Denktank voor Sociaal-Ecologische Verandering

Economie

Economie (20)

PODCAST 10 jaar Oikos: Paul Verhaeghe en Dirk Holemans

13 januari 2020 by Economie 82 Views

Beluister hier.

In deze podcast gaan Dirk Holemans en Paul Verhaeghe in gesprek over de economie van de toekomst, hoe die eruit zou kunnen zien en of die een goed leven mogelijk maakt voor iedereen, binnen de grenzen van de planeet.

Podcast naar aanleiding van het feestcongres 10 Jaar Oikos op 28 januari in Vooruit Gent, waar Paul Verhaeghe te gast zal zijn als spreker (naast Jason Hickel, Maja Göpel en Kees Vendrik).

 

Read more...

‘Geen soevereine burger zou ongelimiteerde ongelijkheid toelaten. Parlementen wel’ Interview met Christian Felber

18 december 2019 by Economie 193 Views

Uitvinder van de Economie voor het Gemene Goed Christian Felber was te gast op Ecopolis

Interview door Simon J. Bellens voor Denktank Oikos

Het is een drukke dag voor Christian Felber. ’s Middags buigt hij zich op Ecopolis in een panel over de vraag waarom we vandaag nog moeten studeren. ’s Ochtends staat de ene na de andere ontmoeting gepland. ‘Dat is typisch Brussel’, glimlacht hij, ‘dan zit de hele dag vol afspraken.’ Voortdurend duikt er wel iemand op die aan zijn mouw komt trekken om hem naar de volgende afspraak te brengen. Ergens daartussen hebben we een halfuurtje gevonden om met elkaar te spreken. Terwijl we een rustige plaats zoeken, vertelt hij over het gesprek waaruit ik hem op mijn beurt had gestoord: ‘Dat was een Catalaans politicus. In ballingschap. Het was een emotioneel gesprek. De Catalanen zien zichzelf als een experimentele broeihaard voor lokale burgerdemocratie. Dat krijgt natuurlijk mijn steun.’

Felber — Oostenrijks professor, auteur, activist (danser ook, las ik op Wikipedia) — is een van de boeiendste en meest innoverende stemmen op het gebied van democratische en economische vernieuwing. Zijn redenering lijkt kinderlijk eenvoudig: het economische systeem op basis van winstmaximalisatie en return on investment slaagt er vandaag niet in om maatschappelijk wenselijke resultaten te genereren. Ongelijkheid, klimaatbelasting, directe schade aan het leefmilieu, machtsconcentratie… er zijn teveel zogezegde neveneffecten die de klassieke economische logica niet kan uitbannen. We moeten de economie dus in overeenstemming brengen met het algemene belang. Zo simpel is het. En Felber heeft daarvoor de instrumenten ontwikkeld.

Zijn Economie van het Gemene Goed vervangt een financiële bedrijfsbalans in een Gemene Goed Balans. Op nationaal niveau moet het Bruto Binnenlands Product wijken voor een Gemene Goed Product (GGP). Maar er zijn ook Banken van het Gemene Goed. Wereldwijd scharen honderden bedrijven en verschillende overheden zich achter zijn nieuwe economische logica. Dat, samen met zijn vriendelijke en gevoelige verschijning, maakt hem tot een graag geziene gast op evenementen, lezingen, aan universiteiten, in Ted Talks.

‘Als je die omkering naar het gemene goed ernstig neemt’, zegt Felber, ‘moet je de activiteiten van elk bedrijf en elke investering afwegen aan de impact op het algemene belang, en het succes van de economie aan het Gemene Goed Product. Voor bedrijven wordt de Gemene Goed Balans dan belangrijker dan de financiële balans. Die gaat alleen over het geld, de middelen met andere woorden. Een Gemene Goed Balans gaat over het doel van een onderneming. Er mag nog steeds return on investment zijn, maar dat is secundair. Belangrijker wordt dat investeringen geen schade toebrengen aan het algemeen belang, succes meten we af aan sociale en ecologische maatstaven.’

‘Je zou het GGP kunnen vergelijken met het Bruto Nationaal Geluk in Butan, de beter-levenindex van de OESO of zelfs met de Duurzame Ontwikkelingsdoelen van de Verenigde Naties. Dat zijn allemaal alternatieven voor het BBP als maatstaf van de economie. Ons voorstel is nu dat burgers zelf het Gemene Goed Product samenstellen. Ze mogen beslissen welke maatstaven we daarin opnemen, geen technocraten of experten die zogezegd weten wat goed is voor een land. Mensen moeten zelf kunnen stemmen voor wat ze belangrijk vinden. Ze stellen in ons systeem een aantal doelen op en de twintig meest ondersteunde doelen worden de elementen van het GGP. Vervolgens moet het politieke beleid een verbetering van deze doelen nastreven, geen groei van het BBP.’

 

Postdemocratie

Tijdens lezingen speelt Christian Felber wel eens een spelletje. Hij nodigt een tiental mensen uit op het podium en vraagt hen te beslissen over een maximumloon. Hoeveel keer meer dan het afgesproken minimumloon mogen mensen maximaal verdienen? Tien keer zoveel? Honderd keer? Ongelimiteerd? Iedereen mag een voorstel doen en vervolgens geeft iedereen bij elk voorstel aan hoeveel weerstand ze voelen: één arm in de lucht is een beetje weerstand, twee opgestoken armen betekent groot verzet. Vergelijkbaar zou het er in de burgervergaderingen aan toe gaan, die Felber de Soevereine Burgers noemt en die de grote samenlevingsprincipes vastleggen.

Felber: ‘De Economie voor het Gemene Goed heeft een sterke democratische dimensie. De meest fundamentele beslissingen moeten direct door burgers gemaakt worden, die vormen een leidraad voor alle andere politieke en economische beslissingen. De doelen van de economie bepalen is het allerbelangrijkste. Al de rest volgt daaruit.’

 

Zijn de huidige parlementen daarvoor dan niet geschikt?

‘In principe zouden regeringen en parlementen dat ook kunnen, maar ze doen het niet. Ze blijven vasthouden aan de maat van het BBP. Vandaag zijn er wereldwijd drie regeringen die afwijken van het BBP en meer in de richting kijken van welzijn en levenskwaliteit. IJsland, Denemarken en Nieuw-Zeeland. Drie regeringen geleid door vrouwen.’

Dat is misschien geen toeval. Op het podium van Ecopolis zal hij hier verder op ingaan. ‘Het hart van de economie is wat we moederen noemen’, zegt hij in gesprek met de Britse econome Maeve Cohen, voormalig directeur van het internationale netwerk Rethinking Economics. In oorsprong komt economie van het Griekse oikos (huis) en nomos (wetten of gebruiken), het betekent dus zoveel als huishoudkunde. Felber: ‘Ik heb geen diploma in de economische wetenschappen, maar ik zie mezelf als een econoom van het hart. Economie gaat ten gronde over huishouden, zorgen voor elkaar, moederen en vaderen.’ Waarna hij met Cohen in een pingpong van wist-je-datjes over genderongelijkheid in de economische wetenschappen beland. Felber: ‘Slechts tweemaal werd de Nobelprijs Economie aan een vrouw toebedeeld.’ Cohen: ‘Er is geen enkele zwarte vrouw professor in de economie in het Verenigd Koninkrijk.’ Felber: ‘In Zwitserland zijn 93% van de professoren economie mannen. In Duitsland is dat “slechts” 87%.’

Volgens Felber ziet de klassieke economische wetenschap zichzelf als een natuurwetenschap. ‘Maar er bestaat niet zoiets als economische wetten of een onveranderlijk marktmechanisme. Economie is een sociale wetenschap en moet het dus hebben over marktdesign, in plaats van over een schijnbaar wetmatige markt, als een fysica. Er is geen objectieve, waardevrije wetenschap. Zelfs in de echte natuurwetenschappen stellen ze hun waardekader in vraag. Alleen de economie denkt objectief te zijn. Wij vinden dat je transparant moet zijn over de waarden waarmee je werkt. Meet je succes af aan vrede, duurzaamheid, welzijn… of aan de groei van het BBP?’

‘Regeringen die van die maatstaf afstappen, verwelkomen wij dus, maar in veel landen heerst de postdemocratie. Daarmee bedoel ik dat regeringen en parlementen anders beslissen dan de voorkeuren of wensen van de meerderheid van het volk. Het BBP is daarvan een goed voorbeeld. Uit onderzoek in Duitsland en het Verenigd Koninkrijk blijkt dat een ruime meerderheid van bijna 80% een soortgelijk Gemene Goed Product verkiest boven het BBP. Maar regeringen en parlementen gaan hier niet in mee. Meer nog, ze verantwoorden fundamentele economische en politieke beslissingen met de groei van het BBP. Denk bijvoorbeeld aan CETA (het vrijhandelsakkoord tussen de EU en Canada dat op veel weerstand stuitte in 2016, red.), dat werd verantwoord aan de hand van een kleine groei van het BBP. Mensen willen helemaal niet dat het BBP het hoogste goed is en alles legitimeert.’

 

Soevereine burgers

Felber vindt dat parlementen en regeringen daarom wel een aanvulling kunnen gebruiken. ‘Dat noem ik soevereine democratie’, zegt hij, ‘een alternatief voor postdemocratie. Geen soevereine burgervergadering zou banken toelaten om too big to fail te worden, noch om ze vervolgens met belastinggeld in plaats van met het geld van de bankiers zelf te redden. Geen soeverein zou een kapitaalvlucht naar offshore belastingparadijzen toelaten. Geen soeverein zou ongelimiteerde ongelijkheid toelaten. Parlementen wel. Dat zijn allemaal onderzochte voorbeelden waarbij het parlement tegenovergesteld aan de wens van de meerderheid beslist. Soevereine democratie is een verdere evolutie en uitbreiding van de democratie, het parlement blijft bestaan om over concrete wetten te stemmen. Maar in sommige specifieke gevallen, zoals constitutionele zaken, zou de soevereine democratie tussenkomen.’

 

Nochtans is elk parlementslid een mens zoals u en ik, die ook in een soevereine burgervergadering geloot kan worden. Hoe is die pervertering van de democratie volgens u begonnen?

‘Het is een probleem van machtsconcentratie. Het principe van de scheiding der machten is ontstaan uit het risico op machtsconcentratie en daarom hebben we zowel een parlement als een regering, als een rechterlijke macht. Tegenwoordig is de macht opnieuw geconcentreerd, in de politiek en op de economische markten. Daarom stellen wij ook voor om de grootste bedrijven en banken op te splitsen en de grootste vermogens te herverdelen. Parlementen doen dat niet. Waarom? Omdat ze al middenin die overconcentratie van economische macht zitten. Dat is enkel mogelijk wanneer parlementen te veel macht hebben ten opzichte van de burgers. We hebben dus zowel een betere politieke als economische machtsverdeling nodig. Dat is eigenlijk niets anders dan een verdieping van de scheiding der machten. Ik ken niemand die het met dat principe oneens is. De soevereine democratie is dus enkel een consequente verderzetting van waar we het eigenlijk over eens zijn, de scheiding der machten.’

 

Wordt deze soevereine burgerconventie willekeurig geloot?

‘We moeten een onderscheid maken tussen de conventies of burgervergaderingen die de elementen van het GGP opstellen en het stemrecht over die onderwerpen. Álle mensen kunnen stemmen over de voorstellen, niet enkel de conventie, net zoals bij parlementaire verkiezingen. Voor de burgerconventies zijn er verschillende opties om ze samen te stellen. Er zouden persoonlijke verkiezingen kunnen zijn waarbij iedereen zich verkiesbaar kan stellen of de honderd grootste verenigingen in een stad zouden iemand kunnen afvaardigen. Maar we hebben ontdekt dat de beste manier van samenstelling loting is, weliswaar gewogen voor leeftijd, geslacht en andere factoren zodat het een correcte representatie is van de samenleving. Willekeurige loting garandeert de grootste onafhankelijkheid. Dan is er geen machtsconcentratie mogelijk ten gevolge van politieke partijen of lobbygroepen.’

 

Mutilatie

De hoofddoelen van de economie die de soevereine burgers opstellen, moeten het enge begrip van een economie die enkel is ingesteld op financiële winst bijschaven. ‘De dominantie van het BBP, net als financiële maatstaven zoals return on investment, is zo krachtig omdat het wetenschappelijk meetbaar is’, aldus Felber. ‘Daarom is de school van de neoklassieke theorie mainstream binnen de economische wetenschappen. Zij focussen exclusief op zulke meetbare indicatoren en negeren daarbij al het overige, van menselijke waardigheid tot zingeving tot emoties, natuur, waarden… Dat is een complete mutilatie van ons begrip van de economie, het meest gemutileerde en enge begrip van de economie dat je je kan voorstellen. Maar het voordeel is dat je kan meten wat er op tafel ligt. Nadat weliswaar alles van wezenlijk belang van die tafel is geveegd.’

 

Als ik het goed begrijp, is het Gemene Goed Product een vergelijkbaar meetbare maatstaf om met het BBP te concurreren.

‘Ja, het is kwantificeerbaar en meetbaar, maar niet gemonetariseerd. Het GGP zou bijvoorbeeld uit punten kunnen bestaan, net zoals de Gemene Goed Balans voor bedrijven. Naarmate een bedrijf hoger scoort, kan een overheid dat bedrijf belastingvoordelen bieden of publieke stimuleringsfondsen. Vandaag hebben bedrijven die zelf verantwoordelijkheid opnemen en duurzaam en sociaal willen zijn, hogere kosten dan bedrijven die zich daar niets van aantrekken en die kosten externaliseren. Ze hebben dus een concurrentieel nadeel. Hiervoor hebben we een gekwantificeerde Gemene Goed Balans nodig, met hogere en lagere scores, die we kunnen linken aan reële voordelen van de overheid. (maakt een weegschaal met zijn handen die hij langzaam in evenwicht brengt) Op die manier kunnen ze hun product aan lagere prijzen aanbieden dan maatschappelijk schadelijke bedrijven.’

 

Hoe werkt dat in de praktijk?

‘Wij gaan uit van een aantal fundamentele waarden als democratie en transparantie, duurzaamheid, menselijke waardigheid en solidariteit en beschrijven vervolgens de mogelijke verwezenlijkingen op deze gebieden in stappen. Elke hogere stap levert een hogere score op. Nemen we het voorbeeld van democratie binnen een organisatie: 0 zou volgen uit een hiërarchische structuur zonder openbaarheid van informatie. Een score van 1 wanneer de structuur weliswaar hiërarchisch is, maar de raad van bestuur maakt de beslissingen die ze maakt kenbaar. Een volgende stap is dat de raad voor relevante strategische beslissingen luistert naar de werknemers van het bedrijf. Weer een hogere score krijg je wanneer werknemers mede-beslissingsrecht hebben in strategische beslissingen. Het hoogste cijfer zou bijvoorbeeld betekenen dat werknemers kunnen stemmen over de beslissingen van de raad van bestuur. Dit zijn maar voorbeelden, er hoeven geen vastgelegde stappen te zijn. We houden dit zo flexibel mogelijk, zodat er manoeuvreerruimte is om tot een andere scoreverdeling te komen.’

Vandaag maken al meer dan 500 bedrijven gebruik van een Gemene Goed Balans en dozijnen laten zich ook door de Economie van het Gemene Goed auditen. Een hogere score is er alleen wanneer je meer doet dan wettelijk verplicht. Het Europees Economisch en Sociaal Comité, een orgaan van de Europese Commissie, sprak in 2015 zijn voorkeur uit voor de Economie van het Gemene Goed als model voor een ethische Europese economie.

Om te slagen in een Economie van het Gemene Goed lijkt het mij noodzakelijk dat overheden meewerken om bedrijven met een positieve Gemene Goed Balans reëel en substantieel te ondersteunen.

‘Overheden staan hier absoluut voor open. Voorlopig loopt het proces in de volgende volgorde. Eerst maken private bedrijven een Gemene Goed Balans op, vervolgens merken overheden dit op en beslissen ze om dit te verplichten voor overheidsbedrijven. Dat is bijvoorbeeld gebeurd in Stuttgart en Mannheim en zal nu ook in Amsterdam en Barcelona gebeuren. Een volgende stap is dat ze private bedrijven motiveren en subsidiëren of vergoeden om een ethische balans te maken. Op het lokale niveau zien we dat overheden publieke aankopen en subsidies aanwenden om ethische bedrijven te steunen, die macht ligt in hun handen. Maar ook qua belastingen zijn er al initiatieven. In Portland, Oregon (Verenigde Staten, red.) geeft het stadsbestuur bedrijven met een grote interne loonongelijkheid een extra belasting. Wanneer de CEO honderd keer zoveel verdient als het mediaan inkomen, dan moet het bedrijf 10% extra belasting betalen. Wanneer de CEO 250 keer zoveel verdient, is dat 25%.’

