en

Winkelwagen leeg

Denktank voor Sociaal-Ecologische Verandering

Economie

Economie (45)

‘Vooral geen vragen stellen bij de rijken? Techno-optimisten lijden aan een pijnlijke vorm van therapeutische hardnekkigheid’

27 juli 2022 by Economie 245 Views
Jan Mertens

Written by

De klimaatcrisis lijkt andermaal onze vakantiepret te verstoren, schrijft Jan Mertens van Oikos. ‘Net wanneer we weg willen van het normale duwt de nieuwe normaliteit ons met de neus op de feiten.’

Terwijl het in het journaal uitgebreid gaat over één jaar na de vreselijke waterramp in het zuiden van ons land, krijgen we een verslag over acute droogte en de waarschuwing dat het bijzonder warm zal worden. In ons hoofd is vakantie nog altijd de tijd dat we ‘weg’ gaan. We vergeten daarbij al snel dat heel veel mensen niet de middelen hebben om effectief weg te gaan.

 Maar minstens is er het verlangen om mentaal weg te zijn van het gewone leven.
 Weg van dat wat we als normaal beschouwen: de drukte van alledag, alle dingen die moeten, de stress, de gekende omgeving met steeds dezelfde mensen, … Het is op zich al fascinerend dat de invulling van dat ‘weg’ in belangrijke mate big business is. De consumptielogica van het zogenaamd gewone leven herhaalt zich al snel in alle last minutescity tripsall-in resorts en arrangementen die beloven dat je iets ‘authentieks’ zult zien.
 Maar er is ondertussen meer aan de hand.
 De vakantieperiode wordt steeds meer een enigszins gevaarlijke periode. De grote hitte komt tot bij ons en maakt ons zenuwachtig. De droogte bedreigt de voedselproductie en maakt de natuur nog kwetsbaarder. De streken waar we zo graag naartoe wilden gaan – het mentale ‘zuiden’ in ons hoofd – worden gevaarlijke plekken met bosbranden, die in een niet al te verre toekomst bijna onleefbaar zouden kunnen worden. De consument in ons vindt echter dat we ‘recht’ hebben op die vlucht weg van hier en hoopt dus dat er in de luxehotels die we reserveerden zeker genoeg airco zal zijn.
 De klimaatcrisis die zich jaar na jaar duidelijker laat zien is al lang geen vervelend probleem meer van ‘ginder’.
 Wat we nu meemaken is niet iets als een neutrale natuurramp die ons overvalt. Het is het gevolg van menselijke verantwoordelijkheid, het gevolg van jarenlang moeilijke keuzes voor ons uitschuiven. Een groot deel van wat we nu beginnen mee te maken kunnen we niet meer zomaar terugschroeven, maar we hadden het wel kunnen voorkomen. Terwijl vakantie in ons hoofd de belofte inhoudt dat we weg kunnen uit het vervelende normale, confronteert de vakantieperiode ons in scherpe mate met de ontregelende en beangstigende kant van de normaliteit die we zelf gecreëerd hebben.
 De zuigkracht van het zogenaamd normale blijft echter groot. Voormalig president George H.W. Bush zei het zo, tijdens de grote conferentie van Rio in 1992: ‘The American way of life is not up for negotiation. Period.’ De levensstijl die we als middenklassenorm nastreven, beschouwen we als een verworven recht. En die overtuiging staat ook nu en bij ons nog altijd centraal in het beleid. Er zijn heel wat varianten op het beleid van ‘climate delay’: niet hier, niet nu, niet door ons. Eenzijdige techno-optimisten willen ons doen geloven dat diezelfde logica die ons in dit probleem heeft gebracht ook de beste oplossing zou bieden om eruit te geraken. Het is een pijnlijke vorm van therapeutische hardnekkigheid die vooral systematisch probeert uit beeld te houden hoezeer die logica de ongelijkheid binnen en tussen generaties vergroot.
 
Dikke SUV

‘We moeten ons aanpassen.’ Zo klinkt het dan al snel. Maar wat bedoelt men daarmee? Ja, een belangrijk deel van ons klimaatbeleid zal erin moeten bestaan dat we onze maatschappij meer veerkrachtig maken, beter bestand om de gevolgen van de klimaatverandering op te vangen. Maar al te vaak is het een slogan die als onderliggende redenering heeft: we moeten niet te veel meer praten over drastische vermindering van emissies, en al zeker niet over de te grote voetafdruk van die maatschappelijke groepen die de grootste verantwoordelijkheid dragen.

Of we afklokken op een klimaatverandering van 1,5, 2 of 3°C maakt echter nog een gigantisch verschil uit op het vlak van wie de gevolgen zal dragen. Welke mensen woonden het dichtst bij de kolkende Vesder? Wie woonde in de huizen die niet meer heropgebouwd zullen worden? Wie had de slechtste verzekering? En wie woont, in alle grote wereldsteden, het dichtst bij de plekken die eerst zullen overstromen? En omgekeerd: wie kan het zich veroorloven om zich terug te trekken in het groen, met een hek om het huis, een dikke SUV op de oprijlaan, een eigen zwembad zonder vervelende jongeren die ook een beetje verkoeling zoeken en met binnen de geprivatiseerde koelte?

Het ultieme cynisme is dat het net die klimaataanpassers zijn die het lot van de meer kwetsbaren retorisch misbruiken om vooral geen vragen te moeten stellen bij de rijken.

‘Als we het vliegen duurder maken, kunnen de arme mensen niet meer vliegen.’ Nog los van het feit dat de arme mensen niet of slechts heel weinig vliegen, is het bitter dat zo wordt gepoogd om vooral geen aandacht te leggen op een kleine groep van rijken is die heel erg veel vliegt en zo de grootste verantwoordelijkheid draagt voor een economisch model waarvoor anderen de zwaarste prijs betalen. De prijs uit zich in een toenemende onleefbaarheid in het Globale Zuiden en in slechte werkomstandigheden voor wie in de onderwereld van onze luchthavens moet werken. Ja, heel wat landen in het Zuiden zouden het uitzicht moeten krijgen op een duurzame en rechtvaardige ontwikkeling. Maar in een wereld met een groeiende klimaatcrisis die steeds harder tegen de planetaire grenzen botst, kan dat alleen als de globale consumentenklasse, vooral in het Noorden, de eigen voetafdruk drastisch verkleint. Een minder cynische en uiteindelijk enige rechtvaardige uitweg is dat ecologisch gulzigen hun levensstijl fors aanpassen. Maar over die vorm van adaptatie willen ze het waarschijnlijk liever niet hebben.

Nochtans hebben we heel erg veel nood aan een ‘rechtvaardige veerkracht’. In Europa zien we duidelijk hoe sommige bevolkingsgroepen harder getroffen worden door het veranderende klimaat. Zij die meer gevolgen ondervinden van onder meer de grote hitte zijn vaak de mensen die het al moeilijker hadden, door een lager inkomen, een slechtere gezondheid, een slechtere woning, …

Mensen met een hogere maatschappelijke status hebben vaak beter toegang tot groenvoorzieningen en hebben sowieso meer middelen om zich te beschermen, terwijl ze meer verantwoordelijkheid dragen voor het probleem. Een deel van de beleidsmaatregelen dat bedoeld is om de stijgende energiekost aan te pakken komt vooral ten goede van wie al rijk is, zo bleek nog maar eens.

En sommige politici die zeggen op te komen voor ‘de’ middenklasse eisen vooral dat alle maatregelen ten gunste van de meest kwetsbaren ‘gecompenseerd’ worden voor de rijkeren. Op die manier gaat heel wat publiek geld naar mensen die het eigenlijk niet echt nodig hebben en is het verloren voor ander publiek beleid, zoals het versneld energetisch renoveren van die woningen waarin de meest kwetsbaren wonen.

En wereldwijd zien we hetzelfde mechanisme. Zo bleek onlangs dat enkele van de armste landen in Afrika veel meer geld moeten uitgeven aan adaptatie aan klimaatverandering dan ze kunnen uitgeven aan gezondheidszorg. Wanneer die landen een grotere financiële compensatie vragen voor de geleden schade – waarop ze trouwens recht hebben op basis van internationale klimaatakkoorden – zeggen diezelfde cynische politici dat men moet ophouden met ‘ons’ een schuldcomplex aan te praten.

Dus ja, we moeten ons aanpassen. En dat betekent ten eerste dat we de volgende jaren alles op alles moeten zetten om de broeikasgasemissies snel en fors naar beneden te krijgen. Dat impliceert een aanpassing van wat we ‘normaal’ zijn gaan vinden en dat houdt vooral in dat zij die de grootste verantwoordelijkheid dragen voor het probleem – met name de rijkeren met een onhoudbaar grote ecologische voetafdruk – hun levensstijl aanpassen om zo meer planetaire ruimte te maken voor de meer kwetsbaren.

Een rechtvaardige adaptatie dus.

Read more...

‘Duurzame tijden vragen andere bedrijven’

13 juli 2022 by Economie 375 Views
Dirk Holemans

Written by

‘De nieuwe economie die we nodig hebben heeft als eerste taak om in de basisbehoeften van iedereen te voldoen, binnen de grenzen van de planeet’, schrijven Dirk Holemans van Oikos en Koen Wynants van Commons Lab. ‘Dat vergt een economie die in plaats van steeds meer te produceren en consumptie aan te wakkeren, wil zorg dragen.’ Lees hier alle andere bijdragen van onze zomerreeks De doordenkers van Knack.be: Waarheen met ons geld?

Het is een inzicht dat we niet langer kunnen negeren: de economie kan niet blijven groeien op een eindige planeet. Die illusie van oneindige groei heeft ons gebracht in de huidige instabiele, gevaarlijke situatie: we hebben de natuurlijke processen ontwricht die zorgden voor een stabiel levensklimaat, met gematigde temperaturen, zuiver water, enz. Dat de draagkracht van de aarde overschreden is, zien we nu elke dag met wereldwijd steeds meer hittegolven, bosbranden, orkanen en overstromingen.

Maar Welvaart zonder Groei, zoals de Britse denker Tim Jackson het al meer dan tien jaar geleden omschreef in zijn bestseller, is voor veel economen en opiniemakers nog altijd moeilijk denkbaar, want het staat haaks op het dominante denken.  Maar ontgroeien (ook wel omschreven als degrowth) is net wat we nodig hebben voor een leefbare toekomst. Het is een positieve toekomstvisie, die ernaar streeft de doorstroom van energie en materialen drastisch reduceren, terwijl we net iedereen op aarde zicht kunnen geven op een goed leven. Misschien ligt de grootste bron van weerstand tegen deze toekomst wel dat het frontaal ingaat tegen de gevestigde belangen en machtsverhoudingen. 

Een ontgroei-economie vergt een type economische instituties dat zich als doel stelt de behoeften van mensen te willen voldoen, in plaats van de huidige bedrijven met hun focus op kortetermijnwinsten en de belangen van de aandeelhouders. Dat vergt een grondig herdenken van hoe we de samenleving organiseren.

