Denktank voor Sociaal-Ecologische Verandering

Commons

Commons (7)

Public-Civil-Partnerships for a Better City

27 mei 2019 by Commons 267 Views
Dirk Holemans

Written by

Imagine: an urban politician wants to impose that some streets become car-free during summer. Even if reasons are good – better air quality, kids get room to play – the result is quite predictable. The residents of the streets would revolt, for different reasons. Some would feel ignored as citizen, others would stand on their right to drive their car to their door, etc. The result: the politician has to withdraw the proposal, disappointed by these negative reactions. So, the gap widens between politics and people. But what happens if an independent network of collaborating citizens, business and organisations, supported by the city government, develops the positive narrative of a Living Street as the sustainable place where inhabitants always have dreamed of?

After the international congress 'Alltagsökonomie about systemic innovation for new urban public design spaces' issued the institute for Multi-Level Governance and Development of the university of Vienna a repport. One chapter deals about public-civil-paternerships and can be downloaded for free below.

Public-Civil-Partnerships for a Better City

Read more...

Wanneer burgers samen het heft in handen nemen: Burgercollectieven opgericht in 2015 en 2016 van naderbij bekeken

15 november 2018 by Commons 886 Views
Administrator

Written by

Om antwoorden te zoeken op actuele maatschappelijke uitdagingen nemen burgers steeds vaker het heft in handen en dit onder meer in de vorm van burgercollectieven die zelf goederen of diensten produceren, meestal vanuit een streven naar een duurzamer alternatief. Met steun van de Koning Boudewijnstichting en in het kader van haar Observatorium van Verenigingen en Stichtingen verrichte Oikos denktank het eerste onderzoek naar deze collectieven in heel het land: wie trekt ze, hoe belangrijk zijn ze en hoe positioneren ze zich tussen andere maatschappelijke spelers zoals klassieke middenveldactoren, overheden en bedrijven? Met een deskstudie, een enquête en diepte-interviews bracht Oikos burgercollectieven opgericht in 2015 en 2016 in kaart.

Download het volledige rapport via de link onderaan deze pagina
Cliquez ici pour la version française du rapport.


Stijgend aantal oprichtingen
In 2015 en 2016 zagen in België 249 burgercollectieven het licht, gespreid over heel het land (kaart beschikbaar). 127 onder hen beantwoordden de enquête en 106 (48 uit Vlaanderen, 36 uit Wallonië en 22 uit Brussel) ingevulde vragenlijsten werden opgenomen in de analyse (21 respondenten bleken niet te voldoen aan de definitie of werden niet in de bestudeerde periode opgericht). Van die 106 zijn de meeste actief in domeinen zoals voeding, landbouw, energie, sociale inclusie en deeleconomie; ruim de helft oordeelt dat zijn activiteit het label ‘milieu en duurzaamheid’ kan dragen (grafiek beschikbaar).

Voor de Franstalige burgercollectieven is dit het eerste omvattende onderzoek. Langs Nederlandstalige kant beschikt Oikos daarentegen over historische cijfers vanaf 2004 (grafiek beschikbaar), die aangeven dat 2009 een kantelpunt was en dat het aantal oprichtingen sindsdien sterk groeit. Het verloop suggereert dat de groei nog niet stagneert. 


Wat is een burgercollectief?
Niet alle activiteiten die burgers gezamenlijk organiseren, zijn burgercollectieven. Een buurtbarbecue of een tijdelijke actiegroep tegen bomenkap bijvoorbeeld is dat niet. Wat dan wel? Enkele elementen zijn noodzakelijk om van een burgercollectief te kunnen spreken:

  • lokale behoefte invullen, met doel van structureel resultaat op de lange termijn;
  • de leden nemen de productie/uitvoering van de goederen of diensten zelf in handen (al kan soms een beroep worden gedaan op betaalde (diensten-)leveranciers);
  • burgers zijn de initiatiefnemers enbepalen wie tot de groep behoort, en wie de hulpbronnen,goederen of diensten mag gebruiken of beheren;
  • de leden hebben inspraak in de vorm, de organisatie en de lijnen voor de toekomst;

Enkele voorbeelden: energie- of huisvestingscoöperaties, voedselteams, transitiegroepen met sociale kruidenier, coöperatieve spullenbib, of community supported agriculture waarbij consumenten zich nauw verbinden met een boer en zich engageren tot afname van de productie, of zelfs deelname aan de oogst. 


Trekkers: hoogopgeleide werkende dertigers en veertigers
Burgercollectieven zijn in grote mate het werk van 25- tot 45-jarigen, en de echte trekkers zijn veelal 36 tot 45 jaar (grafiek beschikbaar).Jongeren en senioren zijn nauwelijks vertegenwoordigd. Evenwicht is er wel in de deelname van vrouwen en mannen, en alleenstaanden, samenwonenden en gehuwden komen in vrij gelijke mate voor (grafiek beschikbaar).

Bij de trekkers in burgercollectieven zijn hooggeschoolden sterk oververtegenwoordigd: 86,3% heeft minstens een bachelordiploma (grafiek beschikbaar - tegenover 45,6% van de bevolking tussen 30 en 34 jaar volgens de cijfers van Statbel). De meeste trekkers (84,8%) combineren hun engagement met een baan (van wie vier op de tien halftijds). 

53,7% van de respondenten is politiek geëngageerd. De helft van de respondenten (48,6%) schat in dat de politieke voorkeur van de trekkers van hun burgercollectief zich links op het politieke spectrum bevindt (grafiek beschikbaar).


Relatie met overheid en bedrijfsleven: een gezonde afstand
De meeste burgercollectieven (58%) zijn zelfvoorzienend. 78% kwam tot stand zonder inspraak van de overheid. Maar een goede relatie met de overheid vinden ze wel belangrijk (80%). Ongeveer 1 op 3 overlegt met het gemeentebestuur over de activiteiten en diensten die ze aanbieden. De relatie met de (lokale) overheid loopt niet altijd van een leien dakje: sommigen zijn tevreden (“de stad maakte onze werking mee mogelijk”), andere minder (“wij kregen vooral tegenwind”).

Volgens een minderheid (16,8%) van de burgercollectieven zien bedrijven hen als concurrenten. Zelf vinden ze hun eigen rol ten opzichte van het bedrijfsleven aanvullend (in Wallonië), meewerkend (in Brussel), of vernieuwend (in de drie gewesten). (grafiek beschikbaar).


Weinig inclusief
De sectoren waarin ze actief zijn, tonen dat burgercollectieven vaak streven naar een meer duurzame samenleving. Ze inspireren daarmee andere actoren uit bedrijfsleven, overheid en middenveld. Mede door hun drang naar nabijheid en kleinschaligheid in hun aanpak, nemen ze als alternatief voor productie en/of consumptie vooralsnog echter een bescheiden rol op naast die dominante(re) actoren.