‘De eerste regionale overheid die hiermee experimenteert, is Valencia. Zij bereiden nu een publiek register voor waarin alle bedrijven een ethische balans moeten aangeven. Wij vragen een volledige analogie met de financiële balans, die moet je nu ook volgens de wet publiceren in een publiek register. Wij willen hetzelfde voor een ethische balans. Ik ben al vijfentwintig jaar politiek actief. De ervaring leert dat nationale overheden bij nieuwe initiatieven altijd willen weten: “Zijn er al anderen die dit doen?” Als je dan een paar steden kan opsommen, is er veel bereidheid om erin mee te gaan.’

Dan opent iemand de deur en zegt dat de volgende gasten op hem wachten. Ik vertel Felber dat ik had gelezen dat hij ook danser is. ‘Dat klopt’, glimlacht hij. ‘Het is een zijberoep dat ik nog altijd beoefen. Tijdens mijn lezingen ga ik soms wel eens op mijn hoofd staan om te verbeelden dat de economie op z’n kop staat. (lacht) Maar ik moet blijven dansen. Dat is mijn energiebron.’

Read more...

Wat trekken we aan? Waarom snelle mode ten koste gaat van de aarde

18 december 2019 by Economie 338 Views
Dirk Holemans

Written by

De verleidelijke modewereld kent een paar onplezierige geheimen. De textielindustrie is bijvoorbeeld een van de grootste vervuilers ter wereld. Enorme hoeveelheden goedkope kleren worden geproduceerd tegen hoge milieu- en ethische kosten en dat met een snelheid die in nog geen vijftien jaar is verdubbeld. Het productiemodel, dat uitgaat van ‘take, make, dispose’ (exploiteren, vervaardigen, afdanken) is rijp voor een grote systematische verandering, maar zijn we in 2049 klaar voor een circulaire textieleconomie? Dit artikel verscheen in het nieuwste nummer van het Oikos-tijdschrift. Neem hier voor slechts 20 € een abonnement op het tijdschrift en lees meer of vraag hier een gratis proefnummer aan. 


Anna K. van zestien is een typische Europese modeconsument. Zoals veel tieners doet ze niets liever dan haar garderobe regelmatig uitbreiden met hippe streetwear en gloednieuwe accessoires. Als middelbare scholier met een smalle beurs geeft ze de voorkeur aan goedkope merken en gaat ze zich in de winteropruiming te buiten aan koopjes, trakteert ze zichzelf op impulsaankopen die ze misschien maar een keer draagt. 

Natuurlijk, Anna ziet er hip uit in haar T-shirt met glitters, strakke jeans en gladiatorsandalen met dikke zolen. Maar aan dat hippe uiterlijk zit een prijskaartje dat de aarde zich niet langer kan veroorloven.


Om haar dorstige katoenen T-shirt maar eens te noemen, waaraan bijna drieduizend liter water is verspild voordat het ook maar een wasmachine vanbinnen zag. Naar schatting verbruikt de textielindustrie per jaar zo’n 79 miljard kubieke meter water door irrigatie en industriële productie: daar kun je in een jaar 110 miljoen mensen van te drinken geven.[1]


Anna’s T-shirt laat ook nog een giftig spoor achter. Ruwweg drie procent van alle landbouwgrond die de wereld rijk is, wordt beplant met katoen, terwijl de verbouw van katoen zestien procent van het gebruik van insecticiden en zeven procent van alle onkruidverdelgers voor zijn rekening neemt. [2]

Biologische katoen — hoewel die ook veel water verbruikt — is een duurzamer alternatief, maar op dit moment beslaat het maar een procent van de jaarlijkse katoenopbrengst.

Het is niet al goud wat blinkt

De metallieke print op Anna’s T-shirt valt om twee redenen op: hij geeft haar uiterlijk iets opzichtigs, maar bovendien duidt hij op de aanwezigheid van giftig naftaleen. Ook de indigo-kleurstof is een giftige cocktail. De felle kleuren en aantrekkelijke patronen op tal van kleren kunnen alleen worden verkregen met zware metalen zoals koper, arseen en lood, te zamen met gevaarlijke chemicaliën als nonylfenolethoxylaten (NPE’s).


De textielindustrie behoort tot de grootste vervuilers van drinkwater ter wereld, waarbij het verven en de bewerking van textiel twintig procent van alle industriële watervervuiling voor zijn rekening neemt. [3] Ondanks initiatieven zoals de Detox-campagne van Greenpeace niet lang geleden, waarbij druk wordt uitgeoefend op de textielreuzen om over te gaan op nuluitstoot van gevaarlijke chemicaliën, gaat de toepassing van toxische bestanddelen bij gebrek aan wereldwijde strenge regels gewoon door.


Dat brengt ons bij het ‘Made in Bangladesh’-merkje op Anna’s goedkope strakke jeans. Veel textielbedrijven hebben hun productie verplaatst naar fabrieken in ontwikkelingslanden, waar men het niet zo nauw neemt met milieuregels. Gevaarlijke chemicaliën worden vaak onbehandeld in open water geloosd, waar ze het grondwater besmetten met onafbreekbare en kankerverwekkende milieuverontreinigende stoffen die de hormoonhuishouding kunnen verstoren.


Behalve dat ze het op milieugebied niet zo nauw nemen, zijn lagelonenlanden berucht om het schenden van het arbeidsrecht. Naar schatting vervaardigen er ieder jaar veertig miljoen mensen 1,5 miljard kledingstukken in 250.000 fabrieken en modeateliers, waar talloze arbeiders fundamentele rechten, een eerlijk loon en fatsoenlijke arbeidsomstandigheden worden ontzegd. Onveilige werkomstandigheden zijn wijdverbreid in de bedrijfstak, in weerwil van bekende incidenten als de Rana Plaza-ramp in Dhaka, Bangladesh, waarbij meer dan duizend werknemers om het leven kwamen toen het gebouw instortte. En hoewel een ‘Made in Europe’-merkje misschien wijst op betere arbeidsomstandigheden, worden veel textielarbeiders in Oost- en Zuidoost-Europa eveneens geconfronteerd met armoede, gevaarlijke arbeidsomstandigheden en vormen van uitbuiting, zoals verplicht overwerken. [4]

Daar textielfabrieken zich doorgaans op grote afstand bevinden van de welvarende consumentenmarkten, reist veel kleding over enorme afstanden op olieslurpende, CO2-uitstotende schepen, vliegtuigen en vrachtwagens. Anna’s strakke jeans zijn de halve wereld over geweest, van Bangladesh naar Finland, zo’n 6000 kilometer verderop, toch zijn de kosten verbonden aan deze reis belachelijk laag — ruwweg 20 cent. Veel kleding wordt in één land ontworpen, en in een ander geweven, genaaid en afgewerkt, om dan ten slotte naar de winkel te worden getransporteerd, een vies spoor van transportemissies achterlatend. En aan het einde van de reis wordt een kledingstuk dat duizenden kilometers heeft afgelegd misschien niet eens verkocht, maar wordt het uiteindelijk versnipperd of verbrand als onverkoopbare kledingafval. 

Zeeën van vuile was

Anna’s strakke spijkerbroek levert nog een ander probleem op: hij is gemaakt van polyester, een aardolieproduct. Synthetische stoffen zoals polyester moeten vaker worden gewassen dan natuurlijke vezels — je kunt stankverspreidende bacteriën niet blijer maken dan met een bezweet polyester kledingstuk. Maar wanneer polyester in de wasmachine wordt gewassen, heeft dat een ander ernstig mondiaal probleem tot gevolg: de vervuiling door plastic van de oceanen.


Polyester, nylon en acrylstoffen bevatten allemaal plastic. Elke keer dat ze worden gewassen komen er bestanddelen in het milieu: bij elke wasbeurt naar schatting honderdduizenden vezels. Die vezels gaan door het rioolwater heen en vervolgens door waterzuiveringsinstallaties, worden geloosd in open water en komen uiteindelijk in zeeën en oceanen terecht, waar zeedieren ze binnenkrijgen, waardoor ze in de voedselketen belanden. Microscopisch kleine deeltjes van Anna’s uit aardolie vervaardigde jeans komen bij je volgende vismaaltijd op jouw bord terecht als ‘geheim ingrediënt’.


Ten slotte doen die hippe sandalen Anna’s enkels wel mooi uitkomen, maar ze laten een bedenkelijke voetafdruk na. Gemiddeld levert de productie van een schoen veertien kilo CO2 op. [5] Met vijftien miljard schoenen elk jaar draagt de schoenindustrie substantieel bij aan een van de grootste uitdagingen waarvoor de mensheid zich gesteld ziet: klimaatverandering.

De textielindustrie stoot broeikasgassen uit in de orde van grootte van 1,2 miljard ton op jaarbasis — hoger dan de uitstoot van het internationale vliegverkeer en transport over zee samen.


Erger nog, de lijm en looimiddelen die worden gebruikt in de schoenindustrie bevatten gevaarlijke chemicaliën zoals chloorfenol, tribroomfenol en chroom-6. Afgedragen schoenen worden vaker afgedankt dan ingezet voor hergebruik, eindigen meestal op vuilnisbelten, waar ze de grond en het water vervuilen.


En de bergen afdankertjes groeien jaar na jaar maar door. Als Anna haar goedkope T-shirt vijf keer heeft gewassen, heeft het zijn pasvorm en kleur verloren. Ze heeft het al in de vuilnisbak gegooid en gaat al weer op jacht naar nieuwe koopjes: 75 procent van de kleding gaat tegen afbraakprijzen over de toonbank. Omdat consumenten minder tijd en meer geld tot hun beschikking hebben dan vroegere generaties, is het goedkoper en gemakkelijker om iets nieuws te kopen dan om een kapot kledingstuk te laten repareren. 

Weeffoutje: minder betekent meer

Voor minder dan veertig euro stak Anna zich in het nieuw, maar als je kijkt naar de ethiek- en milieuaspecten, dan was het prijskaartje oneindig veel hoger. Maar hoe schuldig zijn Anna en de miljoenen andere consumenten als zij aan deze vervuiling en verspilling?


'Het grootste obstakel naar een duurzame mode is het heersende verdienmodel dat uitgaat van snelle mode. Textielbedrijven kennen maar een manier om winst te maken: alles draait om snelheid, de productie van enorme hoeveelheden kleren tegen lage kosten, en ze dan ook nog zo goedkoop mogelijk te verkopen. Dat werkt een wegwerpcultuur in de hand,' zegt Kirsi Niinimäki, een hoogleraar die onderzoek doet naar de textielindustrie en de Textiles Futures-onderzoeksgroep aan Aalto Universiteit in Helsinki leidt.


Het op exploitatie, vervaardiging en afdanken gebaseerde verdienmodel leidt tot vergaande verspilling, want meer mensen kopen meer kleren en gooien ze ook vaker weg. 'De markt raakt verzadigd.

Naar schatting wordt 30 procent van alle kleding zelfs niet eens verkocht.

Om meer te verkopen, overtuigen winkeliers de consument ervan dat de kleren die ze hebben niet langer in de mode zijn,' legt Niinimäki uit. 'Het is tijd voor een strategische verandering van het hele systeem. We moeten het proces vertragen en de manier waarop kleding wordt geproduceerd, verkocht en gebruikt creatief omvormen. De textielindustrie van de toekomst moet gebaseerd zijn op de uitgangspunten van de circulaire economie,’ verklaart ze nadrukkelijk.


De circulaire economie is een nieuw economisch model dat zich nieuwe manieren ten doel stelt om producten duurzaam te ontwerpen en zodoende minder afval voort te brengen, met minder vervuiling, en het energiegebruik tot een minimum te beperken. In plaats van na gebruik tot afval te worden gereduceerd, worden producten hergebruikt en gerecycled om ze maximaal te benutten, waarna ze veilig terugkeren in de biosfeer.

Grote textielmerken experimenteren al met circulaire innovaties. Zo gebruikt Adidas plastic afval uit de oceanen om er hoogwaardige sportschoenen van te maken, terwijl Speedo zwemkleding maakt uit overgebleven stoffen en productieafval. Op dit moment is de voornaamste uitdaging niet de productietechnologie, maar de psychologie —

het schijnt gemakkelijker te zijn om met plastic afval een schoen te maken dan de houding van de consument te veranderen.


Als expert in de circulaire economie gelooft Niinimäki dat consumenten heropgevoed moeten worden om circulaire ‘slow fashion’-alternatieven te omarmen.

'De meeste consumenten weten niet eens wat ze kopen en hoe het wordt gemaakt. Als ik mensen vertel dat tweederde van wat ze dragen uit aardolie bestaat, dan schrikken ze steevast,' onthult ze.

'In de jaren vijftig van de vorige eeuw werd dertig procent van het gezinsinkomen besteed aan kleding. Nu is dat minder dan tien procent, toch is de hoeveelheid kleding per persoon met twintig procent gegroeid. Kleding is gewoon veel te goedkoop. Het wordt tijd dat we die houding dat kleding goedkoop hoort te zijn met wortel en tak uitroeien — we kunnen het ons veroorloven om in betere kwaliteit te investeren.'

Er is groeiende belangstelling voor de overgang naar een circulaire textielproductie, maar de hoeveelheid gerecyclede textiel blijft niettemin laag. Professor Niinimäki gelooft dat regelgeving, belastingheffing en financiële sancties de snelste manieren zijn om iets te veranderen.

'Er zijn tal van goede wetten in de Europese Unie, maar zelfs de beste wetten zijn zinloos als ze niet worden toegepast en gehandhaafd in de landen waar de textiel feitelijk wordt geproduceerd. We hebben behoefte aan strenge regelgeving die wereldwijd in acht wordt genomen. De maatschappelijke impact en de impact van kleding op het milieu moeten systematisch worden gemeten,' zegt ze stellig.

De Europese Unie stelt restricties aan een groot aantal chemicaliën die in textiel wordt toegepast die in Europa wordt verkocht. De meeste van die beperkingen zijn opgenomen in de REACH regelgeving van de EU, en in de REACH Appendix XVII staan inmiddels verboden gevaarlijke stoffen die zijn aangemerkt als carcinogeen, mutageen of toxisch voor de voortplanting. 

De Europese Commissie werkt nu aan een verplichte bronvermelding op textiellabels. Nu is de informatie over waar kleding wordt gemaakt niet bindend. Er is ook geen EU-brede wetgeving over het gebruik van symbolen in het wasvoorschrift en andere voorzorgen rond textielproducten.

Een andere welkome maatregel zou een CO2-heffing zijn om energiezuinigheid bij de fabricage te stimuleren en om het hergebruik van polyester te propageren, omdat het een veel lagere CO2-voetafdruk heeft dan nieuw geproduceerd polyester. Voorlopig is gerecycled polyester nog vrijwel onbetaalbaar.

'Er zijn tal van uitdagingen op weg naar een meer circulaire economie. Er is niet een enkele beleidsmaatregel die al die uitdagingen in een keer kan oplossen,' zegt Professor Riina Antikainen, directeur van het Programma voor een Duurzame Circulaire Economie van het Finse Instituut voor Milieuvraagstukken (SYKE).

Naast regelgeving vindt Antikainen dat er monetaire instrumenten moeten komen zoals publieke investeringen om meer circulaire verdienmodellen kracht bij te zetten. 'Het vraagstuk rondom textiel moet vanuit holistisch standpunt tegemoet worden getreden, rekening houdend met de levenslange invloed op het milieu en de maatschappij en er moet tevens een breed actieplan komen, gericht op het nemen van maatregelen.'

Ruggengraat: dan weer iets ouds, dan weer iets nieuws

Als de toekomst van de mode een circulaire is, waar gaan we dan precies naartoe? Het is 2049, Anna K. is 46 and ze heeft een dochter van zestien, Maria. Wegens de ongebreidelde opwarming van de aarde is de temperatuur met meer dan twee graden Celsius toegenomen en steeds grotere gebieden zijn ten prooi gevallen aan ernstige droogte. Het meeste overgebleven bebouwbare land wordt gebruikt voor de verbouw van voedsel en er zijn strenge regels om de sterk slinkende watervoorraden te beschermen tegen verdere vervuiling. Het einde aan ‘fast fashion’ is een breed aanvaarde realiteit.

Maria’s kleren leiden niet meer tot méér afval. De meeste kleren wordt vervaardigd uit duurzame grondstoffen zoals hout, planten of algen. Sommige worden geproduceerd uit gerecyclede industriële zijstromen en chemisch of mechanisch gerecyclede materialen. Traditionele materialen zoals hennep, brandnetels en linnen zijn helemaal terug, wat weer heeft geleid tot een heropleving van meer plaatselijke productie. In het kielzog van plaatselijk verbouwde gewassen is lokaal geproduceerde textiel in 2049 een levendige trend. Modeconsumenten staan erop te weten waar de kleren die ze kopen precies vandaan komen. Veel van Maria’s vrienden en vriendinnen volgen een ‘no-polyester dieet’.

