Denktank voor Sociaal-Ecologische Verandering

Economie

Economie (27)

Veerkracht in schokkende tijden

20 maart 2020 by Economie 124 Views

Een maatschappij die focust op winst, concurrentie en consumptie is slecht in staat om met rampen om te gaan. Dirk Holemans pleit voor een omwenteling.

De coronapandemie is een schok die we niet hebben zien aankomen, hoewel hij in de sterren geschreven stond. Nieuwe virussen die waarschijnlijk het gevolg zijn van de vernietiging van natuurgebieden, in combinatie met een economisch systeem dat alles en iedereen de wereldbol doet rondreizen, zijn maar twee elementen van een problematisch wereldsysteem. Daarbij komen nalatige overheden – volgens viroloog Johan Neyts hadden we deze pandemie kunnen voorkomen als overheden tien jaar geleden in virusremmers hadden geïnvesteerd (DS 16 maart).

Het is tijd voor een paradigma­shift: van een slaapwandelende maatschappij, gefocust op profijt, concurrentie en consumptie, naar een toekomstvaardige samenleving, die voorrang geeft aan investeringen, samenwerking en welzijn. Anders dreigen we te maken te krijgen met wat Naomi Klein omschrijft als de shockdoctrine. Zij observeerde hoe bij rampen de neoliberale vrijemarktdenkers klaarstaan om de staat verder uit te kleden in functie van hun eigen belangen. Daardoor worden we nog kwetsbaarder voor schokken.

Niet de laatste schok

Hoe kunnen we het antwoord op corona formuleren als een emancipatorisch verhaal, wetende dat er ons nog schokken staan te wachten op het vlak van klimaat, biodiversiteit en voedselvoorziening? We moeten nu nadenken hoe we daar adequaat mee zullen omgaan. Daarvoor kan het concept veerkracht een leidraad bieden. Een systeem is veerkrachtig als het blijft functioneren na een schok. Bovendien moeten schokken zo veel mogelijk vermeden worden. Daarom is er dubbel beleid nodig: schokken maximaal afwenden en systemen zo ontwerpen dat ze schokbestendig zijn.

Veerkracht is meer dan robuust zijn. Het gaat erom dat sociaalecologische systemen zichzelf herorganiseren, zodat de functie en de structuur niet verloren gaan. Onze mondiale samenleving is een sociaalecologisch systeem, al beseffen we dat doorgaans niet. Kijk naar de coronacrisis: alles wat we doen, is afhankelijk van en beïnvloedt de natuurlijke systemen, zeker op het moment dat de natuur ook een actor is geworden. Een veerkrachtig systeem is in staat zich om te vormen in functie van veranderende omstandigheden om de nodige diensten te blijven leveren. Denk bijvoorbeeld aan een rivier­vallei, waar nieuwe spaarbekkens de toenemende regens in de winter opvangen, zodat de huizen niet overstromen, terwijl ze in drogere zomers net toelaten dat lokale voedselsystemen blijven functioneren. Het belangrijkste is dat een veerkrachtig systeem in staat is om proactief te anticiperen en niet alleen reageert op wat zich aandient.

Veerkracht

Veerkracht omvat vier componenten: korte terugkoppelingslussen, modulariteit, diversiteit en sociaal kapitaal. De eerste term verwijst naar hoe snel we geconfronteerd worden met de gevolgen van ons handelen. Dat is een probleem bij zowel de aanpak van de klimaatverandering als bij de verspreiding van exotische organismen: er zit relatief veel tijd tussen de handelingen die het probleem veroorzaken en de effecten. Velen vragen zich terecht af hoe het komt dat we bij de corona­crisis daadkrachtig kunnen handelen, terwijl dat bij de klimaatcrisis niet lukt. Maar de realiteit is complexer. Het is correct dat we nu snel reageren op de gezondheidseffecten van corona, maar in essentie gaat het twee keer om de gevolgen van hetzelfde economische systeem.

Modulariteit toont een fundamenteel probleem van onze maatschappij. Een modulair systeem bestaat uit verschillende subsystemen die niet overdreven gekoppeld en voldoende autonoom zijn. In onze economie, met wereldwijde productieketens in handen van multinationals, is het net het omgekeerde. We kunnen zelfs geen mondmaskers meer maken in ons land. Ook reizen en transport ondermijnen modulariteit.

Als subsystemen te sterk gekoppeld zijn, kan een schok zich makkelijk door het hele systeem verplaatsen. Een systeem met een hoge modulariteit heeft meer autonome componenten, waardoor een schok in het ene subsysteem minder schade aan het andere kan toebrengen. De uitbouw van meer autonome kringloopeconomieën is dan ook een goed idee.

Het belang van diversiteit kennen we uit de landbouw: een bedrijf dat maar één gewas verbouwt, is extreem kwetsbaar voor plagen. Toegepast op de economie: als we voor onze welvaartsproductie maar één aanpak hebben – de neoliberale globale marktaanpak – dan zitten we diep in de problemen als die ‘monocultuur’ niet bestand is tegen plagen. Economische diversiteit is mogelijk door meer ondersteuning te geven aan ethische ondernemingen, denk aan energiecoöperaties en zelfoogstboerderijen.

De laatste component, sociaal kapitaal, wordt vaak vergeten. Het gaat om de sociale netwerken in onze samenleving en de hoeveelheid hulpbronnen die deze netwerken kunnen produceren. Net dat blijkt nu enorm belangrijk, denk aan eenzame senioren of daklozen. Sociaal kapitaal staat zowel voor praktische hulp als voor waarden zoals solidariteit en sociale betrokkenheid. Het is net dit sociaal kapitaal dat de laatste decennia geweldig onder druk is komen te staan en dat we nu herontdekken.

Shockdoctrine 2.0

Die dimensies van veerkracht in onze samenleving inbouwen, vergt meer dan veranderingen in de marge. De klimaatopwarming versnelt en de biodiversiteit is in vrije val. Laat corona een wake-upcall zijn die slaapwandelen bant. Dat vergt wijzigingen in ons land, in Europa en op wereldschaal. Volgens de socioloog Dani Rodrik gaat een volledig geglobaliseerde economie niet samen met democratische politiek en nationale soevereiniteit. Vier decennia aan neoliberale globalisering hebben de natiestaat uitgekleed en democratische politiek verwaarloosd. Rodrik stelt het omgekeerde voor: laten we inzetten op democratische politiek en soevereiniteit (daar kan de Europese Unie deels de rol van de landen overnemen) om te komen tot een gedeeltelijke en democratische de­globalisering.

Die hoeft de uitwisseling van ideeën­ en samenwerking niet in de weg te staan. In 1944 sloten de geallieerden de Bretton Woods-akkoorden om de wereldeconomie streng te reguleren met het oog op een snelle wederopbouw uit de puinhopen van de oorlog. Nu is er nood aan een sociaal­ecologische regulering die ons doet opstaan uit de puinhopen van het neoliberale, geglobaliseerde kapitalisme, als antwoord op de veelvoudige crises van corona-klimaat-biodiversiteit. Dit zou je de shockdoctrine 2.0 kunnen noemen, de emancipatorische versie. Iedereen die een goed leven nastreeft binnen de planetaire grenzen, moet die shockdoctrine 2.0 mee ontwikkelen en uitrollen.

 

Deze opinie verscheen oorspronkelijk in De Standaard

Read more...

'Stop met in groene groei te geloven'

19 februari 2020 by Economie 475 Views

Dit interview verscheen oorspronkelijk op apache.be.

Door Wim De Jonge

 

Groene groei kan of Arme landen worden steeds rijker. Het zijn stellingen die economisch antropoloog Jason Hickel met verve, én cijfers doorprikt. ‘We kunnen beter eerlijker verdelen wat we hebben, dan onze planeet plunderen op zoek naar meer.’

Economie is niet alleen het speelveld voor neoliberalen, er zijn ook kritische anti-stemmen die tegen het TINA-verhaal van eeuwige groei durven opkomen. Eén van hen is professor economische antropologie Jason Hickel. Hij was docent aan de London School of Economics, de University of Virginia en aan Goldsmiths, University of London. Hickel is ook auteur van ‘The Divide: A Brief Guide to Global Inequality and its Solutions’ en schrijft onder andere voor The Guardian.

Op 28 januari was Hickel te gast in de Gentse Vooruit voor de tiende verjaardag van Oikos. Apache sloot aan bij het voorgesprek met Hickel, en kon hem ook even apart spreken.

 

U doet enkele post-growth voorstellen om de economie te veranderen. Dus u ziet nog toekomst voor groei?

Hickel: “Nee, nee, géén groei. Dat hebben we echt niet nodig en kunnen we ook niet meer aan. Er zijn limieten aan de planeet en aan mensen. Ik vergelijk het graag met een relatie. Je kan aan je partner waarschijnlijk enkele avonden vragen om te koken, maar vraag je dat élke avond dan is er kans dat hij of zij dat te veel vindt, je overschrijdt zijn of haar limiet.”

“Geen enkele groei kan groen zijn, zo simpel is het. Volgens heel wat beleidsmakers moet het mogelijk zijn om economisch te groeien en tegelijk onze impact op de natuurlijke rijkdom te verminderen. Zelfs de Verenigde Naties nam ‘groene groei’ als een van haar kerndoelstellingen over. Maar er is gewoon geen enkel wetenschappelijk bewijs dat zoiets kan. Stel dat alle landen ter wereld de allerbeste manier van energievoorziening gebruiken én dat de wereldeconomie met drie procent per jaar moet blijven groeien dan verbruiken we nog altijd twee keer zoveel als de planeet aankan. Dus, stop met in groene groei te geloven, stop met in groei te geloven.”

Maar hebben arme landen geen nood aan groei?

Hickel: “Nee, als we de groei stoppen wil dat niet zeggen dat de levensstandaard in gevaar is. Onze planeet voorziet genoeg voor iedereen, alleen zijn de voorraden ongelijk verdeeld. We kunnen beter eerlijker verdelen wat we hebben, dan onze planeet plunderen op zoek naar meer.”

“Misschien ligt de oplossing bij betere publieke diensten, misschien bij een kortere werkweek die de productie doet dalen en toch voor volledige werkgelegenheid zorgt, misschien bij een basisinkomen. Dat laatste kunnen we met simpele ingrepen realiseren en financiëren. Een minieme taks op beleggingen kan iedereen op deze planeet twee dollar per dag geven.”

Kan de mensheid nog een gigantische ecologische ramp vermijden?

Hickel: “Ik ben hoopvol, anders schreef ik niet, anders gaf ik geen lezingen. We zijn wel voorbij het stadium dat we kunnen volstaan met een beetje ons individuele gedrag te veranderen en intussen stilletjes hopen dat de rest van de wereld zal volgen. Dat zou hetzelfde zijn als tijdens de Jim Crow-periode in de Verenigde Staten in je eentje anti-racist te zijn. Nee, je moet solidair zijn, actie ondernemen, anderen overtuigen. Het is bijvoorbeeld dankzij de realisaties van de brede burgerrechtenbeweging in het verleden dat ik hoopvol ben voor een ecologische en sociale toekomst.”

“Recent stelde de econoom Daniel O’Neill voor om een stevige grens te stellen aan het gebruik van natuurlijke bronnen. Niet meer nemen van de aarde en de zee dan die kunnen reproduceren. We zouden ook het Bruto Binnenlands Product kunnen dumpen en werken met een Genuine Progress Indicator (GPI) die wel vervuiling en milieuschade meet. Met de GPI zouden we sociaal goede oplossingen kunnen verhogen en ecologisch slechte vermijden. Maar dan moeten we wel af van onze economische verslaving aan groei.”

