozen op basis van een burgerplatform dat erin slaagde de progressieve krachten te verenigen rond een toekomstgericht programma.

Fearless Cities ziet de stad als het niveau waar je de samenleving fundamenteel kan veranderen. Amerikaanse deelnemers maakten bijvoorbeeld duidelijk dat, terwijl Trump het klimaatbeleid aan zijn laars lapt, heel wat van hun steden hoge klimaatambities hebben.

Ondertussen breidt het netwerk van steden-zonder-angst zich verder uit en volgen er congressen in New York en Warschau. Vanuit het besef dat het noodzakelijk is om zich in grensoverschijdende netwerken te organiseren om de nieuwe hoopvolle politiek in Europa en wereldwijd op de kaart te zetten.

Amsterdam sluit zich aan

Na Spanje in 2015 kreeg ook Nederland dit jaar in heel wat steden een progressief bestuur. Het kan een belangrijke voedingsbodem zijn voor democratisch weerwerk op nationaal niveau. Dat het nieuwe linkse bestuur van Amsterdam zich zal aansluiten bij het Fearless Cities-netwerk, is veelbetekenend. De regering van het land wordt niet langer gesteund door het bestuur van zijn hoofdstad. Die bredere ontwikkelingen tonen dat de komende gemeenteraadsverkiezingen om veel meer gaan dan de vraag welke vrouw of man de nieuwe burgermoeder of -vader wordt. Het verklaart waarom de N-VA er alles aan doet om haar nationale thema’s van migratie en identiteit het debat te laten bepalen.

Onze steden en gemeenten zijn de plaatsen waar identiteitskwesties concreet ter discussie staan: op het plein waar het monument staat van een koloniale overheerser, in de scholen waar de toenemende diversiteit zich als realiteit toont. Tegelijk is het lokale niveau de plek waar progressieve politici en burgers de meest ambitieuze ecologische ambities formuleren. Ook de ongelijkheid is het duidelijkst op lokaal niveau: de zoektocht naar een betaalbare woning in de eigen stad, het kind in de klas met een lege brooddoos.

Hoe we die drie thema’s samen op hoopvolle wijze tegelijk kunnen aanpakken in steden en gemeenten waar het goed samenleven is in verschil, met gelijke toegang tot levenskansen en machtsbronnen binnen de grenzen van de planeet, dat is de echte uitdaging van de komende gemeenteraadsverkiezingen. Die ze tegelijk meer dan ooit overstijgt.

DIRK HOLEMANS voor De Standaard op 4 juli 2018. 

Read more...
Pagina 1 van 2
Don't have an account yet? Register Now!

Sign in to your account