Willen burgercollectieven echt streven naar een duurzame en inclusieve samenleving, dan moet er nagedacht worden over manieren om ook minder kansrijke burgers te betrekken bij deze burgerbeweging.

Read more...

Aanmoediging van individuele onafhankelijkheid en gezonde commons

10 mei 2017 by Commons 976 Views

In zijn manifest geeft Mark Zuckerberg zijn visie over het creëren van een gecentraliseerde wereldwijde kolonie, geregeerd door de oligarchen van Silicon Valley. Ik zeg dat we precies het tegenovergestelde moeten doen en een wereld moeten creëren met individuele soevereiniteit en gezonde commons; een maatschappij waarin de omgeving die iedereen toebehoort ook daadwerkelijk publiek is en wordt gedeeld door en met iedereen.

Mark Zuckerberg heeft een manifest uitgebracht met de titel Building Global Community (het bouwen van een wereldwijde gemeenschap) waarin hij in detail beschrijft hoe hij – een van de top acht miljardairs in de wereld – én zijn byzantijns Amerikaans/multinationale bedrijf Facebook Inc., alle wereldproblemen gaan oplossen.

In zijn grootse visie voor de mensheid keert Mark steeds terug naar hoe Facebook ons fundamenteel “dichter bij elkaar brengt” door “vrienden en families te verbinden”. Wat Mark vergeet te vertellen is dat Facebook geen mensen met elkaar verbindt, maar dat Facebook mensen met Facebook Inc. verbindt.

Het businessmodel van Facebook is tussenpersoon zijn, om alles te volgen wat jij, je familie en je vrienden doen, om al die informatie voorgoed op te slaan en te analyseren om jou beter te begrijpen en je zodoende uit te buiten door je te manipuleren voor financiel en politiek gewin.

Facebook is geen sociaal netwerk, het is een scanner die mensen digitaliseert. Het is, in alle opzichten, de camera die je ziel vastlegt. Facebooks zaak is het om jou te simuleren, om jouw simulatie te bezitten en controleren en als dusdanig jou te bezitten en controleren.

Ik noem het businessmodel van Facebook, Google en de resem door risicokapitaal gefinancierde Silicon Valley startups “mensenteelt”. Facebook is een veefabriek voor mensen. En Marks manifest is niets meer dan een kinderachtige poging van een panikerende miljardair om een onverkwikkelijk business model te verbloemen. Een model dat is gebaseerd op het misbruik van mensenrechten met de misplaatste morele drijfveer om te ontsnappen aan regulering en om een schaamteloos koloniaal verlangen te rechtvaardigen, nl. een globaal leengoed creëren door ons allemaal aan Facebook Inc. te verbinden.

Het vermijden van een wereldwijde kolonie

Mark’s manifest gaat niet over het bouwen van een wereldwijde gemeenschap. Het gaat over het bouwen van een wereldwijde kolonie – met Mark zelf als koning en met zijn bedrijf en de Silicon Valley oligarchie als de hofhouding.

Het is niet de taak van een bedrijf om “een sociale infrastructuur voor de gemeenschap te ontwikkelen”, zoals Mark wil doen. Sociale infrastructuur behoort toe aan de commons, niet aan gigantische monopolistische bedrijven als Facebook. De reden waarom we vandaag in dit zootje zitten van alomtegenwoordige surveillance, filterbubbels en fake news (propaganda), is net te wijten aan de absolute en totale vernietiging van de publieke sfeer door een oligopolie van private infrastructuur dat zich voordoet als publieke ruimte.

Facebook wil dat wij denken dat het een park is, terwijl het in werkelijkheid een winkelcentrum is. Het laatste wat we nodig hebben is meer geprivatiseerde, gecentraliseerde digitale infrastructuur om de problemen op te lossen die werden gecreëerd door een nooit geziene concentratie van macht, rijkdom en controle in een klein aantal handen. Het is de hoogste tijd dat we starten met de financiering en oprichting van de digitale equivalenten van parken in het digitale tijdperk, in plaats van steeds grotere winkelcentra.

Anderen hebben al gedetailleerde kritieken geschreven over Marks manifest. Ik ga hun pogingen hier niet herhalen. In plaats daarvan wil ik focussen op hoe we een wereld kunnen bouwen die in schril contrast staat met die in Marks visie. Een wereld waarin wij – als individuen – en niet bedrijven, eigendomsrecht en controle hebben over onszelf. Met andere woorden: waar we individuele soevereiniteit hebben.

Waar Mark je vraagt hem te vertrouwen om een welwillende koning te zijn, zeg ik ‘laten we een wereld bouwen zonder koningen’. Waar Marks visie wortelt in kolonialisme en de bestendiging van gecentraliseerde macht en controle, is de mijne gebaseerd op individuele soevereiniteit en een gezonde, gedeelde commons.

Individuele Soevereiniteit en het Cyborg-Ik

We kunnen ons niet langer de luxe permitteren om de aard van het Ik in het digitale tijdperk niet te begrijpen. Het voortbestaan van onze vrijheid en democratie hangt er vanaf.

We zijn (nu al een tijdje) cyborgs.

Daarmee wil ik niet het stereotiepe beeld schetsen van cyborgs zoals je ze in sciencefiction ziet, waar technologie in het menselijk weefsel wordt geïmplanteerd. Ik bied daarentegen een meer algemene definitie waarin de term slaat op eender welke uitbreiding van onze geest en ons biologische Ik met behulp van technologie. Hoewel technologische implantaten zeker haalbaar, mogelijk en aantoonbaar zijn, is de belangrijkste wijze waarmee wij vandaag onszelf met technologie uitbreiden niet via implantaten, maar via explantaten.

We zijn gefragmenteerde wezens; de som van alle verschillende aspecten zoals in ons biologische Ik vervat, alsook de waaier aan technologieën die we gebruiken om onze biologische competenties uit te breiden.

Eens we dit begrijpen, kunnen we maar beter de bescherming van het Ik uitbreiden voorbij onze biologische grenzen, tot die technologieën waarmee we onszelf uitbreiden. Zodoende kan elke poging door derden om deze technologieën te bezitten, controleren en verhandelen beschouwd worden als een poging om de grondwettelijke elementen van mensen te bezitten, controleren en verhandelen.

Onnodig te zeggen dat we ons met man en macht moeten verzetten tegen elke poging om mensen te reduceren tot eigendom. Immers, als we dat niet doen, stemmen we stilzwijgend in met een nieuwe slavernij: een waarin we geen handel drijven in de biologische aspecten van mensen, maar in hun digitale aspecten. Deze twee bestaan uiteraard niet los van elkaar en zijn nooit echt van elkaar te scheiden wanneer manipulatie van het ene onvermijdelijk het andere beïnvloedt. 