Een eerste herijking is de herwaardering van publieke diensten, zoals het openbaar vervoer, om te komen tot een duurzaam mobiliteitssysteem. Maar ook burgers die zichzelf organiseren in zogenaamde commons kunnen een cruciale rol spelen in de uitbouw van een toekomstgerichte economie. Commons, dat zijn een groep burgers die samen zorgzaam een goed beheren of produceren. Een manier van organiseren die eeuwenoud is, en nu terug overal opduikt. Denk aan burgers die een stuk land gezamenlijk beheren, samen een co-housing project realiseren, of een energiecoöperatie oprichten omdat ze zelf groene stroom willen produceren, en telkens hierbij zorg voor elkaar en de planeet cruciaal vinden.

Een sterk voorbeeld zijn energiecoöperaties zoals Ecopower. Zij produceren voor het grootste deel met eigen windmolens rechtstreeks elektriciteit voor hun coöperanten, zodat ze weinig afhankelijk zijn van de grillen van de energiemarkt. En nog straffer: ze informeren en moedigen concreet hun coöperanten aan om zo weinig mogelijk stroom te verbruiken. Dat ligt wel even anders bij de klassieke energiebedrijven, die zoveel mogelijk stroom wille verkopen om hun aandeelhouders op de beurs tevreden te stellen.

Zo ligt het doorsnee verbruik van een Ecopower gezin beduidend lager van een gemiddeld Belgisch gezin (gemiddeld 2000 kWh, het Vlaamse gemiddelde is 3500). Deze commons-coöperaties investeren bovendien een deel van de winst in de lokale gemeenschap. In plaats van de dominante extractieve economie – die de geproduceerde meerwaarde uit een plek of gemeenschap weghaalt – is er sprake van een generatieve economie, die verschillende vormen van meerwaarde voor de gemeenschap genereert.

Een cruciale bijdrage van commons is dat ze een deel van de economie uit de markt halen. Dat zie je bijvoorbeeld ook in de landbouw met initiatieven als De Landgenoten, die landbouwgrond uit de speculatieve markt halen om die dan ter beschikking te stellen aan bioboeren. Deze laatste investeren namelijk jaar na jaar heel veel tijd en energie in het verbeteren van de bodemkwaliteit. Het is dan ook cruciaal dat die verzorgde grond niet terug in handen komt van de agro-industrie. Of denk aan het voorbeeld van wooncoöperaties, die gebouwen uit de crazy woonmarkt halen en hun coöperanten woonzekerheid voor de rest van hun leven tegen een betaalbare prijs garanderen.

Het goede nieuws van deze waaier aan voorbeelden is dat die toont dat we al beschikken over het nieuwe type bedrijven, dat we nodig hebben om een economie uit te bouwen die terug past binnen de grenzen van de planeet. En als burgers ze zelf meer en meer vormgeven, dan is de vraag de politici steevast stellen – is er wel draagvlak? – meteen positief beantwoord. Commons die meestal opgericht worden in de vorm van ethische coöperaties – met onder meer interne democratische besluitvorming en een begrenzing van winstuitkering – kunnen de basis vormen van de herstructurering van hele economische sectoren. Overheden kunnen deze omslag ondersteunen, door bedrijven uit de generatieve economie fiscaal te ondersteunen. Dat zou ook een logische keuze zijn, want deze bedrijven leveren op verschillende wijze een meerwaarde voor de samenleving.

Uiteraard vergt dit alles ook een culturele omslag, niet in het minst in het economisch denken en hoe dat doorwerkt in de samenleving. Het dominante economisch denken wordt al decennialang gedomineerd door neoliberale dogma’s, zoals de stelling van Milton Friedman, die in de jaren 1970 schreef dat de sociale verantwoordelijkheid van bedrijven er enkel in bestaat om meer winst te maken. Ondertussen, met ecosystemen die op instorten staan, extreme hittegolven en een gierende ongelijkheid, weten we wel beter. De nieuwe economie die we nodig hebben heeft als eerste taak om in de basisbehoeften van iedereen te voldoen, binnen de grenzen van de planeet. Dat vergt een economie die in plaats van steeds meer te produceren en consumptie aan te wakkeren, wil zorg dragen. Dat betekent de leefomgeving herstellen en zorgen dat we onze economie volhoudbaar wordt. Het goede nieuws is dus dat burgers het nieuw type bedrijf voor deze duurzame tijden al volop aan het installeren zijn. Het kan de basis zijn van een echt duurzame economie.

 

Dirk Holemans is coördinator van Denktank Oikos.

Koen Wynants is coördinator van Commons Lab.

Read more...

‘Naar een levensstijl die past binnen 1,5°C: ecologische gulzigheid is sociaal onrechtvaardig’

12 juli 2022 by Economie 645 Views
Jan Mertens

Written by

Het debat over de koopkracht lijkt soms te suggereren dat er enkel een vraagstuk is van verdeling. Alsof de norm die we nastreven van een welbepaalde levensstijl vanzelfsprekend of verworven is’, schrijft Jan Mertens van Oikos. ‘Een levensstijl met een te grote ecologische voetafdruk is echter op zich al sociaal onrechtvaardig.’ Dit is de derde aflevering van onze zomerreeks De Doordenkers van Knack.be: Waarheen met ons geld?

Onlangs was er gedurende één dag even een relevante discussie over een mogelijke verlaging van de snelheid tot 100 km per uur (ondertussen nog eens opnieuw voor één dag herhaald…). Het is een maatregel die een positief effect zou kunnen hebben op het energieverbruik, de luchtkwaliteit en de verkeersveiligheid. Die discussie is echter een taboe voor een aantal politici. Een ondertussen niet meer actieve partijvoorzitter stelde dat het op zich een goede en effectieve maatregel kan zijn voor wie er individueel voor kiest maar dat de overheid die niet kan opleggen, en zeker al niet als koopkrachtmaatregel. Het is een beetje een merkwaardige redenering. De voorzitter zei dat de maatregel dus wel degelijk effect kan hebben, maar vond het blijkbaar geen kwestie van algemeen belang, maar van individuele verantwoordelijkheid. De nieuwe voorzitter spreekt nu over “betutteling van de hoogste graad”.

Diezelfde partij vond het eerder wel nodig om te pleiten voor verregaande fiscale tegemoetkomingen om de prijs van de benzine naar beneden te krijgen, “voor de gewone man”. Bij de gewone man denkt men blijkbaar eerder aan de man met zijn dikke SUV die nu iets meer moet betalen om 120 per uur te kunnen rijden (of dat zelfs niet eens merkt in zijn salariswagen) dan aan de man die onderaan de inkomensladder leeft, helemaal geen auto heeft, zijn huis niet meer kan verwarmen en door zijn kwetsbare gezondheid dubbel zo hard getroffen wordt door luchtvervuiling en klimaatverandering.

Het debat over de koopkracht is cruciaal voor de samenhang in onze maatschappij. Veel meer mensen dan velen beseffen hebben het waarschijnlijk erg moeilijk om rond te komen nu. En tegelijk hebben meer mensen dan velen willen toegeven het in wezen niet erg veel moeilijker. Binnen wat we al snel ‘de middenklasse’ noemen zijn nog grote verschillen, in reëel inkomen en in levensstijl. Die verschillen zijn relevant. Niet alleen omdat het verschil tussen een dag niet kunnen eten en een vliegreis minder per jaar een verschil is tussen wat fundamenteel is en wat luxe is.

Ook omdat de nagestreefde norm van de levensstijl die we verbinden met de middenklasse zich niet voordoet in een abstracte of lege wereld, maar in een context waarin er ook een acute klimaat- en grondstoffencrisis is. En die ecologische crisis uit zich in belangrijke mate als een rechtvaardigheidscrisis. Het zijn in de eerste plaats zij die een te grote voetafdruk hebben (binnen en tussen landen en generaties) die ervoor verantwoordelijk zijn dat die ecologische crisis versnelt en dat de gevolgen daarvan vooral gedragen worden door de meest kwetsbaren. 

Niet alleen het beleid als antwoord op de klimaatuitdaging kan sociaal minder of meer rechtvaardig zijn, de klimaatcrisis zelf is onrechtvaardig. Bij een term als een ‘sociaal klimaatbeleid’ denken we terecht aan wat er nodig is om wie in armoede leeft beter te beschermen. Maar we kijken liever niet naar de andere kant. Op te grote voet leven is in een begrensde wereld op zich ook een sociaal feit. Ecologische gulzigheid is sociaal onrechtvaardig. Wat we gemiddeld in ons land als een na te streven norm van levensstijl beschouwen is mondiaal en intergenerationeel gezien niet volhoudbaar, omdat de voetafdruk ervan veel te hoog is. Als we echt rechtvaardige beleidskeuzes willen maken over onze toekomstige welvaart, moeten we dus niet alleen kijken naar hoe het inkomen is verdeeld tussen rijk en arm, maar ook naar welke levensstijl we nastreven. In beide gevallen moet de grootste verantwoordelijkheid liggen bij de sterkste schouders.

Die discussie wordt jammer genoeg te weinig gevoerd. Wie had gehoopt dat de wereldwijde pandemie tot diepgaande veranderingen, in de vorm van een build back better zou leiden, is toch een beetje teleurgesteld. De beleidsreactie van de overheden was in veel opzichten baanbrekend. Ineens kregen we heel scherp in beeld dat de jobs die het meest essentieel zijn vaak het minst betaald worden. We zagen de contouren van hoe een maatschappij voorbij het klassieke groeimodel eruit zou kunnen zien. Maar de (knal)drang om terug te keren naar het ‘normale’ was ook erg groot. Al snel stegen de emissies terug naar een niveau dat hoger was dan voor de pandemie en stonden dichte drommen mensen elkaar te verdringen om het vliegtuig te nemen.

Het wordt tijd dat we meer intensief en creatief gaan nadenken over een welvaart die past binnen planetaire grenzen. Dat is een vorm van preventie. Als de huidige klimaatcrisis nog meer evolueert naar een klimaatchaos zal de maatschappelijke kost (en dus ook de begrotingsimpact) nog groter worden. De kost van de niet-transitie is groter dan die van de wel-transitie. En hoe langer we blind blijven voor die waarheid, hoe groter het risico dat de meest kwetsbaren overal ter wereld de zwaarste prijs betalen. De norm van onze ecologisch gulzige levensstijl niet in vraag willen stellen betekent in de feiten dat we die toenemende sociale ongelijkheid als een soort collateral damage willen aanvaarden. En dat is onaanvaardbaar.