Tegenwoordig draagt ze broeken vervaardigd uit duurzame, plaatselijk verbouwde brandnetel, die het in noordelijke gebieden goed doet, zonder dat er pesticiden hoeven te worden toegepast. Tal van kleinschalige hennepkwekerijen in Europa oogsten hun hennep zelf, spinnen het, maken er kledingontwerpen voor en produceren de kleren ter plaatse. Deze micro-labels produceren kleine hoeveelheden duurzame, op kwaliteit-gerichte mode in samenwerking met lokale ontwerpers.

Omdat giftige chemicaliën in de textielproductie wereldwijd zijn verboden, zijn de aardse kleuren in Maria’s kleding afkomstig van plantaardige verfstoffen en houtextracten.

Als liefhebber van vintagemode komt Maria aan luxe kleren door een kledingdeelsyteem en kan ze kleding huren bij verhuurbedrijven vergelijkbaar met Uber en Airbnb. De deeleconomie biedt de modefanaat gemak en nut, omdat het goedkoper is om dure kleren te huren dan ze zelf te kopen. ‘Gebruik zonder eigendom zonder’ is het credo van de textielconsument van 2049.

Maria’s vintage kasjmiertrui komt van een Marktplaats. De levensduur van zelfreinigend materiaal van hoge kwaliteit als kasjmier kan door zorgvuldig onderhoud met vele jaren worden verlengd. Maria betaalt per maand een vast bedrag in ruil waarvoor ze een vast aantal kledingstukken kan laten repareren om de levensduur van de modeschatten waar ze zo van geniet te verlengen.

Maria’s garderobe is deels afkomstig uit zijstromen uit de landbouw en de industrie, waardoor afval als waardevolle bron weer terugkeert in de circulaire economie. Omdat ze in Finland woont, moet ze duurzame, water- en winddichte bovenkleding aan. Haar winterjas is gemaakt van gerecycled nylon, vervaardigd uit afgedankte visnetten. De buitenzolen van haar diervrije lerenschoenen zijn gemaakt van gerecyclede autobanden. In 2049 wordt zuiver rubber niet langer gebruikt in schoenen, evenmin als autobanden nog op de vuilnishoop belanden.

Haar ondergoed is gemaakt van nieuwe uit hout gewonnen stoffen, vergelijkbaar met lyocell, een volledig biologisch afbreekbare vorm van rayon, vervaardigd uit houtpulp. Lyocell-vezel kan geproduceerd worden in een gesloten kringloop, met ingrediënten als gerecyclede katoenresten, wat een zijdeachtige, milieuvriendelijk alternatief biedt voor synthetische vezels.

Circulair: het nieuwe zwart

De mode-industrie van de toekomst leidt niet tot afval, maar gebruikt alleen gerecycleerde grondstoffen, het afval van de ene tak van nijverheid is een waardevolle schat voor de andere. Alle materialen verkeren voortdurend in staat van hergebruik.

Maria’s toekomstige garderobe heeft misschien iets utopisch, maar dit wensbeeld is geen fantasie en ook niet onrealistisch. 'We zien nu al spannende innovaties in de technologie rond de productie van textiel. Er worden geheel nieuwe materialen ontwikkeld uit afval en zijstromen. Sommige worden geproduceerd met behulp van microben of schimmels of met behulp van biotechnologie,' beschrijft professor Pirjo Kääriäinen, expert in duurzame vezelinnovatie aan de Aalto Universiteit.

'Er zijn veelbelovende vernieuwers in de mode-industrie die interessant werk verrichten met gerecycleerd materiaal en enzymtechnologie om het gebruik van onontgonnen hulpbronnen tot een minimum te beperken,' voegt Kääriäinen eraan toe. Als voorbeeld noemt ze Modern Meadow, een startup in New Jersey, die in het laboratorium een vervanger heeft ontwikkeld voor diervrij leer, Zoa™, het eerste op biologische wijze gefabriceerde materiaal gebaseerd op collageen.

'Een andere pionier is Pure Waste, een Fins bedrijf dat veel geld heeft gestoken in geavanceerde mechanische systemen om volledig hernieuwbare stoffen en garens te fabriceren,' zegt ze.

Ze noemt ook de inspanningen van Patagonia, een Amerikaans outdoor-kledingmerk dat in 1993 overging op de fabricage van polyester uit plastic limonadeflessen. Patagonia heeft onlangs een nieuwe stof op de markt gebracht, een mengsel van hergebruikte katoen en hergebruikt polyester, en directeur Rick Ridgeway heeft erop gezinspeeld dat een katoenen T-shirt in de toekomst wel eens CO2 uit de atmosfeer zou kunnen halen.

'Maar om die innovaties op doelmatige manier bruikbaar te maken, hebben we meer en slagvaardiger samenwerking nodig in de textielketen. Als er bijvoorbeeld een kip wordt geslacht voor menselijke consumptie, dan worden de veren geplukt en afgedankt. Die kunnen goed gebruikt worden in de textielindustrie,' vindt Kääriäinen.

Ze gelooft dat een volledig circulaire, duurzame textielindustrie haalbaar is, en geen luchtkasteel: 'We kunnen misschien niet eens anders! Als grondstoffen maar schaars genoeg worden, dan hebben we beschikbare grond nodig voor de verbouw van voedsel. Ik geloof dat de oplossing ligt in de terugkeer naar kleinschalige lokale teelt van gewassen zoals brandnetels, in samenhang met innovaties in het recycleren en in de biotechnologie – een combinatie van eeuwenoude tradities en eenentwintigste-eeuwse wetenschap,' voorspelt ze.

Professor Niinimäki is het ermee eens: '

Tegenwoordig verbruiken we vier keer meer textiel dan in de jaren zeventig van de vorige eeuw.

Vijftig jaar geleden, waren we zuiniger op onze kleren. Ik geloof dat de verandering nu weer de andere kant op kan gaan. Het gaat er gewoon om dat we de ontwikkelingen omkeren.'

Niinimäki ziet de uitdagingen van de textielindustrie niet slechts als bedreiging maar ook als een krachtige prikkel tot innovatie. 'Er ligt een enorme kans om gebruik te maken van een enorm arsenaal aan waardecreatie. De mode van de toekomst zal er niet goedkoper op worden, integendeel, maar we kunnen er gewoon niet omheen dat we meer zullen moeten overhebben voor de kleren die we willen dragen. Misschien dat we dan ook redenen hebben om er zuiniger mee om te gaan.'

Wil je graag meer lezen? Neem dan hier voor slechts 20 € een abonnement op het tijdschrift en lees meer of vraag hier een gratis proefnummer aan. 

Dit artikel verscheen in het Engels als 'What to Wear? Why Fast Fashion Is Costing the Earth' in Green European Journal 2049. Special Edition 2019.

Bio

Silja Kudel is een freelance journaliste uit Sydney, nu wonend in Helsinki, die regelmatig bijdragen levert voor diverse culturele en economische publicaties.

Noten 

[1] Global Fashion Agenda and The Boston Consulting Group (2017). Pulse of the Fashion Industry Report. Beschikbaar op <bit.ly/2GhsD8w>.

[2] Ibid.

[3] Ellen MacArthur Foundation (2017). A new textiles economy: Redesigning fashion’s future. Beschikbaar op <bit.ly/2S37q9t>.

[4] Clean Clothes Campaign. Made in Europe: the ugly truth. Beschikbaar op <http://bit.ly/2HHso95>.

[5] Jennifer Chu (2013). Footwear’s (carbon) footprint. MIT News. Beschikbaar op <http://bit.ly/2WwxzfA>.

Read more...

Er blijven op wedden dat technologie alle crisissen van vandaag zal oplossen, is de kop in het zand steken

01 augustus 2019 by Economie 706 Views
Jef Peeters

Written by

'Voor politici blijft groei hét recept om het maatschappelijk conflict over een meer gelijke verdeling van bestaansmiddelen voor zich uit te schuiven', schrijft Jef Peeters van de denktank Oikos in Knack op 01/08/2019. 'Maar die strategie breekt stuk op de fundamentele crisisverschijnselen van vandaag.'

Telkens de economische groeimotor sputtert is het alle hens aan dek om hem terug op gang te trekken. In die lijn kondigt de Europese Centrale Bank (ECB) opnieuw belangrijke maatregelen aan voor september. Ook voor politici die nieuwe regeringen voorbereiden is het telkens opnieuw een centraal aandachtspunt. Meer ruimte voor ondernemingen en voor de markten is daarbij het standaardrecept. There is no alternative probeert men ons al sedert de jaren tachtig aan te praten. Ondertussen stapelen de negatieve symptomen van die dominante economische visie zich op tot bedreigende proporties, zowel ecologisch met o.a. klimaatverandering en drastisch verlies van biodiversiteit, als met sociale ongelijkheid, een groeiende stroom vluchtelingen en bedreiging van de democratie door een nieuw autoritarisme. Wanneer bovendien vanuit onderzoek meer en meer duidelijk wordt dat de vluchtweg van 'groene groei' een illusie blijkt, kunnen we niet anders dan besluiten dat het economische groeimodel maatschappelijk failliet is.

Dat betekent nog lang niet dat er een groeiende consensus is over een alternatief. Enerzijds hebben de belangen van het transnationaal kapitaal zich kunnen verankeren gedurende vier decennia van neoliberaal beleid, en die willen dat graag zo behouden. Politici en media helpen hen daar vooralsnog bij. Anderzijds wijzen allerlei politieke verschijnselen op een gebroken maatschappelijke consensus omtrent de grote lijnen van de te volgen richting. Denk aan de terugval van de centrumpartijen, het succes van nationalistisch rechtse partijen en de groei van groene partijen, maar ook aan nieuwe sociale bewegingen als de gele hesjes en Youth for Climate. Het vormt een mengsel van zowel hoop als wanhoop.

Voor velen lijkt het einde van de wereld echter gemakkelijker voor te stellen dan het einde van het kapitalisme.

Het perspectief op een nieuw type samenleving dat de degrowth-beweging aanreikt wordt dan ook niet vaak ernstig genomen. Voor politici blijft groei hét recept om het maatschappelijk conflict over een meer gelijke verdeling van bestaansmiddelen voor zich uit te schuiven, wat in de eerste decennia na WOII aardig gelukt is. Maar die strategie breekt stuk op de fundamentele crisisverschijnselen van vandaag. Voor de modale burger in een rijk land als het onze is een degrowth-perspectief onverenigbaar met de levensstijl waaraan velen gewend zijn geraakt.

Zeker is dat de consumptiesamenleving ons voorstellingsvermogen van een alternatief heeft aangetast. Daarbij wordt een nieuw toekomstbeeld ook bemoeilijkt door de complexiteit en omvattendheid van de verandering die nodig is, gezien de huidige samenloop van crisissen. Er dan maar op blijven wedden dat technologie het wel zal oplossen is echter de kop in het zand steken.

Een nieuwe visie vraagt om een nieuw mens- en wereldbeeld dat breekt met het individualisme en met de idee dat de aarde op een oneindige manier aan ieders wensen tegemoet kan komen.

Uitzoeken hoe de basisbehoeften van de wereldbevolking vervuld kunnen worden in een niet-groeiende economie, vergt dan inderdaad voorstellingsvermogen. Paradoxaal genoeg wordt dat net geprikkeld door het erkennen van grenzen. Die erkenning kan de ogen openen voor de feitelijke verbondenheid en wederzijdse afhankelijkheid van mensen van elkaar, maar ook van de andere aardbewoners en van de aarde zelf. De aarde is de plek waar we altijd al geweest zijn, waaraan de moderne samenleving probeerde te ontsnappen, maar waar we opnieuw kunnen landen, zoals Bruno Latour betoogt. In tegenstelling tot een emancipatievisie waarin het individu zich moet losmaken van alle banden om vrij zichzelf te kunnen zijn, gaat het aardeperspectief erom opnieuw gemeenschap te maken. Dat gaat niet om een terugkeer naar een traditionele gesloten gemeenschap, zeker ook niet om het opnieuw opkloppen van de fictieve gemeenschap van de natie, maar om een vorm van lokaal zijn die open staat voor de wereld en inclusief is, ook ecologisch. Latours visie vertoont hierin nogal wat gelijkenis met het ecologische perspectief van Otto Scharmer.

Die visie vertaalt zich ook naar een praktijk zoals verwoord door de toonaangevende degrowth­-denker Giorgis Kallis in zijn laatste boek: 'In een ontgroei-toekomstbeeld zijn menselijke activiteit en werk gecentreerd rond zorg voor andere mensen, levende wezens en hun (onze) habitats, en ze dienen de 'onproductieve 'uitgaven waarmee we betekenis geven.' Hij verwijst hier naar de dubbele beweging waarop een ontgroei -samenleving gebouwd zou kunnen worden. Enerzijds biedt de aarde genoeg voor iedereen om te leven, mits een praktijk van delen en samenwerken en van materiële matigheid in de private sfeer. Anderzijds dient het maatschappelijk geproduceerde overschot niet geïnvesteerd te worden in functie van een steeds verdergaande accumulatie van kapitaal, maar op een zingevende manier uitgegeven in de publieke sfeer (bijv. cultuur, kunst, feesten...). Ook meer ruimte maken voor natuur en het planten van bomen horen daarbij.

Thomas Piketty heeft nu echter aangetoond dat in het kapitalisme de private toe-eigening van de maatschappelijk geproduceerde waarde groter is dan de economische groei. Een degrowth-transitie moet daarom sowieso die toe-eigening aanpakken, en dus de onderneming die vandaag via de dominantie van het aandeelhouderschap als een motor voor accumulatie functioneert. Dat is nog verscherpt door de neoliberale 'theorie' (of beter 'ideologie') dat het doel van de onderneming bestaat in het creëren van aandeelhouderswaarde (shareholder value). Oriëntatie op kortetermijngewin en voorbijgaan aan maatschappelijke doelstellingen zijn daarvan het gevolg. Cambridge-econoom Ha-Joon Chang citeert in 23 dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme daarom met instemming Jack Welch, voormalig CEO van General Electric: 'Aandeelhouderswaarde is waarschijnlijk het 'stomste idee van de wereld''.

Economische democratisering

Het antwoord daarop is economische democratisering, de samenleving en haar burgers die vat krijgen op de beslissingen over de bedrijfsdoelstellingen en over de besteding van de meerwaarde. Allerlei benaderingen proberen daar vandaag werk van te maken, zoals: het ontwerp van een maatschappelijk georiënteerd eigenaarschap door Marjorie Kelly in Owning our Future, de voorstelling van een not-for-profit-economie in het aangekondigde How on Earth van Donnie Maclurcan en Jennifer Hinton, strategieën voor burgers om vat te krijgen op hun economie in J.K. Gibson-Grahams Take Back the Economy, of het opnieuw benadrukken van de democratische mogelijkheden van de coöperatie door John Restakis in Humanizing the Economy.

Daarnaast nemen allerlei burgerinitiatieven een vlucht, waaronder de commons in het bijzonder, die vandaag ook systematisch gepromoot worden, bijvoorbeeld in het nieuwe boek van Silke Helfrich en David Bollier Free, Fair and Alive. The Insurgent Power of the Commons.

Ideeën genoeg dus, naast een veelheid aan nieuwe concrete praktijken. Het is belangrijk om ze verder te verspreiden, maar een daadwerkelijke transitie kan pas plaatsvinden wanneer we erin slagen ook de institutionele regelingen die thans het kapitalisme schragen te veranderen. Zonder een sterke sociaal-politieke beweging die zich achter deze ideeën schaart zal dat niet lukken, en het zal sowieso een lastige klus zijn.

Herziening vennootschapswetgeving

Een illustratie daarvan vormt de recente herziening van de vennootschapswetgeving die net vanuit een versterking van de vrijemarktlogica was opgezet. Volgens het regeerakkoord van 2014 ging het erom België nog aantrekkelijker te maken voor lokale en buitenlandse ondernemingen. Daartoe beoogde justitieminister Koen Geens een algehele vereenvoudiging van de wet onder meer met een beperking van het aantal vennootschapsvormen. Aanvankelijk werd daarbij de coöperatieve vennootschap geschrapt, maar onder druk van de coöperatieve beweging uiteindelijk behouden met een eigen definitie en wetboek gebaseerd op de coöperatieve principes van de International Co-operative Alliance (ICA).