“Gewoon niet meer produceren dan het voorgaande jaar dat is echt niet moeilijk. Misschien moeten we af van bijzonder schadelijke gewoontes als reclame, pendelen en wegwerpproducten. Sommige zaken zullen we globaal moeten bekijken, maar veel kan je lokaal oplossen. Denk maar aan zonnepanelen. Je hoeft geen wereldspeler voor zonnepanelen te zijn, maar ik zie liever dat mensen bijvoorbeeld via een coöperatie eigenaar van hun eigen energievoorziening worden.”

Is de democratie wel geschikt om ongelijkheid en de ecologische crisis op te lossen?

Hickel: “Ik denk dat we net meer democratie nodig hebben. Hebben we eigenlijk al eens een breed democratisch debat gehad over groei? Laat je mensen zélf nadenken en debatteren over de toekomst dan merk je dat ze veel meer ecologische en sociale voorstellen doen. Geven ze hun stem aan vertegenwoordigers dan krijg je een ander verhaal en andere focus. Dus: wie controleert de media en wie geeft geld aan politici: dat moet met argusogen bekeken worden.”

De wereld wordt alsmaar rijker en arme landen zijn aan een inhaalbeweging bezig, schrijft columniste Noah Smith.

Hickel: “Als je met rijker worden bedoelt dat het bbp omhoog gaat, dan klopt dat. Dat is net de bedoeling in een kapitalistisch systeem. Het is ook niet moeilijk want het bbp houdt op geen enkele manier rekening met de natuurlijke rijkdom die de afgelopen decennia dramatisch gedaald is.”

“Ik kijk liever naar de Genuine Progress Indicator. Die is sinds 1970 niet meer gestegen. Het echte probleem met al dat nieuw verworven inkomen: vooral het rijke Noorden is rijker geworden. Slechts 5 procent van het nieuwe inkomen gaat naar de 60% armsten op deze planeet. Nochtans leveren zij de meeste arbeid en grondstoffen die in de globale economie omgaan.”

Wie kunnen we als een arme persoon beschouwen?

Hickel: “Op dit moment wordt iemand die minder dan 1,90 dollar per dag ter beschikking heeft als extreem arm beschouwd. Maar die grens is heel arbitrair en berust op geen enkele serieuze wetenschap. Met dat geld kan je gewoon geen goede voeding en basisgezondheidszorg voorzien.”

“Een meer evidence-based limiet zou 7,40 dollar per dag zijn. Gebruik je die grens dan zijn er sinds 1980 nog altijd 1 miljard armen bijgekomen op onze planeet. En het klopt dat het daginkomen van de armen gestegen is. Volgens gegevens van de Wereldbank is dat – hou je vast – twee dollarcent! Het overgrote deel van het nieuwe inkomen sinds 1980 is naar de rijksten gegaan, genoeg om de globale armoede vele keren te compenseren. Dat heet ik geen vooruitgang, dat is een schande.”

Hoe meet je best de ongelijkheid?

Hickel: “Je kan dat ofwel met relatieve of met absolute waarden meten. Niet toevallig kiezen de meeste economen voor de relatieve waarden omdat die de belangen van de rijken verdedigen en het best de echte ongelijkheid in de wereld verbergen. Het enige wat telt is natuurlijk de ware kloof tussen rijk en arm, en niet de relatieve waarde van verandering.”

“Reken je even mee? Stel je even een arme persoon voor die 1.000 dollar per jaar verdient en een rijke die 100.000 dollar verdient. Stel dat de arme zijn inkomen over de jaren naar 2.000 dollar heeft gebracht, dan is dat een relatieve stijging van honderd procent. Stel dat het inkomen van de rijke naar 150.000 dollar is gestegen, dan is die ‘maar’ met vijftig procent gestegen, zeggen de economen van de Wereldbank. Ik zeg: in absolute termen verdient die arme duizend dollar meer en de rijke 50.000 dollar meer. De extra verworven rijkdom van de rijke is vijftig keer groter dan die van de arme. Van het nieuwe inkomen (51.000 dollar) gaat 2 procent naar de arme en 98 procent naar de rijke.”

“Snap je nu waarom de Wereldbank niet van absolute cijfers houdt?”

Economie is ook politiek. Is de mogelijke herverkiezing van Donald Trump iets wat u zorgen baart?

Hickel: “Uiteraard. Ik ben geen expert in de Amerikaanse politiek, maar ik hoop dat Bernie Sanders de tegenkandidaat wordt én dat hij het haalt. Hij heeft ten minste valabele argumenten om het anders en beter aan te pakken.”

“Wereldwijd zijn er gelukkige goede voorbeelden van bestuur. Kijk naar Portugal. Het heeft ongeveer een derde van het gemiddelde inkomen van de Verenigde Staten en toch hebben ze een hogere levensverwachting en betere gezondheidszorg. Het toont nog maar eens aan dat het niet aankomt op hoeveel geld je hebt, maar wat je er mee doet. Portugal investeert veel in openbare diensten, onderwijs en gezondheid.”

Ook Costa Rica doet het goed.

Hickel: “Ja, dat land heeft zijn energie-uitstoot met 75 procent kunnen doen dalen zonder dat de levensstandaard gedaald is. Integendeel. Eigenlijk dankt Costa Rica zijn succes aan de desinteresse van de Wereldbank en het IMF, zij hebben dat land zijn eigen koers laten varen. Ze zouden dat met méér landen moeten doen.”

De Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds (IMF) zijn niet bepaald de meest democratische instituten.

Hickel: “Dat is het understatement van het jaar. Mensen denken dat deze organisaties eerlijk en democratisch zijn, een beetje zoals de Verenigde Naties georganiseerd zijn. Het tegendeel is waar: ze zijn fundamenteel anti-democratisch. Het probleem begint aan de top. Volgens een onuitgesproken regel is de leider van de Wereldbank altijd een Amerikaan en de leider van het IMF altijd een Europeaan. Een aangeduide, niet verkozen leider.”

“Daar komt nog bij dat de rijkste landen zichzelf heel wat macht gegeven hebben als het op stemmen aankomt. De Verenigde Staten hebben 16 procent van de stemmen, waardoor ze in feite vetorecht hebben want beslissingen worden met een meerderheid van 85% genomen. De volgende sterke landen zijn: Frankrijk, Duitsland, Japan en het Verenigd Koninkrijk, allemaal leden van de G7.

“Midden- en lage-inkomenslanden die 85% van de wereldbevolking vertegenwoordigen krijgen maar 40% van de stemmen. Voor elke stem die een gemiddeld persoon in het Noorden heeft, heeft een inwoner van het Zuiden maar een achtste of 0,12 stem.”

U maakt ook geen vrienden bij de ecomodernisten. Zij vallen u graag aan.

Hickel: “Hoe meer ze dat doen, hoe meer ik ze kan betrappen op fouten. Ecomodernisme is niet meer dan magisch denken. Je moet daarvoor alle wetenschapelijke studies opzij kunnen schuiven om toch maar in groei te blijven geloven. En af en toe vinden de ecomodernisten wel ergens één gebied of één parameter die hen gunstig stemt en waardoor ze verder kunnen gaan met hun geloof, maar zo werkt de natuur niet.

“Alles is met alles verbonden. Laten we nog meer voedsel per hectare uit het land halen, zeggen de ecomodernisten. Maar wat moet je daarvoor doen? Het land vol industriële chemicaliën spuiten. Dat hebben we al kwistig gedaan de afgelopen decennia.  Daardoor zijn onze insectenpopulaties aan het krimpen en onze vogelpopulaties drastisch aan het dalen. Daardoor zijn er ook enorme ‘dode zones’ aan onze kusten waar al die chemicaliën naar toe gestroomd zijn.

“Trouwens, hoe rijk is het land nog? Als we zo verder doen, kunnen we nog zestig jaar oogsten, maar dan is het land ‘op’. Dit zijn geen kleine, maar existentiële problemen.”

Hoe wil u het voedselprobleem dan wel oplossen?

Jason Hickel: “Er is een makkelijkere manier om minder land te gebruiken: verspil geen voedsel meer, en verdeel het voedsel eerlijker. We produceren nu al genoeg voor tien miljard mensen maar het grootste deel vloeit naar de rijke landen, waar enorm veel verspild wordt. Door de voedselverspilling met een vierde te verminderen, kunnen we de honger in de wereld oplossen.”

‘Als ecomodernisten echt begaan zijn met de armoede in de ontwikkelende landen, dat ze dan iets doen aan de overconsumptie in rijke landen’

“De ecomodernisten beschuldigen me ook dat ik tegen economische groei ben in de ontwikkelende landen. Dat heb ik nog nooit, ik herhaal, nooit gezegd. De armen zijn echt niet het probleem als het om ecologische rampen gaat, het zijn de rijken. In arme landen verbruiken mensen ongeveer 2 ton materiaal per jaar. Bravo, want de planetaire grens bedraagt ongeveer 7 ton per persoon per jaar. In rijke landen bedraagt het verbruik een duizelingwekkende 28 ton per persoon per jaar.”

“Als de ecomodernisten echt begaan zijn met de armoede in de ontwikkelende landen, dat ze dan iets doen aan de overconsumptie in rijke landen. Arme landen hebben schuld aan 30% van de uitstoot van broeikasgassen en toch moeten ze 82% van de kosten van de klimaatverandering dragen, en vallen 98% van de doden die rechtsreeks met de klimaatverandering verbonden zijn in die landen (400.000 mensen in 2010).”

Kunnen we de armoede niet de wereld uithelpen door alle rijken even gul als Bill Gates te laten zijn?

Jason Hick: “Ik heb veel respect voor mensen die in ngo’s werken, ik heb dat in het verleden zelf gedaan. Velen doen goed werk en verbeteren op een microvlak het leven van mensen. Maar door zo te werken helpen ze mee aan het algemene idee dat er geen structureel probleem is, dat een beetje hulp en advies genoeg is.”

“Als ngo’s zouden lobbyen om de wereldeconomie te veranderen dan snijden ze in het vel van hun grootste donors. Bijvoorbeeld in het vel van Bill Gates. Hoe heeft die zijn fortuin vergaard? Door de strikte wetten op patenten. Nu geeft hij enorm veel geld aan het verbeteren van de gezondheidszorg van de armen, maar waar zouden die écht van kunnen profiteren? Toegang tot alle medicijnen op de wereld. Dat kan niet door dezelfde wetten die de rijkdom van Gates beschermen.”

“Kijk naar de aidscrisis. In een land als Swaziland, waar ik geboren ben, zijn duizenden mensen gestorven omdat ze geen toegang hadden tot generische medicijnen. Die medicijnen geraakten niet in Swaziland door wetten waarvoor Gates gelobbyd heeft.”

Moeten we dus ook niet werken aan de ideeën van de mensheid?

Jason Hickel: “Absoluut, ik heb dat zelf ook moeten doen. Mezelf moeten ‘ont-opvoeden’ en dan weer opvoeden. Ik ben geboren in Swaziland en deed daar mijn ‘liberal arts’. Gaandeweg kwam ik contact met alternatieve manieren om naar economie te kijken, daarom is dat ook mijn domein geworden.”