Een piste daartoe is om actief te beginnen met het vormgeven van een levensstijl die past binnen het traject van 1,5°C dat we nodig hebben om de klimaatdoelstellingen van Parijs te halen. Een publicatie van het ZOE Institute vat de uitdaging goed samen. Iedere persoon wereldwijd stoot gemiddeld 4,8 ton CO₂eq per jaar uit. Voor de burgers van de EU bedraagt het jaarlijkse gemiddelde echter 8,2 ton CO₂eq. Om binnen de limiet van 1,5°C te blijven, moet dit niveau dalen tot 2,5 ton CO₂eq tegen 2030 en zelfs 0,7 ton CO₂eq tegen 2050. De emissiereducties die tot nu toe in Europa zijn bereikt, zijn voornamelijk afkomstig van lagere inkomensgroepen. Sinds 1990 is de uitstoot van de onderste 50% van de EU-bevolking met 24% gedaald, terwijl die van de top 10% met 3% is gestegen en van de top 1% zelfs met 5%. Niet kijken naar de activiteiten van de groep met de hoogste emissies is ethisch gezien erg problematisch. Het zijn die mensen die niet alleen het meest verantwoordelijk zijn voor het probleem, ze hebben tegelijk de meeste mogelijkheden om hun voetafdruk snel en drastisch te laten dalen.

Dat alles impliceert dat we er niet alleen voor moeten zorgen dat alle bevolkingsgroepen voldoende inkomen hebben om een waardig leven te leiden. In de discussie over de koopkracht gaat het vaak over ‘onderconsumptie’, maar de overconsumptie blijft buiten beeld. En dat is ethisch gezien niet houdbaar. Het is tijd voor een nuchter debat waarbij we onderscheid maken tussen wat een basisbehoefte is en wat we als luxe kunnen beschouwen. En met name die luxe-activiteiten die tegelijk nog een grote ecologische impact hebben mogen daarbij dus in beeld komen. Het ZOE Institute verwerkt het idee van de donuteconomie tot een ‘consumptiecorridor’. Breng in kaart wat elke burger nodig heeft om waardig te leven. Zorg voor goed toegankelijke publieke voorzieningen. En denk na over een idee van een maximale consumptiestandaard. Dat kan zich bv. uiten in een veelvliegerstaks, waarbij wie veel vliegt daarvoor telkens zwaarder belast wordt. Wie naast een robuust openbaar vervoer of de fiets toch de auto nodig heeft, zou in een andere logica dan de huidige terechtkomen. Tragere maximumsnelheden en het stimuleren van deelautosystemen waarbij lichte en veilige auto’s meer de norm worden dan zware verspillende SUV’s, het kan er ook bijhoren.

Het is jammer en wereldvreemd dat dit soort discussies al snel wordt geframed als een ‘inlevering’, terwijl het eigenlijk een gigantische uitnodiging tot creativiteit is, die moet leiden tot meer evenwicht en zekerheid in deze wankele tijden. Laten we in onze maatschappij veilige plekken creëren waar we met deze discussie kunnen beginnen.

Jan Mertens is medewerker van de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling en lid van de Denktank Oikos.

Read more...

Groei als geweld. Over Maarten Boudry en Jason Hickel

28 april 2022 by Economie 931 Views

Eind februari bracht het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) een nieuw rapport uit dat – hoe kan het anders – donker is over onze nabije planetaire toekomst. Het rapport laakt het gebrek aan ingrijpende en toereikende actie om de existentiële bedreiging voor de menselijke welvaart en het planetaire evenwicht aan te pakken: ‘Elke verdere vertraging in gecoördineerde wereldwijde actie zal een kort en snel sluitend venster missen om een leefbare toekomst veilig te stellen.’ Diezelfde maand verschenen in het Nederlandse taalgebied twee publicaties die beschrijven hoe relatief oud de ecologische problematiek is: Wat we toen al wisten van hoogleraar Nederlandse letterkunde Geert Buelens en We waren gewaarschuwd van journalist Jaap Tielbeke. Elk neemt als uitgangspunt het in 1972 verschenen Grenzen aan de groei van de Club van Rome. Die tekst bood een eerste waarschuwing dat oneindige economische groei op een eindige planeet niet kan samengaan met ecologische en sociale duurzaamheid.

Deze stelling ontving veel kritiek. Dat dit vandaag niet anders is toont aan hoe de ecologische discussie nog steeds de kinderschoenen niet ontgroeid lijkt te zijn: er is actie vereist, maar we zijn nog steeds ver van een consensus over de beste manieren om de crisis aan te pakken. De kwestie van economische groei blijft in die discussies een splijtzwam. In zijn laatste boek Waarom ons klimaat niet naar de knoppen gaat (als we het hoofd koel houden) (2021) betoogt wetenschapsfilosoof Maarten Boudry dat we juist meer economische groei nodig hebben om technologische innovaties en andere investeringen te financieren waarmee we de uitdagingen van de klimaatopwarming het hoofd kunnen bieden. Voor antropoloog Jason Hickel maakt inzetten op groei echter elke keuze voor een ecologisch alternatief op den duur zelfvernietigend. In Less Is More: How Degrowth Will Save the World (2020), onlangs door Frederique Hijink in het Nederlands vertaald als Minder is meer: hoe degrowth de wereld zal redden (2021), houdt hij een pleidooi voor een economisch ontgroeien dat niettemin een wereld van ‘radicale overvloed’ zou creëren.

De vraag naar groei is niet louter een economisch-technologisch kwestie, maar hangt samen met vragen naar gelijkheid en rechtvaardigheid. Het is in deze politieke zin dat ik niet de indruk wil wekken een ‘debat’ te evoceren door deze twee titels naast elkaar te plaatsen: alsof er twee kanten zijn aan deze politieke kwestie en alsof die plaatsvindt in en vertrekt van een of ander neutraal status quo. Zoals socioloog Willem Schinkel schrijft in zijn Politieke stenogrammen (2019): ‘Er zijn politieke waarheden, en politieke leugens.’ Louter door het format van het debat verwordt een gesprek zoals dat tussen Boudry en de Vlaamse degrowth-voorstander Jonas Van der Slycken tot een spektakel van onverzoenbare meningen of zienswijzen dat het probleem van elk gewicht en ernst ontdoet en op geen enkele manier kennisverrijking kan bieden: geen kritisch onderzoek van standpunten, maar standpunten tegen elkaar in stelling gebracht als vorm van entertainment. Debat dient in die zin vervangen te worden door strijd, wil je het geweld dat onder het beleid van de status quo plaatsvindt niet maskeren door wat Schinkel ‘gebabbel’ noemt.

Gewelddadig avontuur

In Vlaanderen heeft Maarten Boudry een zekere status verworven die onder meer te begrijpen valt vanuit zijn associatie met Etienne Vermeersch. Boudry bezet momenteel aan de UGent de leerstoel die Vermeersch’ naam draagt, en is mede in het mediatieke zadel gehesen door publicisten als zijn doctoraatpromotor Johan Braeckman, co-auteur Joël de Ceulaer en vriend Dirk Verhofstadt – allen op een of andere manier erfgenamen van Vermeersch’ gedachtegoed. Dat denken ziet zichzelf gevat in kernwoorden als scepticisme, rationaliteit en wetenschap, die tegenover elke vorm van ideologie of geloof komen te staan. Met zijn persoonlijke levensverhaal (priester-leerling wordt filosoof en atheïst) en voorbereidende rol in de legalisering van abortus en euthanasie kon Vermeersch voor verschillende generaties Vlamingen symbool staan voor Vlaamse secularisering en ethische progressiviteit. Toen mijn generatie rond de eeuwwisseling aan haar politieke leerschool begon, consolideerde Vermeersch die kenmerken echter tot signaturen van de superioriteit van de westerse beschaving. Hoewel hij uit zijn eigen levensloop had kunnen leren dat mensen enkel zichzelf kunnen bevrijden, zette hij ze in als conservatieve en islamofobe wapens tegen minderheidsgroepen. Er valt kortom, zoals een vriend eens zei, een intellectuele geschiedenis te schrijven over Vermeersch en zijn invloedssfeer en hoe die een bredere politieke verschuiving naar rechts in het Vlaamse politieke landschap reflecteert.

Met zijn interventie in het klimaatdebat nestelt Boudry zich stevig in de liberale rechterzijde van het politieke spectrum. Simpel gezegd pleit hij voor meer kernenergie als factor in de energietransitie en zet hij vooral in op technologische innovaties die zowel de uitstoot van COmoeten verminderen als een blijvend groeiende economie van energie moeten voorzien. Zijn voorstellen bestendigen de status quo en vormen in die zin impliciet een pleidooi voor de voortzetting van exploitatie en geweld. In zijn overzicht van mogelijke oplossingen voor de klimaatproblematiek blijft hij immers trouw aan ‘het avontuur van menselijke vooruitgang’ dat hij hier en elders bezingt: de enorme toename aan welvaart en rijkdom die de mensheid de laatste twee eeuwen heeft gekend.

Dat verhaal is een politieke leugen. Ten eerste vermeldt Boudry niet dat dit ‘avontuur’ berust op een niet aflatende geschiedenis van geweld: de privatisering van de ‘commons’, de kolonisatie en de slavernij, de creatie van een proletariaat dat door de kapitalistische elite gedwongen werd te werken voor hun overleving. Het verhaal van vooruitgang valt niet te vertellen zonder in rekening te brengen hoe arbeid en planeet dienden te worden geofferd voor de groei van het kapitaal en hoe dat sociale en ecologische ongelijkheid en onrechtvaardigheid creëerde en blijft creëren. Boudry spreekt wel verschillende malen van ‘arme’ en ‘rijke’ landen, maar geeft nergens aan hoe die verdeling van rijkdom tot stand is gekomen.

Ten tweede heeft niet groei an sich voor menselijke welvaart gezorgd. Er is wel een correlatie tussen groei en de mogelijkheid om voor menselijke welvaart te zorgen, maar dat betekent niet dat er een causale relatie is waarbij meer groei gelijk is aan meer welvaart. De noodzakelijke tussenstap is politieke herverdeling die de mogelijkheid aanwendt om te investeren in zaken zoals gezondheid, sanitaire maatregelen, publieke infrastructuur en onderwijs. In Boudry’s boek doet groei dat op zichzelf: ‘meer welvaart, beter onderwijs voor vrouwen en toegang tot anticonceptie’ – de drie oorzaken voor dalende geboortecijfers – zijn volgens hem ‘in één woord samen te vatten: groei!’ Groei kan een middel zijn om deze drie elementen te verkrijgen, maar het is een illusie om te veronderstellen dat die noodzakelijk volgen uit groei. Telkens verheft Boudry een mogelijkheidsvoorwaarde tot de oorzaak. Hoe absurd die logica is, wordt duidelijk in het volgende citaat waarin fossiele brandstoffen, als de brandstof voor ons ‘avontuur’, synoniem staan voor groei: ‘Fossiele brandstoffen bevrijdden vrouwen en kinderen van hard en afstompend labeur, en baanden uiteindelijk zelfs een weg voor de afschaffing van slavernij’. De politieke strijd van tot slaaf gemaakten, abolitionisten, arbeiders en vrouwen, het wordt allemaal aan het oog onttrokken.