Een cruciaal punt was ook dat de formulering van de doelstelling van een vennootschap in het eerste wetsontwerp de idee van aandeelhouderswaarde wettelijk verankerde: 'Zij heeft tot doel aan de vennoten een rechtstreeks of onrechtstreeks vermogensvoordeel uit te keren of te bezorgen.' Nadat N-VA uit de regering stapte moest Geens een politieke onderhandeling aangaan met de groene en socialistische partijen om zijn wet er alsnog door te krijgen. Daarbij werd die algemene doelstelling gelukkig open getrokken: 'Een van haar doelen is aan haar vennoten een rechtstreeks of onrechtstreeks vermogensvoordeel uit te keren of te bezorgen.' Een belangrijk gaatje om maatschappelijke doelstellingen in de onderneming binnen te brengen, en om dusmee aan de slag te gaan.

Dit opiniestuk verscheen op 01/08/2019 in Knack.

Read more...

De Green New Deal : terug van nooit weg geweest. 

by Economie 797 Views
Johan Malcorps

Written by

In de VS legde de linkse democratische superster Alexandria Ocasio-Cortez een week nadat ze verkozen was in haar kiesdistrict New York, een voorstel van resolutie neer voor een “green new deal” in het Amerikaans Huis van Afgevaardigden. Haar democratische collega Ed Markey deed hetzelfde in de Senaat. Het voorstel komt uit de linksgroene basisbewegingen in de VS en werd de laatste maanden vooral sterk uitgedragen door de “sunrise movement” (een jongerenbeweging die zich inzet “voor goede jobs en een leefbare toekomst”) . 

In het voorstel wordt de strijd voor een groene economie, gebaseerd op 100% hernieuwbare energie gekoppeld aan de strijd tegen de armoede, de invoering van een hoge belasting voor de rijken en de creatie van miljoenen nieuwe groene jobs. Het voorstel kreeg enorm veel weerklank en geniet reeds ruime steun, buiten het congres, maar ook binnen het congres. Binnen de economische wereld variëren de reacties van erg zurig tot enthousiast. In ‘The Economist’ wordt het plan als ronduit communistisch afgeschilderd en als een bedreiging voor de Democratische Partij . Maar anderzijds zouden velen op Wall Street klaar staan om zo een groene new deal te gaan financieren. Zeker nu er weinig of niets in huis komt van de grote investeringsplannen die president Trump in het vooruitzicht had gesteld.

Het idee van een groene new deal staat dankzij Alexandria Ocasio-Cortez ineens weer vooraan op de politieke agenda. Maar het idee is niet nieuw. Het gaat al jaren mee. Goed om even de klok terug te draaien. Tien jaar geleden in 2009 leek het er op dat het idee van een Groene New Deal zou doorbreken zowel in Europa als in de VS. Helaas liep het anders en raakte de Green New Deal steeds meer in het slop. 

In Europa : de New Economic Foundation (UK, 2008)

In Europa werd het eerste systematisch voorstel voor een groene new deal uitgewerkt door de Green New Deal Group en gepubliceerd door de Britse denktank New Economic Foundation (NEF) in juli 2008 . De Britse groene politica Caroline Lucas werkte er in 2007 actief aan mee. Het uitgangspunt van de groep was de ‘triple crunch’, de drievoudige crisis waarmee de wereldeconomie op dat moment geconfronteerd werd : een financiële crisis, de crisis van de klimaatverandering en de crisis van stijgende energieprijzen met ook de nakende piek in de olieproductie. De oplossing lag volgens de auteurs in een groene variant op de ‘new deal’ waarmee de Amerikaanse president Franklin Roosevelt  in de jaren ’30 van de 20ste eeuw  de gevolgen van de financiële crash van 1929 bezwoer door een sociaal investeringsprogramma uit te rollen in de VS. De drievoudige crisis kon aangepakt worden door een vergelijkbaar investeringsprogramma. Maar om ook oplossingen aan te dragen voor de klimaat- en energiecrisis, moest het nu wel om een groen investeringsprogramma gaan :  bijv. investeringen in de omschakeling naar hernieuwbare energie, energierenovatie, groene mobiliteit, … waardoor duizenden groene jobs konden gecreëerd worden en nieuwe vormen van welvaart voor allen. Tegelijk moest werk gemaakt worden van een grondige hervorming van de financiële sector. Banken moesten stoppen met speculeren en terug hun echte taak opnemen : geldmiddelen pompen in de reële economie, en dan liefst de groene economie.

In economische termen vertaald gaat het om een pleidooi voor neo- of groen keynesianisme. Helemaal nieuw was die aanpak ook niet. Men kon in Europa al voortbouwen op het voorbeeld van de Duitse Alliantie voor Werk en Milieu die daar onder de roodgroene regeringen (1998-2005) tot stand kwam : een samenwerkingsverband tussen vakbond, overheid en bouwsector om te zorgen voor de renovatie van 300.000 woningen per jaar : goed voor het behoud of de creatie van 200.000 jobs  en een  CO2 reductie van 2 Mton per jaar. Tegelijk wou men zo  het probleem van de energiearmoede aanpakken. 

Green New Deal programmapunt van groene partijen sinds 2009

De groene partijen in Europa namen de voorstellen van de NEF over. Ze lieten daartoe een eigen studie uitvoeren . De Europese campagne van de Europese Groene Partij in 2009 stond in het teken van deze Green New Deal . De Vlaamse Groenen legden al in januari 2009 een voorstel van resolutie neer om te komen tot een Groene New Deal voor Vlaanderen . In hun campagnes in 2009 trokken Groen en Ecolo voluit de kaart van ‘de groene economie’. In Vlaanderen vielen de groene voorstellen bij de tweede regering Peeters op een koude steen. In het Vlaams relanceplan (de voortzetting van het in 2006 opgestarte programma ‘Vlaanderen in Actie’) zijn echt groene voorstellen ver te zoeken en maakt men traditionele keuzes (bijv. voor meer vervoer over de weg in het kader van de keuze voor “Vlaanderen Distributieland”). In Wallonië regeerde Ecolo mee en werd het bestaande Marshallplan voor Wallonië omgevormd tot een “Plan Marshall 2.Vert” , een groen investeringsprogramma voor het Waalse gewest. Met een reeks maatregelen die duidelijk de link leggen tussen milieu en werk. Zoals investeringen in de renovatie van woningen, steun voort hernieuwbare energie, uitbouw van stedelijke tramlijnen, opleidingen voor groene jobs,…  Bij de uitvoering daarvan werd Ecolo echter steeds meer in de tang genomen (bijv. in de discussie over de subsidies voor groene energie).

In de VS : Green for All (2007)

Het idee van een groene new deal werd in de VS voor het eerst aangebracht door de Amerikaanse auteur Thomas Friedman in artikelen die hij schreef in de New York Times in de loop van 2007. Voor Thomas Friedman is ‘global warming’ de absolute kans op nieuwe groei, welvaart en jobs. Hij wil Amerika opnieuw opstuwen in de vaart der volkeren via een groene revolutie. Friedmans verhaal is doordrenkt van patriottisme, maar hij trekt ook de sociale kaart : we hebben meer groene groei nodig, want zonder groei komt er geen oplossing voor het armoedeprobleem. Lester Brown van het World Watch Institute pleit in de aanloop naar de klimaatconferentie van Kopenhagen (2009) voor een “Plan B” voor de planeet en voor een mobilisatie en inspanning zoals in de jaren ’40 in de VS gebeurde ter voorbereiding van de oorlog.

In dezelfde periode lanceert Van Jones aan de Amerikaanse linker zijde het ideaal van een groene groei-golf die de Amerikaanse zwarten in de ghetto’s uit hun armoede moest tillen. Hij schrijft die hoop uit in zijn boek “The Green Collar Economy”’ . Jones wil een ‘Green New Deal  Coalition’ van vakbonden, burgerrechtenbewegingen, ecologisten,  studenten en kerken,  die mensen uit de armoede tilt en in hun waardigheid herstelt.  Jones  is stichter en spreekbuis van een ruime beweging “Green for All”, die tot stand komt in het zog van de ‘Green Jobs Act’ van 2007 (nog onder president Bush jr).  Tijdens zijn verkiezingscampagne in 2008 beloofde presidentskandidaat Barack Obama 150 miljard dollar te investeren in een groene economie en zo vijf miljoen groene jobs te scheppen.

Een wereldwijde groene new deal

Ook VN-secretaris-generaal Ban Ki-Moon werd op dat moment een groot pleitbezorger van een 'Global Green New Deal'.  De UNEP (het milieuprogramma van de VN) werkte een radicaal hervormingsprogramma uit om tegelijk de economische crisis, de klimaatverandering en de energieschaarste aan te pakken. De UNEP en de Internationale Arbeidsorganisatie  rekenden voor dat er miljoenen groene jobs konden gecreëerd worden als men radicaal zou durven kiezen voor een ‘low carbon economy’ . 

Na 2009

Bij de Europese commissie en bij Europese regeringsleiders werd het idee van een groene new deal aanvankelijk goed onthaald. Europees commissievoorzitter Barroso en de Franse president Sarkozy wierpen zich op als pleitbezorgers van een gelijktijdige aanpak van de financiële crisis en van de klimaatcrisis. Maar in de praktijk bleven structurele hervormingen in de financiële sector uit, koos Europa voor een rigide bezuinigingsbeleid en zeker niet voor een keynesiaans investeringsbeleid. En als er dan toch grote investeringsprogramma’s  werden goedgekeurd, ging het veeleer om klassieke infrastructuurprojecten (zoals de TEN of trans-Europese netwerken, meestal nieuwe autostrades). De kritieken van economen als Paul Kugman  en bij ons Paul De Grauwe mochten niet baten. In het Verenigd Koninkrijk kwam er in 2012 een ‘Green Deal’ in de huizensector om woningen energiezuinig te maken . De Nederlandse regering zette sinds 2011 een hele reeks van ‘green deals’ op, inmiddels al 200, met name convenanten tussen het rijk en sectoren of bedrijven die een engagement aangingen om hun manier van werken of produceren te vergroenen. Doelstellingen werden vastgelegd, zo nodig werden regelluwe zones voorzien en beperkte vormen van financiële ondersteuning . Dat model werd na enkele jaren ook heel voorzichtig overgenomen voor de Vlaamse regering . 

In de VS leek de verkiezing van Obama op 4 november 2008 nieuwe perspectieven te bieden.  In 2009 creëerde president Obama ruimte voor groene jobs in zijn economisch herstelprogramma (de “American Recovery and Reinvestment Act” of ARRA).  Van Jones werd in maart 2009 benoemd tot  “Special Advisor for Green Jobs, Enterprise and Innovation” op het Witte Huis, maar moest nadien ontslag nemen na een controverse o.m. over zijn marxistisch verleden. De ARRA werd door veel politiek gehakketak (o.m. in de Senaat) sterk afgezwakt. Een deel van het investeringsprogramma bleef overeind, maar het werd meer en meer een “klassieke new deal” met slechts enkele groene spatjes… Een echte groene new deal kwam er onder Obama niet, ook niet in zijn tweede ambtstermijn. De republikeinen wisten alle ambitieuze pogingen in die richting met succes af te blokken. President Trump pakte op zijn beurt uit met een plan voor grootse investeringsprojecten. Maar deze kwamen vooralsnog niet van de grond en de president denkt al helemaal niet aan een groene invulling van deze projecten…

Kritiek op de groene economie

We kunnen dus niet zeggen dat er niets gebeurde met het idee van een Groene New Deal. Maar de omzetting op het terrein was halfslachtig, en dikwijls bijzonder minimaal. Daardoor raakte het hele idee volledig uitgehold. Vooral de sociale aspecten deemsterde weg. En van grote financiële hervormingen was al helemaal geen sprake meer. Van het idee van een soort van een omvattend programma om de verschillende ecologische, financiële en sociale crises tegelijk aan te pakken, bleef weinig overeind. Zodat het begrip zelf stilaan in diskrediet geraakte. 

Daar kwam nog bij dat ook het begrip ‘groene economie’ ter linker zijde sterk onder vuur kwam te liggen. En de Green New Deal werd dan gelijkgesteld met die groene economie. 

Zoals het ooit ook verging met het begrip “duurzame ontwikkeling” (Rio 2002), werd “groene economie’” een buzzwoord voor regeringen, grote bedrijven, OESO, Wereldbank : die openlijk pleitten voor meer economische groei, maar dan wel groene groei. De bestaande machtsverhoudingen konden gerust aangehouden worden, alleen moest de productie groen gewassen worden. Ecologie zou de motor worden van een nieuwe golf van economische groei, van nieuwe (duurzame) productie en consumptie. Op de opvolgconferentie die werd georganiseerd twintig jaar na Rio in 2012, stond alles in het teken van die groene economie. De linkse presidenten van Latijns Amerika (Chavez en Morales) hadden al gereageerd met een “klimaatconferentie van de volkeren” als reactie op al die blijken van in hun ogen ongegeneerd groen kapitalisme. In eigen land reageerden Anneleen Kenis en Matthias Lieven met hun boek ‘De mythe van de groene economie’ (2012) met zware kritiek op greenwashing door bedrijven en overheden, systemen als verhandelbare emissierechten en carbon-offset-systemen en ook een harde uitval tegen de Groene New Deal zoals o.a. verdedigd door groene partijen. 

Door de recuperatie van de green new deal (en de groene economie) door de powers that be, maar ook door de soms ongenuanceerde  kritiek ter linker zijde, werd sterk afbreuk gedaan aan de oorspronkelijke kracht van de ‘green new deal’, de combinatie van ecologische en sociale vernieuwing, van radicale klimaat- en energiemaatregelen maar ook radicale financiële hervormingen en sociale actie.

Een nieuwe frisse Green New Deal

Met het nieuwe voorstel van Alexandria Ocasio-Cortez rond een radicale ecologische én sociale Green New Deal wordt het oorspronkelijk concept in ere hersteld en kan het misschien terug de frisheid en het emanciperend elan krijgen van weleer. In de VS is er een directe lijn te onderkennen tussen de aangehouden basisbewegingen die mobiliseerden voor de klimaatmarsen, de sociale beweging ‘Green for All’ en nu de radicale jongerenbewegingen die pleiten voor een nieuwe radicale versie van de Green New Deal.

Ook in Europa kan wellicht met een nieuwe frisse versie van de Green New Deal de brug gemaakt worden tussen gele en groene hesjes. Want klimaatpolitiek zal sociaal zijn of zal niet zijn. Klimaatpolitiek zal bestaande financiële en economische stelsels fundamenteel op de schop moeten nemen. Zal disruptief moeten zijn, ecologisch, maar ook economisch en sociaal.

Bronnen

[i] https://apps.npr.org/documents/document.html?id=5729033-Green-New-Deal-FINAL, [ii] https://www.sunrisemovement.org/gnd, [iii] https://www.economist.com/finance-and-economics/2019/02/07/a-bold-new-plan-to-tackle-climate-change-ignores-economic-orthodoxy, [iv] Bloomberg Business Week, 14/2/2019 : Wall Street Is More Than Willing to Fund the Green New Deal, [v] New Economics Foundation, A Green New Deal, juli 2008 : zie : http://www.neweconomics.org/sites/neweconomics.org/files/A_Green_New_Deal_1.pdf, [vi] Green European Foundation, A Green New Deal for Europe. Towards green modernization in the face of crisis, 2009 – zie ook de Belgische publicaties : “Green Deal” van Jean-Marc Nollet en “Voor een ander Europa” van Bart Staes., [vii] https://europeangreens.eu/sites/europeangreens.eu/files/2009_Manifesto.pdf, [viii] http://docs.vlaamsparlement.be/pfile?id=1009596; [ix] http://economie.wallonie.be/sites/default/files/Plan%20Marshall%202-vert.pdf, [x] Thomas Friedman, Hot, Flat and crowded, Farrar, Staus and Giroux, New York, 2008, [xi] Van Jones, The Green Collar Economy, Harper One, New York, 2008, [xii] Zie : http://www.unep.org/labour_environment/PDFs/Green-Jobs-Background-paper-18-01-08.pdf, [xiii] Paul Krugman, Stop deze despressie nu, 2012, [xiv] https://www.gov.uk/green-deal-energy-saving-measures, [xv] https://www.greendeals.nl/; [xvi] https://www.lne.be/green-deals, [xvii] http://www.oecd.org/greengrowth/green-growth-indicators/

 

Read more...

Come On! – Capitalism, Short-termism, Population and the Destruction of the Planet

31 januari 2019 by Economie 575 Views
Johan Malcorps

Written by

A Report to the Club of Rome, Ernst Ulrich von Weizsäcker en Anders Wijkman, Springer, 2018, 220 p.


Een nieuw rapport aan de Club van Rome, van , Ernst Ulrich von Weizsäcker en Anders Wijkman en 34 andere deskundigen. En dit naar aanleiding van de 50ste verjaardag van de Club van Rome.