“We kunnen zoveel leren van ‘indigenous’ wetenschappers zoals Robin Wall Kimmerer die in haar boek ‘Braiding Sweetgrass’, bomen en planten onze oudste leraren noemt. Om volledig ecologisch bewust te leven moeten we de wederzijdse relatie tussen de mens en de natuur herstellen. We moeten ophouden met de natuur als een grondstof te beschouwen.”

Read more...

Paul Verhaeghe: Waarom het goed nieuws is dat we voor grootste probleem in geschiedenis van onze soort staan

13 februari 2020 by Economie 147 Views

Dit item verscheen oorspronkelijk op De Wereld Morgen.

Door Helenka Spanjer

 

Hoe ziet de economie van de toekomst eruit? Maakt het een goed leven voor iedereen mogelijk binnen de grenzen van de planeet? Hoe kunnen we solidair zijn met de toekomstige generaties? Vanuit die vragen organiseerde denktank Oikos 28 januari 'The New Eco-nomics' in de Vooruit om haar 10-jarig jubileum te vieren. Psychoanalyticus Paul Verhaeghe is een van de sprekers die antwoord poogt te geven op deze vragen.

"Ik begin met het goede nieuws. Het goede nieuws is dat we waarschijnlijk voor het grootste probleem staan dat er ooit geweest is in de geschiedenis van onze soort. En waarom is dat goed nieuws? Omdat dit zal betekenen dat we ons opnieuw gaan verenigen. Want het hebben van een gemeenschappelijk probleem is een van de betere manieren om mensen samen te brengen. En dat hebben we vandaag meer dan ooit nodig omdat we ten gevolge van een aantal maatschappelijke ontwikkelingen heel erg individualistisch aan het denken, leven, wonen en werken zijn. Een gemeenschappelijk probleem waar niemand aan ontsnapt, dat zal ons onvermijdelijk terug samenbrengen.

Maar laat ons even kijken naar de minder goede kanten. Wat is het probleem? Wat is een mogelijke oplossing daarvoor? Waarom volgen we die oplossing niet? Ik ken te weinig van economie. Ik heb me er dan noodzakelijkerwijze een beetje op toegelegd. En ik ben vrij snel tot de vaststelling gekomen, daarvoor moet je niet zo intelligent zijn op het vlak van economie, dat het probleem te maken heeft met de verplichting tot groei. En het woordje ‘verplichting’ is hier wel belangrijk.

Paul Verhaeghe.

Foto: Wim Schrever

De eerste keer dat ik mij daar vragen bij gesteld heb, was toen ik een hele terechte opmerking kreeg van mijn toendertijd dichtste medewerkster, mijn secretaresse. Dat is al een hele tijd geleden. Het was in de periode dat onze universiteit het nodig vond om een nieuw public management in te voeren, wat onder meer betekende dat ik mijn medewerkers om de zes maanden moest evalueren. Ze moesten telkens een aantal targets opgeven en die targets moesten ze ook halen en het moest iedere keer meer zijn. Dat werd dan gerangschikt onder het idee van ‘iedereen moet blijven groeien’.

De derde keer zei Els, de medewerkster: ‘Maar ik kan toch niet blíjven groeien!’ En ik vond dat zo’n rake opmerking. Ik dacht: ‘Die heeft natuurlijk gelijk. We kunnen niet blijven groeien.’ Maar de economie kan eigenlijk toch ook niet blijven groeien?

Blijven groeien?

Een aantal jaar geleden, toen ik me met deze onderwerpen begon bezig te houden, kwam die opmerking van Els terug naar boven. En ik dacht: hoe werkt dat eigenlijk? Ik heb heel wat mensen lastig gevallen om mij dat uit te laten leggen. Uiteindelijk denk ik dat ik dat nu een beetje begin te begrijpen.

Het makkelijkste is om te begrijpen waarom wij inderdaad niet kunnen blijven groeien. Daar zijn meerdere redenen voor. We kunnen niet blijven groeien, omdat de grondstoffen eindig zijn. We kunnen niet blijven groeien, omdat we steeds meer afval produceren. We kunnen niet blijven groeien, omdat het eigenlijk voornamelijk inhoudt dat we steeds meer schulden maken, dat is wat het meest groeit. De schulden die we maken om die pseudo groei te doen toenemen. En last but not least, natuurlijk heeft die groei de reusachtige klimaatverandering veroorzaakt waar we nu met z’n allen voor staan.

We moeten echt niet denken dat de mensen die aan het beleid staan dit niet weten. Zij zijn ook niet dom. En dan moeten we ons de vraag stellen: hoe komt het dat wij – want we mogen af en toe wel in eerste persoon meervoud spreken – daar zo moeilijk afstand van kunnen doen? Wel, dat heb ik me laten uitleggen, maar dat is minder makkelijk om te begrijpen.

Het is zo dat onze vorm van economie met handen en voeten gebonden ligt aan die noodzakelijke groei. En dat heeft te maken met wat dan macro-economische structuren genoemd wordt. Zonder groei, daalt de werkgelegenheid. Zonder groei, kunnen we de sociale zekerheden niet betalen en zonder groei kunnen we ook de even noodzakelijke loonstijgingen niet meer bekostigen. Dus je kan geen enkele politicus vandaag de dag ervan overtuigen dat we die groei moeten doen afnemen. Want dan stort heel dit systeem in elkaar.

Systemische verandering

Dat betekent dat je onmiddellijk bij de oplossing komt. Als we dit willen veranderen, dan zal dat nooit lukken door te gaan voor minder groei. Dat werkt niet. Dat betekent dat we simpelweg – het is eenvoudig om te zeggen, maar moeilijk om uit te voeren – naar een systemische verandering moeten. En dat is niet eenvoudig.

Als je de geschiedenis bekijkt … We hebben al een aantal keren markteconomieën gekend in onze geschiedenis van de laatste 2000 jaar. Die kennen een cyclische beweging en eindigen altijd min of meer op dezelfde manier zoals wij nu bezig zijn: in aftakeling, verval en uiteindelijk een sociaal debacle.

Wat er nieuw aan is vandaag, is één, dat het we het veel beter kennen, twee, dat het mondiaal is, en drie, dat we die klimaatverandering hebben, dat probleem dat wereldwijd is. Dat is de eerste keer. En dat betekent dat we misschien met zijn allen in staat zullen zijn om er toch iets aan te veranderen.

Wat is er nodig op het vlak van systemische verandering? Als we gaan kijken naar de economische structuren, dan blijf ik het antwoord schuldig. Ik heb er wel een aantal ideeën over, maar dat is glad ijs om mij op te wagen.

Ik kan wel een aantal ideeën geven waar ik iets meer van af weet. Voor die systemische verandering zouden we in eerste instantie uitdrukkelijk een mentaliteitsverandering nodig hebben. Die ook weer in termen van ‘wij’ uitgedrukt mag worden. Want het is heus niet alleen de ander, het geldt voor ons allemaal. En die mentaliteitsverandering betekent eigenlijk dat we de verandering die de laatste 30 jaar plaatsvonden, moeten veranderen. Want er is iets heel merkwaardigs gebeurd.

Etymologie van economie

Dirk (Holemans, coördinator van denktank Oikos, red.) had het in zijn herinneringen over de etymologie van het woordje economie. Wel als we een beetje dichter in de tijd kijken naar de betekenis van het woordje economisch in het Nederlands, als men zei dat iemand economisch omging met zijn centen of zijn bezit, dan bedoelden we altijd dat diegene er zuinig mee omging.

Vandaag de dag is het exact het omgekeerde. Net zoals bedrijven en landen schulden moeten maken om te groeien, moeten wij ook allemaal zoveel mogelijk verwerven. Zoveel mogelijk bezit, zoveel mogelijk vanalles. Dat idee van die verplichte groei is ook doorgedrongen in ons privéleven.

Nu ga ik even heel ver terug in de tijd: vierde eeuw voor Christus, Aristoteles, Ethica Nicomachea. Hij bespreekt bijna terloops, want dat is voor hem op dat ogenblik niet zo’n belangrijk punt, een gevaar in het wezen van de mens. En dat gevaar, zegt hij, is van het steeds méér willen hebben. Meer willen hebben dan de ander op het vlak van bezit, op het vlak van veiligheid en op het vlak van roem.

En, zegt Aristoteles, als dat in een maatschappij te veel aanwezig is, dan krijg je drie opeenvolgende trappen van onrust. In eerste instantie spanningen, dan krijg je conflict en vervolgens krijg je oorlog. En dus, zegt Aristoteles, moet de overheid dat kenmerk van het steeds meer willen hebben, dat in ons zit, zoveel mogelijk beperken.

Als ik nu kijk naar onze maatschappij, we doen exact het tegenovergestelde en we zijn daar bijzonder goed in geslaagd. Iedereen wil voortdurend meer hebben. Dus dat zullen we op het vlak van mentaliteit heel zeker moeten aanpakken. En die mentaliteitsverandering is, denk ik, eigenlijk al volop bezig. Je ziet dat heel wat mensen inderdaad beginnen te beseffen dat er op een aantal vlakken toch iets moet veranderen.

Gedragsverandering

Dat brengt mij naar het tweede punt. We moeten gaan naar een gedragsverandering. Een mentaliteitsverandering volstaat niet. Die mentaliteit is al bij sommigen veranderd. Maar tussen denken en doen is er vaak nog een brede kloof. Dus hoe gaan we die gedragsverandering installeren?

Wel, ik vrees dat er daar toch een aantal machtsmechanismen aan te pas moeten komen. Ik denk niet dat mensen zomaar van gedrag veranderen. Dat kan op een vriendelijke manier gebeuren. Dat kan met overleg gebeuren. Dat zijn de beste methodes. Het zal af en toe, vrees ik, ook opgelegd moeten worden. Daar houden we niet van. Maar ik denk dat we er niet onderuit kunnen.

Een goed voorbeeld dat we hebben, zien we in de stad Gent. Het circulatieplan. Daar is heel wat om te doen geweest. Uiteindelijk denk ik dat er vandaag een duidelijke meerderheid voor gewonnen is. Terwijl dit aanvankelijk niet zo vanzelfsprekend was.

Daarmee kom ik bij het laatste en belangrijkste punt. Hoe kunnen we zoveel mogelijk mensen meekrijgen? Hoe kunnen we ervoor zorgen dat we een aantal mensen bereiken, die we op dit ogenblik niet bereiken? Want die bewustwording en mentaliteitsverandering moet zo breed mogelijk gedragen worden.

Het probleem wordt hoe langer hoe duidelijker. Nu moeten we ook die oplossingen naar voren schuiven. En helaas wordt het vandaag heel vaak op een verkeerde manier gedaan. Die systemische verandering zal niet alleen vooral op het vlak van economie moeten gebeuren, het zal ook op het vlak van de politieke beleidsvoering moeten gebeuren. Wat we nu zien, en dat is niet alleen bij ons, ook als je op Europees niveau gaat kijken en verder dan Europa, dan zie je dat we steeds meer proteststemmen krijgen. Steeds meer mensen drijven weg naar ultrakanten, hetzij gewoon niet gaan stemmen.