Voorbij surveillance-kapitalisme

Zodra we begrijpen dat onze relatie tot technologie niet een is van meester/bediende, maar van cyborg/orgaan; zodra we begrijpen dat we ons Ik met technologie uitbreiden en dat onze technologie en data binnen de grenzen van het Ik liggen, dan moeten we erop staan dat de grondwettelijke bescherming van het Ik die werd vastgelegd in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en geïmplementeerd in onze waaier van nationale wetten, wordt uitgebreid tot de bescherming van de cyborg-Ik.

Hieruit volgt dan ook dat iedere poging om de grenzen van het Ik te betreden, moet beschouwd worden als een aanval op het cyborg-Ik. Het is precies dit misbruik dat vandaag de basis vormt van het alledaagse business model van Facebook, Google en op Silicon Valley geïnspireerde mainstream-technologie. In dit model, dat door Shoshana Zuboff wordt benoemd als surveillance kapitalisme, hebben we onze individuele soevereiniteit verloren. Mensen zijn opnieuw lijfeigendom geworden, weliswaar in digitale en niet in biologische vorm.

Om dit tegen te gaan, moeten we nieuwe infrastructuren bouwen waarmee mensen hun individuele soevereiniteit kunnen terugwinnen. De aspecten van de infrastructuur die de wereld om ons heen aangaan, moeten toebehoren aan de commons, en die aspecten die mensen aangaan – die de organen van onze cyborg-ik vormen – moeten beheerd en gecontroleerd worden door individuen.

Smart city architectuur bijvoorbeeld, hoort dus bij de commons, en data over de wereld om ons heen (“data over landschappen”) hoort toe aan de commons, terwijl je smart car, smart phone, smart watch, smart teddybeer etc. en de data die deze verzamelen (“data over mensen”) eigendom moeten zijn van jou.

Een internet van mensen

Stel je eens een wereld voor waarin iedereen zijn eigen plek heeft op het internet, gefinancierd vanuit de commons. Dit is een privéruimte (een orgaan van de cyborg-ik) waarnaar al onze zogenaamde smart devices (eveneens organen) linken.

In plaats van deze ruimte als een persoonlijke cloud te zien, moeten we het beschouwen als een speciaal, permanent knooppunt binnen een peer-to-peer structuur waarin al onze verschillende apparaten (organen) met elkaar in verbinding staan. Vanuit pragmatisch oogpunt wordt dit permanente knooppunt gebruikt om de vindbaarheid (oorspronkelijk door het gebruik van domeinnamen) en beschikbaarheid (zoals in hosting/altijd aan) te garanderen naarmate we overgaan van de client/server-architectuur van het huidige net naar de peer-to-peer architectuur van de volgende generatie Internet.

De infrastructuur die we bouwen, moet worden gefinancierd vanuit de commons, toebehoren aan de commons en interoperabel zijn. De diensten zelf moeten worden gebouwd en gehost door een overvloed aan individuele organisaties – niet overheden of grote bedrijven – die werken met interoperabele protocollen en met elkaar wedijveren om de best mogelijke service te leveren aan de mensen die ze bedienen. 

Het enige doel van grote bedrijven zou moeten zijn om te wedijveren met andere organisaties om de beste diensten te leveren aan de mensen die ze bedienen. Dit staat in schril contrast met de ruime opdracht die grote bedrijven  tegenwoordig hebben om mensen (die zij “gebruikers” noemen) onder valse voorwendsels (gratis diensten waarbinnen zijzelf het verkoopbare product zijn geworden) aan te trekken, alleen maar om ze verslaafd te maken, ze in de val te lokken en in te sluiten met gepatenteerde technologie, ze te bewerken, hun gedrag te manipuleren en ze uit te buiten voor financieel en politiek gewin.

In de corporatocratie van vandaag bedienen wij – individuen – de bedrijven. In de democratie van morgen moeten bedrijven ons bedienen.

De serviceproviders moeten natuurlijk vrij zijn om de mogelijkheden van het systeem uit te breiden zolang ze hun verbeteringen terug delen in de commons (“share alike”) en zo insluiting voorkomen. Voor het leveren van diensten buiten die spildiensten die gefinancierd worden door de commons, mogen individuele organisaties tarieven bepalen en kosten aanrekenen voor diensten met toegevoegde waarde. Op deze manier kunnen we een gezonde, competitieve economie bouwen boven op een ethisch verantwoorde basis in plaats van het huidige systeem van monopolies bovenop een ethisch rotte basis. En we kunnen dat doen zonder het hele systeem te verwikkelen in gecompliceerde overheidsbureaucratie die experimenten, competitie en de organische gedecentraliseerde evolutie van het systeem verstikt.

Interoperabiliteit, vrije (zoals in vrijheid) technologie met “share alike”-licenties, een peer-to-peer architectuur (in tegenstelling tot client/server) en een door commons gefinancierde spil vormen de fundamentele bescherming om te voorkomen dat dit nieuwe systeem vervalt in een nieuwe versie van het monopolistische surveillance internet dat we vandaag kennen. Ze helpen ons schaalvergroting te vermijden en de vicieuze cirkel te doorbreken tussen de accumulatie van informatie en rijkdom die aan de basis ligt van surveillance-kapitalisme.

Ter verduidelijking, we spreken niet over een systeem dat kan floreren onder de dictatuur van het recente surveillance-kapitalisme. Het is een systeem dat kan worden gebouwd onder de huidige omstandigheden om als een brug te fungeren van het status quo naar een duurzame, post-kapitalistische wereld.

De wereld bouwen waarin je wilt leven

In een lezing die ik onlangs op een evenement van de Europese Commissie in Rome gaf, vertelde ik het publiek dat we “een wereld moeten bouwen waarin we willen leven.” Dat betekent voor mij niet een wereld die beheerd en gecontroleerd wordt door een handvol oligarchen uit Silicon Valley. Het is een wereld met een gezonde commons waarin we – als gemeenschap – collectief  die aspecten van ons bestaan bezitten en beheren die aan ons allen toebehoren en waar we – als individuen – individueel die aspecten van ons bestaan bezitten en beheren die tot onszelf behoren.

Stel je een wereld voor waarin jij (en degenen van wie je houdt) democratische macht hebt, waar we allemaal een basiswelvaart, basisrechten en –vrijheden genieten in overeenstemming met cyborg-waardigheid. Stel je een duurzame wereld voor, vrij van de destructieve, korte termijn hebzucht van het kapitalisme, waarin we sociopaten niet meer belonen voor steeds meedogenlozere en destructievere manieren om aan winstaccumulatie te doen ten koste van alle anderen. Stel je een vrije wereld voor, bevrijd van de vicieuze cirkel van geproduceerde angst en ongebreidelde surveillance die ons meezuigt in een maalstroom van fascisme. Stel je een wereld voor waarin we onszelf de barmhartigheid gunnen van een intellectueel lonend bestaan, waar we vrij zijn om het potentieel van onze soort te onderzoeken onder de sterren.

