en

Winkelwagen leeg

Denktank voor Sociaal-Ecologische Verandering

Transitie

Transitie (42)

Goede voorouders, gelukkige nakomelingen - Roman Krznaric op Ecopolis

27 september 2022 by Transitie 63 Views

De Brits-Australische filosoof Roman Krznaric ontleende de titel van zijn boek aan Jonas Salk, een medisch onderzoeker die in 1955  samen met zijn team het eerste veilige en werkend vaccin tegen polio heeft ontwikkeld. Voordien werden er jaarlijks een half miljoen mensen verlamd door polio en velen stierven er aan. Professor Salk wilde geen patent op zijn vaccin nemen, maar “gewoon behulpzaam zijn voor de mensheid”. Ruim twintig jaar later gaf hij in New Delhi bij de aanvaarding van de Jawaharlal Nehru Award for Intenational Understanding zijn dankwoord de titel ‘Zijn we goede voorouders?’. Auteur Krznaric herhaalt deze prangende vraag in tijden van klimaatverandering en biodiversiteitsverlies.

Krznaric’s boek De goede voorouder geeft niet meteen een pasklaar antwoord, maar begint met de aanpak van een belangrijk obstakel dat ons verhindert om goede voorouders te zijn. Kortetermijndenken en de ‘dictatuur van het nu’, begrepen als een beleving los van enig verleden of toekomst, verhinderen ons immers om rekening te houden met de noden en rechten van de toekomstige generaties. Nochtans is dat de kernidee van ‘duurzaamheid’: ervoor zorgen dat de toekomstige generaties ook aan hun basisbehoeften kunnen voldoen en een menswaardig leven leiden in een leefbare omgeving.

"Hij stelt dat de tirannie van het kortetermijndenken op dezelfde wijze van de toekomst een “leeg continent” maakt, zonder te denken aan de ongeboren generaties."

De auteur maakt een treffende parallel met de kolonisering van zijn geboorteland Australië. Door de Engelse nieuwkomers werd het gebied als een leeg niemandsland beschouwd, dat ze zich probleemloos konden toe-eigenen. Hij stelt dat de tirannie van het kortetermijndenken op dezelfde wijze van de toekomst een “leeg continent” maakt, zonder te denken aan de ongeboren generaties. Niet-Westerse volken en bij uitstek inheemse volkeren herdenken niet alleen voortdurend hun voorouders, maar denken ook aan de komende generaties bij het nemen van belangrijke beslissingen. In die zin beslissen de ongeborenen zo mee over de wereld waarin ze straks geboren zullen worden. Interessant hierbij is hoe de auteur de verhouding voorouders - huidige generatie - toekomstige generaties visualiseert aan de hand van getallencirkels. Hij kijkt daarbij 50.000 jaar terug in het verleden – goed voor zo’n 100 miljard voorbije levens – en even ver in de toekomst, waarin naar schatting nog 6.750 miljard mensen geboren zullen worden. Hun levensomstandigheden zullen bepaald worden door de bijna acht miljard mensen die vandaag leven. In zekere zin is elk van ons door zijn al of niet duurzaam gedrag mee verantwoordelijkheid voor bijna 900 ongeboren levens.

Waarom echter zijn we telkens weer geneigd om onze directe behoeften voorrang te geven boven onze toekomstige noden, laat staan die van de ongeboren generaties? Daarvoor gebruikt de auteur het beeld van een marshmallow en een eikel. Beide staan symbool voor het vervullen van onze legitieme nood aan voedsel, al heeft de marshmallow de connotatie van junkfood dat voor directe verzadiging zorgt, maar op langere termijn niet echt gezond is. De eikel daarentegen doet denken aan de eekhoorn die zijn wintervoorraad eikels aanlegt en symbool staat voor langetermijndenken. Heel onze ‘instant’ consumptie is natuurlijk gebaseerd op dat kortetermijndenken, terwijl we onze behoeftebevrediging moeten durven herdenken, zowel omwille van andermans behoeften als van de komende generaties.

Goede attitudes

In het tweede deel van zijn boek werkt de auteur zes manieren van langetermijndenken verder uit. Dat gaat over een aantal attitudes van een ‘goede voorouder’, zoals nederigheid vanuit het besef van de zgn. ‘diepe tijd’. Het aantal levensjaren dat we op aarde doorbrengen krijgt hier een plaats in het veel ruime tijdskader van de millennia die de homo sapiens op deze planeet al heeft doorgebracht en nog kan doorbrengen. Ook de manier waarop we herinnerd willen worden is belangrijk: wat zal onze nalatenschap voor onze kleinkinderen zijn? En hoe zullen we intergenerationele rechtvaardigheid invullen? Zullen we zoals sommige Noord-Amerikaanse inheemse volken denken tot aan de zevende generatie bij beslissingen met ver - in de toekomst – strekkende gevolgen? Zullen we denken en handelen zoals de middeleeuwse bouwers van kathedralen, die wisten dat ze het eindresultaat van hun inspanningen nooit zouden aanschouwen?  Krznaric wijst op de nood aan ‘holistic forecasting’, dat een veel ruimere tijdshorizon hanteert dan de gangbare voorspellingen over de komende decennia. Het gaat hierbij veeleer over het uitzetten van richtingwijzers die ons op weg zetten naar een planetaire beschaving, die economische groei inruilt voor een circulaire economie met voldoende plaats voor de planetaire biodiversiteit.