De auteurs vertrekken van een beschrijving van de verschillende soorten van crisis die de wereld teisteren en die samen leiden tot een groot gevoel van hulpeloosheid bij velen. Ze kijken eerst naar de verdeling van het inkomen wereldwijd. Er is de opkomst van de middenklasse in grote delen van de wereld en zeker in Azië (een stijging van de inkomens met maar liefst 60% de laatste 20 jaar). En daartegenover een stagnatie van de inkomens van de middenklasse in de vroegere ontwikkelde wereld (Europa/Noord-Amerika) en zelfs een relatieve achteruitgang op wereldschaal. Voor hen is dit de belangrijkste verklaring voor de opstoot van rechts populisme in de vroegere ontwikkelde landen. Daarbij komt nog de financialisering van de economie weg van productie en handel en de toenemende inkomensongelijkheid. In Europa kwam daar nog eens een scherp versoberingsbeleid bovenop dat veel mensen extra deed lijden. Een vlijmscherpe sociale analyse dus als start.

Daarbovenop schetsen ze de evoluties die we doorgaans meer verbinden met de Club van Rome. Eerst en vooral  de bevolkingsgroei : we leven inmiddels in een ‘volle wereld’. En natuurlijk de dreigende schaarste aan hulpbronnen. De auteurs blijven erbij dat hun oorspronkelijke voorspellingen uit het allereerste rapport aan de Club van Rome (Grenzen aan de Groei, 1972) correct waren. Het model van “planetaire grenzen” in 2009 ontwikkeld door Johan Rockström en Will Steffen en de antropoceen-these hebben hun oorspronkelijke ramingen in een nieuwe vorm gegoten. En dan is er ook de wetenschappelijke consensus rond de door de mens veroorzaakte klimaatverandering. En het verlies aan biodiversiteit dat hiermee samenhangt.

Er is dus nood aan een ‘crash plan’. Het is duidelijk dat de markt het probleem niet zal oplossen. En dat ook technologische oplossingen niet volstaan. Opvang van CO2 (CCS) zal nodig zijn, omdat er hoe dan ook nog lange tijd steenkool zal gebruikt worden wereldwijd. Maar een te sterk vertrouwen in ‘negatieve emissie technologieën’ zou bijzonder gevaarlijk zijn. Andere waarschuwingen zijn nieuwer : de auteurs wijzen op de risico’s van synthetische biologie en ‘gene-editing’. En “de vergeten dreiging” van kernwapens, nu een nieuwe wapenwedloop op til staat. Er gaat ook veel aandacht naar de digitale revolutie. Er worden veel te weinig vragen gesteld bij het energie- en grondstoffenverbruik van veelgeprezen disruptieve technologieën, zoals bijv. het Internet of Things of 3D-printing.

Duurzame Ontwikkelingsdoelen

De auteurs staan lang stil bij de ‘Agenda 2030’ van de Verenigde Naties en de 17 duurzame ontwikkelingsdoelen. Ze waarschuwen voor een uitruil van sociale en ecologische doelen. In 1972 stelde Indira Gandhi, premier van India, terecht dat armoede de grootste vervuiler was. Vandaag is het veel juister te zeggen dat rijkdom de grootste vervuiler is. De auteurs wijzen erop dat de ecologische voetafdruk, zelfs van de landen die het best scoren op de 17 ontwikkelingsdoelen, nog veel te hoog ligt.

On-economische groei

Aangehouden fysieke groei binnen beperkte ecosystemen is niet mogelijk. Het blijft de basis-stelling van de Club van Rome. Voorbij een kantelpunt slaat economische groei dan om in on-economische groei. En dat is niet enkel een ecologische, maar ook een economische wetmatigheid. Ten overvloede wordt nog eens aangetoond dat het BNP een misleidende waardemeter is. In een apart hoofdstuk wordt uitgebreid uit de doeken gedaan waarom het neoliberale marktdenken, geen uitweg kan bieden.

De auteurs komen dan bij hun hoofdstelling die volgens hen meer dan ooit opgaat : “de mensheid moet bereid zijn om te kiezen voor een radicale transformatie agenda. Enkel investeren in nieuwe technologieën en tegelijk blijven kiezen voor voortdurende economische expansie en bevolkingsaanwas, zal niet werken. Het globale doel kan niet langer ‘groei’ zijn. Er moet echt gekozen worden voor een duurzame ontwikkeling” (p. 57).

Om deze omslag mogelijk te maken is er nood aan een “Nieuwe Verlichting”. De auteurs pleiten voor een nieuwe filosofische onderbouw van de keuze voor duurzame ontwikkeling. Op basis daarvan dient een nieuw narratief geplaatst te worden tegenover het aftandse neoliberale verhaal. 

Redesign Everything

Het tweede deel van het boek gaat dan over concrete oplossingen. Het varieert van het aanreiken van denkschema’s als von Weizsäckers “natural capitalism” en het opdrijven van de productiviteit van hulpbronnen, ideeën rond een nieuw regeneratief management en “restauration ecology” en een circulaire economie,  tot een hele reeks voorbeelden van bewezen ontwikkelingsalternatieven. Maar de auteurs pleiten ook voor nieuwe economische instrumenten : het werken met koolstofbudgetten, koolstofbeprijzing en een totaal-aanpak (een mobilisatie als in oorlogstijd) in plaats van een incrementele (stapsgewijze) aanpak.
Nieuw is de strategie die ze bepleiten ten aanzien van de digitale disruptie : ze zijn voorstanders van een ‘bit taks’ of voor de robottaks van Bill Gates en voor een onvoorwaardelijk basisinkomen en arbeidsduurverkorting. Ze willen ten slotte niet enkel de bankensector grondig hervormen, maar ze pleiten ook voor een nieuw model van geldschepping. Ze verwijzen naar het Chicago plan, dat de bevoegdheid om geld te scheppen exclusief wou toewijzen aan de staat.

People, Planet, Profit

Ondanks hun scherpe analyse en dikwijls revolutionaire voorstellen, blijven de auteurs toch zoeken naar een kapitalistische uitweg uit de crisis(sen). De groene transitie kan volgens hen in verschillende betekenissen rendabel, winstgevend (“profitable”) gemaakt worden. Ook hier overlopen ze zowat alle mogelijkheden : van green bonds en crowdfunding tot de ‘economy for the common good’ van Christian Felber. Ze spreken zich bewonderend uit over alternatieve indicatoren voor groene welvaart, over de bruto nationaal geluk-aanpak van Bhutan, maar evengoed over de laatste groene meerjarenplannen van China.
Het boek biedt een vrij volledig overzicht van alle groene theorieën en instrumenten die momenteel opgang maken. Dat is een sterk punt. Maar het zwakke punt is dan weer dat in feite geen keuzes gemaakt worden. De auteurs laten uitschijnen dat alle voorgestelde aanpakken nodig zijn. Wat tot op zekere hoogte wel zal kloppen. Of ze ook allemaal evenwaardig zijn, is minder zeker. 

Maar wellicht zullen volgende rapporten aan de Club van Rome meer verheldering brengen en ook de moed hebben om een scherpere aflijning van alternatieven te brengen.

 

Read more...

Als de economie echt op het spel staat

by Economie 720 Views
Dirk Holemans

Written by

 

Het lag voor de hand: als je de noodzaak van economische groei in vraag stelt, reageren de meeste economen ronduit defensief. Dat is ook het geval met het panel van vier economen gisteren in de krant, die op één uitzondering na tonen dat ze de voeling met de fysische realiteit verloren hebben. De 238 academici die eergisteren in deze krant pleitten voor een post-groei economie weten wél wat er op het spel staat: de instorting van voedselketens, een watercrisis die miljarden bedreigd en een ongekende klimatologische verstoring. Ze kaarten aan dat onze economische groei-gedreven economie op structurele wijze de veilige grenzen van onze planeet overschrijdt en onze toekomst als mensheid op het spel zet. Op die stelling kwam er helaas geen antwoord.

Wie het debat over economische groei en milieuvernieling van de hand wijst, negeert het belangrijkste economisch probleem van onze tijd. Want zoals het OESO-rapport Environmental Outlook to 2050 aangeeft, zal bij ongewijzigd beleid de ecologische crisis onze welvaart en het economisch systeem ernstige schade toebrengen. De kern van de zaak is deze: erkennen we de ecologische crisis als een structurele systeemfout, wat betekent dat we een andere economie moeten ontwerpen.

Duurzame groei

Panellid Stijn Baert antwoordt  met de dooddoener dat Europa streeft naar ‘duurzame groei’. Maar Europa blijft net zijn voetafdruk vergroten en dat ondanks alle ‘duurzame groei’ maatregelen die het al neemt. De kwestie is juist of dat wel mogelijk is, of de huidige burn-out van de planeet niet juist het omgekeerde toont. Enkel panellid Hans Bevers erkent dat klimaatverandering niet lineair verloopt, dat er tipping points bestaan waardoor de boel kan ontsporen. Bevers erkent verder dat hoe belangrijk ook, we niet alle hoop op technologie mogen zetten. Alleen geeft hij geen oplossing voor wat hij zelf omschrijft als ‘het ontbreken van een correctiesysteem in ons kapitalistisch systeem’ voor milieuschade. Laat dat nu net het punt zijn van de 238 academici. 

Het meest hilarisch reageert panellid Peter De Keyzer, die het diploma van ecologische ongeletterdheid verdient door de groei van 1800 te gebruiken om de groei nu te verantwoorden. Mag ik hem een cursus thermodynamica aanraden – volgde ik al als eerstejaarsstudent bio-ingenieur. Steeds meer grondstoffen en energie verslinden en steeds meer afval produceren, het kan niet op een eindige planeet. Hoewel ik weet dat er professoren zijn die de kwestie ernstig nemen, vernam ik ook niets over de ecologische kwestie in mijn master-na-master bedrijfseconomie. Zal iets zijn voor een keuzevak zeker? Het geloof van De Keyzer in technologie is naïef. Zelfs onderzoekers van de vermaarde universiteit MIT schreven vorig jaar dat ze geen bewijzen vinden dat technologische vooruitgang zal leiden tot een daling van de milieudruk. Ja, we hebben technologische innovatie nodig – I love it as engineer – maar daarmee hebben we nog geen ander economisch systeem.

Eerlijk fiscaal systeem

Panellid Geert Gielens stelde wel een pertinente vraag, die ook minister van Overtveldt herhaalde op twitter: “Onderwijs, welzijn, gezondheidszorg, pensioenen, … Wie gaat dat betalen zonder groei?” De minister voegde eraan toe: “En waarom zou groei een milieubewust beleid in de weg moeten staan?”

Het antwoord is tweemaal eenvoudig. Ten eerste: al die zaken zijn te betalen met een eerlijk en slim fiscaal systeem. Dus arbeid veel minder belasten en milieuvervuiling en vermogens veel meer. Als we stoppen milieuverloedering te financieren – 4 miljard subsidies voor salariswagens – en de gaten in ons fiscaal systeem sluiten – multinationals die dan terug belasting betalen – zal dat zorgen voor miljarden extra inkomsten. 

Het is tijd om het debat met open vizier te voeren. Het debat over ‘groei’ is hierbij enkel de aanjager, het gaat over de structurele transformatie van onze economie. Hoe kunnen we iedereen een betere toekomst geven binnen de grenzen van onze planeet? Welke diepgravende antwoorden hebben de leden van het economisch panel op deze vraag? 

Dit artikel verscheen op 19 september 2018 in De Morgen.

Read more...

Ontgroeien: delen om te bloeien: 
Van kritiek op economische groei naar nieuwe praktijken

by Economie 1075 Views
Jef Peeters

Written by

Nu de economische groei weer op gang is gekomen, horen we hoera-berichten van zowel politici als economen. En journalisten gaan daar veelal in mee. Het lijkt alsof er voor groei geen alternatieven mogelijk zijn. Daar tegenover staat een groeiende degrowth-beweging van sociale activisten en academici, die in 2016 haar vijfde internationale conferentie hield met meer dan 600 deelnemers en zich opmaakt voor drie opeenvolgende conferenties – in Zweden, Mexico en het Europees Parlement – aan het einde van de zomer dit jaar. Academisch voortrekker van deze beweging is een groep ecologisch economen van de Autonome Universiteit van Barcelona. Zij publiceerden in 2015 het boek Degrowth (D’Alisa e.a.), een verzameling korte essays door academici van over de hele wereld, die de gelijknamige beweging ondersteunt met een vocabulaire dat de contouren van een (mogelijk) nieuw tijdperk probeert te schetsen. Het verscheen in vertaling als Ontgroei (2016), een neologisme dat niet alleen een fundamentele verandering in het economisch denken aangeeft, weg van het groei-denken, maar evenzeer een cultuurverandering. 

In wat volgt plaatsen we de degrowth-benadering binnen de bredere discussies over economische groei en bespreken haar kritiek op het gangbare ontwikkelingsdenken. Vervolgens schetsen we de kern van de culturele verandering die zij voorstaat. Ten slotte geven we aan hoe die verandering al gestalte krijgt in allerlei nieuwe initiatieven die vanuit de civiele samenleving als paddenstoelen uit de grond schieten. De nieuwe commons dienen zich daarbij aan als een focus van verandering, gebaseerd op vormen van collectief ondernemerschap gericht op de zorg voor een gedeelde wereld.

Ontgroeien als kritiek op de groei-ideologie 

Het jaar 1972 is ongetwijfeld het jaar waarin het debat over economische groei publiek werd om nooit meer van de agenda te verdwijnen – ook al is het met ups en downs. Toen verscheen immers het bekende rapport aan de Club van Rome Limits to Growth (Meadows, 1972) met een pleidooi voor ‘nulgroei’. In datzelfde jaar lanceerde de ecologisch econoom Herman Daly het concept van een ‘steady-state economie’ en werd het begrip ‘décroissance’ al naar voren geschoven door de Franse eco-filosoof André Gorz (later overgenomen door onder meer Serge Latouche). We zien dus vanaf het begin verschillende termen verschijnen om een alternatief voor ‘groei’ aan te duiden. Later komen daar termen bij als ‘post-growth’, ‘a-growth’ en ‘anti-growth’. De kritiek op economische groei heeft immers meerdere uitzichten, zo ook de antwoorden daarop. Lag in de jaren 1970 de klemtoon vooral op de grenzen aan de aardse hulpbronnen, dan komen later ook de relatie tussen groei en ongelijkheid, de problematische relatie met het ontwikkelingsdenken, of de moeilijke verhouding tussen aanhoudende groei en geluk aan de orde. Het is dan niet verwonderlijk dat ook het gebruik van de term ‘degrowth’ meerduidig is en de bijhorende beweging divers, zoals onder meer blijkt uit onderzoek van de opvattingen van deelnemers aan de conferenties (Eversberg en Schmelzer, 2016).

Daarbij duikt in het debat voortdurend de vraag op wat er met ‘groei’ precies wordt bedoeld. Gaat het over de groei van het bruto binnenlands product, een concept in puur monetaire termen? Of gaat het over de materiële impact van de economie? In dat laatste zijn de ecologisch economen geïnteresseerd, omdat zij economie in termen van stromen van materie en energie bekijken. Zij bouwen voort op het werk van de Roemeense econoom Georgescu-Roegen, die aantoonde hoe het economisch systeem is ingebed in de aardse biosfeer. Economie kan daarom niet ontsnappen aan de wetmatigheden van thermodynamica en ecologie, wat inhoudt dat oneindig aangehouden materiële groei onmogelijk en dus niet duurzaam is. Hoe evident deze gedachte voor velen thans ook lijkt, de consequentie daarvan dat de economie materieel moet krimpen omdat de grenzen van wat biofysisch toelaatbaar is al overschreden zijn, blijft zeer moeilijk liggen. 

Er is een duidelijk verband tussen de stijging van het bruto binnenlands product (bbp) en een toenemende ecologische impact via het gebruik van energie en grondstoffen en bijhorende milieubelasting. De voorstanders van economische groei formuleerden als uitweg de ‘ontkoppeling’ tussen bbp-groei en milieu-impact. Toename van efficiëntie via technologische vernieuwing speelt daarin een sleutelrol. Dat is de agenda van de ‘groene economie’ die ‘duurzame groei’ mogelijk zou maken. Nu is efficiëntieverbetering zeker mogelijk en ook nodig. Maar in de praktijk leidt besparing via toenemende efficiëntie vaak tot een groei van het consumptievolume, bekend als het rebound-effect. Denk bijvoorbeeld aan de blijvende groei van het wagenpark. Om de beoogde ecologische doelstellingen te halen moet de ontkoppeling dus niet enkel ‘relatief’ zijn (kleinere impact per eenheid product) maar ‘absoluut’, wat een daling van het totale volume aan gebruikte hulpbronnen inhoudt. Zo vraagt het verhinderen van catastrofale klimaatverandering om een absolute ontkoppeling van economische productie en de uitstoot van broeikasgassen tot op een niveau dat het aardse ecosysteem duurzaam kan verwerken. De huidige praktijk is daar nog ver van verwijderd. Een ontkoppeling moet immers snel genoeg gaan om catastrofale gevolgen op korte termijn te vermijden en ook groot genoeg zijn om een herstel van het aardse ecosysteem mogelijk te maken. Verbeteringen in de praktijk zijn ongetwijfeld mogelijk, maar wetenschappelijke simulaties geven aan dat bbp-groei uiteindelijk niet kan worden losgekoppeld van groei in materiaal- en energiegebruik (Ward e.a., 2016). Of, ‘duurzame groei’ is een illusie. 