Voel de pijn van de populist

En dan wordt er daar ook vaak door ons op afgegeven. En zegt men: ja, dat is populisme, die mensen zijn niet opgeleid, ze worden misleid en enz. Dat zijn de makkelijke verklaringen. De eigenlijke verklaring is dat ze niet gehoord worden. Dat ze geen erkenning vinden. En dat ze dat al 30 jaar niet krijgen. Het is al ongeveer 30 jaar dat je die proteststemmen ziet stijgen. En dan moeten we niet verwonderd zijn dat we dergelijke reacties krijgen.

Ik zat denk ik ondertussen een jaar geleden in een panel in Nederland op een boekenprogramma, samen met iemand anders die ook een boek gepleegd had, en het boek van die andere man ging over racisme. En die man was zelf ook object van racisme. Hij had een heel respectvol boek geschreven over racisme. Met heel veel respect voor de racisten. En zijn voornaamste boodschap, merkwaardig genoeg, was de volgende: ‘Voel de pijn van de racist.’ Wel, voel de pijn van de populist. En als we dat horen, dan zullen ze hem ook meekrijgen voor het reusachtige probleem waar we nu met z’n allen voor staan".

 

Read more...

Een charter voor de solidariteitseconomie

30 januari 2020 by Economie 145 Views
Jef Peeters

Written by

Solidariteitseconomie, ook gekend als Sociale en Solidaire Economie, is als begrip in Vlaanderen minder gekend dan in Wallonië en Zuid-Europa. Het gaat nochtans om een wereldwijde beweging die alternatieve economische praktijken probeert te bundelen met het oog op een grondige economische transformatie. Jef Peeters schreef er een artikel over in Oikos 92 (2019/4, p. 4-21). Als smaakmaker publiceren we hier een Charter voor de Solidariteitseconomie[1] dat opgesteld werd door de Spaanse tak van de beweging.

 

De Solidariteitseconomie is een visie op economische activiteit waarin mensen, het milieu en duurzame ontwikkeling prioritair zijn.

De Solidariteitseconomie, ook gekend als Sociale en Solidaire Economie of SSE, is onder verschillende vormen een manier van leven die de integriteit van mensen beschermt en de economie onderwerpt aan haar ware bedoeling: op een duurzame manier voorzien in de materiële basis voor de persoonlijke, sociale en ecologische ontwikkeling van de mensheid. 

De Solidariteitseconomie is gebaseerd op individuen en op gemeenschappen die voortkomen uit sociale initiatieven. Materiële voordelen vormen niet de essentiële bouwsteen van haar identiteit. Zij definieert zichzelf eerder door de kwaliteit van het leven en het welzijn van haar leden en van de hele samenleving als een wereldwijd systeem.

Transversale waarden en assen

In de traditie van de Sociale Economie heeft de Solidariteitseconomie als doel waarden die idealiter de maatschappelijke relaties tussen burgers zouden leiden - gelijkheid, rechtvaardigheid, economische broederschap, sociale solidariteit en directe democratie - te integreren in het beheer van haar economische praktijken. Als een nieuwe vorm van productie, consumptie en distributie presenteert ze zich bovendien als een levensvatbaar, duurzaam alternatief voor de bevrediging van individuele en wereldwijde behoeften, met de ambitie zich te consolideren als een instrument van sociale transformatie.

Om onze missie te vervullen, delen organisaties die deelnemen aan de algemene Solidariteitseconomie-beweging en aan REAS, Netwerk van Netwerken[ii]  in het bijzonder, de volgende transversale assen:

  • Autonomie als een principe voor vrijheid en de uitoefening van gezamenlijke verantwoordelijkheid.
  • Zelfbestuur als een proces dat kansen respecteert, aangaat, aanleert en gelijk maakt, alsook empowerment mogelijk maakt.
  • Een bevrijdingscultuur als basis voor creatief, wetenschappelijk en alternatief denken voor het nastreven, onderzoeken en tot stand brengen van nieuwe manieren van samenleven, produceren, genieten, consumeren en organiseren van economie en politiek opnieuw ten dienste van alle mensen.
  • Persoonlijke ontwikkeling in alle menselijke dimensies en capaciteiten: fysieke, psychologische, spirituele, esthetische, artistieke, sensibele, relationele ... in harmonie met de natuur, in plaats van onevenwichtige economische, financiële, militaire, consumentistische, transgene en abnormale groei, ten onrechte bepleit in naam van ongefundeerde ontwikkelingsmodellen.
  • Symbiose met de natuur.
  • Menselijke en economische solidariteit als leidraad voor onze lokale, nationale en internationale betrekkingen

De 6 principes van het Charter voor de Solidariteitseconomie

Op basis van onze stellingnames, doelstellingen en waarden hebben we een Charter van de Principes voor de Solidariteitseconomie opgesteld. Wij beschouwen dit als de ruggengraat en het identificerende kenmerk van de Solidariteitseconomie. Haar principes zijn:

  1. Principe van billijkheid (equity)
  • Wij geloven dat billijkheid een ethisch of rechtvaardigheidsbeginsel van gelijkheid introduceert. Het is een waarde die alle mensen als personen van gelijke waardigheid erkent en hun recht beschermt om niet onderworpen te zijn aan op dominantie gebaseerde relaties, ongeacht hun sociale status, geslacht, leeftijd, etniciteit, afkomst, bekwaamheid, enz.
  • Een eerlijker samenleving is een samenleving waarin alle mensen elkaar als gelijk in rechten en mogelijkheden erkennen en daarbij rekening houden met de verschillen tussen mensen en groepen. Daarom moet ze op billijke wijze voldoen aan de respectieve belangen van allen.
  • Gelijkheid is een essentiële sociale doelstelling gezien haar afwezigheid tot een verlies aan waardigheid leidt. Wanneer ze verbonden wordt met de erkenning en het respect voor verschil, noemen we gelijkheid ‘billijkheid’.
  1. Principe van werk
  • Wij beschouwen werk als een sleutelelement in de kwaliteit van het leven van mensen en gemeenschappen, alsook in de economische relaties tussen burgers, volkeren en staten. Daarom plaatsen we vanuit REAS de opvatting van werk in een bredere sociale en institutionele context van participatie aan de economie en de gemeenschap.
  • Wij bevestigen het belang van het herstel van de menselijke, sociale, politieke, economische en culturele dimensies van werk dat de ontwikkeling van de capaciteiten van mensen mogelijk maakt, en dat goederen en diensten produceert om te voldoen aan onze werkelijke behoeften als individuen en aan die van onze directe omgeving en van de gemeenschap in het algemeen. Daarom is werk voor ons veel meer dan een baan of een broodwinning.
  • We zijn van mening dat deze activiteiten zowel individueel als collectief uitgeoefend kunnen worden, al dan niet betaald (vrijwilligerswerk), en dat de werkende persoon kan worden gecontracteerd of de eindverantwoordelijkheid kan nemen voor de productie van goederen en diensten (freelance / zelfstandige).
  • Binnen deze sociale dimensie moet opgemerkt worden dat zonder het reproductieve of zorgwerk, vooral verricht door vrouwen, onze samenleving zichzelf niet in stand kan houden. Dit zorgwerk wordt door de maatschappij nog onvoldoende erkend en blijft ongelijk verdeeld.
  1. Principe van ecologische duurzaamheid
  • We zijn van mening dat al onze productieve en economische activiteiten in de natuur plaatsvinden. Ons uitgangspunt is om met de natuur te werken, niet ertegen, en tegelijkertijd haar rechten te erkennen.
  • Wij geloven dat een goede relatie met de natuur een bron van economische rijkdom en van een goede gezondheid voor iedereen Daarom moet ecologische duurzaamheid een integraal onderdeel zijn van al onze acties en moeten we onze milieu-impact en ecologische voetafdruk voortdurend evalueren.
  • We streven naar een aanzienlijke vermindering van de ecologische voetafdruk van al onze activiteiten door te evolueren naar duurzame en billijke manieren van produceren en consumeren, waarbij we een ethiek van genoegzaamheid (sufficiëntie) en matigheid bevorderen.
  1. Principe van Coöperatie
  • Wij geven de voorkeur aan samenwerking boven concurrentie zowel binnen als buiten de organisaties van ons netwerk, terwijl we proberen samen te werken met andere openbare en particuliere entiteiten.
  • We willen samen een maatschappelijk model bouwen gebaseerd op lokale, harmonieuze ontwikkeling, eerlijke commerciële relaties, gelijkheid, vertrouwen, medeverantwoordelijkheid, transparantie en respect.
  • Wij stellen dat de Solidariteitseconomie gebaseerd moet zijn op participatieve en democratische idealen en dat zij coöperatief leren en werken tussen mensen en organisaties moet bevorderen via samenwerkingsprocessen, gezamenlijke besluitvorming en eerlijke verdeling van taken en verantwoordelijkheden. Daarbij moeten we een zo maximaal mogelijke horizontaliteit garanderen, met respect voor individuele autonomie zonder afhankelijkheden te genereren.
  • Wij begrijpen dat deze coöperatieve processen zich moeten uitstrekken tot alle lokale, regionale, nationale of internationale niveaus. Ze moeten regelmatig gearticuleerd worden via netwerken die dergelijke waarden naleven en bevorderen.
  1. Principe van Non-profit
  • Het economische model dat we in praktijk brengen en nastreven is gericht op de integrale, collectieve en individuele ontwikkeling van alle mensen, en als een middel voor het efficiënte beheer van economisch levensvatbare, duurzame en integraal winstgevende projecten, waarvan de meerwaarde herbelegd en herverdeeld wordt.
  • Deze non-profit-oriëntatie is nauw verbonden met onze manier om algemene resultaten te meten. Naast economische aspecten houden we rekening met menselijke, sociale, ecologische, culturele en participatieve processen op een manier die voor iedereen voordelig is
  • Dit betekent dat onze activiteiten alle opbrengsten bestemmen voor de verbetering of ontwikkeling van de sociale doelstellingen van onze projecten, evenals voor de ondersteuning van andere initiatieven op het gebied van solidariteit en algemeen belang. Op die manier bouwen we samen een meer humaan, billijk en op solidariteit gebaseerd sociaal model.
  1. Principe van Territoriale Verantwoordelijkheid
  • Ons engagement voor het milieu krijgt gestalte in de deelname aan onze lokale, duurzame en gemeenschapsgerichte ontwikkeling van het leefgebied.
  • Onze organisaties zijn volledig geïntegreerd in de territoriale en sociale context waarin zij hun activiteiten ontwikkelen. Dat vereist actieve deelname aan en samenwerking met andere organisaties die betrokken zijn bij het lokale economische en sociale weefsel.
  • We zien deze samenwerking als een reis waarbij positieve ervaringen van solidariteit een transformatief proces kunnen genereren om structuren van ongelijkheid, overheersing en uitsluiting te overwinnen.
  • Onze toewijding aan de lokale dimensie stuwt ons in de zoektocht naar meer wereldwijd georiënteerde oplossingen, waarbij we voortdurend heen en weer schakelen tussen micro en macro, lokaal en mondiaal.

Nederlandse vertaling: Jef Peeters

 

[1] Dit charter werd eerst in het Spaans gepubliceerd als een oproep tot vereniging van solidariteitseconomische initiatieven in Spanje (https://www.economiasolidaria.org/carta-de-principios). Het werd naar het Engels vertaald door Stacco Troncoso en Ann Marie Utratel (Guerilla Translation) om de principes te delen met een Engelstalig publiek en met SSE-initiatieven wereldwijd  (https://www.guerrillatranslation.org/2019/07/01/a-charter-for-the-social-solidarity-economy/). Onze vertaling is gebaseerd op beide versies. Voor de titel gaan we terug op de Spaanse versie die over ‘Solidariteitseconomie’ spreekt, terwijl de Engelse ‘Social Solidarity Economy’ hanteert. Voor inzicht in de verschillende terminologieën, zie het artikel over solidariteitseconomie van Jef Peeters in Oikos 92, 2019/4, 4-21.