Ten slotte schetst de auteur een aantal toekomstdoelen die we ons kunnen stellen, oog in oog met de groeiende sociale en ecologische uitdagingen… Interessant is hoe hij de ‘techno-escape’ van de kolonisatie van andere planeten als ‘nooduitgang’ uit de planetaire crisis plaatst tegenover de keuze voor een leven binnen de grenzen van planeet aarde. Daarbij maakt hij de bedenking dat we niet alleen een andere tijdsbeleving moeten cultiveren, maar ook een ander waardebesef van onze concrete leefomgeving.

Toekomst dekoloniseren

Het derde en laatste deel van ‘De Goede Voorouder’ gaat over de ‘dekolonisatie’ van de toekomst. De auteur zelf spreekt van ‘tijdsrebellen’, mensen die zich niet neerleggen bij de dictatuur van het kortetermijndenken maar kiezen voor ‘diepe democratie’, ecologische beschaving en culturele evolutie. Dergelijke deep democracy wil de toekomstige generaties een stem geven, maar daarbij moeten minstens drie obstakels overwonnen worden: het politiek kortetermijnbeleid dat gevangen zit in verkiezingscycli, de macht van belangengroepen en de natiestaat die ‘te klein’ is om de hedendaagse mondiale uitdagingen aan te pakken.

Participatieve democratie krijgt de voorkeur boven representatieve democratie, maar die moet ook de toekomstige generaties aan het woord laten. Dat vereist vier zaken. Vooreerst instituties die de belangen van jongeren zonder stemrecht en van de ongeboren generaties behartigen, zgn. bewakers van de toekomst. Dan burgerparlementen die burgerparticipatie in langetermijnbeleid via loting mogelijk maken. Vervolgens juridische mechanismen die het welzijn van de toekomstige generaties veilig stellen en voor intergenerationele rechtvaardigheid zorgen. En tenslotte, zelfbesturende stadsstaten die de invloed van kortzichtige politieke en economische elites inperken. Bij dat laatste herinnert Krznaric ons eraan dat de natiestaat nog maar goed twee eeuwen bestaat, terwijl sommige steden al millennia bestaan.

Een tweede keuze die zich opdringt, is die voor een ecologische beschaving. De auteur herinnert ons eraan dat amper tien jaar geleden 45 van de 50 grootste multinationale bedrijven ter wereld, banken of verzekeringsmaatschappijen waren. Die bedrijven kennen slechts twee criteria: winst voor aandeelhouders creëren en ‘return on investment’. Dan haalt de auteur het bijna een halve eeuw oude ‘Grenzen aan de Groei’-rapport van Donella en Dennis Meadows vanonder het stof. In zekere zin werd toen voor het eerst een ecologisch plafond ingesteld op het gangbare economische denken met haar mantra the sky is the limit. Als alternatief voor zo’n ‘eindeloze groei-economie’ ziet Krznaric een regeneratieve economie, die vier cruciale omwentelingen veronderstelt: circulaire economie, kosmo-lokale productie, democratische energieopwekking en rewilding.

Wat dat laatste betreft, verwijst de auteur naar het begrip shifting baseline van de bekende Britse ecoloog George Monbiot. Hij stelt dat elke nieuwe generatie de toestand van de natuur in hun kindertijd als vergelijkingspunt hanteert, maar zo verdwijnt de achteruitgang van ecosystemen ongemerkt uit de perceptie. Monbiot geeft als voorbeeld de Engelse moorlands, oorspronkelijk heel biodiverse bossen die door overbegrazing van schapen verdwenen zijn. In plaats van ‘conservation’ of natuurbehoud, pleit hij voor ‘rewilding’ of de herintroductie van wilde dieren in de natuur die de dynamiek van het oorspronkelijke ecosysteem herstellen. Een schoolvoorbeeld daarvan is de herintroductie van wolven in Yellowstone, het oudste natuurpark ter wereld. Na een kwarteeuw ‘dancing with wolves’ is het landschap duidelijk veranderd en de biodiversiteit toegenomen. Dit soort ecosystemen slaan ook meer koolstof op en zijn zo een win-win voor zowel het klimaat als voor de natuurlijke rijkdom.

Een derde keuze die de auteur ons voorhoudt is deze voor een culturele evolutie, waarbij hij wijst op het belang van toekomstverhalen als tegengif tegen het huidige ‘apocatainment’ dat geen echte betrokkenheid op de komende generaties voedt. Een verrassend voorbeeld is het geschenk dat de literaire wereld de komende generaties wil aanbieden. De bekende Canadese schrijfster Margaret Atwood schreef in 2014 een eerste bijdrage voor een ‘bibliotheek van de toekomst’. Uiteindelijk moeten er honderd boeken geschreven worden die pas in 2114 gedrukt zullen worden. Het papier daarvoor zal afkomstig zijn van bomen die onlangs in de buurt van Oslo aangeplant werden. Een mooi voorbeeld van langetermijndenken en empathie met de komende generaties.

De Goede Voorouder. Langetermijndenken voor een kortetermijnwereld, Roman Krznaric, Ten Have, 2021

 

Op 1 oktober komt Roman Krznaric naar Ecopolis Kortrijk. Welkom!
Klik hier voor meer informatie en tickets.