Dat is de wereld waar ik elke dag voor opsta en wil naartoe werken. Niet uit liefdadigheid, niet omdat ik een filantroop ben. Eerlijk gezegd alleen maar omdat dat de wereld is waarin ik wil leven.

 

Over de auteur

Aral Balkan is een activist, designer en ontwikkelaar. Hij is 1/3 van Ind.ie, een kleine sociale onderneming die ijvert voor sociale rechtvaardigheid in het digitale tijdperk.

Bron

https://ar.al/notes/encouraging-individual-sovereignty-and-a-healthy-commons/ 
Deze tekst is gepubliceerd onder de Creative Commons Attribution-ShareAlike 4.0 International License
Nederlandse vertaling door Helma de Boer.

 

Read more...

Ideeënstrijd centraal in 'Dit is morgen'

14 november 2016 by Commons 1368 Views

Het is een oud zeer ter linkerzijde. Ergens in de laatste drie decennia hebben we het vermogen verloren om te dromen. Thomas Decreus en Christophe Callewaert bewijzen echter in ‘Dit is morgen’ dat het anders kan. De auteurs schuiven bewust geen utopie naar voor, maar willen wel de geest prikkelen met pistes voor een meer sociale en democratische samenleving. Met veel bravoure zijn ze daar ook in geslaagd. In dit vlot leesbare boek passeren zowat alle hele hangijzers de revue: eigendom, betaalde arbeid, migratie, herverdeling en politieke macht.  De invalshoeken zijn altijd gewaagd en vaak vernieuwend, al blijft de lezer ook met vragen achter. Vormen al die ideeën ook een samenhangend geheel? En wordt er niet te vlug afgestapt van de verdiensten van onze welvaartstaat? Kortom, het boek is slechts het startsein van een ontluikend debat.

Leve het commonisme!

Eén van de grootste verdiensten is het reanimeren van een aloud idee: collectief eigendom. Sinds de val van de Muur is dat in veel kringen min of meer taboe. Spreek echter niet langer over ‘nationalisering’ van de productiemiddelen, maar over ‘commonisering’. Het woord ‘commons’ is daarbij afgeleid van de gemeenschappelijke landbouwgronden die in de Middeleeuwen bestonden. In een 21e eeuwse context denken de auteurs vooral aan ‘open access’, vrije software en vernieuwende stadsinitiatieven. De productie en consumptie wordt letterlijk collectief gedeeld. Eén belangrijk element blijft echter onderbelicht: ongelijkheid. Afhankelijk van de sociale context kunnen ‘commons’ zowel uitsluitend als herverdelend werken. Om het met een boutade te zeggen: wat baat vrije software online voor iemand die geen internettoegang kan betalen?

Kortere werkweek met basisinkomen

Ook de rol van betaald werk moet volgens de auteurs volledig worden herdacht. Onze sociale zekerheid is nu volledig gebaseerd op formele arbeid: het ontleent je sociale rechten en bij afwezigheid ervan krijgt je een uitkering. De auteurs gooien het over een andere boeg. Echte vrijheid implicieet immers minder arbeid ‘omdat het moet’. Vandaar een pleidooi voor een kortere werkweek met basisinkomen. De combinatie is enigszins verrassend, aangezien ze vaak worden voorgesteld als alternatieve strategieën om hetzelfde doel te bereiken. De kortere werkweek eerder vanuit de collectivistische traditie en het basisinkomen vanuit de liberale invalshoek. Hoe die twee moeten samengaan, verduidelijken de auteurs niet. 

Open grenzen

Het meest gewaagde pleidooi vinden we echter in het hoofdstuk ‘grenzen’. Zonder verpinken pleiten de auteurs voor open arbeidsmigratie. Eén na één worden hardnekkige clichés ontkracht. Open grenzen leiden niet tot minder beschikbare jobs en vrije migratie is misschien wel de meest effectieve vorm van ontwikkelingssamenwerking. Toch overtuigt dit hoofdstuk mij het minst. De auteurs erkennen dat de voordelen van open grenzen en vrije migratie niet gelijk zijn voor alle sociale groepen, maar lijken daar niet echt rekening mee te houden. Moet arbeidsklasse niet beschermd worden tegen de goedkope arbeidskrachten die naar ons land komen? Kortom, moeten de voordelen van die open grenzen niet beter worden verdeeld? 

Boycot de belastingparadijzen

De auteurs sluiten af met een vrij klassiek pleidooi voor herverdeling. Meer gelijkheid is immers broodnodig en uiteindelijk goed voor iedereen in onze samenleving. De auteurs hameren daarom op meer progressieve belastingen, een maximuminkomen en het opvoeren van de strijd tegen de belastingparadijzen. Succesvol doorprikken ze de mythe van de machteloze staat. Aldus deze mantra zou kapitaal in globaliseerde tijden te ‘vluchtig’ zijn. Indien nodig kunnen we ‘simpelweg’ de geldstromen naar de belastingsparadijzen droogleggen. Al deze landen – ook Zwitserland en Luxemburg – zijn immers sterk afhankelijk van buitenlands kapitaal en handel en kunnen – mits de nodige politieke wil – op de knieën worden gedwongen.  

Du passé faisons table rase

‘Dit is morgen’ leidt ongetwijfeld tot verhitte discussies met vrienden en familie. Voor zowat alle maatschappelijke thema’s worden vernieuwende en prikkelende ideeën naar voor geschoven. Dat is echter ook de achilleshiel van het boek. Soms wordt er iets te vlug afgestapt van de ‘oude vormen en gedachten’. Al te gemakkelijk wordt er gepleit voor een ‘post-welvaartstaat’ en daardoor blijf je met vragen achter. Waarom geen sterkere sociale zekerheid in plaats van een basisinkomen? En wanneer en hoe zijn de ‘commons’ beter dan publiek eigendom?  Kortom, zoals Decreus en Callewaert het zelf verwoorden: dit boek is slechts het startpunt van een broodnodig debat en duidelijk geen eindpunt. Wordt ongetwijfeld vervolgd.

 

Olivier Pintelon is politicoloog en expert sociaal beleid. Sinds 2010 is hij actief bij sociaal-progressieve denktank Poliargus.

 

 

Read more...