[ii] REAS, Red de Redes de Economía Alternativa y Solidaria is de naam voor de Spaanse koepel van het SSE-netwerk (https://www.reasred.org/).

Read more...

Economie in meervoud. Sociale (en) solidariteitseconomie: eenheid of spreidstand?

27 januari 2020 by Economie 169 Views
Jef Peeters

Written by

In een driedelige reeks in Oikos Tijdschrift worden nieuwe vormen van economisch denken behandeld, en ermee verbonden economische praktijken die zich als alternatief presenteren voor de thans dominante kapitalistische markteconomie. De titel bedoelt hier niet alleen dat het om een veelheid van benaderingen gaat, maar ook dat de erkenning van diversiteit een wezenlijk kenmerk is van een ecologisch wereldbeeld en dus van elk ecologisch denken over economie. Deze bijdrage gaat in op een benadering die zelf een grote variëteit aan ‘alternatieve’ economische praktijken omvat en recent opgang maakte onder de benamingen ‘Solidariteitseconomie’ en ‘Sociale en solidariteitseconomie’. Gaat het om verschillende benaderingen of niet? Waarvoor staan ze? Wat is hun belang vandaag?

We trakteren u hierbij graag op Deel III van Economie in meervoud, verschenen in Oikos 92.

De begrippen ‘Solidariteitseconomie’ en ‘Sociale en solidariteitseconomie’, afgekort SSE, zijn in Vlaanderen minder gekend. Ze slaan zowel op een wereldwijde beweging die eind 20ste eeuw ontstaan is, als ondertussen ook op een beleidsperspectief op het niveau van de Verenigde Naties. We gaan op beide perspectieven in. Maar omwille van de verwarring waartoe de verschillende benamingen aanleiding geven, beginnen we met een historisch gesitueerde toelichting van de begrippen. Daarbij willen we ook peilen naar de relatie met ‘sociale economie’ zoals die tot uiting komt in de ‘en’ van SSE. Als afsluiter kijken we nog naar de commons in het SSE-discours.

Download hieronder het volledige artikel in pdf.

Read more...

Australië brandt, en uw pensioenfonds misschien ook

27 januari 2020 by Economie 390 Views
Dirk Holemans

Written by

'Brandend Australië is geen ver-van-mijn-bedshow. Het stelt de gangbare industriële ontwikkeling in vraag, die sterk verbonden is met Europese bedrijven', schrijft Dirk Holemans van de ecologische denktank Oikos.

Australië duwt ons met de neus op de feiten: de klimaatopwarming is bezig. Dat is even slikken, want wie nam tien jaar geleden de wetenschappelijke prognose ernstig dat we te maken zouden hebben met zulke extreme weersomstandigheden? Ondertussen is er onder onderzoekers consensus dat de toegenomen branden verbonden zijn met de menselijke uitstoot van

Read more...

Maja Göpel, The Great Mindshift: How a New Economic Paradigm and Sustainability Transformations go Hand in Hand.

16 januari 2020 by Economie 399 Views

Boekrecensie naar aanleiding van 10 Jaar Oikos: The New Eco-nomics, op 28 januari in Vooruit. **Maja Göpel wordt wegens ziekte vervangen door Tine Hens. Daardoor zal de avond grotendeels in het Nederlands verlopen (er zijn headsets voor vertaling van NL naar EN). 

“The problem of climate change is crucially about the idea that growth is the answer even if it is not clear what the question actually is.”

Volgens de Duitse politiek-econome Maja Göpel zullen we met het economische dogma van oneindige groei de Sustainable Development Goals (SDGs) nooit halen. Dat schrijft ze in haar boek The Great Mindshift:

Read more...

PODCAST 10 jaar Oikos: Paul Verhaeghe en Dirk Holemans

13 januari 2020 by Economie 243 Views

Beluister hier.

In deze podcast gaan Dirk Holemans en Paul Verhaeghe in gesprek over de economie van de toekomst, hoe die eruit zou kunnen zien en of die een goed leven mogelijk maakt voor iedereen, binnen de grenzen van de planeet.

Podcast naar aanleiding van het feestcongres 10 Jaar Oikos op 28 januari in Vooruit Gent, waar Paul Verhaeghe te gast zal zijn als spreker (naast Jason Hickel, Maja Göpel en Kees Vendrik).

 

Read more...

‘Geen soevereine burger zou ongelimiteerde ongelijkheid toelaten. Parlementen wel’ Interview met Christian Felber

18 december 2019 by Economie 336 Views

Uitvinder van de Economie voor het Gemene Goed Christian Felber was te gast op Ecopolis

Interview door Simon J. Bellens voor Denktank Oikos

Het is een drukke dag voor Christian Felber. ’s Middags buigt hij zich op Ecopolis in een panel over de vraag waarom we vandaag nog moeten studeren. ’s Ochtends staat de ene na de andere ontmoeting gepland. ‘Dat is typisch Brussel’, glimlacht hij, ‘dan zit de hele dag vol afspraken.’ Voortdurend duikt er wel iemand op die aan zijn mouw komt trekken om hem naar de volgende afspraak te brengen. Ergens daartussen hebben we een halfuurtje gevonden om met elkaar te spreken. Terwijl we een rustige plaats zoeken, vertelt hij over het gesprek waaruit ik hem op mijn beurt had gestoord: ‘Dat was een Catalaans politicus. In ballingschap. Het was een emotioneel gesprek. De Catalanen zien zichzelf als een experimentele broeihaard voor lokale burgerdemocratie. Dat krijgt natuurlijk mijn steun.’

Felber — Oostenrijks professor, auteur, activist (danser ook, las ik op Wikipedia) — is een van de boeiendste en meest innoverende stemmen op het gebied van democratische en economische vernieuwing. Zijn redenering lijkt kinderlijk eenvoudig: het economische systeem op basis van winstmaximalisatie en return on investment slaagt er vandaag niet in om maatschappelijk wenselijke resultaten te genereren. Ongelijkheid, klimaatbelasting, directe schade aan het leefmilieu, machtsconcentratie… er zijn teveel zogezegde neveneffecten die de klassieke economische logica niet kan uitbannen. We moeten de economie dus in overeenstemming brengen met het algemene belang. Zo simpel is het. En Felber heeft daarvoor de instrumenten ontwikkeld.

Zijn Economie van het Gemene Goed vervangt een financiële bedrijfsbalans in een Gemene Goed Balans. Op nationaal niveau moet het Bruto Binnenlands Product wijken voor een Gemene Goed Product (GGP). Maar er zijn ook Banken van het Gemene Goed. Wereldwijd scharen honderden bedrijven en verschillende overheden zich achter zijn nieuwe economische logica. Dat, samen met zijn vriendelijke en gevoelige verschijning, maakt hem tot een graag geziene gast op evenementen, lezingen, aan universiteiten, in Ted Talks.

‘Als je die omkering naar het gemene goed ernstig neemt’, zegt Felber, ‘moet je de activiteiten van elk bedrijf en elke investering afwegen aan de impact op het algemene belang, en het succes van de economie aan het Gemene Goed Product. Voor bedrijven wordt de Gemene Goed Balans dan belangrijker dan de financiële balans. Die gaat alleen over het geld, de middelen met andere woorden. Een Gemene Goed Balans gaat over het doel van een onderneming. Er mag nog steeds return on investment zijn, maar dat is secundair. Belangrijker wordt dat investeringen geen schade toebrengen aan het algemeen belang, succes meten we af aan sociale en ecologische maatstaven.’

‘Je zou het GGP kunnen vergelijken met het Bruto Nationaal Geluk in Butan, de beter-levenindex van de OESO of zelfs met de Duurzame Ontwikkelingsdoelen van de Verenigde Naties. Dat zijn allemaal alternatieven voor het BBP als maatstaf van de economie. Ons voorstel is nu dat burgers zelf het Gemene Goed Product samenstellen. Ze mogen beslissen welke maatstaven we daarin opnemen, geen technocraten of experten die zogezegd weten wat goed is voor een land. Mensen moeten zelf kunnen stemmen voor wat ze belangrijk vinden. Ze stellen in ons systeem een aantal doelen op en de twintig meest ondersteunde doelen worden de elementen van het GGP. Vervolgens moet het politieke beleid een verbetering van deze doelen nastreven, geen groei van het BBP.’

 

Postdemocratie

Tijdens lezingen speelt Christian Felber wel eens een spelletje. Hij nodigt een tiental mensen uit op het podium en vraagt hen te beslissen over een maximumloon. Hoeveel keer meer dan het afgesproken minimumloon mogen mensen maximaal verdienen? Tien keer zoveel? Honderd keer? Ongelimiteerd? Iedereen mag een voorstel doen en vervolgens geeft iedereen bij elk voorstel aan hoeveel weerstand ze voelen: één arm in de lucht is een beetje weerstand, twee opgestoken armen betekent groot verzet. Vergelijkbaar zou het er in de burgervergaderingen aan toe gaan, die Felber de Soevereine Burgers noemt en die de grote samenlevingsprincipes vastleggen.

Felber: ‘De Economie voor het Gemene Goed heeft een sterke democratische dimensie. De meest fundamentele beslissingen moeten direct door burgers gemaakt worden, die vormen een leidraad voor alle andere politieke en economische beslissingen. De doelen van de economie bepalen is het allerbelangrijkste. Al de rest volgt daaruit.’

 

Zijn de huidige parlementen daarvoor dan niet geschikt?

‘In principe zouden regeringen en parlementen dat ook kunnen, maar ze doen het niet. Ze blijven vasthouden aan de maat van het BBP. Vandaag zijn er wereldwijd drie regeringen die afwijken van het BBP en meer in de richting kijken van welzijn en levenskwaliteit. IJsland, Denemarken en Nieuw-Zeeland. Drie regeringen geleid door vrouwen.’

Dat is misschien geen toeval. Op het podium van Ecopolis zal hij hier verder op ingaan. ‘Het hart van de economie is wat we moederen noemen’, zegt hij in gesprek met de Britse econome Maeve Cohen, voormalig directeur van het internationale netwerk Rethinking Economics. In oorsprong komt economie van het Griekse oikos (huis) en nomos (wetten of gebruiken), het betekent dus zoveel als huishoudkunde. Felber: ‘Ik heb geen diploma in de economische wetenschappen, maar ik zie mezelf als een econoom van het hart. Economie gaat ten gronde over huishouden, zorgen voor elkaar, moederen en vaderen.’ Waarna hij met Cohen in een pingpong van wist-je-datjes over genderongelijkheid in de economische wetenschappen beland. Felber: ‘Slechts tweemaal werd de Nobelprijs Economie aan een vrouw toebedeeld.’ Cohen: ‘Er is geen enkele zwarte vrouw professor in de economie in het Verenigd Koninkrijk.’ Felber: ‘In Zwitserland zijn 93% van de professoren economie mannen. In Duitsland is dat “slechts” 87%.’