Dat brengt ons terug bij denkpistes die biofysische grenzen serieus nemen. Omdat efficiëntie alleen ons niet zal redden, heeft Wolfgang Sachs het principe van ‘sufficiëntie’, of ‘genoegzaamheid’, in het debat gebracht. In die lijn spreekt men vandaag ook van een ‘economie van het genoeg’ (Dietz en O'Neill, 2013), of van ‘welvaart zonder groei’ (Jackson, 2010). Al dergelijke voorstellen komen erop neer de focus op bbp-groei te verleggen naar het realiseren van maatschappelijke doelstellingen: het tegemoetkomen aan de behoeften van allen binnen de mogelijkheden die de planeet ons geeft. Dat is precies wat Kate Raworth (2017) met het concept van ‘donut-economie’ voor ogen heeft. Dat impliceert sowieso een vermindering van het gebruik van materiële hulpbronnen, maar niet noodzakelijk van de creatie van waarde – althans wanneer de gangbare monetaire termen daarvoor worden losgelaten.

Het groeidebat leidt er uiteindelijk toe als samenleving te herzien wat we van waarde vinden – een culturele eerder dan een economische opgave. Ivan Illich verwoordde het als ‘doorbreken van de verslaving aan groei’. En precies daarop slaat de term ‘degrowth’, het ontwikkelen van een nieuwe politieke en sociale visie tegenover de dominante ideologie van groei en ontwikkeling. Hoewel het begrip uit economische studies is voortgekomen, is het dus geen economisch begrip voor het tegenovergestelde van groei, ‘negatieve groei’ of ‘krimp’. Omdat die associatie wel snel gemaakt wordt, staat de term ook bij sommige medestanders van het degrowth-programma ter discussie als misleidend. Daarnaast vinden sommigen dat de term omwille van zijn negatieve formulering niet wervend is voor een positieve agenda van verandering. Zo is het volgens Kate Raworth beter dat de naam van die agenda representatief is voor de nagestreefde sociale en ecologische doelstellingen. Die agenda probeert zij zelf met het beeld van de donut weer te geven. Over groei kunnen we volgens haar beter ‘agnostisch’ zijn, want ook wanneer het bbp geen maatstaf meer is voor succes, zullen sommige initiatieven toch gepaard gaan met een bbp-toename, terwijl andere er een negatieve invloed op hebben. 

Een vooraanstaand degrowth-onderzoeker als Giorgis Kallis verwerpt echter dergelijke kritieken. De term weerspiegelt duidelijk de noodzaak om de mondiale voetafdruk te verminderen, daarbij beginnend bij de rijken. Bovendien lijkt de groei-ideologie sterker dan ooit, waardoor spreken over ontgroeien een duidelijke daad van subversie is. In tegenstelling tot positief geformuleerde doelstellingen zal het dan ook nooit door het kapitalisme gecoöpteerd worden: ‘minder’ kan het niet verkopen. Kallis wijst verder op het feit dat de naam ‘degrowth’ mensen, ondanks hun meningsverschillen daarover, samenbrengt in een beweging. Die naam staat voor ‘een pluralistische en diverse sociale beweging waarin verscheidene denkstromingen, ervaringen en strategieën om autonome en matige samenlevingen op te bouwen, samenkomen. Degrowth is geen alternatief, maar een matrix voor alternatieven’ (Azam, 2017). Daarmee voegt de beweging zich in het rijke scala van sociale bewegingen die vandaag ijveren voor een andere economie, een die sociaal en ecologisch is ingebed. Gezien de complexiteit van de wereld en van de transitie die nodig is, is die pluraliteit een positief gegeven. Immers, niet elke benadering met bijhorende terminologie zal in elke context even goed aanslaan, zoals ook Kallis moet toegeven.

Ontwikkeling via groei?

Een belangrijk degrowth-thema is de kritiek op ontwikkeling als zodanig, zelfs wanneer ze ‘duurzaam’ wordt genoemd (Latouche, 2014). Duurzame ontwikkeling werd eind vorige eeuw door de wereldgemeenschap gelanceerd als een project om armoede en milieuvraagstukken tegelijkertijd aan te pakken (WCED, 1987). Wat dat betekende, en hoe dat moest gaan, was vanaf het begin een voorwerp van ideologisch-politieke strijd en heel diverse interpretaties die van links tot rechts de ronde deden. We moeten daarbij voor ogen houden dat de agenda voor duurzame ontwikkeling eind jaren 1980 werd gelanceerd, toen het neoliberalisme al volop in opmars was. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat ontwikkeling in de dominante interpretatie binnen een kapitalistisch kader wordt geplaatst, waarbij de hoop gevestigd blijft op economische groei. Dat komt onder meer tot uiting in de zogenaamde triple bottom line die de dimensies van duurzame ontwikkeling samenvat als people, planet, profit. De poging om de economische dimensie te benoemen als prosperity (voorspoed) in plaats van profit heeft het nooit tot standaardformulering geschopt. 

Ook bij de recente duurzame ontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties wordt de bevordering van ‘aanhoudende, inclusieve en duurzame economische groei’ nog als een doelstelling geformuleerd. Als het erom gaat om op een duurzame manier welzijn te creëren, dan is deze formulering al minstens een verwarring van middelen met doelstellingen. En ook al is er op sommige plaatsen in de wereld nog tijdelijk groei nodig, het blijven nastreven als een mondiale doelstelling is, zoals boven aangegeven, een onwenselijk en ook onmogelijk pad. Het Global Footprint Network stelt overigens vast dat de focus op ontwikkeling nog te weinig aandacht heeft voor ecologische duurzaamheid. De grote vooruitgang die er met het akkoord over de zeventien duurzame ontwikkelingsdoelstellingen werd gemaakt, alsook het enthousiasme daarover, mag niet doen vergeten dat het om een politiek compromis gaat dat ‘aanhoudende groei’ alsnog niet uit zijn vocabularium wil schrappen. 

De focus op groei via profit lijkt vaak zelfs op een gouden kalf waar men omheen danst, waarbij twee grote kampen tegenover elkaar staan. Om de economie op gang te trekken pleiten sommigen voor overheidsinvesteringen, terwijl anderen besparingen op overheidsuitgaven voorstaan om ruimte te maken voor meer privé-investeringen. We herkennen daarin het moderne dispuut over de beste plaats om maatschappelijke waarde te scheppen, de staat of de markt. Beide posities houden elkaar gevangen in een conflict zonder uitweg. Het zijn twee zijden van dezelfde medaille, want over de grond van de zaak, de noodzaak om telkens opnieuw economische groei te realiseren, wordt niet getwijfeld. 

Daar tegenover wijst de degrowth-beweging erop dat groei, ook wanneer zij is bedoeld om problemen op te lossen, een heel paradoxaal gegeven is. Niet alleen blijft ondanks investeringen in milieutechnologie de globale ecologische voetafdruk toenemen zonder dat een absolute ontkoppeling tussen economische groei en grondstoffenverbruik in zicht is. Groei wordt ook gerealiseerd ten koste van meer gelijkheid – denk aan de studies van de Franse econoom Thomas Piketty – onder meer via allerlei vormen van ongelijke ruil. En groei gaat ook ten koste van al wat met zorg en met gemeenschapszin te maken heeft. Die beantwoorden immers niet aan de logica van het nastreven van (persoonlijk) profijt. Omdat de groei bovendien aangehouden moet worden, palmt de markt voortdurend nieuwe domeinen van het menselijk leven in en creëert daarbij een onverzadigbare levenswijze. Zo blijft uiteindelijk ook de belofte op geluk ijdel. Samengevat, het realiseren van een menselijker wereld via groei lijkt eerder een tantaluskwelling. 

Er lijkt dus iets fundamenteel mis in de manier waarop economie vandaag gedefinieerd wordt. En het argument dat er toch groei nodig is voor mensen die nog niet aan de bevrediging van hun basisbehoeften toekomen is daarom vooral een valkuil. De idee dat er eerst groei moet zijn, schuift die bevrediging immers voortdurend vooruit naar de toekomst, terwijl er vandaag nieuwe ongelijkheden worden gecreëerd. Dit inzicht is voor degrowth een aangrijpingspunt om na te denken over een echt alternatief dat direct (her)verdelend werkt, daarbij het leefmilieu spaart en ruimte laat voor zingevende activiteiten, onttrokken aan de gangbare economische logica. 

Ontgroeien om te bloeien

Het kapitalisme met zijn groeidynamiek is geen natuurwet, maar een historisch gegeven, een maatschappelijke constructie die ontstaan is als reactie op specifieke omstandigheden. We kunnen niet ingaan op die historische oorsprong, maar houden het bij de volgende aanduiding. Verschillende analyses wijzen op een existentiële nood die de Europese samenleving kenmerkte in de overgang van de late Middeleeuwen naar de moderniteit, onder meer door de pestepidemieën gevolgd door een demografische explosie. Het leven werd ervaren als bedreigd door een permanente schaarste waar de economie van de traditionele gemeenschappen geen antwoord op leek te bieden. ‘Om aan hun onvervulde behoeften te voldoen, probeerden individuen banden te verbreken met hun gemeenschappen en autonome, nieuwe en meer effectieve, op groei georiënteerde handelswijzen op te nemen’ (Romano, 2016, blz. 137). De angst om tekort te komen en de drijfveer om schaarste te overwinnen werden een cultureel leidmotief dat de accumulatie van kapitaal legitimeerde en zo vorm gaf aan een nieuwe economische orde, door Hans Achterhuis het ‘rijk van de schaarste’ genoemd. Het is een orde die vraagt dat we spaarzaam zijn om te kunnen investeren in de toekomst, dat we daartoe immer ijverig zijn en bijvoorbeeld later op pensioen gaan. Maar anderzijds vraagt die ook om te consumeren wanneer we vrij zijn, te spenderen om de groeimachine aan de praat te houden. En daaruit zouden we dan de zin van ons leven moeten putten. Geen wonder dat mensen ziek worden van stress. 

Daartegenover schuift degrowth een radicale paradigmaverandering naar voren, met overvloed in plaats van schaarste als uitgangspunt. Voor de traditionele milieubeweger komt dat misschien over als vloeken in de kerk, omdat het denken in termen van een mogelijke ecologische catastrofe wanneer de ecologische voetafdruk niet kleiner wordt, eerder om matiging vraagt. Dit denken blijft echter binnen het schaarstekader wanneer overvloed onmiddellijk wordt begrepen als consumptie van marktgoederen. Een sleutel om uit deze verwarring te geraken, is te zien dat de moderniteit haar schaarsteprobleem probeerde op te lossen via een proces van individualisering. Elk individu moet voor zichzelf proberen in zijn behoeften te voldoen. En omwille van de vooropgezette schaarste gaat het dan om een competitie met winnaars en verliezers. Net in die competitie toont schaarste zich als een sociaal geconstrueerd fenomeen. En economische groei zou dan een remedie zijn om reële schaarste te voorkomen, en daarmee uit de hand lopende maatschappelijke conflicten. Maar, zoals gezegd, het paradoxale effect is het produceren van problemen die we als reële schaarste kunnen begrijpen.

Ontgroeien is een manier om het over een wezenlijk andere boeg te gooien. ‘Het rijk van betekenis begint, waar het rijk van de noodzaak eindigt’, zo stellen de redacteurs van Ontgroei (D’Alisa e.a., 2016, blz. 336). Het komt erop aan om grenzen te stellen aan het opslokken van steeds meer levensdomeinen door het rijk van de schaarste, en de zoektocht naar zin uit de paradox van de groei te halen. ‘In je eentje betekenis vinden is een illusie die leidt tot ecologisch schadelijke en sociaal onrechtvaardige uitkomsten, omdat ze niet voor iedereen kunnen worden volgehouden’ (D’Alisa e.a., 2016, blz. 335). Vanuit dat inzicht volgt een dubbele perspectiefverschuiving. Die is allereerst cultureel, maar legt wel de basis voor een andere economische oriëntatie. 

In de plaats van een heilloze consumptiemaatschappij, die eigenlijk neerkomt op een veralgemening en privatisering van de luxe, komt de erkenning dat het leven van het individu noodzakelijk door soberheid gekenmerkt zal worden. Maar wanneer mensen met elkaar delen en samenwerken in plaats van elkaar te beconcurreren, dan kan aan ieders behoeften worden voldaan. Bovendien zal daarmee onze energie, onze werkkracht als samenleving, niet zijn opgebruikt. Iedere samenleving moet daarom beslissen wat ze met haar overschot doet. Zo bouwden de middeleeuwers hun kathedralen. En heel wat culturen kennen vormen van collectieve verspilling onder de vorm van grote feestelijkheden. Het gaat om vormen van collectieve zingeving binnen de publieke sfeer. Vandaag gaat het maatschappelijk overschot echter op in geprivatiseerde verspilling en een daaraan gekoppelde accumulatie van kapitaal. 

Het dubbele voorstel van Ontgroei is dan soberheid in de private sfeer en zingevende verspilling – ‘dépense’ genoemd – in de publieke sfeer (denk aan cultuur, kunst, feesten...). Die verspilling van het maatschappelijk overschot mag worden begrepen als een bewuste rem op voortdurende investeringen in functie van een steeds verdergaande accumulatie van kapitaal. Wat zo gewonnen wordt is een publieke ruimte die individuen en hun gemeenschappen in staat stelt om een bloeiend leven te leiden.

Commons: samenwerken en delen

Dat voorstel lijkt wellicht abstract, maar allerlei burgerinitiatieven beginnen dat alternatief te belichamen, zoals geefwinkels, repair-cafés, gemeenschapstuinen, CSA-boerderijen, nieuwe coöperaties... Het gaat om een wereldwijd fenomeen, dat nog recent gedocumenteerd werd voor Vlaanderen (Noy en Holemans, 2016; Hautekeur, 2017) en voor Europa (Hens, 2015). Dergelijke initiatieven behelzen een transformatie van sociale relaties. Daarom worden ze vaak ‘sociale innovaties’ genoemd, ‘gelokaliseerde acties en initiatieven die mensen in staat stellen te voldoen aan sociale en ecologische noden en uitdagingen waarvoor ze geen adequaat antwoord vinden in de private markt of in het beleid van de centrale overheid’ (Oosterlynck, 2015, blz. 23). Cruciaal is dat burgers aan de slag gaan vanuit het perspectief van de civiele samenleving en zo een register opentrekken dat weg leidt uit de uitzichtloze oppositie van markt en staat. Economisch gaat het erom dat een heel domein van waardecreatie opnieuw wordt ontdekt en tot ontwikkeling gebracht.

Niet toevallig duiken economische burgerinitiatieven op in tijden van economische crisis, maar die verklaring is niet afdoende vermits die zich al ontwikkelden voor er van de huidige crisis sprake was. Het blijkt een terugkerende beweging in de Europese geschiedenis te zijn, telkens wanneer private marktkrachten de overhand nemen. Zo ontstonden in de late Middeleeuwen zowel de gilden als de meenten (gemeenschappelijke gronden), en in de negentiende eeuw de coöperaties (De Moor, 2013). Het gaat er telkens om dat mensen op zoek gaan naar alternatieve economische instituties die minder dominant zijn en dus meer eigen inbreng en zeggenschap mogelijk maken. Daarbij schept een crisis van de oude instituties mogelijkheden om nieuwe vormen ruimere ingang te doen vinden. Uiteindelijk gaat het om een structurele maatschappelijke verandering.

Zoals gezegd bestaan er wereldwijd meerdere bewegingen voor een andere economie, elk met eigen accenten, geschiedenis en inbedding. Zo zijn er naast de degrowth-beweging onder meer de coöperatieve beweging, de commons-beweging, p2p-productie, de sociale en solidariteitseconomie, de beweging voor een zorg-gecentreerde economie, de deel- en collaboratieve economie en het Transition Network (Transition Towns), naast specifieke bewegingen rond deelsteden (shareable cities), open uitwisseling van zaden, lokaal voedsel, en noem maar op. De kern van de transitie die zij beogen slaat meestal op de motivering van economische activiteit, namelijk een verschuiving van winst omwille van de winst naar bijdragen aan het creëren van ‘gemeenschappelijk welzijn’ (Peeters, 2015).