 

Ecopolis 2022 - Advertenties DS - Kortrijk_druk v2 copy.jpg

Read more...

De belangrijke discussies vermijden, dat is de ultieme vorm van betutteling

18 augustus 2022 by Transitie 446 Views
Jan Mertens

Written by

Voor wie al langer bezig is met de klimaatcrisis, zijn het soms frustrerende tijden. Al jaren geleden werd onder meer door de ruime groene beweging en heel wat vooruitziende wetenschappers opgeroepen om te kiezen voor een ontwikkelingsmodel dat zich zou inpassen in de planetaire grenzen. De publicatie van Limits to Growth ligt ondertussen al vijftig jaar achter ons. Sindsdien is er al veel veranderd. Het bewustzijn groeit, samen met de hardnekkige weerstand van een aantal groepen. We weten veel, maar er zijn ook eindeloos veel kansen gemist om – toen het nog gemakkelijker was – doortastende maatregelen te nemen die hadden kunnen voorkomen dat de situatie zo acuut zou worden als ze nu is. De maatschappelijke kost van de niet-verandering is al veel groter dan die van de wel-verandering. Het uitstellen van moeilijke keuzes, is zich steeds meer gaan uiten in een toenemende ongelijkheid binnen landen, tussen landen en tussen generaties. De ecologische gulzigheid van een minderheid (in ruimte en tijd) zorgt voor een reële daling van de levenskansen van een meerderheid, is dus op zich al onrechtvaardig. Zij die het minst verantwoordelijk zijn voor de klimaatcrisis dragen er de grootste gevolgen van. Wie het dichtst bij de oever van de Vesder woonde in een slechte woning, werd harder getroffen dan wie rijker was, hoger woonde, meer financiële reserves en een betere verzekering had.

Het verzet tegen ingrijpende maatregelen werd al die jaren vaak gemotiveerd met argumenten van ‘vrijheid’. Het was een specifieke invulling van vrijheid, namelijk het idee dat je als consument op geen enkele manier zou mogen ‘beperkt’ worden. Oproepen om minder te vliegen, trager te rijden, minder vlees te eten, minder water te verbruiken, minder grondstoffen te verspillen, … leiden steeds tot veel maatschappelijk lawaai bij sommigen. De verwachting dat er dergelijke maatregelen zouden kunnen komen, is dan al een soort ‘inlevering’ op dat waarop men zogenaamd recht zou hebben op basis van een verworven levensstijl. Het is fascinerend en vooral heel erg droef dat we hebben toegestaan dat het idee van wat vrijheid is – aangevuurd door een neoliberale ideologie – zo eng is ingevuld, iets als het recht om je niets van anderen aan te moeten trekken. We zien onszelf als consumenten, afgesloten van anderen (die steeds concurrenten zijn), gedreven door een eindeloze honger naar meer, altijd rusteloos.

Tegen beter weten in blijven bv. ministers van huisvesting toeteren dat in een ‘vrijgemaakte’ markt de optelsom van individuele belangen zal leiden tot een maatschappelijke meerwaarde. De realiteit is dat de optelsom van individualistische logica’s leidt tot collectieve irrationaliteit, onder meer in de vorm van toenemende ongelijkheid. Een invulling van vrijheid die ertoe leidt dat anderen onvrij worden, of minder uitzicht krijgen op een waardig leven, kan op geen enkele manier een wervend perspectief vormen voor de maatschappij die we zouden moeten bouwen voor onze kinderen en kleinkinderen.

Misschien hebben we onszelf al die jaren de kans ontzegd om een heel ander model van vrijheid te koesteren en te verankeren. Het is in wezen bitter om vast te stellen dat we zo gemakkelijk onze vrijheid invullen als: ‘nu kan het nog net, dus doe ik het maar’. We kunnen de klimaatcrisis al lang niet meer uit onze achtertuin houden, we hebben niet alles onder controle. Bosbranden, extreme hitte, dreigend watertekort, rivieren die te vroeg te laag staan waardoor schepen niet kunnen varen, … En de techno-optimisten van de triomferende moderniteit hopen dat ze in hun geliefde krant geen bericht zullen lezen over kerncentrales die moeten worden stilgelegd omdat er te weinig koelwater is.

Je moet mentaal overgaan tot een steeds hardnekkigere ontkenning om de pijnlijke werkelijkheid op afstand te houden. En onder het mom van onze vrijheid gaan we ‘nog snel even met het vliegtuig naar het zuiden, nu het nog kan’ of gaan we nog snel even onze gazon sproeien of ons zwembad vullen voor ‘de’ overheid zal zeggen dat het niet meer mag. Dit kortetermijndenken – relatief gezien dan nog eens in sterkere mate door wie bovengemiddeld rijk is en een grote voetafdruk heeft – is in de feiten ongelooflijk cynisch. Je trekt je in wezen niets aan van wie er na je komt of van wie net iets minder mogelijkheden had om dicht bij de tafel te komen. Het is alleszins niet het soort vrijheid dat we nodig hebben, het is egoïsme.