Toegegeven, in de epiloog vermeldt Boudry bovengenoemd geweld: ‘Onze voorouders hebben de natuur schaamteloos uitgebuit en geplunderd, om nog te zwijgen van hun medemens’. Maar deze erkenning wordt nooit een onderdeel van de analyse. Boudry mag dat geweld dan wel in een verre voorgeschiedenis plaatsen, de vraag is of de voortzetting van ons avontuur van groei niet op een of andere manier gepaard zal gaan met een herhaling van dit geweld. Hij bezingt de smartphone als een innovatie die de functie van allerhande andere toestellen overneemt en dus de vraag naar materialen voor die andere apparaten drukt (op zich al een betwistbare claim), maar zwijgt over de tragedies in Congolese kobaltmijnen om die centrale grondstof te ontginnen alsook de vaart waarmee we smartphones dumpen voor hun lichtjes snellere versie, wat de intensiteit van de extractie slechts verhoogt. Net zo valt de verminderde CO2-uitstoot van Europa niet te begrijpen zonder de export van zijn vervuilende productie naar het buitenland in rekening te brengen. Westerse ‘vooruitgang’ blijft kortom berusten op de neokoloniale uitbuiting van arbeid en aarde elders. Ongelijkheid blijft intussen zowel nationaal als globaal, welja, groeien.

Tovenaars en profeten

Uit het boek spreekt een ontzettend narcisme: een zodanige verliefdheid op het eigen verhaal dat Boudry niet langer de noodzaak lijkt te voelen dat te beargumenteren. Het is dan ook zoeken naar een methodische argumentatie alsook enige consistentie. (Van dat laatste slechts één voorbeeldje: Boudry ziet het niet gebeuren dat mensen vleesconsumptie opgeven, maar wel dat we ‘delen van onze kustgebieden aan de oprukkende zee […] schenken’ – vlees niet, Brooklyn en Oostende wel?). Hoewel het boek is volgepakt met data, is het onmogelijk om uit het boek een denkmodel te halen waarmee de lezer zelf problemen zou kunnen kaderen of analyseren. Veeleer hangt Waarom ons klimaat niet naar de knoppen gaat aaneen van anekdotiek en retoriek die soms zo uit een Jommekestrip lijken te komen: ‘wondergewassen’, ‘klapwiekende en gonzende gevaartes’ en autobouwers die ‘mopperden […] over die vervelende belastingen’ maar uiteindelijk toch opnieuw veel ‘poen [schepten]’, passeren alle de revue. Misschien is mijn referentie aan Jommeke wat goedkoop, maar het gaat me erom dat Boudry evenzeer een wereld schept waarin de lezer de uitvergrotingen en grove schetsen voor waar dient aan te nemen.

Boudry’s belangrijkste retorische middel is echter de tegenstrever, zoals de Club van Rome, te portretteren als doemdenker. Met de journalist Charles Mann maakt Boudry een onderscheid tussen ‘profeten’ en ‘tovenaars’, respectievelijk degenen die wijzen op sociale en ecologische limieten en degenen die inzetten op technologische innovatie. ‘Terwijl de eersten hel en verdoemenis predikten, waren de laatsten druk bezig met de zoektocht naar een uitweg’, vat Boudry hun dynamiek in de recente geschiedenis samen: de irrationele profeten moeten altijd het onderspit delven ten opzichte van de rationele tovenaars. Via deze eenzijdig geschetste geschiedenis – zie ook Geert Buelens’ recensie van het boek – tracht Boudry (vergeefs) zijn dogma’s van groei en technologische innovatie een rationele basis te geven. Sommige passages lezen dan ook als geloofsbelijdenissen:

Zoals een andere econoom, John Maynard Keynes, ooit zei over langetermijnzorgen: ‘Op de lange termijn zijn we allemaal dood.’ De tijdsschaal waarop onze huidige ecologische problemen zich voordoen, is die van jaren, decennia, hooguit een eeuw. Op die termijn hebben de grenzen van de economische groei waarover profeten zich zorgen maken geen enkele betekenis. Onze planeet herbergt zo ontzettend veel energie en grondstoffen dat de eindigheid ervan een puur theoretische aangelegenheid is, zonder praktische consequenties. Tegen de tijd dat we écht tegen een of andere fysische limiet aan botsen, hebben we allang onze grenzen weer verlegd, dankzij technologische innovatie.

De passage begint met een wel heel slecht gekozen dooddoener: meer mensen – om van non-humane dieren nog te zwijgen – zullen immers sneller sterven, en sterven nu al, als gevolg van de ecologische crisis. De geruststelling dat technologische innovatie letterlijk en figuurlijk grenzen zal verleggen overtuigt niet alleen door de weinig fijnmazige tijdsschaal van ‘jaren’ of ‘een eeuw’, maar ook omdat ecologische problemen plaatsvinden vooraleer de grenzen bereikt zijn – denk aan de verschillende stormen, bosbranden van de laatste jaren en mogelijk zelfs het coronavirus. De sceptische lezer vraagt zich ongetwijfeld ook af waarom we nu dan niet ‘allang onze grenzen weer verlegd’ hebben? Waarom zitten we nu dan in de shit?

Spokenjacht

Boudry’s antwoord: ‘Nu de regelrechte klimaatontkenners steeds meer in de verdrukking raken, meen ik zelfs dat de ideologische dogma’s van klimaatactivisten op dit moment de grootste hindernis vormen voor een krachtig en effectief klimaatbeleid.’ Net zoals zijn verminkte voorstelling van het vooruitgangsverhaal mag hieruit blijken dat Boudry niet in staat is om het idee van structurele machtsverschillen in de samenleving te begrijpen. In plaats daarvan krijgen we een spokenjacht. Beide stellingen van het citaat zijn immers faliekant onwaar. Net voor deze passage schrijft Boudry nog over Donald Trump en Thierry Baudet: beiden klimaatontkenners met een grote electorale aanhang die meer algemeen symbool kunnen staan voor de opmars van fossiel fascisme. De andere stelling – moet ik het echt uitleggen? Moet ik echt beargumenteren dat dertig tot vijftig jaar lobbywerk van de fossiele industrie en dertig jaar afwezigheid van politieke daadkracht het klimaatbeleid meer in de weg hebben gestaan dan het altijd wat versnipperde klimaatactivisme dat nooit een brede aanhang heeft gehad? De eerste twee groepen mochten en masse aanwezig zijn op de laatste Climate Change Conference (COP26); de laatste mocht buiten wat staan roepen.

Ik moet de nuance aanbrengen dat het Boudry hier vooral gaat om kernenergie. Maar zelfs dan kan ik mij onmogelijk voorstellen dat Greenpeace en aanverwanten de hoofden van onze politieke leiders en een verrechtste publieke opinie overtuigd hebben. Niet het minst omdat een deel van de klimaatactivisten zelf een plaats geeft aan kernenergie. In Minder is meer schrijft Hickel dat we kernenergie ‘zeker [moeten] opnemen in de beschikbare bronnen’, en ook Anuna De Wever liet in 2019 nog optekenen dat ze het kernenergiedebat overlaat aan de experts, en in een debat eind 2021 lijkt ze daarover niet echt van mening veranderd. En dit is dan de meest vocale en bekende klimaatactiviste van Vlaanderen.

Mais bon, ik kan me voorstellen dat een dergelijke stelling er niettemin bij een deel van het publiek ingaat als zoete koek: ‘dat groene activisme is toch vaak wat overdreven’ – dat sentiment. Toch is beweren dat deze activisten ‘evenveel schade veroorzaakt [hebben] als de hele fossiele industrie en haar “handelaren in twijfel” samen’ nog meer van god los dan de rest van deze intellectuele scherts van een boek. Politiek maakt Boudry echter heel duidelijk wie voor hem de vijand is. Toch moeten we de dwaasheid serieus nemen. Finaal is het boek niets anders dan een wild om zich heen slaande poging het huidige geweld van de westerse beschaving opnieuw te legitimeren nu de klimaatcrisis dat geweld steeds zichtbaarder maakt.

Ecologie, economie en politiek

Boudry verwijt linkse activisten dat ze het klimaat hebben ‘gebruikt als voorwendsel om allerlei linkse stokpaardjes te berijden die op zich weinig met klimaatwetenschap te maken hebben’, en meent dat dit opportunisme de grieven van klimaatontkenners ten dele verantwoordt. Enerzijds: dit is een capriool om het eigen liberale falen te maskeren. Anderzijds: dat er een zekere instrumentalisering is/was van de ecologische crisis is niet geheel onjuist. Toch is het maar de vraag of het anders kan. Is het mogelijk om de ecologische kwestie te beschouwen of op te lossen zonder wat Lola Seaton in haar uitstekende stuk ‘Green Questions’, waaruit ik in deze paragraaf put, ‘extra-ecological reflections [or] implications’ noemt: politieke, sociaaleconomische alsook culturele onderwerpen die voorbij de strikt ecologische vraag naar het herstel van de natuur gaan? Of is die vraag eigenlijk misleidend, en valt zo’n onderscheid niet te maken?

In elk geval is het mogelijk om analytisch een dergelijk onderscheid te maken. Boudry mag dan wel menen dat klimaatkwesties ‘elke ideologie [overstijgen]’, maar door die als ‘beslissende uitdaging’ voor de grootsheid van onze beschaving te presenteren zet ook hij een extra-ecologisch argument in. Verder speelt hij vooral in op de belofte dat we ons alledaagse comfortabele bestaan (inclusief biefstuk en vliegreizen) ruwweg zullen kunnen voortzetten. Louter inzetten op ecologisch herstel zonder te tornen aan de sociaaleconomische en politieke structuren van onze wereld heeft sowieso extra-ecologische consequenties voor (on)gelijkheid en (on)rechtvaardigheid. In die zin lijkt elke ecologische kwestie onvermijdelijk altijd een politiek aspect te bezitten.

Hieruit volgt een andere vraag: valt te argumenteren dat sociaaleconomische rechtvaardigheid en ecologisch herstel met elkaar verbonden zijn? Dat een ecologische transitie noodzakelijk samenhangt met een economische overgang naar een non-kapitalistische economie omdat de eerste faalt zonder de tweede? Dat lijkt de antropoloog Jason Hickel te beargumenteren in zijn uitstekende inleiding op degrowth of ontgroeien, Minder is meer. Centraal in deze strategie staat het terugschroeven van ‘material throughput’ of biofysieke doorvoercapaciteit – het totaal aan energie en materie dat verbruikt wordt in de economie – zodat het economische subsysteem niet méér neemt dan wat schadelijk is voor het ecologische moedersysteem. Dit proces kan slechts slagen wanneer onze economie afstapt van de imperatief tot groeien. Die economie kan bovendien niet langer kapitalistisch zijn, want daarin creëert elke vorm van krimp een recessie. Hickel benadrukt dat we een beweging moeten maken naar een geheel andere, postkapitalistische economie.