Als alternatief voor de economie van de schaarste geven commons-praktijken de beoogde paradigmaverandering wellicht het beste aan. Commons zijn dan niet louter collectieve hulpbronnen (al dan niet materieel), zoals vaak wordt gedacht, maar praktijken van gemeenschappelijk beheer en gebruik door gemeenschappen die er zelf de regels voor bepalen. ‘Een hulpbron wordt een commons wanneer er voor wordt gezorgd door een gemeenschap of een netwerk. De gemeenschap, hulpbron en regels vormen een geïntegreerd geheel’ (Helfrich en Bollier, 2016, blz. 113).

Commons staan tegenover de handelswaren (commodities) van de markteconomie en hanteren een ‘logica van overvloed’: ‘de stelling dat er voldoende geproduceerd wordt voor allen als we een overvloed aan sociale relaties, netwerken en vormen van coöperatief bestuur kunnen ontwikkelen. Dit soort van overvloed kan ons helpen praktijken te ontwikkelen die de grenzen van de groei respecteren en de vrijheid van iedereen vergroten om op te treden op een zelf bepaalde wijze’ (Helfrich en Bollier, 2016, blz. 116). We merken hoe hier een ‘economie van het genoeg’ wordt verbonden met een overvloed aan relaties die uitzicht geven op een zinvol bestaan. Tegenover de concurrentie op de markt staan dan praktijken van coöperatie en delen centraal. 

Dat zien we gebeuren in lokale initiatieven als repair-cafés en gemeenschapstuinen, maar evenzeer in mondiale netwerken op het internet als Wikipedia en vrije software (Bauwens en Lievens, 2013). Daarbij zijn de ervaringen van mensen met de kwaliteit van een ander soort economische relaties dan op de markt gebruikelijk cruciaal. Niet individueel profijt, maar zorg om wat we delen komt centraal te staan als betekenisvolle drijfveer. Vanuit dit perspectief merken we vervolgens heel wat nieuwe vormen van ondernemerschap op, die een heel andere invulling hebben dan de vormen die we gewend zijn – die ons zijn aangepraat. Op dezelfde manier moeten we ons vragen stellen bij wat vandaag allemaal ‘deeleconomie’ wordt genoemd. Gaat het om nieuwe businessmodellen binnen een kapitalistische markteconomie (denk aan AirBnB of Uber), of gaat het om het creëren van commons-gerichte initiatieven, om écht delen? (Lievens en Kenis, 2016).

Economische initiatieven vanuit de civiele samenleving, en commons in het bijzonder, worden vaak geduid als een perspectief voorbij markt en staat. Daarbij wordt ook van ‘drie economische sectoren’ gesproken. Een perspectief dat echter meestal over het hoofd gezien wordt is dat van de huishoudelijke economie, door sommigen de ‘vierde sector’ genoemd. De hier geleverde arbeid is niet gemonetariseerd, wordt daardoor economisch niet gezien en de waarde die ze schept niet meegeteld in het bbp, hoewel ze van levensbelang is. Ivan Illich noemde het ‘schaduwarbeid’. Het is dan ook niet onbelangrijk dat het nieuwe denken over economie deze arbeid uit de schaduw haalt. Dat gebeurt onder meer bij het beschouwen van zorg als een centrale economische opdracht. En onder meer Kate Raworth brengt het huishouden in beeld als sector van een sociaal ingebedde economie. Zelf wil ik graag inbrengen dat vormen van nabije gemeenschapseconomie, waaronder commons-initiatieven, kansen inhouden om mee de zorg van huishoudens te delen en zo de last ervan te verlichten (Peeters, 2015). Naast de klassieke eisen voor herverdeling, lijkt dit wezenlijk: iedereen deel te laten uitmaken van de nieuwe bloei die een beweging van ontgroeien nastreeft.

Lijken vandaag dergelijke nieuwe economische praktijken nog marginaal, voor een culturele transformatie zijn ze echter van wezenlijk belang. Telkens opnieuw stellen we immers vast dat mensen niet zomaar veranderen vanuit het bewustzijn dat er van alles mis is. Zij moeten eerder worden meegenomen in betekenisvolle ervaringen (Welzer, 2014). Aan de slag gaan, nieuwe dingen uitproberen en anderen daarbij uitnodigen is de aanbevolen weg. En vooral niet vergeten om samen te feesten!

 

Literatuur

Hans Achterhuis, Het rijk van de schaarste, Ambo, Baarn, 1988.

Geneviève Azam, ‘From Growth to Degrowth. A Brief History’, in Local Futures, 11 mei 2017, http://www.localfutures.org/growth-degrowth-brief-history/

Michel Bauwens en Jean Lievens, De wereld redden. Met peer-to-peer naar een post-kapitalistische samenleving, Houtekiet i.s.m. denktank Oikos, Antwerpen, 2013.

Herman Daly, Toward a Steady-State Economy, Freeman, San Francisco, 1972.

Giacomo D’Alisa, Federico Demaria en Giorgis Kallis (red.), Degrowth. A Vocabulary for a New Era, Routledge, Abingdon/New York, 2015. Vertaling: Ontgroei. Een vocabulaire voor ‘degrowth’ in een nieuw tijdperk, Van Arkel i.s.m. denktank Oikos, Utrecht, 2016.

Tine De Moor, Homo Cooperans. Instituties voor collectieve actie en de solidaire samenleving, Oratie, 30 augustus 2013, Universiteit Utrecht.

Rob Dietz en Dan O'Neill, Enough Is Enough. Building a Sustainable Economy in a World of Finite Resources, Routledge, Abingdon, 2013.

Dennis Eversberg en Matthias Schmelzer, ‘Critical Self-reflection as a Path to Anti-capitalism. The Degrowth Movement’, in Degrowth, 23 februari 2016, http://www.degrowth.de/en/2016/02/critical-self-reflection-as-a-path-to-anti-capitalism-the-degrowth-movement/#more-176036

Nicholas Georgescu-Roegen, The Entropy Law and the Economic Process, Harvard University Press, Cambridge, MA, 1971.

Gerard Hautekeur, Van cohousing tot volkstuin. De opmars van een andere economie, EPO i.s.m. Samenlevingsopbouw Vlaanderen, Berchem, 2017.

Silke Helfrich en David Bollier, ‘Commons’, in D’Alisa e.a., a.w., 2016, blz. 112-117.

Tine Hens, Het klein verzet, EPO i.s.m. denktank Oikos, Berchem, 2015.

Tim Jackson, Welvaart zonder groei. Economie voor een eindige planeet, Van Arkel i.s.m. denktank Oikos, Utrecht, 2010.

Matthias Lievens en Anneleen Kenis, ‘Delen of huren? Het potentieel van de commons en de ambivalentie van de deeleconomie’, in Streven, oktober 2016, blz. 849-859.

Serge Latouche, ‘Overvloedige soberheid’, interview door B. Deniel-Laurent, in Marianne, 1 augustus 2014. Vertaling T. Holterman, https://libertaireorde.wordpress.com/2014/09/03/overvloedige-soberheid-door-ontgroeien-op-weg-naar-een-beter-leven/

Dennis Meadows, Limits to Growth, Universe Books, New York, 1972.

Fleur Noy en Dirk Holemans, ‘Burgercollectieven in kaart gebracht’, in Oikos, nr.78, 2016, blz. 69-81.

Stijn Oosterlynck, ‘Lokale sociale innovatie. Een kijk vanuit de marges van overheid en markt’, in Momenten, Cahier van Demos vzw, nr. 13, 2015, blz. 21-29.

Jef Peeters, Veerkracht en burgerschap. Sociaal werk in transitie, EPO, Berchem, 2015.

Kate Raworth, Donuteconomie. In zeven stappen naar een economie voor de 21e eeuw, Nieuw Amsterdam, 2017. 

Onofrio Romano, ‘Dépense’, in D’Alisa e.a., a.w., 2016, blz. 135-140.

Wolfgang Sachs, Planet Dialectics. Explorations in Environment and Development, Zed Books, London/New York, 1999.

James Ward, e.a., ‘Is Decoupling GDP Growth from Environmental Impact Possible?’, in PLoS ONE, 14 oktober 2016, http://journals.plos.org/plosone/article?id=10.1371/journal.pone.0164733

Harald Welzer, Zelf denken. Een leidraad voor verzet, Van Arkel i.s.m. denktank Oikos, Utrecht, 2014. 

[1] Deze tekst werd gepubliceerd in Streven, Jg. 85, nr.3, mei-juni 2018, p. 229-240.

[2] Biannual International Conferences on Degrowth for Ecological Sustainability and Social Equity: https://degrowth.org/conferences/ 

[3] Er zijn meerdere benaderingen om dit uit te drukken. Bekend is de ‘ecologische voetafdruk’, zie https://www.footprintnetwork.org/our-work/ecological-footprint/ Daarnaast levert de recente wetenschappelijke bepaling van ‘planetaire grenzen’ cruciale inzichten: W. Steffen, e.a. ‘Planetary Boundaries. Guiding Human Development on a Changing Planet’, in Science, 347, 2015.

[4] Voor dit debat, zie Oxfamblogs, 1 december, 2015: K. Raworth, ‘Why Degrowth Has Out-grown its Own Name’, https://oxfamblogs.org/fp2p/why-degrowth-has-out-grown-its-own-name-guest-post-by-kate-raworth/; G. Kallis, ‘You’re Wrong Kate. Degrowth is a Compelling Word’, https://oxfamblogs.org/fp2p/youre-wrong-kate-degrowth-is-a-compelling-word/

[5] Doelstelling 8, zie: http://www.unric.org/nl/sdg-in-nederlands 

[6] ‘Making the Sustainable Development Goals Consistent with Sustainability’, in Global Footprint Network, 1 september 2017, http://www.footprintnetwork.org/2017/09/01/making-sustainable-development-goals-consistent-sustainability/ 

 Dit artikel verscheen op de website van het cultureel maatschappelijk tijdschrift Streven. Je kan het oorspronkelijke artikel hier raadplegen.

Read more...

Christian Felber 'Naar een economie van het Gemene Goed'

04 februari 2018 by Economie 3539 Views
Johan Malcorps

Written by

Christian Felber komt op 6 maart spreken in de Minard in Gent over de 'economie van het gemene goed'. Mis deze boeiende lezing niet en schrijf je tijdig in. Meer informatie en inschrijven

Hieronder lees je de recensie van Johan Malcorps over het boek van Christian Felber:

"Ware Winst. Gemene Goed-Economie als Wegwijzer", Uitgeverij Jan Van Arkel, Utrecht, 2017, 208P

Iedereen is tegenwoordig voor een groene economie. In feite is het idee van een groene economie gerecupereerd door het systeem. Critici wijzen om die reden een vergroening van de economie af. Want het zou enkel gaan om een groen laagje vernis over de bestaande groei-, markt-, kapitalistische of staatskapitalistische economie. Het probleem is dat niemand op geloofwaardige wijze kan schetsen hoe zo’n alternatieve groene economie er in de praktijk zou uitzien. En nog minder hoe we de overgang naar zo’n groene economie 2.0  zouden maken.

De ‘Gemene Goed-Economie’ van de Oostenrijker Christian Felber is een variant op zo veel andere modellen van alternatieve groene economie. Hij noemt zelf de post-groei-economie, de sociaal en ecologisch gecorrigeerde markteconomie, de solidaire economie, de commons, de geef-economie, de veerkrachtige en regionale economie, de radicaal democratische en open economie, … In feite tracht hij met zijn gemene goed - economie elementen van al deze modellen te integreren. Het aantrekkelijke van het model van Felber, is dat het tot in de kleinste details is uitgewerkt. En dat hij via een beweging van bedrijven, verenigingen en burgers ook al bezig is met de uitbouw ervan. En dat niet alleen in Europa, ook in Latijns Amerika. Zijn model is utopisch, dat zeker. Maar het krijgt door de vele lopende praktische experimenten toch ook een zekere realiteitswaarde. Het wekte uiteraard ook al veel tegenstand op. Is Felber een pseudo - communist, de absolute reformist of gewoon een fantast? Dat is toch een nader onderzoek waard.

Menselijke vs. economische waarden

Voor Felber is het onbegrijpelijk dat er zo een grote kloof gaapt tussen algemeen menselijke waarden die gelden voor elk samenleven (zoals empathie, samenwerking, eerlijkheid en vertrouwen) en de waarden die gelden in de economie (egoïsme, hebzucht, winstbejag, concurrentie). Een egoïstisch gedrag van individuen zou leiden tot welvaart voor iedereen. Dat is het uitgangspunt van de liberale economie. Maar die zogenaamde onzichtbare hand van Adam Smith is een mythe. Net als de vermeende efficiëntie van het concurrentieprincipe. De sociale psychologie leert ons dat vertrouwen en samenwerking veel efficiënter zijn. De gevolgen van de dominantie van de huidige economische waarden zijn vernietigend : concentratie en misbruik van macht bij multinationale bedrijven en kartels, standplaatsconcurrentie, inefficiënte prijsvorming, sociale polarisatie en angst, onvervulde basisbehoeften en honger bij een groot deel van de wereldbevolking, ecologische verwoesting, uitschakeling van de democratie en verlies van zingeving.

Het gemene goed als doel van de economie

Voor Felber is het doel van de economie niet winst maken of het eigen belang promoten, maar “een zo groot mogelijke bijdrage leveren aan het gemene goed”. Geld en kapitaal zijn slechts een middel om het eigenlijke doel te bereiken, een toename van het gemene goed voor allen. Het BNP is als meetinstrument ongeschikt : het meet enkel het middel (geld), niet het doel (geluk). Felber pleit voor de opmaak van een ‘gemene goed balans’ voor bedrijven, met als op te volgen criteria : menselijke waardigheid, solidariteit, ecologische duurzaamheid, sociale rechtvaardigheid, democratie. Die beginselen heeft hij verder uitgewerkt in een matrix van 17 mogelijke gemene goed - indicatoren. Dat lijkt op de engagementen rond CSR (corporate social responsability) die bedrijven nu al aangaan. Maar het accent is totaal verschoven. De gemene goed-balans is niet langer vrijblijvend, wordt het belangrijkste punt van evaluatie voor de stakeholders van het bedrijf. En dat op basis van een externe audit. De financiële balans van het bedrijf wordt in status verlaagd tot enkel een middelenbalans. Financiële winst is slechts een middel. “Elke aanwending van financiële winst die het gemene goed vermindert, wordt begrensd”. Bedrijfswinsten kunnen wel ingezet worden voor nieuwe productieve investeringen, het verhogen van het eigen vermogen of van reserves, winstuitkeringen aan medewerkers, leningen aan andere bedrijven. Winsten mogen niet ingezet worden voor financiële investeringen, vijandige overnames van andere bedrijven,  of voor dividenduitkeringen aan eigenaars die niet in de onderneming werken (het principe van winstbeperking). En winsten kunnen al zeker niet gebruikt worden voor donaties aan politieke partijen.

Op basis van haar gemene goed - balans kan een bedrijf gemene goed - punten verwerven en aanspraak maken op privileges vanwege de overheid : lagere BTW of invoerheffingen, voordeliger bankkrediet, voorrang bij openbare aanbestedingen, kansen op samenwerking met universiteiten, subsidies. Felber wil overigens niets vastleggen. Wat als ‘gemene goed’ beschouwd wordt, moet volgens hem democratisch bepaald worden via een (burger)conventie voor de economie en moet uiteindelijk via een wet of zelfs via de grondwet verankerd worden. 

Hoe kapitalistisch is de gemene goed - economie ?

De gemene goed - economie van Felber draait nog steeds rond bedrijven die opereren in een markteconomie. Geld en privé-eigendom blijven bestaan. Maar de concurrentie op leven en dood tussen bedrijven uit de klassieke economie is vervanging door samenwerking en wederzijdse hulp. Binnen de “primaire structuur van samenwerking” blijven er wel vormen van mededinging bestaan. Bedrijven kunnen ook nog altijd falen. Voor Felber is het alternatief geen plan-economie. Hij gelooft dan eerder in “coöperatieve marktregulatie”. In crisis-situaties (als bedrijven vast lopen) zoeken ze samen naar oplossingen in een “crisis – of samenwerkingscommissie”. Binnen een regionaal economie-parlement worden bedrijfsinspanningen gebundeld. Bedrijven kunnen kapitaal aantrekken via gemene goed-banken, via eigen kapitaal van mensen (die hiervoor in ruil geen dividenden krijgen uitgekeerd, maar wel kunnen participeren aan een zinvol project), via persoonlijk kapitaal van werknemers of via renteloze leningen van andere bedrijven.