Van straatactivisme naar digitaal coöporatisme

25 augustus 2016 by Commons 2897 Views
Dirk Holemans

Written by

Het leek het ei van Columbus in onze wereld van overconsumptie: spullen delen. Met het gekende voorbeeld van de boormachine - die gebruiken we maar enkele minuten per jaar- leek de duurzame weg open te liggen. Als we spullen delen, blijven ze binnen bereik maar hebben we er minder van nodig. Uiteraard is het idee zo oud als de straat - wie zijn buren kent, wisselt spullen uit - maar met de digitale technologie valt het nu vlot en goedkoop te organiseren voor een grotere groep mensen. Ook logeren bij mensen die een kamer op overschot hebben leek een schot in de roos. Je leert mensen kennen, het is goedkoper en de eigenaar verdient er een centje bij. Als we dat allemaal efficiënt organiseren op nieuwe digitale platformen, zou de wereld er een stuk beter uitzien.

 

Ondertussen zijn we een klein decennium later en een illusie armer. Het mooie idee is gekaapt door de winstzucht van Silicon Valley ondernemers. De digitale netwerken die het nieuwe kostbare weefsel vormen - je Facebook is ondertussen je leven - blijken enkel opgezet om geld op te brengen voor hun eigenaars. Bedrijven als Airbnb en Uber hebben de deeleconomie herleid tot een nieuwe variant van agressief kapitalisme. Door alle kosten en risico's af te wentelen op de gebruikers en dienstverleners blijft de meeste winst bij de venture capitalists.

Denk aan de Uber chauffeur die zonder werkzekerheid rondrijdt in zijn eigen wagen, of Airnb die geen enkel hotel bezit, laat staan dat ze aan de brandweerregels voor hotels moeten voldoen. Van participatie door gebruikers of dienstverleners is geen sprake: alles gebeurt op basis van een geheim algoritme dat enkel het bedrijf kent. Je zou deze bedrijven kunnen omschrijven als neokoloniale bedrijven die aan digitale mijnbouw doen. Terwijl de gebruikers waarde creëren, onttrekken de bedrijven de meeste waarde uit de activiteiten. Onderdeel dus van de extractieve economie. Hoeveel werd jij al betaald voor al je werk op Twitter?

 

Deze bedrijven zijn niet uit op een plaatsje onder de economische zon. Ze hanteren een winners-takes-it-all scenario waarbij ze door supersnel te groeien een monopolie willen verwerven over een bepaalde dienstverlening zoals een taxiservice in een stad. Daarbij schuwen ze de ruwe aanpak niet: hopen geld inzetten om burgemeesters die Uber en consoorten wil reguleren belachelijk te maken, het sociaal contract dat werkers beschermt benoemen ze als belachelijk ouderwets.

We kunnen deze evoluties aanklagen en hopen dat de overheid initiatief neemt door nieuwe regelgeving en beleid. Dat laatste moet er zeker komen, maar dan vooral om digitale burgerinitiatieven te ondersteunen. Want wat houdt er ons tegen om de kracht van internet te gebruiken om zelf eigen alternatieven te ontwikkelen?

Van straatactivisme naar digitaal corporatisme

In feite niets, en dat beseffen meer en meer burgers wereldwijd. Ze bouwen eigen digitale platformen. De Amerikaanse professor Trebor Scholz omschrijft deze evolutie als platform cooperativism. Noem het de evolutie van straatactivisme naar digitaal coöperatisme. Elke tijd krijgt er een nieuwe actievorm bij. Zoals arbeiders in de 19de eeuw coöperaties oprichtten om macht te verwerven in de productiesamenleving, zo kunnen burgers in de 21ste eeuw digitale platformen bouwen om dienstverlening en communicatie in de kennissamenleving in eigen handen te nemen.

Een coöperatief platform is een digitaal platform (website of app) dat een bepaalde dienst levert of product verkoopt en gemeenschappelijk beheerd wordt door de mensen die er gebruik van maken of erin participeren. In plaats van deel uit te maken van de extractieve economie (de waarde er uitzuigen) gaat het hier om de innovatieve evolutie naar een generatieve economie die meerwaarde oplevert voor de gebruikers en de lokale gemeenschap. Coöperatieve platformen kenmerken zich door democratisch beheer, ze kunnen winst maken maar dat is geen doel op zich.

Denk aan Airbnb, een ongelooflijk succesverhaal ... voor een kleine groep mensen. Uiteraard de verhuurders, maar in de eerste plaats de aandeelhouders. Wie betaalt de prijs? De bewoners van de steden in kwestie. Dat is ondertussen goed gedocumenteerd. In steden als San Francisco en Amsterdam zijn duizenden appartementen niet langer beschikbaar op de woonmarkt, ze zijn nu onderdeel van het toeristisch circuit. De prijs om iets te huren als bewoner is meer dan verdubbeld, een huis kopen wordt onbetaalbaar. Rustige woonbuurten evolueren naar tijdelijke plekken voor feestneuzen van over de heel de wereld. Willen stedelijke overheden dit in goede banen leiden, dan weigeren bedrijven als Airbnb de gegevens te leveren over mensen die illegaal verhuren.

Monopolies vervangen door burgerinitiatieven

Het goede nieuws is, zoals gezegd, dat burgers zich de technologische mogelijkheden meer en meer toe eigenen. Zo kennen we effecten van Airbnb niet door de transparantie van het bedrijf zelf, integendeel. Smart citizens mappen op Insideairbnb.com de gegevens over wat via Airbnb op de markt komt. Zo is er een overzichtelijk kaartje van Antwerpen dat leert dat er 750 aanbiedingen zijn, waarvan tweederde volledige appartementen of woningen. Dat betekent bijna 500 woningen die van de woonmarkt zijn verdwenen. Evenveel gezinnen vinden geen plek in hun geliefde stad.

Nog beter is natuurlijk een eigen alternatief opstarten. Over heel de wereld, van Toronto tot Amsterdam, zijn bewoners bezig met de opstart van Fairbnb. Want uiteraard zijn bezoekers welkom in de stad als dat de leefbaarheid niet bedreigt en de meerwaarde in de stad houdt. Laat ons een korte rekensom maken: op basis van Insideairbnb blijkt dat de verblijfplekken (vaak met verschillende kamers, dus het getal is een onderschatting) in Antwerpen 105 dagen per jaar verhuurd worden aan 78 euro per nacht. Dan komen we uit op een omzet van meer dan 6 miljoen euro.

Daar strijken de jongens uit Silicon Valley achter hun pc 10 procent van op, dus boven de 600.000 euro. Met dat bedrag kan er een mooie coöperatieve verhuurservice opgericht worden, waarbij bewoners zelf de regels bepalen, lokale jobs creëren en de stad verduurzamen. Het monopolie van Airbnb kunnen we zo vervangen door duizenden stedelijke burgerplatformen, die uiteraard allemaal met elkaar verbonden zijn. Dat is de kracht van de technologie, als we die emancipatorisch inzetten.