Wanneer we onszelf in de eerste plaats als consument zien, die het recht zou hebben zoveel te verspillen als zij of hij zou willen, wordt wat in wezen een ethisch debat zou moeten zijn afgeleid naar veilige vluchtheuvels. Sommigen willen zichzelf met een vermoeiende hardnekkigheid blijven wijsmaken dat enkel en alleen de symptomen bestrijden via moderne technologie alles wel zal oplossen. Als we maar geloven dat er grote machines zijn die de CO2 uit de lucht kunnen plukken, hoeven we vooral geen enkele moeilijke vraag te stellen. Daarmee samenlopend is een strategie om elk fundamenteel debat af te doen als ‘moraliseren’, elke vraag naar verandering als ‘betutteling’. Onderliggend daaraan is een idee van vrijheid als niet-inperken van mijn individualisme. Zo eenvoudig is het evenwel niet. De klimaatcrisis hangt samen met het nastreven van een levensstijl voor de mondiale middenklasse die gewoon niet volhoudbaar is en tot een verscherping van de ongelijkheid leidt (intra- en intergenerationeel).

Iets kan pas een recht zijn als het uitbreidbaar is naar iedereen. Die te hoge voetafdruk kan nooit een recht zijn, het is een voorrecht, waarvoor anderen de prijs betalen. Het idee dat individuele vrijheid onvoorwaardelijk zou moeten zijn kan alleen maar leiden tot acute onvrijheid van anderen, en is dus verwerpelijk. Mijn vrijheid eindigt waar die van een ander begint, en dat geldt ook voor onze levensstijl, in de concrete context van planetaire grenzen en een ecologische crisis.

De domeinen waar we het zwaarst wegen op de planeet zijn: hoe we eten, hoe we ons verplaatsen, hoe we wonen en hoe we ons kleden. We zullen nooit een rechtvaardige uitweg uit de klimaatcrisis vinden als we dat alles uit beeld proberen te houden vanuit een blind en egoïstisch vrijheidsconcept.  Gemakkelijk zal het niet zijn, want die dingen hebben telkens een bijzonder hoge symboolwaarde voor de verondersteld ‘normale’ levensstijl die we nastreven. Maar we zijn ondertussen zo ver over de planetaire grenzen dat we niet meer kunnen zeggen dat al die keuzes louter tot de privésfeer behoren en gewoon door de markt moeten geregeld worden, zoals neoliberalen zo graag zouden willen. De optelsom van individuele keuzes in deze domeinen – zogenaamd vrij – leidt tot collectieve onvrijheid en onrechtvaardigheid. Elke discussie daarover proactief torpederen door het nucleaire bomwoord betutteling boven te halen is stuitend. Het is een manier om de politieke verantwoordelijkheid uit de weg te gaan en het behandelt mij enkel als consument, en niet als de burger die ik ben.

Wat we niet mogen doen, is de hele verantwoordelijkheid bij individuele burgers leggen. Politici moeten de moed hebben keuzes te maken voor het algemeen belang, met een perspectief dat verder gaat dan de huidige generatie. De overheid moet wel dus degelijk sturend zijn en moet kunnen opleggen dat we allemaal samen minder energie moeten gebruiken, bv. door normen voor hoe we auto’s en huizen bouwen. De overheid moet zorgen voor een stevig kader van sociale bescherming om zo een rechtvaardige transitie mogelijk te maken. Dat alles is geen ‘vrijheidsbeperking’ of linkse regelneverij, het is gewoon het garanderen van de rechten van iedereen – en niet alleen van een rijke en gulzige elite – om een waardig leven te leiden binnen planetaire grenzen. Maar dat wil dus ook zeggen dat we samen zullen moeten ingrijpen in de structuren van voeding, mobiliteit, wonen en kleding. Ze zijn systemisch qua impact en oplossingen moeten dus ook systemisch zijn. Of we, bij wijze van spreken, allemaal samen 100 of veeleer 1.000 km met de auto afleggen is een kwestie van algemeen belang, en bijgevolg een relevante politieke vraag.

En ja, je hebt als burger dus ook een verantwoordelijkheid. Zelf, binnen je mogelijkheden, ervoor zorgen dat je minder gulzig leeft, kan een deel zijn van een maatschappelijke beweging die terug hoop geeft en die gedreven wordt door een veel rijker idee van vrijheid dan wat de reclame ons leert.

Je mag als burger verwachten dat de overheid je daarin steunt en je mag verwachten dat de overheid ervoor zorgt dat de zwaarste lasten terechtkomen bij wie de zwaarste voetafdruk heeft. Een overheid die ons stimuleert om minder snel te rijden en tegelijk garandeert dat er een robuust openbaar vervoer is, vergroot onze collectieve vrijheid. Politici die geen schrik hebben om wel op te roepen tot meer ingrijpende maatregelen op het vlak van watergebruik denken ook aan de vrijheid van onze kinderen en kleinkinderen om hun leven uit te bouwen. Een maatschappij die geen schrik heeft van een debat over vermindering van vleesconsumptie en vliegreizen maakt ruimte voor een waarachtige vrijheid. Dat alles niet doen, is de structurele onvrijheid van velen organiseren. Die discussies vermijden, uit electoraal kortetermijnbelang, dat is voor mij als burger de ultieme vorm van betutteling. De vrijheid is te belangrijk om ze over te laten aan die politici die in wezen enkel de individuele belangen willen verdedigen van een machtige groep in een klein deel van de wereld en in een korte periode van de geschiedenis.

Read more...