Vrijhandel en vrijhandelsakkoorden moeten ook voldoen aan alle criteria van de gemene goed -economie, dus volwaardig rekening houden met (verdragen rond) burgerrechten, sociale en culturele rechten, milieu en klimaat, uitwisseling van fiscale gegevens. Een land dat zich aan één van deze verdragen/criteria niet houdt, krijgt hoge tolheffingen aangesmeerd. Vermits bedrijven nog altijd failliet kunnen gaan, kunnen ondernemers of werknemers ook hun werk verliezen. Een stelsel van sociale zekerheid blijft behouden. Dat is voldoende flexibel en voorziet ook in de mogelijkheid van sabbatjaren. Als sokkel wordt een solidariteitsinkomen ingevoerd (zeg maar een basisinkomen dat maximum tweederde bedraagt van het minimumloon). En er is ook een gegarandeerd (basis)pensioen.

Democratische banken

De huidige op winst beluste ‘global player banken’ vervullen hun maatschappelijke rol niet : ze slagen er niet in spaartegoeden te garanderen en voldoende goedkope kredieten te verlenen. Wat ze wel doen is problematisch : ze ondermijnen de stabiliteit van het financieel systeem, ze zorgen voor inflatie door het creëren van giraal geld, ze genereren een financiële stroom van een massa armen naar een elite van rijken. Als ze dan dreigen over kop te gaan, moet de staat hen redden ten koste van zware besparingen voor heel de bevolking. In de gemene goed - economie worden banken eigendom van de soevereine bevolking. Geld als krediet wordt een publiek goed. Op vlak van vermogensbeheer zouden er geen fondsen meer zijn. Mensen leven van een arbeidsinkomen dat ze op de bank plaatsen, niet van kapitaalsinkomsten. De financiële markten worden gesloten. Centrale kapitalistische beurzen worden vervangen door regionale gemene goed - beurzen. Derivaten zijn er niet meer. Ratingbureaus zijn niet meer nodig. Er wordt ook komaf gemaakt met speculatie op termijn- en grondstoffenmarkten. Grondstofprijzen worden voortaan democratisch vastgelegd. Valutamarkten worden overbodig door de invoering van één wereldhandelsmunt (de terra) naast nationale muntéénheden en regionale complementaire munten.

De democratische bank zorgt voor een onbeperkte garantie op spaargelden, goedkope of zelfs kosteloze bankrekeningen, voordelige kredieten voor gezinnen, ondernemingen, de staat, filialen vlakbij, voor het wisselen van valuta. De democratische bank mag zelf geen geld creëren, mag enkel werken met “positief geld” gecreëerd door de Gemene Goed – Centrale Bank. Die centrale bank treedt ook op als “laatste kredietgever” en verzekert de democratische banken. Het systeem van rente wordt afgeschaft. Want rente leidt steeds tot groeidwang in de economie. Het einde dus voor de “luie kapitaalsinkomsten”. Kredietaanvragen worden getoetst aan gemene goed – criteria. De democratische bank is een regionale bank. De bestuurders worden lokaal verkozen. In het bestuur zitten werknemers, consumenten, debiteuren, kleine lokale bedrijven en een “ombudsman voor de toekomst” als vertegenwoordiger van toekomstige generaties. Ook de Centrale Bank wordt op vergelijkbare wijze democratisch aangestuurd.

In een overgangsfase zullen er nog private winst-georiënteerde banken bestaan naast gemene goed- georiënteerde banken. Op langere termijn zullen er enkel nog democratische (gemene goed-) banken zijn naast spaarbanken en coöperatieve banken.

Eigendom in de gemene goed - economie

De gemene goed - economie is een uitgesproken ethische markteconomie, met een mix van privé eigendom, openbaar eigendom, gemeenschapseigendom (commons) en gebruiksrechten. De inkomensongelijkheid wordt begrensd. De limieten worden vastgelegd door de economische (burger) conventie. Er wordt wel voorzien in een voldoende hoog minimumloon, gekoppeld aan een ‘goed leven-korf’. Hogere lonen worden via marginale belastingstarieven tot 100% wegbelast. Ook het privé vermogen wordt begrensd. Grote concerns worden gedemocratiseerd : hoe groter het bedrijf, hoe meer interne democratische controle voorzien wordt (door eigen personeel,  door publiek van buitenaf).  Ook het erfrecht wordt begrensd. Uit een openbaar generatiefonds worden “democratische dotaties” uitbetaald aan iedere burger. Een soort van “basisvermogen” bij de start van je leven. Burgers die hun democratische dotaties samenbrengen, kunnen zo het startkapitaal vormen om een nieuw bedrijf op te starten. Zo wordt ondernemerschap meer gelijkelijk verdeeld over de bevolking. Openbare bedrijven die de laatste jaren steeds meer geprivatiseerd werden (post, spoorwegen, water- en energiebedrijven) worden omgevormd tot “publieke gemene goed bedrijven”, met besturen verkozen via directe democratie. Op die manier ontstaat een nieuwe vorm van “public popular partnership” (cf. soortgelijke ideeën van Michel Bauwens).  Ten slotte wordt ook het eigendomsrecht over natuur en grond aan banden gelegd (bijv. woonoppervlakte, landbouwgrond, bedrijfsruimte).

Uitbreiding van de democratie

De afstand tussen burgers en hun verkozen vertegenwoordigers is te groot geworden. Door de collusie van de politieke, economische, wetenschappelijke en media-elites leidde dit tot verschillende “vertegenwoordigingscrises”. De echte soevereine rechten van burgers dienen hersteld te worden. Dat kan via regionale parlementen. Maar die mogen tussen twee stembusgangen in niet verstarren tot “tijdelijke dictaturen”. Felber gelooft in een directe democratie in verschillende stappen : burgers kunnen stemverklaringen verzamelen om een wet voor te leggen aan het parlement, om een consultatief of zelfs een beslissend referendum af te dwingen. Hij hecht veel belang aan de grondwetgevende macht : dat is voor hem het soevereine volk dat de basisspelregels voor samenleving en economie dient vast te leggen via burgerconventies. Zo voorziet hij conventies voor de opmaak van de basisregels voor de economie, voor het beheer van publieke diensten zoals openbaar vervoer, energie en media of voor de werking van de democratie zelf. Hij pleit voor een drie zuilen-democratie met naast de vertegenwoordigingsdemocratie (partijen, parlement, regering), de directe democratie (burgerintiatieven, referenda, conventies) en de participatieve democratie (directe gemene goed - inspraak in bijv. ondernemingen).

The proof of the pudding …

Allemaal mooi in theorie, hoor ik u zeggen. Maar kan dit ook echt werken? Felber verwijst naar een hele reeks van praktijkvoorbeelden die in feite al volgens één of meerdere van zijn principes werken. Hij biedt een pallet aan van de meest verscheiden experimenten : de super-coöperatie Mondragón in Baskenland, de Egyptische fairtrade coöperatie Sekem, ecofair textiel coöperaties in Oostenrijk en Mauretanië, ethische banken in verschillende Europese landen, community supported agricultrure (CSA), solidaire economie in Brazilië, open source bedrijven tot NGO’s en gratis vrijwilligerswerk wereldwijd. In al deze initiatieven ontdekt hij verwante zielen die uitgaan van één of meer van zijn principes van een gemene goed - economie.

Belangrijke toetssteen is ook de beweging die hij zelf oprichtte in 2011 : de ‘Vereniging ter stimulering van de Gemene Goed Economie’. Als trekker van Attac in Oostenrijk wist Felber in elk geval heel wat mensen in beweging te krijgen. In zijn boek zet hij het eigen succes dik in de verf. Hij verwijst naar pioniersgroepen (bedrijven, scholen, verenigingen, universiteiten, gemeenten, regio’s). Eind 2016 waren er volgens hem 400 balans – ondernemingen (die dus een gemene goed balans bijhielden). In juni 2017 zouden al meer dan 2.000 bedrijven en 160 organisaties interesse getoond hebben. Daarnaast is er al een hele reeks van gemene goed – gemeenten en regio’s : in Oostenrijk, Duitsland, Italië, Spanje en ook Wales, die bijvoorbeeld een gemene goed rapport opstellen voor hun gemeente of regio. Een honderdtal universiteiten treden op als culturele pioniers, soms met eigen studierichtingen (Burgenland), of zelfs leerstoelen (Valencia) in de gemene goed economie. Hij kan verder beroep doen op een rits van expertenteams (redacteurs, consultants, auditoren) en ambassadeurs/sprekers voor zijn gemene goed economie. In 20 landen in Europa en Latijns Amerika zijn er zo een 200 lokale ondersteuningsgroepen actief, de zogenaamde ‘energievelden’). Ten slotte zijn er ook internationale bijeenkomsten rond de gemene goed economie, het ‘internationaal parlement’ van de beweging. Het klinkt goed, maar soms is enige grootspraak hem ook niet vreemd.

Pseudo-economist en cryptocommunist ?

In 2013 kwam er zware kritiek op de ideeën van Felber van de kant van de Oostenrijkse Kamer van Koophandel. De gemene goed - economie zou de vrijheids- en eigendomsrechten van individuele burgers veel te veel inperken. Door (in hun ogen) de afschaffing van de vrije markt en de concurrentie, kwam je in een vorm van communisme terecht. Burgers zouden zich moeten verantwoorden t.a.v. de nieuwe gemene goed-organen die Felber wou creëren. Het geheel zou bijzonder bureaucratisch en inefficiënt uitvallen. En het zwaarste punt van kritiek : in feite kan je de gemene goed – economie alleen wereldwijd invoeren. Dat kan niet in één land alleen. Men gaf dan veruit de voorkeur aan het vertrouwde model van een  sociaal en ecologisch gecorrigeerde vrije markteconomie. Ook kritieken uit meer linkse hoek in Duitsland en Oostenrijk waren niet mals : de ideeën van Felber misten elke realiteitswaarde, waren zelfs pedant, aanmatigend of behoorlijk autoritair. Grote problemen als werkloosheid of lage lonen zou je hiermee niet oplossen. Het model zou slechts kunnen werken voor een 2% van de kleinere bedrijven. Voor grote ondernemingen of de economie in haar geheel zou de omslag naar een gemene goed - economie ondenkbaar en onhaalbaar zijn. Er zijn ook praktische bezwaren. Het Gemene Goed-bilan (een invulcahier van 47 pagina’s, kostprijs 50 €) biedt geen enkele garantie : bedrijven controleren vooral zichzelf. In vergelijking met echte audits of kwaliteitsbeoordelingen (bijv. ISO 9001) is dit ondermaats. In 2016 werd Felber zelfs inzet van een hele controverse rond handboeken economie. In die handboeken werd zijn gemene goed-economie ook als model beschreven, naast de ideeën van bekende economische denkers als Keynes, Marx, Friedman en von Hayek. Honderd economen kloegen dit aan in een open brief. Voor hen was er geen vergelijk mogelijk. Felber was hooguit een politiek activist, geen ernstige econoom.

Een heel ander denkkader

Het is dus niet moeilijk om de gemene goed – economie belachelijk te maken of als complete dromerij meteen weer af te serveren. Als de gemene goed – economie gepresenteerd wordt als een praktisch transitiemodel voor de korte termijn (en die pretentie heeft Felber wel), dan is de nodige skepsis echt wel geboden. Maar ik beschouw zijn boek eerder als een radicale denk-oefening over hoe het echt anders kan. Hoe kunnen we de economie van de grond af helemaal herdenken en stoelen op totaal andere premissen, op menselijke waarden, en niet op winstbejag? Ook sommige groene economen blijven redeneren in termen van een vergroening van de bestaande economische sjablonen. En dan kom je uit op een vergroening van een klassieke markt-economie, variaties op groene groei. Een marktconforme groene Wende naar Duits model. Of je raakt verzeild in nieuwe vormen van ecoscialisme en een groene plan-economie. Met staatsgeleide variaties op groene groei. Denk maar aan het ‘ecologisme‘ van de nieuwe grote roerganger in China, Xi Jinping.

Christian Felber brengt iets nieuws, doorbreekt gevestigde denkkaders. Maar zijn gemene goed-economie blijft steken in het utopische, zal allicht falen voor een ernstige realiteitstoets op grotere schaal. Veel van zijn ideeën zijn echter waardevol en op beperkte schaal wel bruikbaar en hanteerbaar. Misschien legde hij zo toch enkele puzzelstukken van een nieuwe groene economische synthese.

Read more...

An economic model for the future

14 december 2017 by Economie 1968 Views
Dirk Holemans

Written by

British economist Kate Raworth recognises that a dramatic new mindset is needed if we’re going to address the economic challenges of the 21st century. Her iconic book, Doughnut Economics: seven ways to think like a 21st-century economist, argues that our economic activity should operate in the space between a social foundation and an ecological ceiling. In practice this means that life’s essentials, such as food, shelter and healthcare, are available to all, but within the means and resources we have available on the planet. The doughnut of her analogy is a playful metaphor for a serious and urgent challenge we currently face. In this interview Kate Raworth tells more about her perspective on modern economics and explains how we can create a system that works within the limits of her theory.

 

Sharing instead of redistributing

Your economic model is now six years old. Have we made any progress?

We have. I consider the Sustainable Development Goals (SDGs) to be an essential step. They comprise the systems that sustain life on earth and are designed for all countries, not just the South. Yet I think we should be able to break through the ceiling of our imagination. The question is: can we design a system to improve things? That, in my opinion, should be our ambition: to develop activities that are distributive and generative from the start.

What do you mean by ‘distributive by design’?

We usually talk about redistributing the wealth that is initially in the hands of a small group of people. That is the core of the 20th century model: redistribution of income afterwards, through progressive taxes and other means. The distributive concept of the 21st century is about designing our activities in such a way that they share the value from the start, instead of redistributing it afterwards. And it is not just about money, but also about land, companies, and the ability to create money. What about the ownership of technology, who will own our robots? How do we treat our knowledge? Does it not make sense that innovative ideas originating from publicly funded research should be accessible to everyone? The core of the challenge, then, is in reinventing the way we create value in our economy and share it from the start. You can do this with alternative forms of ownership of companies, like employee-owned companies or co-operations. Another way of integrating the sharing of value in the design is not to freeze them in patents but instead let them circulate freely among the commons. That way they travel through society, research communities can use them and develop them further. Another way still is to work with local currencies that connect and empower new initiatives.

Money with patience

The economy should not just share value. It should also be generative?

Yes. We seem to find it normal that a company focuses on realising but one kind of value – financial profit – and in addition, keeps it for itself and its shareholders. It is very much the mentality of the 20th century: how much money is in it for me? You could describe it as an extractive economy, as over-exploitation taking away valuable resources from the community. The 21st century, generative model has a different baseline. The question now is: how many kinds of value can I integrate in my company’s design to make sure that I can give value back to society and the environment? As a company, why would you strive to only reducing your negative impact on the environment when you can just as easily generate a positive impact? So instead of reducing emission of greenhouse gases, you start generating renewable energy and you share it with your surroundings. The same goes for the social domain, whereby companies actively contribute to the wellbeing of their neighbourhood or community.

What role do you see for the financial world?

That is the million-dollar question. First, we should investigate how to collect money in a 21st century way. That leads us to ethical banks, money with patience, and at first even philanthropy, to get things going. All of those are important sources for money because their values are in line with those of the companies they are supporting. Within the existing 20th century money industry we could do this through our pension funds. Could we restructure them so that they become value-driven? Can we enable people to change to such ethical pension funds? Besides that, we obviously need clear legislation. But I focus mostly on finding new forms of financing that are suited for 21st century businesses.

And that is where Triodos Bank comes in. The bank pays attention to these new kinds of entrepreneurship that are essential for the future. Triodos consciously uses money to create positive social, ecological and cultural change. It is an excellent example of a company with a lively target, aimed at distributive and generative companies whose values go way beyond the financial profit that stays within the company.

Ben je benieuwd naar meer over dit 'doughnut model' en wil je graag Kate live aan het werk zien? Dan hebben we goed nieuws want Kate komt opnieuw naar België naar aanleiding van de vertaling van haar boek. Kate komt op 11 januari naar Gent. Schrijf je tijdig in want de plaatsen zijn beperkt. Meer informatie en inschrijven kan via deze link.  

 

CV KATE RAWORTH

Kate Raworth is a renegade economist focused on exploring the economic mindset needed to address the 21st century’s social and ecological challenges, and is the creator of the Doughnut of social and planetary boundaries. She is a Senior Visiting Research Associate at Oxford University’s Environmental Change Institute, where she teaches on the Masters in Environmental Change and Management. She is also a Senior Associate at the Cambridge Institute for Sustainability Leadership. More: www.kateraworth.com.

Dit interview verscheen op november 17, 2017 op de blog van Triodos Bank. 

 

 

Read more...
Pagina 1 van 2
Don't have an account yet? Register Now!

Sign in to your account