Toegepast op de klimaatopwarming en de nodige transitie van fossiele brandstoffen naar hernieuwbare energie, zou een dergelijke degrowth-strategie de overschakeling alvast makkelijker maken. Hoe meer de economie groeit, hoe groter de vraag naar energie immers wordt, waardoor de opdracht telkens veeleisender wordt. Deze constante groei is volgens Hickel ook de reden waarom het aandeel van hernieuwbare energie in het totale energieverbruik klein blijft: alle vorderingen in zonne- en windenergie worden grotendeels tenietgedaan door de gegroeide vraag.

Stel dat het ons lukt om binnen een kapitalistische economie de omschakeling te maken naar 100% hernieuwbare energie, dan nog zou een steeds groeiende economie ons voor ecologische problemen stellen. Zon en wind zijn gratis, maar de infrastructuur om deze groene energie op te slaan heeft nood aan metalen en zeldzame mineralen. Als onze economie en energieverbruik blijven groeien, dan bestaat het gevaar dat er een even sociaalecologisch destructieve wedloop op die grondstoffen ontstaat als op fossiele brandstoffen vandaag. Ook in een dergelijk scenario blijft kapitalistische groei een ecologische neer- en ondergang betekenen.

Groei

Degrowth is niet tegen groei op zich, maar tegen growthism of groei-isme: ‘het najagen van groei omwille van de groei, met als doel kapitaalaccumulatie, en niet om te voorzien in menselijke behoeften en maatschappelijke doelstellingen te halen’. Met Marx maakt Hickel een onderscheid tussen groei die een gebruikswaarde heeft en groei die inzet op ruilwaarde. Bij growthism is het doel niet het vervullen van menselijke noden, maar kapitaalcreatie: winst telkens opnieuw investeren om meer kapitaal te verwerven. Dergelijke groei is niet rechtlijnig, maar samengesteld. Een jaarlijkse economische groei van drie procent, de typische koers, klinkt niet veel binnen een rechtlijnig model (Y+ (0,03 x Y) + (0,03 x Y) (…) ), maar binnen een samengesteld model (Y + (0,03 x Y) + (0,03 x (Y+ (0,03 x Y)) + (0,03 x (0,03 x (Y+ (0,03 x Y)) (…)) betekent dit elke 23 jaar een verdubbeling van de volledige economie. Het is een dergelijke groei die de planetaire grenzen kan overschrijden en in sommige landen al overschrijdt.

Binnen het degrowth-programma blijft er plaats voor groei zolang die een gebruikswaarde heeft en in evenwicht blijft met het milieu. Bepaalde sectoren zoals publieke dienstverlening en hernieuwbare energie zullen ongetwijfeld moeten groeien, terwijl andere zoals de fossiele industrie of industriële veeteelt zullen moeten ontgroeien. Lage-inkomenslanden kunnen hun energieverbruik laten groeien om aan alle noden te voldoen, terwijl de rijkere landen zullen moeten afstappen van hun dwang tot groei omdat hun consumptie van grondstoffen groter is dan wat de regeneratieve krachten van de natuur aankunnen.

Politici geven economische groei een zekere gebruikswaarde door deze te koppelen aan welvaart via het bruto binnenlands product (bbp): de berekening van de monetaire waarde van alle producten en diensten die een land per jaar produceert. Ze beroepen zich op de groei ervan om bepaalde beslissingen door te voeren of worden erop afgerekend wanneer ze de beloofde en nodige groei niet hebben kunnen waarmaken om nieuwe banen te creëren. Hoewel kapitaal vooral geeft om de groei van winsten en niet zozeer van het bbp, verricht deze politieke en mediatieke focus op het bbp wel belangrijk ideologisch werk ter versteviging van de status quo. Net als groei zelf is het bbp echter een weinig nauwkeurig instrument om welvaart te meten: het houdt geen rekening met het nut of de waarde van een activiteit (bv. onderwijs versus bos omkappen), de kosten van een activiteit (bv. vervuiling), noch met activiteiten die welvaart verhogen maar niet per se economisch zijn (bv. zorg voor jezelf of een grootouder).

Hickel weerlegt ook de idee van groene groei: groei die zich ontkoppelt van grondstoffenverbruik. Aanhangers hiervan menen dat het bbp kan blijven groeien door te focussen op gedematerialiseerde economische activiteiten (zoals allerhande diensten), terwijl ons grondstoffenverbruik duurzaam blijft. Daarover kunnen we per definitie sceptisch zijn omdat er werkelijk geen enkele economische activiteit is die niet op een of andere manier berust op grondstoffen: zelfs de verhandeling van financiële producten berust op materie en energie om ze te kunnen opbergen en te doen circuleren. Daarnaast zou de focus op groei de exploitatie van arbeidskrachten kunnen verhogen: denk aan sectoren als zorg en onderwijs waar groei nu al wordt nagestreefd door het personeel in steeds minder tijd meer werk te laten doen.

Centraal in Hickels weerlegging van de idee van groene groei is echter de zogenaamde paradox van Jevons. Die treedt op wanneer technologische innovaties die het efficiënter maken om grondstoffen en energie te gebruiken, niet leiden tot een gereduceerd maar stijgend verbruik ervan. In hun dwang tot groei gebruiken kapitalisten het uitgespaarde geld immers om de productie uit te breiden. Technologische innovatie leidt op die manier tot een verregaandere toe-eigening van de planeet, en deze expansiedrift doet de verhoogde efficiëntie teniet. Dit is géén argument tegen technologische innovatie, maar wel tegen een groei-imperatief waarbij deze innovaties steeds leiden tot verregaandere productie en extractie, en ze niet dienen ‘om menselijk en ecologisch welzijn te verbeteren’.

Het goede leven

Het ontgroeien van de economie is slechts één onderdeel van het ontgroeiprogramma. Het stopzetten van de kwantitatieve economische groei weerhoudt een maatschappij er niet van kwalitatief te groeien. Minder is meer: degrowth zet in op groeiende gelijkheid, rechtvaardigheid, democratie en welzijn. Hickel gaat zo impliciet in tegen de dooddoener dat ontgroeien en een leven in evenwicht met het ecosysteem zou leiden tot een lockdown van het leven: een staatsdictatuur waarin we allerhande verlangens en behoeftes niet zullen mogen vervullen.

Zo’n gedachte gaat ervan uit dat groei en welzijn recht evenredig aan elkaar zijn. Deze gemeenplaats, zoals ook Boudry ze opvoert, zit sterk verankerd in het collectieve bewustzijn, maar is finaal niet juist. Hickel wijst erop dat na een bepaald punt de groei van het bbp de levenskwaliteit amper verbetert. Belangrijker dan groei is, zoals eerder aangegeven, de verdeling van de beschikbare financiële middelen, en dan vooral de investering in publieke goederen en diensten, zoals gezondheidszorg en onderwijs. Het onderzoeksmateriaal dat Hickel aandraagt toont daarbij aan dat dit welzijn te verkrijgen is zonder een hoog bbp. Iets vergelijkbaars gaat op voor ons persoonlijk gevoel van geluk. Onze hoeveelheid spullen of ons loon mag nog zo hoog zijn, als de distributie ongelijk is, zal het gras elders altijd groener zijn, met frustratie en nijd tot gevolg.

Het kapitalisme houdt ons een goed leven van overvloed en vrijheid voor, maar creëert telkens nieuwe vormen van artificiële schaarste waardoor dat goede leven steeds in een nabije toekomst wordt gesitueerd. De belofte van ‘meer’ creëert het door allereerst ‘minder’ met geweld te forceren. Dat was in haar geschiedenis zo, licht Hickel toe: ‘Van de enclosure-beweging tot aan de kolonisering, er moest schaarste worden geschapen om mensen ertoe te dwingen laagbetaald werk te verrichten, ze aan te zetten tot concurrerende productiviteit, en om consumenten van ze te maken voor de massaconsumptie.’ En dat is nu niet anders. Denk aan de artificiële schaarste van jobs die een onderlinge competitiviteit tussen werknemers creëert en de lonen laag houdt, of meer specifiek aan het bezuinigingsbeleid na de financiële crisis van 2008 waarin besparingen zouden aanzetten tot een herstel van de economische groei.

Hickel ziet dit proces waarbij artificiële schaarste de motor is van kapitaalgroei in andere domeinen terugkeren, zoals welzijn, tijd en publieke diensten. Hij schetst een vicieuze cirkel waarin er nood is aan meer arbeid en dus meer productie, die op haar beurt leidt tot nieuwe afzetmarkten en meer consumptie. Overwerkte werknemers moeten door tijdnood hun toevlucht zoeken tot private diensten om aan basisnoden zoals eten en zorg te voldoen, zijn sneller geneigd tot luxeconsumptie om zichzelf te ontstressen of goed te doen voelen (‘ik heb zo hard gewerkt, dus ik mag mezelf nu wel verwennen door X te kopen / te reizen naar Y’). Ze kunnen niet onthaasten omdat de privatisering van publieke diensten zoals energie alles duurder maakt, en marketing een artificiële schaarste aan welzijn creëert door nieuwe behoeftes te creëren. Deze cyclus is wat Hickel het kapitalistische systeem als ‘moloch’ noemt: ‘een machine die niet meer kan worden gestopt en die is geprogrammeerd op eindeloze vermeerdering’ en waarin we allen slechts een radertje zijn.

Om deze machine te doen stokken eist Hickel ‘radicale overvloed’. Wanneer we allemaal toegang hebben tot de goederen die we nodig hebben om goed te leven in een minder ongelijke samenleving, vervalt de nood aan groei en competitie in zowel productie als consumptie. Processen van artificiële schaarste, inclusief geldproductie, moeten daartoe ongedaan gemaakt worden. Op die manier wordt tijd vrijgemaakt, die we naar eigen goeddunken kunnen gebruiken en waardoor we ons kunnen richten op praktijken die het leven laten bloeien.

Voor Hickel komt degrowth daarom finaal neer op een proces van dekoloniseren. Het gaat erom de koloniale of territoriale logica (waarbij het kapitalisme land privatiseerde en mensen onteigende) om te keren en het Globale Zuiden uit de extractieve greep te halen van de rijke westerse landen. Het is dus zaak om af te zien van de logica van verdinglijking, zoals aangekaart door Aimé Césaire: het omvormen van de natuur en niet-witte mensen tot een ding dat de kolonisator kan gebruiken en exploiteren. Met dekoloniale en indigenous denkers pleit Hickel ervoor de mens te zien als deel van ‘een grotere gemeenschap van levende wezens’, en om aandacht te hebben voor de wederzijdse afhankelijkheid en verwantschap tussen onszelf en het niet-menselijk leven op aarde. Uitputting wordt vervangen door ‘wederkerigheid’, waarbij we er ‘wel voor oppassen om niet meer te nemen dan we nodig hebben en niet meer dan de ander kan missen’. Slechts bij een dergelijk evenwicht ontstaat de mogelijkheid tot herstel.