Het draagvlak is er, nu nog hoopvol ecologisch beleid

18 augustus 2022 by Transitie 266 Views
Dirk Holemans

Written by

‘Verdorie toch, de mensen verbruiken minder water dan gedacht. Hadden we niet verwacht.’ Zo kan je ongeveer de reactie in de media samenvatten van waterspecialisten. Blijkt dat in tegenstelling tot in het verleden, nu met aanhoudende hitte en de superdroge periode, het waterverbruik van gezinnen niet spectaculair stijgt. Daar bestaat volgens de experts nog niet echt een goede verklaring voor. Een mogelijkheid zou volgens hen zijn dat mensen zich meer bewust zijn van de situatie.

Het is bevreemdend dat dit louter als een mogelijkheid wordt omschreven. Alsof niemand van de bevolking een krant of magazine leest, ze nooit naar het televisiejournaal kijken. Ze nooit buiten komen of hun regenwaterput droog zien lopen. Ze dus ook niet weten dat in Frankrijk overal droogterecords sneuvelen en er al in honderd gemeenten geen drinkwater meer uit de kraan komt.  En over de extreme droogte in Italië – in Zuid-Italië hangen gewoonweg geen vruchten aan de olijfbomen – hebben ze vast ook niets gehoord? En ze hebben vast evenmin begrepen dat extreme hitte én extreme regenval beiden uitingen zijn van klimaatontwrichting.

En zo is ook het nieuws over Sydney hen onbekend – daar sneuvelden dit jaar al twee maandrecords op vlak van regenval en de stad is op weg om meer regen te moeten slikken dan ooit het geval. En ja, die beelden van hevige overstromingen in Death Valley – zowat de heetste en droogste plek van de Verenigde Staten – mochten we die beelden al hebben gezien, die kunnen toch geen mensen verontrusten, toch?

Mijn excuses voor dit stukje sarcasme. Maar misschien is de vaststelling dat juli de droogste maand was van de afgelopen 137 jaar – samen met al het nieuws uit de rest van de wereld – wel de basis om ervan uit te gaan dat het draagvlak voor doortastend klimaatbeleid veel groter is dan bange politici laten uitschijnen, zodat ze geen doortastende maatregelen moeten nemen. Het is ronduit stuitend dat het groeiend bewustzijn bij de bevolking hand in hand gaat met het weigeren van extra acties door experts in de droogtecommissie of de bevoegde minister. Natuurgebieden gaan om zeep door de droogte en boeren failliet, maar voor de rest is de situatie zogezegd ‘niet precair’. Het lijkt wel alsof sommige experts en politici op een andere planeet leven.

En nee, als we het over politieke moed hebben, dan gaat het er niet om dat politici het sproeien van gazons – sowieso overbodig, gras overleeft een periode van droogte tenzij je het tot 2 mm kortwiekt – gaan verbieden om zo aan te tonen dat we iets doen aan de klimaatontwrichting (en de daaruit volgende extreme hitte en droogte, alsook waterbommen en overstromingen). Kleine maatregelen hebben enkel zin als ze passen in grote doortastende plannen die meteen worden utigevoerd.

Tegenover de massieve klimaatontwrichting past dus enkel moedig, en jawel, hoopvol, beleid. Dat zonder dralen aanzet tot systeemverandering, zodat we een samenleving vorm geven die zowel de klimaatontwrichting niet meer aanzwengelt als dat ze zich wapent tegen de gevolgen ervan. Want laten we niet vergeten, het veranderend klimaat is ook een zaak van onrechtvaardigheid. Het zijn de mensen die in armoede leven – hier en elders in de wereld – die nu al de zwaarste prijs betalen. Denk aan mensen in slecht geïsoleerde woningen in onze regio’s of boeren die in Kenia hun land moeten verlaten omdat het niet meer regent.

De nieuwe realiteit vergt een nieuwe bril om beleidsmaatregelen naar waarde te schatten. De tijd van aanmodderen – excusez-le mot in deze droge tijden – is voorbij. Ook een eindeloze sliert aan kleinschalige experimenten en initiatieven is hopeloos onvoldoende. In die zin is bijvoorbeeld de Blue Deal van de Vlaamse regering een glas water op een hete plaat. Het is lovenswaardig om bijvoorbeeld in dit kader Vlaamse gemeenten te stimuleren om de openbare ruimte te ontharden. Maar zolang de Vlaamse regering haar betonstop niet durft doorvoeren, betonneren we nog elke dag vier hectare open ruimte. De uitdrukking past niet in de huidige context, maar we zijn echt aan het dweilen met de kraan open.

En ook op andere domeinen dan ruimtelijke ordening is er nood aan een systeemswitch. Daarbij is het zinvol om rekening te houden met de zogenaamde waterfootprint. Die is een maat voor de impact dat een product heeft op vlak van waterverbruik. En dan maakt wat we bijvoorbeeld eten een groot verschil. Wist je dat voor een kilogram biefstuk er meer dan 15.000 liter water nodig is, en voor een kilo varkensvlees zo’n 5000 liter? Dat betekent dat een gezellige barbecue vol vlees neerkomt op het vullen van een zwembad in je tuin. Als je daarbij nog weet, dat mochten we met zijn allen slechts een vijfde minder rundsvlees zouden eten, het mogelijk is de ontbossing wereldwijd te halveren, dan gaat klimaatontwrichting en droogte ook over gezond eten op een gezonde planeet.