Volgens Felber ziet de klassieke economische wetenschap zichzelf als een natuurwetenschap. ‘Maar er bestaat niet zoiets als economische wetten of een onveranderlijk marktmechanisme. Economie is een sociale wetenschap en moet het dus hebben over marktdesign, in plaats van over een schijnbaar wetmatige markt, als een fysica. Er is geen objectieve, waardevrije wetenschap. Zelfs in de echte natuurwetenschappen stellen ze hun waardekader in vraag. Alleen de economie denkt objectief te zijn. Wij vinden dat je transparant moet zijn over de waarden waarmee je werkt. Meet je succes af aan vrede, duurzaamheid, welzijn… of aan de groei van het BBP?’

‘Regeringen die van die maatstaf afstappen, verwelkomen wij dus, maar in veel landen heerst de postdemocratie. Daarmee bedoel ik dat regeringen en parlementen anders beslissen dan de voorkeuren of wensen van de meerderheid van het volk. Het BBP is daarvan een goed voorbeeld. Uit onderzoek in Duitsland en het Verenigd Koninkrijk blijkt dat een ruime meerderheid van bijna 80% een soortgelijk Gemene Goed Product verkiest boven het BBP. Maar regeringen en parlementen gaan hier niet in mee. Meer nog, ze verantwoorden fundamentele economische en politieke beslissingen met de groei van het BBP. Denk bijvoorbeeld aan CETA (het vrijhandelsakkoord tussen de EU en Canada dat op veel weerstand stuitte in 2016, red.), dat werd verantwoord aan de hand van een kleine groei van het BBP. Mensen willen helemaal niet dat het BBP het hoogste goed is en alles legitimeert.’

 

Soevereine burgers

Felber vindt dat parlementen en regeringen daarom wel een aanvulling kunnen gebruiken. ‘Dat noem ik soevereine democratie’, zegt hij, ‘een alternatief voor postdemocratie. Geen soevereine burgervergadering zou banken toelaten om too big to fail te worden, noch om ze vervolgens met belastinggeld in plaats van met het geld van de bankiers zelf te redden. Geen soeverein zou een kapitaalvlucht naar offshore belastingparadijzen toelaten. Geen soeverein zou ongelimiteerde ongelijkheid toelaten. Parlementen wel. Dat zijn allemaal onderzochte voorbeelden waarbij het parlement tegenovergesteld aan de wens van de meerderheid beslist. Soevereine democratie is een verdere evolutie en uitbreiding van de democratie, het parlement blijft bestaan om over concrete wetten te stemmen. Maar in sommige specifieke gevallen, zoals constitutionele zaken, zou de soevereine democratie tussenkomen.’

 

Nochtans is elk parlementslid een mens zoals u en ik, die ook in een soevereine burgervergadering geloot kan worden. Hoe is die pervertering van de democratie volgens u begonnen?

‘Het is een probleem van machtsconcentratie. Het principe van de scheiding der machten is ontstaan uit het risico op machtsconcentratie en daarom hebben we zowel een parlement als een regering, als een rechterlijke macht. Tegenwoordig is de macht opnieuw geconcentreerd, in de politiek en op de economische markten. Daarom stellen wij ook voor om de grootste bedrijven en banken op te splitsen en de grootste vermogens te herverdelen. Parlementen doen dat niet. Waarom? Omdat ze al middenin die overconcentratie van economische macht zitten. Dat is enkel mogelijk wanneer parlementen te veel macht hebben ten opzichte van de burgers. We hebben dus zowel een betere politieke als economische machtsverdeling nodig. Dat is eigenlijk niets anders dan een verdieping van de scheiding der machten. Ik ken niemand die het met dat principe oneens is. De soevereine democratie is dus enkel een consequente verderzetting van waar we het eigenlijk over eens zijn, de scheiding der machten.’

 

Wordt deze soevereine burgerconventie willekeurig geloot?

‘We moeten een onderscheid maken tussen de conventies of burgervergaderingen die de elementen van het GGP opstellen en het stemrecht over die onderwerpen. Álle mensen kunnen stemmen over de voorstellen, niet enkel de conventie, net zoals bij parlementaire verkiezingen. Voor de burgerconventies zijn er verschillende opties om ze samen te stellen. Er zouden persoonlijke verkiezingen kunnen zijn waarbij iedereen zich verkiesbaar kan stellen of de honderd grootste verenigingen in een stad zouden iemand kunnen afvaardigen. Maar we hebben ontdekt dat de beste manier van samenstelling loting is, weliswaar gewogen voor leeftijd, geslacht en andere factoren zodat het een correcte representatie is van de samenleving. Willekeurige loting garandeert de grootste onafhankelijkheid. Dan is er geen machtsconcentratie mogelijk ten gevolge van politieke partijen of lobbygroepen.’

 

Mutilatie

De hoofddoelen van de economie die de soevereine burgers opstellen, moeten het enge begrip van een economie die enkel is ingesteld op financiële winst bijschaven. ‘De dominantie van het BBP, net als financiële maatstaven zoals return on investment, is zo krachtig omdat het wetenschappelijk meetbaar is’, aldus Felber. ‘Daarom is de school van de neoklassieke theorie mainstream binnen de economische wetenschappen. Zij focussen exclusief op zulke meetbare indicatoren en negeren daarbij al het overige, van menselijke waardigheid tot zingeving tot emoties, natuur, waarden… Dat is een complete mutilatie van ons begrip van de economie, het meest gemutileerde en enge begrip van de economie dat je je kan voorstellen. Maar het voordeel is dat je kan meten wat er op tafel ligt. Nadat weliswaar alles van wezenlijk belang van die tafel is geveegd.’

 

Als ik het goed begrijp, is het Gemene Goed Product een vergelijkbaar meetbare maatstaf om met het BBP te concurreren.

‘Ja, het is kwantificeerbaar en meetbaar, maar niet gemonetariseerd. Het GGP zou bijvoorbeeld uit punten kunnen bestaan, net zoals de Gemene Goed Balans voor bedrijven. Naarmate een bedrijf hoger scoort, kan een overheid dat bedrijf belastingvoordelen bieden of publieke stimuleringsfondsen. Vandaag hebben bedrijven die zelf verantwoordelijkheid opnemen en duurzaam en sociaal willen zijn, hogere kosten dan bedrijven die zich daar niets van aantrekken en die kosten externaliseren. Ze hebben dus een concurrentieel nadeel. Hiervoor hebben we een gekwantificeerde Gemene Goed Balans nodig, met hogere en lagere scores, die we kunnen linken aan reële voordelen van de overheid. (maakt een weegschaal met zijn handen die hij langzaam in evenwicht brengt) Op die manier kunnen ze hun product aan lagere prijzen aanbieden dan maatschappelijk schadelijke bedrijven.’

 

Hoe werkt dat in de praktijk?

‘Wij gaan uit van een aantal fundamentele waarden als democratie en transparantie, duurzaamheid, menselijke waardigheid en solidariteit en beschrijven vervolgens de mogelijke verwezenlijkingen op deze gebieden in stappen. Elke hogere stap levert een hogere score op. Nemen we het voorbeeld van democratie binnen een organisatie: 0 zou volgen uit een hiërarchische structuur zonder openbaarheid van informatie. Een score van 1 wanneer de structuur weliswaar hiërarchisch is, maar de raad van bestuur maakt de beslissingen die ze maakt kenbaar. Een volgende stap is dat de raad voor relevante strategische beslissingen luistert naar de werknemers van het bedrijf. Weer een hogere score krijg je wanneer werknemers mede-beslissingsrecht hebben in strategische beslissingen. Het hoogste cijfer zou bijvoorbeeld betekenen dat werknemers kunnen stemmen over de beslissingen van de raad van bestuur. Dit zijn maar voorbeelden, er hoeven geen vastgelegde stappen te zijn. We houden dit zo flexibel mogelijk, zodat er manoeuvreerruimte is om tot een andere scoreverdeling te komen.’

Vandaag maken al meer dan 500 bedrijven gebruik van een Gemene Goed Balans en dozijnen laten zich ook door de Economie van het Gemene Goed auditen. Een hogere score is er alleen wanneer je meer doet dan wettelijk verplicht. Het Europees Economisch en Sociaal Comité, een orgaan van de Europese Commissie, sprak in 2015 zijn voorkeur uit voor de Economie van het Gemene Goed als model voor een ethische Europese economie.

Om te slagen in een Economie van het Gemene Goed lijkt het mij noodzakelijk dat overheden meewerken om bedrijven met een positieve Gemene Goed Balans reëel en substantieel te ondersteunen.

‘Overheden staan hier absoluut voor open. Voorlopig loopt het proces in de volgende volgorde. Eerst maken private bedrijven een Gemene Goed Balans op, vervolgens merken overheden dit op en beslissen ze om dit te verplichten voor overheidsbedrijven. Dat is bijvoorbeeld gebeurd in Stuttgart en Mannheim en zal nu ook in Amsterdam en Barcelona gebeuren. Een volgende stap is dat ze private bedrijven motiveren en subsidiëren of vergoeden om een ethische balans te maken. Op het lokale niveau zien we dat overheden publieke aankopen en subsidies aanwenden om ethische bedrijven te steunen, die macht ligt in hun handen. Maar ook qua belastingen zijn er al initiatieven. In Portland, Oregon (Verenigde Staten, red.) geeft het stadsbestuur bedrijven met een grote interne loonongelijkheid een extra belasting. Wanneer de CEO honderd keer zoveel verdient als het mediaan inkomen, dan moet het bedrijf 10% extra belasting betalen. Wanneer de CEO 250 keer zoveel verdient, is dat 25%.’

‘De eerste regionale overheid die hiermee experimenteert, is Valencia. Zij bereiden nu een publiek register voor waarin alle bedrijven een ethische balans moeten aangeven. Wij vragen een volledige analogie met de financiële balans, die moet je nu ook volgens de wet publiceren in een publiek register. Wij willen hetzelfde voor een ethische balans. Ik ben al vijfentwintig jaar politiek actief. De ervaring leert dat nationale overheden bij nieuwe initiatieven altijd willen weten: “Zijn er al anderen die dit doen?” Als je dan een paar steden kan opsommen, is er veel bereidheid om erin mee te gaan.’

Dan opent iemand de deur en zegt dat de volgende gasten op hem wachten. Ik vertel Felber dat ik had gelezen dat hij ook danser is. ‘Dat klopt’, glimlacht hij. ‘Het is een zijberoep dat ik nog altijd beoefen. Tijdens mijn lezingen ga ik soms wel eens op mijn hoofd staan om te verbeelden dat de economie op z’n kop staat. (lacht) Maar ik moet blijven dansen. Dat is mijn energiebron.’

Read more...

Wat trekken we aan? Waarom snelle mode ten koste gaat van de aarde

18 december 2019 by Economie 623 Views
Dirk Holemans

Written by

De verleidelijke modewereld kent een paar onplezierige geheimen. De textielindustrie is bijvoorbeeld een van de grootste vervuilers ter wereld. Enorme hoeveelheden goedkope kleren worden geproduceerd tegen hoge milieu- en ethische kosten en dat met een snelheid die in nog geen vijftien jaar is verdubbeld. Het productiemodel, dat uitgaat van ‘take, make, dispose’ (exploiteren, vervaardigen, afdanken) is rijp voor een grote systematische verandering, maar zijn we in 2049 klaar voor een circulaire textieleconomie? Dit artikel verscheen in het nieuwste nummer van het Oikos-tijdschrift. Neem hier voor slechts 20 € een abonnement op het tijdschrift en lees meer of vraag hier een gratis proefnummer aan. 