 

Platform coöperatisme is een wereldwijde beweging in de richting van gemeenschappelijk eigenaarschap van digitale diensten. Staat Fairbnb nog in de kinderschoenen, dan staan de initiatieven op vlak van autodelen al een stuk verder. Zo is Modo, de digitale burgercoöperatie voor autodelen in Vancouver een groot succes. Het heeft ondertussen 17.000 leden die gebruik maken van een vloot van meer dan 500 auto's. Gebruikers zijn aandeelhouders van de coöperatie, ze nemen mee de beslissingen in het bedrijf (met één stem per aandeelhouder). Recent startte in Gent Partago, een digitaal coöperatief autodeelplatform dat 100 procent gaat voor elektrische wagens.

We kunnen dus 'Ja' zeggen tegen de technologische revolutie en ze omarmen. Maar nog beter is ze te veroveren en ze ons eigen te maken.

Read more...

Bristol Pound - onze stad, ons geld

23 mei 2016 by Commons 4562 Views
Laura Bodyn #Tafel5

Written by

Wat is een goed middel om lokale economieën een boost te geven en tegelijkertijd ook sociaal kwetsbare mensen bij een buurtwerking te betrekken? Complementaire munten, die los staan van het internationale geldsysteem, worden de laatste jaren steeds vaker ingezet voor verschillende economische en sociale doelen. In dit artikel nemen we een kijkje bij een heel efficiënt werkende complementaire munteenheid, de Bristol Pound uit het Verenigd Koninkrijk.

Ontstaan

De Bristol Pound ontstond na de economische crisis van 2008, en werd voor het eerst in gebruik genomen in 2012. Onafhankelijke handelszaken hadden moeite om het hoofd boven water te houden, en zochten naar een manier om beter te kunnen overleven en om elkaar hierin te steunen. De oprichters van de Bristol Pound vroegen aan lokale handelszaken en hun klanten hoe zij de invulling van een lokale munt zagen. Het kostte tijd om mensen te overtuigen dat de alternatieve munt perfect betrouwbaar is, maar meer en meer mensen maken er gebruik van, en de lokale handelaars voelen duidelijk een positief verschil. De Bristol Pound werd gecreëerd omdat de locals de eigenheid en bloeiende lokale economie van Bristol in leven wilden houden en deze een extra boost geven. Ze wilden ook een eerlijkere en groenere economie. Het gebruik van een complementaire munt combineert deze doelen.

Hoe werkt het?

De Bristol Pound is de eerste complementaire munt in het Verenigd Koninkrijk die in een hele stad – en regio – gebruikt kan worden. Het is ook de eerste die elektronische accounts aanbood, waardoor ze heel gemakkelijk te gebruiken is. Deze elektronische accounts worden beheerd door een gereguleerde financiële institutie, de Bristol Credit Union. Het is ook de eerste lokale munt die gebruikt kan worden door de bevolking om een deel van de lokale belastingen te betalen. Leden die een Bristol Pound account hebben kunnen hun council tax (een soort gemeentebelasting op wonen) online betalen in Bristol Pounds. Medewerkers die op de loonlijst van de gemeenteraad staan kunnen ervoor kiezen om hun loon gedeeltelijk in Bristol Pounds te laten uitbetalen. Het loon van de burgemeester wordt zelfs helemaal in Bristol Pounds uitbetaald!

Bristol Pounds kunnen gebruikt worden bij elke deelnemende handelszaak. Je kan betalen met Bristol Pound briefjes, via je Bristol Pound account met je mobiele telefoon of via het internet. Meer en meer mensen in Bristol maken er gebruik van, de lokale munt is er een groot succes.

Bristol Pound CIC, het bedrijf dat de Bristol Pounds produceert, werd opgericht met het oog op specifieke sociale doelen en de gemeenschap controleert de aandelen van het bedrijf. Het bestuur gebeurt gelijkaardig als bij een aandeelhouderscoöperatie, dit wil zeggen dat accounthouders een vinger in de pap te brokken hebben in verband met de ontwikkeling van het bedrijf en in wie in het bestuur zetelt. 

Om een Bristol Pound account te openen word je lid van de Bristol Credit Union. Daarvoor moet je wonen, werken, studeren of vrijwilligerswerk doen in de voormalige provincie Avon, de regio rond Bristol. Verder heb je ook een geldige bankrekening nodig. Maar geen nood, ook als je niet in Bristol woont kan je gewone ponden ruilen voor Bristol Pounds, op deze manier kunnen ook toeristen deelnemen.

Waarom een lokale munt gebruiken?

Er zijn tal van goede redenen om de Bristol Pound te gebruiken wanneer je gaat winkelen in Bristol. Een lokale munt gebruiken is één van de meest effectieve manieren om een lokale economie te steunen. Door de lokale munt te gebruiken steun je Bristol’s bloeiende sector van karaktervolle, lokale en onafhankelijke handelszaken. Op deze manier kan de stad zijn unieke sfeer behouden. Wanneer je als consument in Bristol Pound betaalt, stimuleer je handelszaken om deze opbrengst opnieuw lokaal te investeren – en geef je dus geen steun aan mutinationals. Op deze manier creëert iedereen samen meer welvaart voor de lokale gemeenschap, omdat er geen geld verloren gaat in complexe globale financiële systemen. De Bristol Pound blijft in Bristol en creëert op deze manier een sterkere gemeenschap en een groenere economie. Denk maar aan de Panama papers en banken die investeren in fossiele brandstoffen, met de Bristol Pound kan men geen belastingfraude plegen of oliebedrijven financieren! Complementaire munten zoals de Bristol Pound zouden een antwoord kunnen bieden op verschillende problemen van ons huidige financiële systeem. De Bristol Pound hecht van nature meer waarde aan de gemeenschap en het milieu dan aan winst. Het is een systeem dat niet op winst gebaseerd is, en bestuurd wordt in samenwerking met de Bristol Credit Union. De Bristol Credit Union biedt financiële diensten aan alle mensen in de gemeenschap, onafhankelijk van hun inkomen. Het is dus geld dat gebruikers zelf controleren, en geen geld dat hen beheerst.

Verder is het gebruik van de Bristol Pound volgens de ontwikkelaars ook een ideale manier om charmante lokale winkeltjes te ontdekken en is het een goede ijsbreker voor een gesprek met andere mensen die de lokale munt gebruiken. Je kan je Bristol Pounds op tal van verschillende plekken uitgeven: bij de groenteboer, in cafés, op restaurant, en ook op bepaalde lokale festivals waar je er lokaal voedsel mee kan kopen. De papieren Bristol Pounds zijn heel mooi versierd, met prachtige tekeningen van lokale kunstenaars die de gemeenschap, het milieu en innovatie reflecteren.