De klimaatactiviste Greta Thunberg vatte een tijd terug de situatie waarin we bevinden krachtig samen met de woorden ‘Ons huis staat in brand’. In meer en meer landen is dit nu letterlijk te nemen, het is wachten op de eerste grote bosbrand in eigen land. Thunberg voegde eraan toe dat we politici niet langer kunnen laten beslissen wat hoop is. Volgens haar is hoop de waarheid vertellen en actie ondernemen.

Ik kijk uit naar een Vlaamse regering die een doortastend klimaatplan opstelt én uitvoert, de betonstop invoert, een actieplan uitrolt dat mensen met lage inkomens actief ondersteunt in het energiezuinig maken van hun woonst en water als kostbaar goed beschouwt.

Het draagvlak daarvoor groeit elke dag. Die hoop mag niet verloren gaan.

Read more...

Wie en wat blokkeert de klimaatshift?

04 augustus 2022 by Transitie 653 Views
Dirk Holemans

Written by

Is er geen draagvlak voor de klimaatshift? Creëer dat draagvlak dan, schrijft Dirk ­Holemans.

In een opiniebijdrage lijstte Etienne Van Camp gisteren de obstakels op die volgens hem een klimaatshift in de weg staan (DS 3 augustus). Hierbij bespreekt de filosoof relevante zaken, zoals de ‘geruststellende verklaringen van het rationele risicomanagement’. Tegelijk focust hij in zijn analyse sterk op psychologische en indivi­duele factoren, met als uitschieter de verklaring dat ‘het systeem’ volgens hem ‘niets anders is dan de som van onze individuele reacties’. Vanuit dat perspectief blijven minstens vier ­cruciale obstakels buiten beeld die een klimaatshift blokkeren.

Allereerst kun je het functioneren van een samenleving niet begrijpen zonder te kijken naar de machts­verhoudingen. Bepaalde actoren hebben overmatige invloed op welke ­beslissingen worden genomen, of juist niet. En niet toevallig spelen olie- en gasbedrijven hier een belangrijke rol. Zo financierde het Amerikaanse oliebedrijf ExxonMobil in de jaren 70 hoogstaand klimaatonderzoek. Daardoor wist het heel goed wat voor nefaste gevolgen een klimaatverandering met zich zou meebrengen. Maar naar ­buiten deed ExxonMobil net het ­omgekeerde: nog in 1999 stelde de topman dat klimaatwetenschap ­‘gebaseerd is op pure speculatie’, en het ­bedrijf financierde campagnes om klimaatwetenschap in twijfel te ­trekken.

Ook bij de internationale klimaat­conferenties spelen die ongelijke machtsverhoudingen. Op de recentste klimaattop, in november vorig jaar in Glasgow, vormden lobbyisten van de brandstofindustrie de grootste ­delegatie. Die waren daar niet om te pleiten voor de noodzakelijke, erg ­ambitieuze klimaatdoelstellingen. Ze zagen er net op toe dat er geen bindende doelstellingen werden vastgelegd.

De mantra van het draagvlak

Een tweede cruciaal obstakel is overdreven rijkdom. De rijkste 1 procent van de wereldbevolking is goed voor meer dan 10 procent van de totale ­wereldwijde uitstoot. De 10 procent rijksten nemen bijna de helft van de uitstoot van broeikas­gassen voor hun rekening. Het is dus niet verwonderlijk dat wetenschappers in Nature waarschuwen voor de nefaste ecologische gevolgen van rijkdom.

Ook de politiek gaat niet vrijuit. Heel wat politici verschuilen zich achter de mantra van het ‘draagvlak’ om geen doortastend ecologisch beleid te voeren. Zo krijg je de laatste dagen de absurde situatie dat, terwijl meer en meer mensen zich oprecht zorgen maken over de extreme droogte en zich afvragen hoe ze kunnen ­­­bij­dragen, de kabinetschef van de Vlaamse minister van Milieu en ­Klimaat doodleuk zegt dat er geen ­indicaties zijn dat gazons sproeien geen goed idee zou zijn.

Zolang we de natuur beschouwen als een dood ­reservoir aan grondstoffen, zal de klimaatshift er nooit komen.

Het komt blijkbaar niet in die politici op dat het juist de taak is van politiek leiderschap om draagvlak te creëren. Dat doe je niet door mensen naar de mond te praten of je weg te steken achter nepargumenten. Kijk naar Duitsland. Daar zegt de minister voor Klimaat en Economie, Robert ­Habeck, elke dag waar het op staat – we staan voor barre tijden, moeten drastische maatregelen nemen – en hij is zowaar de populairste politicus in zijn land. In eigen land realiseerde de Gentse schepen Filip Watteeuw (Groen) een trendbreuk op het vlak van mobiliteitsbeleid – nooit eerder namen zoveel mensen er de fiets voor verplaatsingen. Hij werd er bij de verkiezingen in 2018 niet voor afgestraft, integendeel. Watteeuw kon trouwens verder bouwen op wat moedige politici voordien in Gent al hadden bereikt: als liberaal was gewezen schepen Sas Van Rouveroij eind jaren 90 zijn tijd (en zijn partij) ver vooruit, de socialistische burgemeester Frank Beke verraste destijds vriend en vijand door overal met de fiets te verschijnen.