Utopie en desintegratie

Ik vind al deze ideeën prachtig, inspirerend en tijdens het lezen bij momenten hoopgevend. Ze zijn utopisch, en staan dan ook ver van onze huidige realiteit. Die realiteit is er een van desintegratie waarbij de status quo niet langer een vorm van stabiliteit kan creëren: de ene crisis volgt de andere op zonder dat de politiek er blijk van geeft een strategie te hebben die ons daaruit kan leiden. Ook Hickel onthoudt zich van politieke strategie. Hij somt verschillende beleidsvoorstellen op, schreef mee aan een voorstel voor een Green New Deal without Growth, en met zijn sterke nadruk op herverdeling en zijn afkeer van het neoliberalisme lijkt hij in te zetten op een sterke welvaartsstaat (zonder evenwel in te gaan op de uitsluiting van niet-witte mensen die in dat maatschappijmodel besloten lag). Hickel wijst erop dat een sociale beweging noodzakelijk is om die ideeën om te zetten in effectief politiek beleid, en vermeldt enkele huidige klimaatbewegingen zoals Extinction Rebellion of het verzet in Standing Rock. Hij had ook meer algemeen kunnen verwijzen naar de dekoloniseringsstrijd, of explicieter kunnen aansluiten bij de grieven van consumenten of van arbeiders om zijn ideeën een politiek gewicht te kunnen geven. Niet dat ik een blauwdruk voor een postkapitalistische maatschappij verwacht, maar zonder enige beschrijving van politieke strategie bestaat het gevaar dat ideeën blijven steken in een zeker idealisme of moralisme.

Hickel vermijdt dat ten dele door telkens te wijzen op de nood aan democratische gesprekken over wat we van onze economie willen. Een heikel punt is echter de idee van menselijke noden die binnen degrowth verschilt van zogenaamde excessieve consumptie. Wanneer ze spreken over de ‘echte’ of ‘belangrijke’ noden tegenover artificieel gecreëerde begeertes, krijgt dit al snel een moraliserende invulling. Enerzijds kun je zeggen dat we al voortdurend afwegingen maken tussen wat noodzakelijk is en wat een luxe of frivoliteit; anderzijds lijken we net aan die frivoliteiten gehecht omdat ze een zekere vrijheid beloven die het louter noodzakelijke overstijgt. Je kan het triest vinden dat mensen in spullen vrijheid moeten zoeken en je kan zeggen dat mensen bedot worden door algoritmes die hen gerichter tot regelmatigere en snellere consumptie verleiden, maar daarmee verbreek je die hechting echter nog niet, laat staan dat je hun visie op consumptie fundamenteel verandert.

Uit de coronacrisis blijkt alvast dat een grote groep mensen bereid is om op straat te komen voor net het tegendeel: hun vrijheid om te consumeren en hun recht op overdaad. Ze houden vast aan een oudere versie van het goede leven waarvan ze ervaren dat die binnen de desintegratie van de status quo lijkt te verdwijnen. Een rechtse, (etnisch-)nationalistische consolidatiepolitiek vertelt hun dat dit niet zo hoeft te zijn zolang de buitengrenzen en de raciale en seksuele orde met het nodige geweld verdedigd worden. Bij elke ecologische crisis zal dat geweld noodzakelijkerwijze moeten toenemen. Dat mensen zullen sterven is in deze dystopie geen probleem zolang het de ‘onze’ maar niet zijn.

Met de desintegratie van de status quo zal elke toekomst een radicale vorm aannemen. De vraag is, zoals criticus Benjamin Kunkel oppert in een gesprek met de Bulgaars-Duitse schrijver Ilja Trojanow, of we die toekomst een utopische dan wel dystopische vorm zullen laten aannemen.

Jason Hickel, Minder is meer. Hoe degrowth de wereld zal redden. Te verkrijgen in de Oikos-webshop.

 

Deze recensie verscheen reeds in De Reactor

Read more...

Geen achterpoortjes. Geen loze beloften. Gewoon actie.

05 januari 2022 by Economie 1445 Views

Het is met grote voldoening dat we het 100e nummer van het Oikos Tijdschrift publiceren, en dit in een gloednieuw jasje. We zitten in een cruciaal decennium: of we onze kinderen een leefbare toekomst achterlaten, zal afhangen van de concrete acties die de komende jaren voor reële trendbreuken moeten zorgen. Het gaat om niets meer of minder dan systeemverandering, van hoe we produceren en consumeren, maar ook of we kunnen komen tot een radicaal zorgzame verhouding tot mens en natuur.

In dit speciale feestnummer laten we enkele denkers, sprekers en betrokken burgers aan het woord: hoe kijken zij naar de toekomst? Wat moet er volgens hen gebeuren?
Voor deze gelegenheid stellen we hieronder alvast de bijdrage van Jason Hickel publiek. Vertaling door Magda Brijssinck.
 

"Het heeft me tien uur gekost om met de trein van Barcelona naar Brussel te komen. Deze reis zal drie dagen van mijn leven in beslag nemen. Op weg naar hier vroeg ik me af waarom ik het niet gewoon via Zoom deed. Ik had van mijn weekend kunnen genieten en uitslapen, dan twee uur present tekenen en klaar.

Hier ben ik dan en dus zal ik iets nuttigs moeten vertellen. Iets wat jullie en mijn tijd waard is. Iets gedurfds. Want we zijn aanbeland in een tijd die erom vraagt gedurfde dingen te zeggen.

Jullie weten even goed als ik dat we er slecht voor staan, dat het niet de goede kant opgaat. Jullie weten even goed als ik dat onze regeringen ons in de steek laten. Dat ze de hele wereld in de steek laten. Dat ze al het leven op aarde in de steek laten. COP na COP gaat voorbij, maar het enige wat we van onze leiders — als we ze zo al mogen noe­ men — te horen krijgen, zijn wollige, vrijblijvende beloften over nuluitstoot. [COP — Conference of Parties: internationale klimaattop van de VN, nvdr.] Het zijn echter totaal loze beloften. Er bestaat nog altijd geen beleid waarop hun beloften steunen. In feite zet het bestaande beleid van de regeringen ons tot op heden op weg naar bijna drie graden opwarming.

Hoe ziet een wereld van drie graden warmer eruit? Op welke toekomst stevenen we af? Dat kan ik jullie vertellen. Zo’n 30 à 50 procent van alle levende soorten zal uitsterven. Anderhalf miljard mensen zullen van hun thuis verdreven worden, gedwongen te vluchten voor droogte, branden, overstromingen en dodelijke hitte. De opbrengs­ ten van basisvoedsel zullen met wel 30 procent afnemen, waardoor wereldwijd de ononderbroken voedselvoorziening almaar meer ontwricht zal worden. Een groot deel van de tropen zal voor de mens onbewoonbaar worden.

Denk eens aan de gevolgen. Denk eens aan de chaos die dit gaat meebrengen. De instellingen zullen het begeven. De wetenschappers laten er geen twijfel over bestaan dat zo’n wereld niet te verenigen is met de menselijke beschaving zoals we die kennen. De status quo komt neer op een dodenmars.

Het is niet jullie fout, niet onze fout. We zijn geneigd om over deze crisis te praten als het ‘Antropoceen’. Maar het zijn niet de mensen als mens die het probleem veroorzaken. Het is ons economisch systeem, het kapitalisme, dat opgezet wordt rond voortdurende expansie, extractie en accumulatie door een elite, en dat de levende wereld behandelt als niets meer dan een exter­ naliteit. Het is een moloch die zo geprogrammeerd is dat hij alles op zijn pad verslindt, tot kortstondig voordeel van een miniem deel van de mensheid.

De voorbij­de­groeitheorie is opwindend en visi­ onair. Ze kan echter ook nogal abstract aandoen en het is niet het moment voor abstracties. We hebben een concreet politiek programma nodig. Wat moeten we doen om de klimaatcrisis aan te pakken? Hoe zou het zijn om die crisis als een echte klimaatnoodtoestand op te vatten? Wat is er in feite vereist om de mondiale opwarming te beperken tot niet meer dan 1,5°C?

De allerbelangrijkste maatregel is er een waar tot nu toe geen enkele minister zich aan heeft willen wagen: stel een limiet aan de productie van fossiele brandstof en bouw die af volgens een bindend jaarplan tot deze industrie nagenoeg ontmanteld is tegen het midden van de eeuw. Ik zal het nog eens zeggen: stel een limiet aan de productie van fossiele brandstof en bouw die af volgens een bindend jaar­ plan totdat deze industrie nagenoeg ontmanteld is tegen het midden van de eeuw. Voilà. Dit is de enige zekere manier om de klimaatontwrichting een halt toe te roepen, en dit moet bovenaan onze agenda staan, bovenaan de lijst van onze eisen".

Benieuwd naar meer? Lees het volledige stuk via deze link. Bestel hier het boek 'Minder is Meer'.

Vraag je gratis proefnummer aan via info@oikos.be of neem ineens een abonnement.
Read more...

Economie in meervoud Deel VIII. Verschillende perspectieven op zorgeconomie

28 oktober 2021 by Economie 1447 Views
Jef Peeters

Written by

Economie is veel meer dan markteconomie en ook heel divers. Ze moet daarom in het meervoud bekeken worden. Bovendien vindt er economische vernieuwing plaats over alle maatschappelijke sectoren heen. De eerste bijdrage van deze reeks, over economische diversiteit als dusdanig, wees al op dat grote, maar in het economische discours veelal vergeten domein van het huishouden en de zorg. Feministische denkers vragen daar al lang meer aandacht voor, en ecofeministen verbreden het perspectief tot zorg voor het hele levensweb. De vorige bijdrage besprak hoe dat vandaag leidt tot een visie die zorg tot kern van de economie maakt. Onder de brede paraplu van zorgeconomie zitten er echter meerdere benaderingen, elk met hun eigen focus of accent. Deze bijdrage stelt er enkele van voor, waarbij voor een goed begrip, de vorige bijdrage als inhoudelijke achtergrond dient. 

 

Lees hier gratis het hele Oikos-artikel. 

 

 

 

Read more...

Als welvaart ons welzijn ondergraaft

28 juni 2021 by Economie 4047 Views
Dirk Holemans

Written by

De overheid laat het aan ons om te beslissen of we nog groenten uit onze tuin willen eten. Dirk Holemans vindt dat ze zelf moet leren om risico’s zoals schadelijke chemicaliën te beheersen.

Dat de grond rond de 3M-site vervuild is met de schadelijke, niet-afbreekbare chemische stof PFOS, is de zoveelste wake-upcall. We slagen er als samen­leving niet in om om te gaan met de risico’s die we zelf creëren. Al in 1986 muntte de Duitse socioloog Ulrich Beck het begrip ‘de risicomaatschappij’ in zijn gelijknamige boek. Een centraal idee daarin is dat van ‘georganiseerde onverantwoordelijkheid’: het gegeven dat natiestaten niet in staat zijn de risico’s verbonden met de naoorlogse industrialisering te beheersen. Beck omschrijft die periode als de ‘tweede moderniteit’.