Anna K. van zestien is een typische Europese modeconsument. Zoals veel tieners doet ze niets liever dan haar garderobe regelmatig uitbreiden met hippe streetwear en gloednieuwe accessoires. Als middelbare scholier met een smalle beurs geeft ze de voorkeur aan goedkope merken en gaat ze zich in de winteropruiming te buiten aan koopjes, trakteert ze zichzelf op impulsaankopen die ze misschien maar een keer draagt. 

Natuurlijk, Anna ziet er hip uit in haar T-shirt met glitters, strakke jeans en gladiatorsandalen met dikke zolen. Maar aan dat hippe uiterlijk zit een prijskaartje dat de aarde zich niet langer kan veroorloven.


Om haar dorstige katoenen T-shirt maar eens te noemen, waaraan bijna drieduizend liter water is verspild voordat het ook maar een wasmachine vanbinnen zag. Naar schatting verbruikt de textielindustrie per jaar zo’n 79 miljard kubieke meter water door irrigatie en industriële productie: daar kun je in een jaar 110 miljoen mensen van te drinken geven.[1]


Anna’s T-shirt laat ook nog een giftig spoor achter. Ruwweg drie procent van alle landbouwgrond die de wereld rijk is, wordt beplant met katoen, terwijl de verbouw van katoen zestien procent van het gebruik van insecticiden en zeven procent van alle onkruidverdelgers voor zijn rekening neemt. [2]

Biologische katoen — hoewel die ook veel water verbruikt — is een duurzamer alternatief, maar op dit moment beslaat het maar een procent van de jaarlijkse katoenopbrengst.

Het is niet al goud wat blinkt

De metallieke print op Anna’s T-shirt valt om twee redenen op: hij geeft haar uiterlijk iets opzichtigs, maar bovendien duidt hij op de aanwezigheid van giftig naftaleen. Ook de indigo-kleurstof is een giftige cocktail. De felle kleuren en aantrekkelijke patronen op tal van kleren kunnen alleen worden verkregen met zware metalen zoals koper, arseen en lood, te zamen met gevaarlijke chemicaliën als nonylfenolethoxylaten (NPE’s).


De textielindustrie behoort tot de grootste vervuilers van drinkwater ter wereld, waarbij het verven en de bewerking van textiel twintig procent van alle industriële watervervuiling voor zijn rekening neemt. [3] Ondanks initiatieven zoals de Detox-campagne van Greenpeace niet lang geleden, waarbij druk wordt uitgeoefend op de textielreuzen om over te gaan op nuluitstoot van gevaarlijke chemicaliën, gaat de toepassing van toxische bestanddelen bij gebrek aan wereldwijde strenge regels gewoon door.


Dat brengt ons bij het ‘Made in Bangladesh’-merkje op Anna’s goedkope strakke jeans. Veel textielbedrijven hebben hun productie verplaatst naar fabrieken in ontwikkelingslanden, waar men het niet zo nauw neemt met milieuregels. Gevaarlijke chemicaliën worden vaak onbehandeld in open water geloosd, waar ze het grondwater besmetten met onafbreekbare en kankerverwekkende milieuverontreinigende stoffen die de hormoonhuishouding kunnen verstoren.


Behalve dat ze het op milieugebied niet zo nauw nemen, zijn lagelonenlanden berucht om het schenden van het arbeidsrecht. Naar schatting vervaardigen er ieder jaar veertig miljoen mensen 1,5 miljard kledingstukken in 250.000 fabrieken en modeateliers, waar talloze arbeiders fundamentele rechten, een eerlijk loon en fatsoenlijke arbeidsomstandigheden worden ontzegd. Onveilige werkomstandigheden zijn wijdverbreid in de bedrijfstak, in weerwil van bekende incidenten als de Rana Plaza-ramp in Dhaka, Bangladesh, waarbij meer dan duizend werknemers om het leven kwamen toen het gebouw instortte. En hoewel een ‘Made in Europe’-merkje misschien wijst op betere arbeidsomstandigheden, worden veel textielarbeiders in Oost- en Zuidoost-Europa eveneens geconfronteerd met armoede, gevaarlijke arbeidsomstandigheden en vormen van uitbuiting, zoals verplicht overwerken. [4]

Daar textielfabrieken zich doorgaans op grote afstand bevinden van de welvarende consumentenmarkten, reist veel kleding over enorme afstanden op olieslurpende, CO2-uitstotende schepen, vliegtuigen en vrachtwagens. Anna’s strakke jeans zijn de halve wereld over geweest, van Bangladesh naar Finland, zo’n 6000 kilometer verderop, toch zijn de kosten verbonden aan deze reis belachelijk laag — ruwweg 20 cent. Veel kleding wordt in één land ontworpen, en in een ander geweven, genaaid en afgewerkt, om dan ten slotte naar de winkel te worden getransporteerd, een vies spoor van transportemissies achterlatend. En aan het einde van de reis wordt een kledingstuk dat duizenden kilometers heeft afgelegd misschien niet eens verkocht, maar wordt het uiteindelijk versnipperd of verbrand als onverkoopbare kledingafval. 

Zeeën van vuile was

Anna’s strakke spijkerbroek levert nog een ander probleem op: hij is gemaakt van polyester, een aardolieproduct. Synthetische stoffen zoals polyester moeten vaker worden gewassen dan natuurlijke vezels — je kunt stankverspreidende bacteriën niet blijer maken dan met een bezweet polyester kledingstuk. Maar wanneer polyester in de wasmachine wordt gewassen, heeft dat een ander ernstig mondiaal probleem tot gevolg: de vervuiling door plastic van de oceanen.


Polyester, nylon en acrylstoffen bevatten allemaal plastic. Elke keer dat ze worden gewassen komen er bestanddelen in het milieu: bij elke wasbeurt naar schatting honderdduizenden vezels. Die vezels gaan door het rioolwater heen en vervolgens door waterzuiveringsinstallaties, worden geloosd in open water en komen uiteindelijk in zeeën en oceanen terecht, waar zeedieren ze binnenkrijgen, waardoor ze in de voedselketen belanden. Microscopisch kleine deeltjes van Anna’s uit aardolie vervaardigde jeans komen bij je volgende vismaaltijd op jouw bord terecht als ‘geheim ingrediënt’.


Ten slotte doen die hippe sandalen Anna’s enkels wel mooi uitkomen, maar ze laten een bedenkelijke voetafdruk na. Gemiddeld levert de productie van een schoen veertien kilo CO2 op. [5] Met vijftien miljard schoenen elk jaar draagt de schoenindustrie substantieel bij aan een van de grootste uitdagingen waarvoor de mensheid zich gesteld ziet: klimaatverandering.

De textielindustrie stoot broeikasgassen uit in de orde van grootte van 1,2 miljard ton op jaarbasis — hoger dan de uitstoot van het internationale vliegverkeer en transport over zee samen.


Erger nog, de lijm en looimiddelen die worden gebruikt in de schoenindustrie bevatten gevaarlijke chemicaliën zoals chloorfenol, tribroomfenol en chroom-6. Afgedragen schoenen worden vaker afgedankt dan ingezet voor hergebruik, eindigen meestal op vuilnisbelten, waar ze de grond en het water vervuilen.


En de bergen afdankertjes groeien jaar na jaar maar door. Als Anna haar goedkope T-shirt vijf keer heeft gewassen, heeft het zijn pasvorm en kleur verloren. Ze heeft het al in de vuilnisbak gegooid en gaat al weer op jacht naar nieuwe koopjes: 75 procent van de kleding gaat tegen afbraakprijzen over de toonbank. Omdat consumenten minder tijd en meer geld tot hun beschikking hebben dan vroegere generaties, is het goedkoper en gemakkelijker om iets nieuws te kopen dan om een kapot kledingstuk te laten repareren. 

Weeffoutje: minder betekent meer

Voor minder dan veertig euro stak Anna zich in het nieuw, maar als je kijkt naar de ethiek- en milieuaspecten, dan was het prijskaartje oneindig veel hoger. Maar hoe schuldig zijn Anna en de miljoenen andere consumenten als zij aan deze vervuiling en verspilling?


'Het grootste obstakel naar een duurzame mode is het heersende verdienmodel dat uitgaat van snelle mode. Textielbedrijven kennen maar een manier om winst te maken: alles draait om snelheid, de productie van enorme hoeveelheden kleren tegen lage kosten, en ze dan ook nog zo goedkoop mogelijk te verkopen. Dat werkt een wegwerpcultuur in de hand,' zegt Kirsi Niinimäki, een hoogleraar die onderzoek doet naar de textielindustrie en de Textiles Futures-onderzoeksgroep aan Aalto Universiteit in Helsinki leidt.


Het op exploitatie, vervaardiging en afdanken gebaseerde verdienmodel leidt tot vergaande verspilling, want meer mensen kopen meer kleren en gooien ze ook vaker weg. 'De markt raakt verzadigd.

Naar schatting wordt 30 procent van alle kleding zelfs niet eens verkocht.

Om meer te verkopen, overtuigen winkeliers de consument ervan dat de kleren die ze hebben niet langer in de mode zijn,' legt Niinimäki uit. 'Het is tijd voor een strategische verandering van het hele systeem. We moeten het proces vertragen en de manier waarop kleding wordt geproduceerd, verkocht en gebruikt creatief omvormen. De textielindustrie van de toekomst moet gebaseerd zijn op de uitgangspunten van de circulaire economie,’ verklaart ze nadrukkelijk.


De circulaire economie is een nieuw economisch model dat zich nieuwe manieren ten doel stelt om producten duurzaam te ontwerpen en zodoende minder afval voort te brengen, met minder vervuiling, en het energiegebruik tot een minimum te beperken. In plaats van na gebruik tot afval te worden gereduceerd, worden producten hergebruikt en gerecycled om ze maximaal te benutten, waarna ze veilig terugkeren in de biosfeer.

Grote textielmerken experimenteren al met circulaire innovaties. Zo gebruikt Adidas plastic afval uit de oceanen om er hoogwaardige sportschoenen van te maken, terwijl Speedo zwemkleding maakt uit overgebleven stoffen en productieafval. Op dit moment is de voornaamste uitdaging niet de productietechnologie, maar de psychologie —

het schijnt gemakkelijker te zijn om met plastic afval een schoen te maken dan de houding van de consument te veranderen.


Als expert in de circulaire economie gelooft Niinimäki dat consumenten heropgevoed moeten worden om circulaire ‘slow fashion’-alternatieven te omarmen.

'De meeste consumenten weten niet eens wat ze kopen en hoe het wordt gemaakt. Als ik mensen vertel dat tweederde van wat ze dragen uit aardolie bestaat, dan schrikken ze steevast,' onthult ze.

'In de jaren vijftig van de vorige eeuw werd dertig procent van het gezinsinkomen besteed aan kleding. Nu is dat minder dan tien procent, toch is de hoeveelheid kleding per persoon met twintig procent gegroeid. Kleding is gewoon veel te goedkoop. Het wordt tijd dat we die houding dat kleding goedkoop hoort te zijn met wortel en tak uitroeien — we kunnen het ons veroorloven om in betere kwaliteit te investeren.'