De natuur is geen koopwaar

Ook de rol van dominante verhalen in onze samenleving is een belangrijk obstakel: hoe we naar de wereld ­kijken en erover praten. Zolang we de natuur beschouwen als een dood ­reservoir aan grondstoffen, verandering zien als een louter persoonlijke gedragswijziging, zal de klimaatshift er nooit komen.

De geschiedenis van de welvaartsstaat leert dat sociale verandering het resultaat is van collectieve strijd en publiek debat. 

De geschiedenis van de welvaartsstaat leert dat sociale verandering het resultaat is van collectieve strijd en publiek debat. Destijds pikten we bijvoorbeeld ook niet langer dat arbeiders rechteloze loonslaven ­waren. Vandaag zal de verandering er opnieuw pas komen na collectieve actie en effectieve strijd – dat hebben onder anderen Extinc­tion Rebellion en de klimaatjongeren goed begrepen. En ook de natuur is geen koopwaar, daarom is de discussie over de rechten van de natuur zo cruciaal. Alleen als we nieuwe ver­halen over de toekomst verbinden met hedendaagse vormen van collectieve strijd, stijgt de kans dat de ­klimaatshift er tijdig komt.

 Dit opiniestuk verscheen oorspronkelijk in De Standaard.
Read more...

Als energiemarkten niet rationeel zijn, wenken de alternatieven

21 maart 2022 by Transitie 1061 Views
Dirk Holemans

Written by

 

'Een crisis laat zien hoe snel heilige huisjes kunnen verkruimelen', schrijft Dirk Holemans van de ecologische denktank Oikos over de hoge energieprijzen. 'We hebben een nieuwe evenwicht nodig tussen marktwerking en wederkerigheid.'

Het was een opmerkelijke uitspraak van de liberale premier Alexander De Croo in De Standaard: 'De energiemarkten zijn niet meer rationeel. We moeten ingrijpen.'. Het toont hoe snel heilige huisjes - de onfeilbaarheid van de markt - snel door een crisis verkruimelen. De uitspraak wordt nog interessanter als we er een tweede punt aan toevoegen dat het nieuws niet haalde. Ecopower, de burgercoöperatie die voor het grootste deel van haar stroom niet via de dagelijkse energiemarkt werkt, was vorig jaar en is ook nu in crisistijd de goedkoopste stroomleverancier aan een stabiele prijs. Ecopower is geen klassiek privaat bedrijf, dat economische activiteiten opzet om winst te genereren en kapitaal te vergoeden. Het is een burgercollectief gericht op het maatschappelijk doel om honderd procent hernieuwbare lokale energie te produceren en haar leden te stimuleren tot energiebesparing. Door aan energiedelen te doen - met productiemiddelen die de gebruikers ook in eigendom hebben - is Ecopower een stuk onafhankelijker van de volatiele energiemarkten en prijsspeculatie. Dat geldt trouwens ook voor de twintigtal andere Vlaamse energiecoöperaties die gebruik kunnen maken van de leveranciersdienst van Ecopower.

Het roept de vraag op wat er zou zijn gebeurd mochten regeringen zich twintig jaar geleden als doel had gesteld om een stimulerend regelgevend kader op te zetten zodat er nu honderd energiecoöperaties van de schaal van Ecopower zouden zijn? Dan zat Ecopower nu niet plots met een wachtlijst voor nieuwe klanten die pas recent de meerwaarde ervan ontdekken. Deze vraagt vertaalt zich in de volgende: wat als we niet al onze eieren in de mand van marktwerking hadden gelegd?

Of nog beter: wat leren we hieruit om vandaag werk te maken van een innovatief energiebeleid dat veel rijker is dan het blinde geloof in marktwerking geïntroduceerd door de Europese Unie in de jaren 1990?

De bedoeling van deze vraagstelling is niet marktwerking blind af te wijzen of burgercollectieven naïef te verheerlijken. De toekomst zal niet of/of zijn, hopelijk wel een slimme en/en. Daartoe kunnen we de ideeën van Karl Polanyi gebruiken. Het is geen toeval dat het analysekader van deze Hongaars-Joodse denker een revival kent in de literatuur over transitie. Het uitgangspunt van Polanyi, dat hij uitschreef in zijn basisboek The Great Transformation uit 1944, is dat een samenleving waar de markt overheerst, een uitzondering is in de menselijke geschiedenis. Samenlevingen maken steeds, naast het huishouden en de markt, gebruik van de organisatieprincipes van herverdeling via autoriteiten en wederkerigheid door zelforganisatie van groepen.

Door de combinatie van globalisering en neoliberaal beleid ontstond vanaf de jaren 1980 de idee dat marktwerking het meest efficiënt is, we afkerig tegen overheidsacties moeten staan en burgercollectieven er eigenlijk economisch niet toe doen. Met de coronacrisis kregen we al een wake-up call dat het anders moet. Enkel een krachtige overheid houdt onze samenleving overeind. Nu zitten we in de volgende crisis. Hoog tijd om fundamentele vragen terug aan de orde te stellen: wat zijn naast de nood aan een sturende overheid, de beperkingen van marktwerking en het potentieel van burgercollectieven gestoeld op wederkerigheid?