Voordien waren risico’s veelal beheersbaar in tijd en ruimte. Met de komst van onder meer kerncentrales en dus ook kernafval veranderde dat radicaal. Ook de grootschalige productie van nieuwe categorieën van chemische verbindingen past daarin. We produceren nu op massieve wijze chemicaliën die zich ongebreideld verspreiden in tijd en ruimte. Het voorbeeld van PFAS, de groep waartoe PFOS behoort, is sprekend, ze heten niet voor niets forever chemicals, ze verdwijnen nooit meer en ze zitten overal.

Twintig jaar te laat

Een cruciale reden waarom moderne natiestaten nieuwe risico’s niet kunnen beheersen, is verbonden met het klassieke vooruitgangsdenken. Want het gaat om risico’s die in veel gevallen net door vooruitgang veroorzaakt zijn. De economische expansie waarop onze welvaartsgroei was gebaseerd, blijkt nu ons welzijn te ondergraven. Om het met een boutade te zeggen: vijftig jaar geleden keken ouders reikhalzend uit naar nieuwe petrochemische fabrieken om de welvaart voor hun kinderen te vergroten, vandaag vragen ouders zich angstig af of de massieve uitstoot van gifstoffen en broeikasgassen de toekomst niet op het spel zet.

Omdat we vastzitten in expansie­denken, proberen we de risico’s voor een stuk weg te moffelen om die ‘vooruitgang’ niet in het gedrag te brengen. Het onvermogen van het systeem leidt tot een gedwongen individualisering van risico’s, we moeten nu bijvoorbeeld zelf beslissen of we nog groenten uit onze tuin eten. Of we krijgen dat advies twintig jaar te laat. Dat maakt mensen boos, ze verliezen het vertrouwen in de overheid. Ondertussen blijven de privébedrijven die de milieuschade veroorzaken buiten schot – zag u al een woordvoerder van het chemiebedrijf 3M in tv-studios? – terwijl ze de winsten blijven incasseren.

Nog erger is dat traditionele politieke partijen vastzitten in oude denkschema’s. Hoe anders te begrijpen dat de Vlaamse regering en het Antwerpse stadsbestuur met open armen chemiereus Ineos in de Antwerpse haven verwelkomen, en zelfs een waarborg verlenen? Zo verleggen ze opnieuw de risico’s van de initiatiefnemende industrie naar de gemeenschap en de toekomst. Het Ineos-project wil op basis van bijproducten van vervuilend schaliegas uit de Verenigde Staten basisgrondstoffen produceren om plastics te maken, terwijl de wereldwijde productie nu al hoger is dan de vraag. Ondertussen recycleren we in Europa amper een fractie van de geproduceerde plastics. Voor een klimaatneutrale samenleving moeten we volledig van de fossiele brandstoffen en van wegwerpplastics afraken.

Gevaarlijke cocktail

Een redactioneel commentaar in deze krant wees op de nood aan een andere logica voor onze samenleving (DS 16 juni): welvaart produceren zonder dat het ons welzijn aantast. Daarop voortbouwend kun je stellen dat de overheid het sociaal contract – waarbij ze zekerheid biedt aan haar burgers – eenzijdig heeft opgezegd in haar streven naar ‘vooruitgang’. Daar kun je geen antwoord op formuleren als je louter wat morrelt aan de regels. Enkel rule-altering politics kan ons uit deze situatie helpen: we hebben nieuwe regels nodig voor de milieuwetgeving en voor het publieke debat.

Zo is er nood aan nieuwe regels die het gebruik van chemicaliën regelen. Voor de meeste is amper kennis voorhanden over de risico’s voor mens en milieu. En een geval-per-geval-analyse gaat voorbij aan de gevolgen van de blootstelling aan een cocktail aan chemicaliën. Een doorbraak zou zijn dat geen enkele chemische verbinding die niet-afbreekbaar is of hormoonverstorend werkt, toegelaten wordt zonder de uitdrukkelijke goedkeuring van de overheid, op basis van cruciale maatschappelijke meerwaarde.

Voor afval geldt eenzelfde redenering. We hebben stapels wetten en normen opgesteld waar afvalverwerking aan moet voldoen. Langzaam verschuift de aandacht van verwerking naar recyclage en hergebruik. Maar de noodzakelijke trendbreuk ligt in de ontwikkeling van een kringloopeconomie, en zelfs van een regeneratieve economie. Zo wordt afval een bruikbaar product in een andere productieproces en worden producten echt duurzaam, zodat we niet elk weekend containerparken vullen met het zo­genaamde wit- en bruingoed.

De instelling van een terugnameplicht voor de producent was een eerste stap in die richting. Met een Europese herstelplicht zouden we een belangrijke nieuwe stap kunnen zetten. Geen right to repair voor consumenten, maar een duty to repair voor producenten.

Rule-altering politics slaat ook op een radicale omslag in transparantie, aanspreekbaarheid en aansprakelijkheid. Het is onaanvaardbaar dat onderzoeksrapporten over schadelijke producten niet publiek worden gemaakt. Producenten moeten aangesproken worden in het publieke debat over wat ze willen produceren. En er zal alleen iets veranderen als de juridische aansprakelijkheid sluitend is. De dading tussen Lantis, de bouwheer van de Oosterweelverbinding, en 3M is dan ook stuitend (DS 15 juni).

De Vlaamse regering wil de rechten van burgers om bezwaren in te dienen bij vergunningsdossiers inperken. Daarmee doet ze net het omgekeerde als wat nodig om het vertrouwen in de politiek te herstellen, en probeert ze een oud vooruitgangsconcept overeind te houden. Misschien is dat geen toeval. Het cynische aan de situatie is dat Vlaanderen beschikte over een vooruitstrevend instituut dat kon helpen om de uitdagingen van de risicomaatschappij aan te gaan. In 2000 richtte het Vlaams Parlement het autonome Instituut Samenleving en Technologie op. Dat deed van 2000 tot 2011 diepgravend onderzoek naar de maatschappelijke aspecten verbonden met wetenschappelijke en technologische evoluties en ontwikkelde nieuwe concepten voor publieke participatie. Nauwelijks tien jaar later werd het afge­schaft door de keizer-koster­mentaliteit die de Vlaamse regering al een decennium domineert.

Maar wie denkt de risicomaatschappij in de doofpot te kunnen steken, werkt zich in de nesten. Alleen als we bereid zijn om in alle openheid de discussie aan te gaan over een nieuw sociaal contract, ligt een nieuwe logica die welvaart en welzijn combineert in het verschiet.

Dit opiniestuk verscheen in De Standaard op 26/06/21.

Read more...

Minder is Meer

09 juni 2021 by Economie 2978 Views
Administrator

Written by

De Nederlandstalige versie van Jason Hickel's nieuwe boek 'Less is More' is nu beschikbaar!

Centraal in Minder is Meer staat de vaststelling dat het kapitalisme niet in staat is de klimaatverandering en ecologische ineenstorting op te lossen. Ons dominant economisch systeem, zo legt Jason Hickel uit, heeft voortdurende expansie nodig om de eigen ineenstorting te vermijden. Het legt een enorme druk op mensen om te blijven consumeren, om schulden aan te gaan. Hoe bevrijdend is het besef dat het anders kan! Dit boek schetst een duidelijke weg naar een postkapitalistische economie, die rechtvaardiger, zorgzamer en leuker is. Een economie die de mens laat floreren en de ecologische ineenstorting terugdraait. Want door minder te nemen, kunnen we meer worden.

Bestel hier het boek

jason hickel

Read more...

Wanneer zijn wij, modernen, eindelijk voldaan?

19 april 2021 by Economie 2582 Views
Dirk Holemans

Written by

Kunnen modernen ook zorg dragen?

Dat de avonturier Sylvain Tesson dat ‘kleine meisje Greta Thunberg’ charmant vindt omdat ze de wereld wil redden, maar dat het te laat is, want ‘niets zal die tien miljard mensen stoppen die allemaal een modern leven willen leiden’, is aanleiding voor een boeiend debat. De klimaatdocent Pieter Bousse­maere (DS 7 april) is akkoord dat iedere aardbewoner recht heeft op een modern leven, maar ook dan kunnen we een klimaatneutrale wereld realiseren. Een deel van het debat gaat over de rol van technologieën waar volgens ecomodernisten Maarten Boudry en Manuel Sintubin het grootste deel van de oplossing ligt. De energie-expert Joannes Laveyne (DS 14/4), waarschuwt hierop terecht voor benaderingen die, zodat we geen verantwoordelijkheid moeten nemen, klimaatverandering reduceren tot een technologisch oplosbaar probleem. Ik ben het met Laveyne eens dat er geen mirakeloplossingen bestaan, dat ook economische en maatschappelijke innovaties vereist zijn. Een cruciale vraag is dan ook: mogen we de economische grondslag van de moderne samenleving in vraag stellen? En wat is dat eigenlijk, het moderne leven waar iedereen recht op heeft?

De twee gezichten van de moderniteit

Onze moderne samenleving is gestoeld op Verlichtingswaarden zoals autonomie, vrijheid, recht en rede, maar ook een scheiding tussen mens en natuur – het cartesiaanse denken – dat de basis legde voor ons economisch bestel en de daarmee verbonden plundering van de planeet. Etienne Vermeersch formuleerde dit helder in zijn milieu-essay De Ogen van de Panda. Als rationeel denker was hij overtuigd van de Verlichtingswaarden, tegelijk legde hij de oorzaak van de ecologische crisis bij het zogenaamde WTK-bestel: een elkaar versterkende ontwikkeling van westerse wetenschap, technologie en kapitalisme. Door haar arrogant technologisch optimisme blijft dit bestel blind voor de schade die ze aanricht. Want elk probleem lossen we wel op door technologische innovatie, de aanpak van de zogenaamde technofiksers. De Britse antropoloog Jason Hickel stelt hierbij de vraag waarom we elke dag worden aangemoedigd om te geloven in Verlichtingswaarden van kritisch denken, maar dat niet mogen toepassen op ons economisch systeem, het kapitalisme, en de daarmee verbonden machtsverhoudingen en ongelijkheden?

Om dit concreet te maken naar het moderne leven: gaat dat over een samenleving die zorgt dat al haar leden zich kunnen ontplooien, door te voorzien in basisbehoeften zoals gezond voedsel en een degelijke woonst, emancipatorisch onderwijs, hoogstaande gezondheidszorg, een sterke rechtstaat en een levende democratie? Of hoort daar ook het recht op grenzenloze consumptie bij, een economie die verslaafd is aan groei, waarbij we de stabiele levensvoorwaarden op aarde op het spel zetten? Waarbij we ontkennen dat onze rijkdom gebouwd is op eeuwenlang uitbuiting en plundering van andere delen van de wereld, alsook het in eigen samenleving profiteren van niet of veel te weinig betaalde zorgarbeid? Kunnen we vanuit kernwaarden van de Verlichting, zoals rede, vrijheid en solidariteit, kritisch het WTK-bestel ter discussie stellen?