De stichters van de Bristol Pound hebben maar één droom: dat het de normaalste zaak van de wereld wordt voor alle inwoners van Bristol om hun lokale inkopen te betalen met Bristol Pound, zo zal de munt zijn maximale nut bereiken.

Kan het nog beter?

De Bristol Pound kan enkel gekocht worden met regulier geld. Mensen die deze munt willen gebruiken moeten dus sowieso over geld, en een geldige bankrekening beschikken. Om het nut van deze lokale munt nog breder te maken zou kunnen nagedacht worden op welke manieren de munt nog ter beschikking kan gesteld worden. Door Bristol Pounds aan te bieden in ruil voor werk en activiteiten die nuttig zijn voor de gemeenschap, het milieu,… zouden ook de kwetsbaarste bevolkingsgroepen betrokken kunnen worden. Dat dit mogelijk is en goed werkt illustreren andere lokale munten zoals de Gentse Torekes. Ook zijn er in Bristol geen criteria van wat winkels die de lokale munt gebruiken mogen verkopen – op die manier steunen Bristol Pounds waarschijnlijk onrechtstreeks toch multinationals, als je er bijvoorbeeld Coca-cola mee koopt in de lokale pub. Maar complementaire munten zoals de Bristol Pound die los van het internationaal geldsysteem bestaan en altijd lokaal herinvesteerd worden zijn zeker een stap in de goede richting voor de broodnodige ecologische en sociale transformatie van onze economie.

 

 

 

Read more...

Het Heempark in Genk

27 april 2016 by Commons 2889 Views
Laura Bodyn #Tafel5

Written by

Hoe burgers en lokale overheid samen een natuurpareltje beheren en verbondenheid voor de gemeenschap scheppen.

Als je vanuit het stadspark van Genk verder wandelt richting de Kattevennen (de Genkse toegangspoort tot het Nationaal Park Hoge Kempen), zie je meteen dat er iets verandert. Het stijve stadspark in Engelse stijl maakt plaats voor een meer natuurlijke omgeving. Een smal pad leidt je naar een speeltuin en veldjes met verschillende kleine dieren. Een klasje lachende kinderen speelt vrolijk in de zon en probeert de schattige witte geitjes te aaien. De kippen lopen tevreden te pikken. Dit is het Heempark in Genk, een stukje natuurlijk landschap aan de rand van de stad, met inheemse fauna en flora. Het enige gebouw in het Heempark buiten de stal van de geiten en het kippenhok is het milieu- en natuurcentrum, waar Rik, medewerker van de stad Genk en Gaby, voorzitter van vzw Heempark en zijn vrijwilligers, mij ontvangen voor een gesprek.

Gaby, de voorzitster van de vzw vertelt met twinkelende ogen dat ze twaalf jaar geleden haar hart is verloren in het Heempark. “Het is fantastisch, een klein gebied waar je heel veel kan ontdekken. En ik wil dat graag met andere mensen delen, daarom blijf ik ook hier. De tuinen, de dieren, de bijen, de vennetjes, … Je raakt er niet op uitgekeken. Mensen ontdekken hier hoe mooi en rustgevend de natuur kan zijn. Ik zie de kinderen dit jaar al weer aankomen voor de paddenoverzet, met veel te grote rubberen handschoenen om hun kleine handjes. Dat hoeft helemaal niet, ik kan hen hier ook leren om niet bang te zijn voor de natuur. Mensen komen soms met vragen hoe ze hun eigen tuin natuurlijker kunnen aanleggen, geweldig toch? Mensen willen echt dichter bij de natuur staan, eens ze hier voelen hoe fijn dat is.”

Ook Rik van de stad houdt van zijn job: “Ik hou van de verscheidenheid aan taken en projecten, van de omgang met al die verschillende mensen. Ik wil de boodschap rond natuur en duurzaamheid graag uitdragen naar zoveel mogelijk mensen. We moeten ons aanpassen en op een duurzamere manier gaan leven, want we zijn niet alleen op deze planeet. En die aanpassing zit in heel veel kleine dingen die we van hieruit kunnen overdragen via workshops en activiteiten, bijvoorbeeld ook naar scholen toe.“

Geschiedenis

De grond van het Heempark werd in de jaren 70 door de stad Genk aangekocht met als bedoeling het naastgelegen stadspark er verder uit te breiden. Maar enkele natuurliefhebbers hadden hier hun bedenkingen bij, dit stukje natuur was te uniek om in de stijve stadsparksetting gedwongen te worden. De geëngageerde burgers die iets anders met het gebied wilden doen en het stadsbestuur legden hun ideeën samen en groeiden zo naar elkaar toe. Het stadsbestuur heeft sindsdien altijd goed geluisterd naar de ideeën van burgers over de invulling van het park.

Rik: “Participatie avant la lettre, nog voor de hype deden wij het hier al in het Heempark”

Uit deze samenwerking ontwikkelde zich een werkgroep die besliste in plaats van een stadspark een Heemtuin van het gebiedje te maken. De inspiratie daarvoor haalden ze in Nederland, waar Heemtuinen al veel langer bestaan. Er kwam een kruidentuin en een moestuin, en er werd samengewerkt met imkers, mensen uit het onderwijs en natuurgidsen. Zo ontstond de vzw Heempark, die intussen 25 jaar bestaat. Het grote doel: mensen en hun kinderen naar de natuur lokken. Het gebied kreeg dus ook een educatieve functie. Deel daarvan is de “kinderboerderij”: er zijn geitjes, kippen, konijnen,… Deze dieren zijn samen met de speeltuin een belangrijk aantrekkingspunt voor kinderen om naar het park te komen, en van daar kunnen ze ook verder de natuur ontdekken.

Activiteiten voor iedereen

De vzw Heempark organiseert in samenwerking met de stad talloze activiteiten in het park. Dit gaat van paddenoverzet, cursussen voor moestuinieren, imker voor beginners en geleide wandelingen tot de zomerse zondagen. Elke zondag in juli en augustus kunnen geïnteresseerden deelnemen aan activiteiten zoals werken in de tuinen, zelf brood bakken, dieren verzorgen,… Deze activiteiten zijn altijd gratis. Vaak is het zo dat vrijwilligers de activiteiten uitdenken en begeleiden, en dat de stad ondersteunt op vlak van communicatie en logistiek.

Elk jaar organiseert de werking rond het Heempark een groot Heemparkfeest op het einde van de zomer, dat elk jaar meer succes kent. De organisatoren geven dit feest steeds een ander thema waar activiteiten en workshops rond gebeuren. Vorig jaar was het thema bugs & bees, over het belang van insecten voor de biodiversiteit. Zowel een inhoudelijke boodschap als de fun factor zijn belangrijk om aansluiting te vinden bij het publiek, het feest is dan ook altijd een combinatie van die twee. Maar het belangrijkste is natuurlijk dat het een fijn feest is voor iedereen. Vorig jaar huppelden alle kinderen bijvoorbeeld zoemend rond, geschminkt als insecten.