Er is groeiende belangstelling voor de overgang naar een circulaire textielproductie, maar de hoeveelheid gerecyclede textiel blijft niettemin laag. Professor Niinimäki gelooft dat regelgeving, belastingheffing en financiële sancties de snelste manieren zijn om iets te veranderen.

'Er zijn tal van goede wetten in de Europese Unie, maar zelfs de beste wetten zijn zinloos als ze niet worden toegepast en gehandhaafd in de landen waar de textiel feitelijk wordt geproduceerd. We hebben behoefte aan strenge regelgeving die wereldwijd in acht wordt genomen. De maatschappelijke impact en de impact van kleding op het milieu moeten systematisch worden gemeten,' zegt ze stellig.

De Europese Unie stelt restricties aan een groot aantal chemicaliën die in textiel wordt toegepast die in Europa wordt verkocht. De meeste van die beperkingen zijn opgenomen in de REACH regelgeving van de EU, en in de REACH Appendix XVII staan inmiddels verboden gevaarlijke stoffen die zijn aangemerkt als carcinogeen, mutageen of toxisch voor de voortplanting. 

De Europese Commissie werkt nu aan een verplichte bronvermelding op textiellabels. Nu is de informatie over waar kleding wordt gemaakt niet bindend. Er is ook geen EU-brede wetgeving over het gebruik van symbolen in het wasvoorschrift en andere voorzorgen rond textielproducten.

Een andere welkome maatregel zou een CO2-heffing zijn om energiezuinigheid bij de fabricage te stimuleren en om het hergebruik van polyester te propageren, omdat het een veel lagere CO2-voetafdruk heeft dan nieuw geproduceerd polyester. Voorlopig is gerecycled polyester nog vrijwel onbetaalbaar.

'Er zijn tal van uitdagingen op weg naar een meer circulaire economie. Er is niet een enkele beleidsmaatregel die al die uitdagingen in een keer kan oplossen,' zegt Professor Riina Antikainen, directeur van het Programma voor een Duurzame Circulaire Economie van het Finse Instituut voor Milieuvraagstukken (SYKE).

Naast regelgeving vindt Antikainen dat er monetaire instrumenten moeten komen zoals publieke investeringen om meer circulaire verdienmodellen kracht bij te zetten. 'Het vraagstuk rondom textiel moet vanuit holistisch standpunt tegemoet worden getreden, rekening houdend met de levenslange invloed op het milieu en de maatschappij en er moet tevens een breed actieplan komen, gericht op het nemen van maatregelen.'

Ruggengraat: dan weer iets ouds, dan weer iets nieuws

Als de toekomst van de mode een circulaire is, waar gaan we dan precies naartoe? Het is 2049, Anna K. is 46 and ze heeft een dochter van zestien, Maria. Wegens de ongebreidelde opwarming van de aarde is de temperatuur met meer dan twee graden Celsius toegenomen en steeds grotere gebieden zijn ten prooi gevallen aan ernstige droogte. Het meeste overgebleven bebouwbare land wordt gebruikt voor de verbouw van voedsel en er zijn strenge regels om de sterk slinkende watervoorraden te beschermen tegen verdere vervuiling. Het einde aan ‘fast fashion’ is een breed aanvaarde realiteit.

Maria’s kleren leiden niet meer tot méér afval. De meeste kleren wordt vervaardigd uit duurzame grondstoffen zoals hout, planten of algen. Sommige worden geproduceerd uit gerecyclede industriële zijstromen en chemisch of mechanisch gerecyclede materialen. Traditionele materialen zoals hennep, brandnetels en linnen zijn helemaal terug, wat weer heeft geleid tot een heropleving van meer plaatselijke productie. In het kielzog van plaatselijk verbouwde gewassen is lokaal geproduceerde textiel in 2049 een levendige trend. Modeconsumenten staan erop te weten waar de kleren die ze kopen precies vandaan komen. Veel van Maria’s vrienden en vriendinnen volgen een ‘no-polyester dieet’.

Tegenwoordig draagt ze broeken vervaardigd uit duurzame, plaatselijk verbouwde brandnetel, die het in noordelijke gebieden goed doet, zonder dat er pesticiden hoeven te worden toegepast. Tal van kleinschalige hennepkwekerijen in Europa oogsten hun hennep zelf, spinnen het, maken er kledingontwerpen voor en produceren de kleren ter plaatse. Deze micro-labels produceren kleine hoeveelheden duurzame, op kwaliteit-gerichte mode in samenwerking met lokale ontwerpers.

Omdat giftige chemicaliën in de textielproductie wereldwijd zijn verboden, zijn de aardse kleuren in Maria’s kleding afkomstig van plantaardige verfstoffen en houtextracten.

Als liefhebber van vintagemode komt Maria aan luxe kleren door een kledingdeelsyteem en kan ze kleding huren bij verhuurbedrijven vergelijkbaar met Uber en Airbnb. De deeleconomie biedt de modefanaat gemak en nut, omdat het goedkoper is om dure kleren te huren dan ze zelf te kopen. ‘Gebruik zonder eigendom zonder’ is het credo van de textielconsument van 2049.

Maria’s vintage kasjmiertrui komt van een Marktplaats. De levensduur van zelfreinigend materiaal van hoge kwaliteit als kasjmier kan door zorgvuldig onderhoud met vele jaren worden verlengd. Maria betaalt per maand een vast bedrag in ruil waarvoor ze een vast aantal kledingstukken kan laten repareren om de levensduur van de modeschatten waar ze zo van geniet te verlengen.

Maria’s garderobe is deels afkomstig uit zijstromen uit de landbouw en de industrie, waardoor afval als waardevolle bron weer terugkeert in de circulaire economie. Omdat ze in Finland woont, moet ze duurzame, water- en winddichte bovenkleding aan. Haar winterjas is gemaakt van gerecycled nylon, vervaardigd uit afgedankte visnetten. De buitenzolen van haar diervrije lerenschoenen zijn gemaakt van gerecyclede autobanden. In 2049 wordt zuiver rubber niet langer gebruikt in schoenen, evenmin als autobanden nog op de vuilnishoop belanden.

Haar ondergoed is gemaakt van nieuwe uit hout gewonnen stoffen, vergelijkbaar met lyocell, een volledig biologisch afbreekbare vorm van rayon, vervaardigd uit houtpulp. Lyocell-vezel kan geproduceerd worden in een gesloten kringloop, met ingrediënten als gerecyclede katoenresten, wat een zijdeachtige, milieuvriendelijk alternatief biedt voor synthetische vezels.

Circulair: het nieuwe zwart

De mode-industrie van de toekomst leidt niet tot afval, maar gebruikt alleen gerecycleerde grondstoffen, het afval van de ene tak van nijverheid is een waardevolle schat voor de andere. Alle materialen verkeren voortdurend in staat van hergebruik.

Maria’s toekomstige garderobe heeft misschien iets utopisch, maar dit wensbeeld is geen fantasie en ook niet onrealistisch. 'We zien nu al spannende innovaties in de technologie rond de productie van textiel. Er worden geheel nieuwe materialen ontwikkeld uit afval en zijstromen. Sommige worden geproduceerd met behulp van microben of schimmels of met behulp van biotechnologie,' beschrijft professor Pirjo Kääriäinen, expert in duurzame vezelinnovatie aan de Aalto Universiteit.

'Er zijn veelbelovende vernieuwers in de mode-industrie die interessant werk verrichten met gerecycleerd materiaal en enzymtechnologie om het gebruik van onontgonnen hulpbronnen tot een minimum te beperken,' voegt Kääriäinen eraan toe. Als voorbeeld noemt ze Modern Meadow, een startup in New Jersey, die in het laboratorium een vervanger heeft ontwikkeld voor diervrij leer, Zoa™, het eerste op biologische wijze gefabriceerde materiaal gebaseerd op collageen.

'Een andere pionier is Pure Waste, een Fins bedrijf dat veel geld heeft gestoken in geavanceerde mechanische systemen om volledig hernieuwbare stoffen en garens te fabriceren,' zegt ze.

Ze noemt ook de inspanningen van Patagonia, een Amerikaans outdoor-kledingmerk dat in 1993 overging op de fabricage van polyester uit plastic limonadeflessen. Patagonia heeft onlangs een nieuwe stof op de markt gebracht, een mengsel van hergebruikte katoen en hergebruikt polyester, en directeur Rick Ridgeway heeft erop gezinspeeld dat een katoenen T-shirt in de toekomst wel eens CO2 uit de atmosfeer zou kunnen halen.

'Maar om die innovaties op doelmatige manier bruikbaar te maken, hebben we meer en slagvaardiger samenwerking nodig in de textielketen. Als er bijvoorbeeld een kip wordt geslacht voor menselijke consumptie, dan worden de veren geplukt en afgedankt. Die kunnen goed gebruikt worden in de textielindustrie,' vindt Kääriäinen.

Ze gelooft dat een volledig circulaire, duurzame textielindustrie haalbaar is, en geen luchtkasteel: 'We kunnen misschien niet eens anders! Als grondstoffen maar schaars genoeg worden, dan hebben we beschikbare grond nodig voor de verbouw van voedsel. Ik geloof dat de oplossing ligt in de terugkeer naar kleinschalige lokale teelt van gewassen zoals brandnetels, in samenhang met innovaties in het recycleren en in de biotechnologie – een combinatie van eeuwenoude tradities en eenentwintigste-eeuwse wetenschap,' voorspelt ze.

Professor Niinimäki is het ermee eens: '

Tegenwoordig verbruiken we vier keer meer textiel dan in de jaren zeventig van de vorige eeuw.

Vijftig jaar geleden, waren we zuiniger op onze kleren. Ik geloof dat de verandering nu weer de andere kant op kan gaan. Het gaat er gewoon om dat we de ontwikkelingen omkeren.'

Niinimäki ziet de uitdagingen van de textielindustrie niet slechts als bedreiging maar ook als een krachtige prikkel tot innovatie. 'Er ligt een enorme kans om gebruik te maken van een enorm arsenaal aan waardecreatie. De mode van de toekomst zal er niet goedkoper op worden, integendeel, maar we kunnen er gewoon niet omheen dat we meer zullen moeten overhebben voor de kleren die we willen dragen. Misschien dat we dan ook redenen hebben om er zuiniger mee om te gaan.'

Wil je graag meer lezen? Neem dan hier voor slechts 20 € een abonnement op het tijdschrift en lees meer of vraag hier een gratis proefnummer aan. 

Dit artikel verscheen in het Engels als 'What to Wear? Why Fast Fashion Is Costing the Earth' in Green European Journal 2049. Special Edition 2019.

Bio

Silja Kudel is een freelance journaliste uit Sydney, nu wonend in Helsinki, die regelmatig bijdragen levert voor diverse culturele en economische publicaties.

Noten 

[1] Global Fashion Agenda and The Boston Consulting Group (2017). Pulse of the Fashion Industry Report. Beschikbaar op <bit.ly/2GhsD8w>.

[2] Ibid.

[3] Ellen MacArthur Foundation (2017). A new textiles economy: Redesigning fashion’s future. Beschikbaar op <bit.ly/2S37q9t>.

[4] Clean Clothes Campaign. Made in Europe: the ugly truth. Beschikbaar op <http://bit.ly/2HHso95>.

[5] Jennifer Chu (2013). Footwear’s (carbon) footprint. MIT News. Beschikbaar op <http://bit.ly/2WwxzfA>.

Read more...
Pagina 1 van 2
Don't have an account yet? Register Now!

Sign in to your account