De oplossing die de dominante machtshebbers in onze samenleving naar voor schuiven om dit debat niet te voeren, is – jawel – een nieuwe technofix. Ze stellen dat ontkoppeling tussen economische groei en milieudruk mogelijk is: onze economie blijft groeien terwijl we minder beslag leggen op de aarde. En als we kijken naar de uitstoot van broeikassen, zijn er inderdaad landen die hun broeikasgasuitstoot verminderen terwijl hun economie licht verder groeit. Dat is mogelijk als je bijvoorbeeld kolencentrales sluit en investeert in hernieuwbare energie. Maar ook die hernieuwbare energie is niet eindeloos, want komt, net als elke andere productie, met de nood aan materialen.

Het is deze materialenblik die toont waarom van ontkoppeling geen sprake is. Als we kijken naar de materialenvoetafdruk van moderne hoog-inkomenslanden, dan vereist onze levenswijze maar liefst 28 ton materiaal, per inwoner, per jaar! Dat is tien keer meer dan in lage-inkomenslanden. Wetenschappers geven aan dat een duurzaam niveau op ongeveer acht ton per jaar ligt. En al die materialen komen niet uit de lucht vallen. Ze worden, steevast in andere delen van de wereld, opgedolven en verwerkt. En zo komen we tot de andere ecologische crisis: het ineenstorten van de biodiversiteit. Want onze grondstoffenhonger is catastrofaal voor het diverse leven op aarde. Volgens de Verenigde Naties is maar liefst tachtig procent aan verlies aan biodiversiteit verbonden met het ontginnen en verwerken van grondstoffen. Om onze vraag naar hout en veevoeder bijvoorbeeld, kappen we elk jaar opnieuw bosgebied ter grootte van Nederland. Maar ook het zand nodig in de bouw geraakt op. Voor elke kilometer autosnelweg is er bijvoorbeeld 30.000 ton zand nodig.

Technofiksers stellen dat we dit gaan oplossen door producten efficiënter te produceren, met minder materialen en energie, en toestellen energiezuiniger maken. Dat gebeurt inderdaad, maar in een groeiverslaafde economie betekent dat gewoon dat we hiermee behaalde winst opnieuw investeren in meer productie en consumptie. Dit rebound effect is ondertussen op tal van vlakken aangetoond: we produceren meer efficiënte toestellen maar we kopen en gebruiken ze meer. Een recente analyse van 835 wetenschappelijke artikelen besluit dat de we massieve en snelle reducties in emissies noodzakelijk om klimaatontwrichting tegen te houden, niet kunnen realiseren binnen de geobserveerde mate van ontkoppeling. En ontkoppeling op vlak van materialen is nog helemaal niet aan de orde: de materialenvoetafdruk per inwoner steeg in de Europese Unie met nagenoeg een derde van 1995 tot 2015.

Dat brengt ons tot de vraag die modernen tot nu toe niet stelden: hoeveel is genoeg? Of nog, als we solidariteit ernstig nemen: hoeveel vinden wij genoeg zodat er voldoende is voor iedereen op aarde? Als we een stabiele en rechtvaardige wereld willen achterlaten, moeten we ervoor zorgen dat de sociale en ecologische kosten van de duurzaamheidstransities in rijkere delen van de wereld niet gewoon opnieuw worden doorgeschoven naar de armere delen, bovenop de historische ongelijkheden. Dit vergt het dekoloniseren van consumptie en productie, aangezien onduurzame consumptie door rijkere groepen, op basis van ‘zo goedkoop mogelijk’, enkel mogelijk is door neokoloniale vormen van extractie, toeëigening en handel.

Uitdagende tijden vragen om sterke beeldspraak. Misschien zitten we niet op de Titanic, maar we zitten alleszins ook niet met zijn allen op hetzelfde dek van het mensenschip. Een groep hogere inkomens zit op het bovenste dek, genietend van de zon en de non-stop catering, terwijl ze aan de lagergelegen groepen blijven beloven dat er ooit bovenaan voor iedereen plaats zal zijn. Waarbij ze ontkennen dat het bovenste dek niet functioneert zonder uitbuiting van de onderste.

Het debat is dus hoe we onze moderniteit kunnen moderniseren. Waarbij we de waarden van rede, autonomie, democratie, vrijheid en gelijkheid behouden maar er een fundamenteel zorgperspectief aan toevoegen. Dat kan toelaten een nieuw economisch model te ontwikkelen, dat zorg wil dragen en aarde en mens beschermt. Waarbij we onze waarde-onttrekkende economie omvormen tot een waardencreërende, generatieve economie. Dat we telkens als we economische waarde creëren, ervoor zorgen dat het ook sociaal en ecologisch waardevol is. Denk aan de boer die zijn bodem niet uitput en natuur omploegt, maar de bodemkwaliteit koestert en zorgt voor biodiversiteit op en langs zijn akkers. En meer zorgpersoneel terug de tijd krijgt om kwali-tijd te besteden aan warm, menselijk contact. Eigenlijk lijkt dat niet meer dan de redelijkheid zelve.

 

Dit opinistuk verscheen in ingekorte vorm in De Standaard van 17 april 2021.

Read more...

Een corona-solidariteitstransfer van €2000 voor elke Europeaan uit de geldpers van de Europese Centrale Bank

15 maart 2021 by Economie 2001 Views

 

De coronacrisis weegt op ons welbevinden, onze spaarcenten, de economie, en de begroting. Om de coronaschok op te vangen, heeft de Europese Centrale Bank (ECB) sinds het begin van de coronapandemie al voor miljarden in ‘de economie’ gepompt. In december 2020 stond de teller al op € 718 miljard. Recent breidde de ECB haar Pandemic Emergency Purchase Programme uit tot € 1.850 miljard, oftewel € 5.403 per inwoner van de eurozone. Dit wil zeggen dat de ECB nog tot en met maart 2022 pakweg € 1.000 miljard (€ 2.920 per eurozonebewoner) extra in de economie kan injecteren. Aangezien het serieus valt te betwijfelen of deze ECB-miljarden zullen doorsijpelen van de instabiele financiële economie naar de echte, reële economie kan de ECB haar bazooka beter van schouder wisselen en noodlijdende burgers een levenslijn toewerpen in de vorm van een corona-geldtransfer van € 2.000 per eurozonebewoner. Een beetje monetaire rechtvaardigheid kan immers geen kwaad.

De ECB injecteert geld door overheids- en bedrijfsobligaties op te kopen op financiële markten. Dit zou financiële spelers zoals banken en verzekeraars moeten aanzetten om leningen te verstrekken zodat er geïnvesteerd wordt en de reële economie aantrekt. Helaas gebeurt dit amper in de praktijk. Het geld blijft plakken op de financiële markten en vindt zijn weg naar aandelen, vastgoed en beleggingen in plaats van naar consumptie of investeringen. Het is dan ook weinig verbazingwekkend dat twee economen van het Internationaal Muntfonds vaststellen dat er een ontkoppeling ontstaan is tussen de financiële markten en de reële economie.

De rijken worden rijker

Een onderbelichte schaduwzijde van het opkoopprogramma is dat multinationals het coronageld van de ECB doorsluizen naar hun aandeelhouders, zoals blijkt uit onderzoek van Follow the Money. De ECB kocht bijvoorbeeld € 3 miljard obligaties aan van Shell, dat dit geld gebruikt voor dividenduitkeringen – ook al staat Shell serieus onder druk doordat de olie- en gasprijzen gedaald zijn. Bovendien ontmantelen we Shell beter zo snel mogelijk om de klimaatcrisis te bezweren, aangezien haar bedrijfsmodel niet toekomstbestendig (en dus in feite maatschappelijk failliet) is. Ook Louis Vuitton Moët Hennessy kreunde onder de crisis, maar wist de geldpersen staan. Het luxeconcern gaf voor € 1,5 miljard aan obligaties uit en hield zo haar dividenduitkering op peil. De derde rijkste man ter wereld, Bernard Arnault werd plotsklaps 600 miljoen rijker. Deze voorbeelden illustreren dat het aankoopbeleid van de ECB niet neutraal, noch monetair rechtvaardig is wanneer tegelijkertijd mensen niet rondkomen, de rijen bij de voedselbanken langer worden en de klimaatcrisis doorbreekt.

Helikoptergeld

De ECB is aan herbronnen toe om de euro te democratiseren en rechtvaardiger te maken. Nu de financiële markten al konden profiteren, waarom zou de ECB niet een deel van het coronageld dat ze bijdrukt rechtstreeks bijschrijven op de bankrekening van de gewone Europeaan? De beweging DiEM25 (Democracy in Europe Movement 2025) waarvan de Griekse econoom Yanis Varoufakis medeoprichter is, stelt voor om elke Europeaan een solidariteitstransfer van €2.000 te geven, terwijl de ngo Positive Money Europe € 1.000 aan helikoptergeld voorschrijft. Als we er van uitgaan dat de burger evenveel recht heeft op de geldpersen van de ECB als de financiële markten, dan lijkt € 2.000 eerlijk. Dit zou in totaal neerkomen op €685 miljard, wat onze economie een enorme boost zal geven. Aangezien velen de crisis voelen en aankopen uitstellen, zullen de meest kwetsbaren en behoeftigen dit geld niet oppotten maar uitgeven.

Critici zullen ongetwijfeld opperen dat dit helikoptergeld tot inflatie zal leiden. Aangezien de inflatie laag is, valt dit ten zeerste te betwijfelen. In 2020 bedroeg de inflatie 0,2 procent en de ECB ziet deze zachtjesaan stijgen naar 1,4 procent in 2023. Dit betekent dat de inflatie dus nog minstens voor drie jaar onder de inflatiedoelstelling van ‘minder dan maar dicht bij 2 procent' blijft. Bovendien kan de ECB geld weer uit de economie halen als het algemene prijspeil te fel zou stijgen.

Om de euro te democratiseren, is politieke moed nodig om het mandaat van de ECB te wijzigen. Om de sociale crisis het hoofd te bieden, is meer nodig dan een experiment binnen het huidige, onrechtvaardige kader. Het is hoog tijd om de spelregels zelf te wijzigen. Het is nooit te laat voor wat monetaire rechtvaardigheid: werp Europese burgers een coronalevenslijn toe van € 2.000. De toekomst van de euro ligt immers in publieke handen.

 

Jonas Van der Slycken
Doctor in de economische wetenschappen (UGent)

Read more...
Pagina 1 van 4
Don't have an account yet? Register Now!

Sign in to your account