Achter het milieu- en natuurcentrum bevinden zich bijenkasten, moestuintjes, bessenstruiken, kruidentuintjes, … Die allemaal onderhouden worden door vrijwilligers. Ook kinderen kunnen zeker helpen in de tuin, ze hebben zelfs een eigen serretje dat helemaal hun terrein is. De bijen van het Heempark wonen in een bijenhal, naast een bloemenweide vol inheemse bloemen waar ze dol op zijn.

De workshops die georganiseerd worden in het Heempark proberen mensen stuk voor stuk terug meer voeling met de natuur te bezorgen. Ook ‘back to basics’ is belangrijk. Zelf brood bakken, voor de bijen zorgen, honing slingeren, een natuurexcursie, hippe vormen van tuinieren op een kleine oppervlakte,… Het is allemaal mogelijk!

Als je in het Heempark rondwandelt zie je af en toe bomen met een bordje bij, dit zijn de geboortebomen. Vanaf 1993 kregen alle kinderen geboren in Genk een geboorteboom. Elk jaar wordt een nieuwe boom gekozen die een plaatsje krijgt in het park en meegroeit met de kinderen. Ouders die het vorige jaar een kindje kregen kunnen hun eigen geboorteboom of –struik van dezelfde soort als die die in het park te vinden is komen afhalen om in hun eigen tuin te planten.

De unieke samenwerking tussen stad Genk en vzw Heempark

De taakverdeling in het park is erop gebaseerd dat iedereen doet waar hij of zij goed in is en graag doet. De taken waar veel apparatuur voor nodig is, zoals hagen snoeien en paden aanleggen, worden door de stad gedaan, het handwerk door de vrijwilligers.

Vrijwilligers mogen altijd komen aankloppen bij Rik van de stad Genk in het milieu- en natuurcentrum, die de brug vormt tussen de stad en de vrijwilligers van de vzw. Op deze manier blijft een goede communicatie bestaan en weten de vzw en de stad van elkaar wat er leeft. 

Het geheim van het succes van het Heempark is dan ook de intense wisselwerking tussen de stad en de vrijwilligers van de vzw. Die kruisbestuiving en efficiënte taakverdeling zorgt er bijvoorbeeld voor dat het Heemparkfeest elk jaar een groot succes is. Opnieuw doet iedereen hier waar ze goed in zijn. De vrijwilligers bereiden met hun creatieve ideeën alles inhoudelijk voor, en de stad zorgt voor logistiek, communicatie, en een budget. De intense samenwerking tussen deze twee groepen is een heel unieke manier van werken. Vaker zie je dat de overheid alles alleen organiseert of dat vrijwilligers alles alleen organiseren. Maar bij het Heempark zijn ze ervan overtuigd dat hun manier van werken beter is. Het is hierbij belangrijk de vrijwilligers voldoende ruimte voor creativiteit en ook beslissingskracht te geven. Wat hen voldoening schenkt, is dat zij er zelf voor zorgen dat hun ideeën tot uitvoering gebracht worden, al dan niet met een beetje hulp van de stad.

De stad gaat dan ook altijd na of ideeën met betrekking tot het Heempark een draagvlak kennen bij de vrijwilligers. Indien iets niet helemaal juist zit wordt er overlegd tot een consensus kan bereikt worden.

Vrijwilligers en samenwerking met andere organisaties

Ook de samenwerking met andere organisaties is onmisbaar voor het Heempark. Voor de moestuin werken ze bijvoorbeeld samen met Velt, voor de bijen met de Bijenbond, voor het beheer van de wildere stukjes park met Natuurpunt,… 

Het Heempark kan rekenen op een groep van ongeveer 35 vrijwilligers die zich op allerlei manieren inzetten voor het park. Sommige vrijwilligers denken tijdens vergaderingen mee na over hoe alles rond het park georganiseerd kan worden. Anderen zijn dan weer heel actief in de tuinen of doen niets liever dan activiteiten voor kinderen organiseren. Ook vrijwilligers van andere organisaties waar het Heempark mee samenwerkt worden betrokken. Dit maakt de organisatie een hele uitdaging, maar daar deinzen de medewerkers van de stad en de vrijwilligers van vzw Heempark niet voor terug. Samenwerking met grote organisaties zoals Natuurpunt en de Gezinsbond werpt dan ook veel vruchten af.

Het Heempark probeert alle lagen van de bevolking te betrekken bij zijn werking en activiteiten. De bedoeling is om in het Heempark bezoekers te hebben die ‘een doorsnee van de bevolking’ vormen. Dit lukt nog niet perfect maar met de tijd wordt zeker vooruitgang geboekt. Om iedereen te betrekken heb je bruggenbouwers nodig, heel verschillende mensen die dan ook heel verschillende mensen kunnen betrekken. Genk is een speciale stad, met de problemen van een grootstad maar tegelijkertijd ook veel dorpse kenmerken. Daarom is het net goed om een gebied als het Heempark te hebben, waar iedereen naartoe kan komen, samen kan deelnemen aan activiteiten en genieten van de natuur.

Dromen en de toekomst

Het stukje park dat het verst van de stad ligt en tegen de Kattevennen aanleunt, is het meest natuurlijke deel van het park, waar smalle paadjes je door bosjes en langs vijvertjes met rietkraag voeren. Wanneer je het Heempark verlaat en via de doorgang onder de grote weg verdergaat kom je meteen aan de rand van het nationaal park. Het Heempark vormt een prachtige overgang tussen het stadspark en de uitgestrekte natuur.

Lang geleden waren er enkele mensen die de droom hadden een uniek stukje Genkse grond, zeer rijk en gevarieerd in natuurelementen, vrij te houden van verandering of bebouwing. Ze verwezenlijkten deze wens door een mooie samenwerking tussen de stad en de vrijwilligers van de vzw. Als de ene droom verwezenlijkt is, wacht alweer een andere: elke bezoeker van het Heempark zal de kans krijgen om zijn of haar eigen natuurbeeld te ontdekken.

De toekomstplannen van het Heempark zijn alvast nog sterker worden op organisatorisch en communicatief vlak, en nog meer mensen betrekken door veel evenementen en activiteiten te organiseren.

Rik: “Ik wil de boodschap rond natuur en duurzaamheid graag uitdragen naar zoveel mogelijk mensen. We moeten ons aanpassen en op een duurzamere manier gaan leven, want we zijn niet alleen op deze planeet. Mee aan dat karretje trekken en daar een klein, klein schakeltje in zijn in de hoop dat we iets kunnen veranderen, dat is heel belangrijk!” 

 

 

foto: Heempark.be

 

Read more...
Don't have an account yet? Register Now!

Sign in to your account