Polanyi erkende de positieve rol van markten, op voorwaarde dat ze ingebed zitten in sociaal-ecologische normen. In een samenleving die voor een dringende transformatie staat - lees het recente IPCC-rapport - komt hierbij het bewustzijn bij dat markten geen toekomstvisie hebben. Ze gaan uit van een specifieke vorm van 'rationeel' handelen van de marktactoren. Geopolitieke, laat staan dictatoriale overwegingen horen daar niet bij. De beperkingen van vermarkting tonen zich elke dag. Gasinstallaties nodig om wintervoorraden op te slaan, blijken in verschillende landen overgeheveld naar private bedrijven, waaronder Gazprom. Zo krijgen we een cynische replay van de coronacrisis. Toen leerden we dat overheden hun strategische voorraden aan mondmaskers hadden stopgezet want te duur. En bovendien zou je die snel kunnen kopen in de geglobaliseerde economie. Tot landen hun grenzen sloten. De cruciale les die ik toen omschreef als veerkracht opbouwen hebben de overheden in het energiebeleid straal genegeerd. Want veerkracht betekent je niet afhankelijk maken van een klein aantal leveranciers, de illusie loslaten dat de markt wel zorgt voor de toekomst. We betalen nu de prijs voor wat de econoom Dirk Bezemer omschrijft als het 'kleine-bufferkapitalisme': just-in-time productie, op die plaats van de wereld waar die het efficiëntste is, zorgt voor pijnlijke kwetsbaarheid. Ook heeft de geliberaliseerde markt grote energiebedrijven niet aangespoord om te investeren in hernieuwbare energie, noch in het aansporen tot minder consumptie. Want dat laatste zou een ware paradox voor een kapitalistisch bedrijf betekenen, niet?

Over naar energiecoöperaties, gebouwd op het organisatieprincipe van wederkerigheid. Burgers worden coöperant omdat ze geloven in de waarden van de organisatie en gebruik willen maken producten en diensten waarin op ethische wijze voorzien wordt. Dat gebeurt concreet volgens de zogenaamde ICA-principes, zoals democratische controle door leden, samenwerking met andere coöperaties, beperkte uitkering van een dividend in combinatie met investering van de winst in de maatschappelijke doelstellingen. De combinatie van deze principes leidt ertoe dat coöperaties de rangen sluiten voor speculatieve beleggers gefocust op winstmaximalisatie.

Ondertussen weten we waarom de elektriciteitsprijzen de pan uitswingen. Op de energiemarkt bepaalt de duurste aanbieder die nodig is om aan de energievraag te voldoen, de eenheidsprijs die alle producenten krijgen en alle afnemers betalen. En laat dat nu toch telkens centrales op gas zijn, waarvan de prijs door het dak is gegaan. Maar niet alles gaat via die markt. Zowieso heb je afnemers die langetermijn contracten afsluiten met producenten. Maar de prijs hiervoor zal meestal die van de energiemarkt reflecteren. Tenzij je niet enkel marktprincipes toepast, maar ook sociaal-ecologische waarden zoals burgercoöperaties doen. Daar wordt de prijs bepaald door de kostprijs van de hernieuwbare productie, is er geen streven naar winstmaximalisatie. Dat is de essentie van energiedelen binnen een energiegemeenschap.

Omdat energiecoöperaties rechtstreeks leveren aan hun leden, werken ze complementair aan de energiemarkt. Ze bepalen hun prijs niet in functie van wat de markt wil betalen in tijden van krapte, wat nu voor de immense overwinsten zorgt bij energiebedrijven en de oorlogskas van Poetin spekt. De prijs reflecteert de reële productiekosten en een marge om verder te kunnen investeren in projecten van hernieuwbare energie. Daarom dat leden van energiecoöperaties die gebruik kunnen maken van de leveringsdienst van Ecopower in Vlaanderen ook in crisistijden een stabiele en faire prijs betalen voor hun elektriciteit. Een economische organisatie die trouwens structureel haar leden aanspoort om energie te besparen, wat tot aanzienlijke resultaten heeft geleid.

Dus, als we in de broodnodige energietransitie noch Poetin noch energieconcerns rijk willen maken, maar integendeel hernieuwbare energie en betaalbare prijzen voor burgers willen, die ook financieel een graantje kunnen meepikken, zal een nieuw evenwicht tussen marktwerking en wederkerigheid, winst en samenwerking, broodnodig zijn.

Dit stuk verscheen op 17 maart 2022 in Knack

Read more...

Onzeker en duur gas: als onze gebouwen het probleem en de oplossing zijn

01 maart 2022 by Transitie 948 Views
Dirk Holemans

Written by

De crisis van de energieprijzen toont wat experts al lang weten: bij veel van onze gebouwen - die we doorgaans met gas verwarmen - vliegt de warmte en nu dus ook veel geld naar buiten en staan er verouderde energie-installaties. We hebben geen extra studies nodig. Wat ontbreekt is een moedige langetermijnaanpak met een ambitie op dezelfde hoogte als de uitdaging.

Drie argumenten maken de nood duidelijk aan een Vlaams Actieplan Gebouwen. Allereerst de levenskwaliteit van mensen met lagere inkomens, die doorgaans in huizen van mindere kwaliteit wonen. We laten hen nu letterlijk in de kou staan. Vervolgens het klimaatbeleid: onze gebouwen zijn energievreters en zo een belangrijke bron van broeikasgassen. Een sterk klimaatbeleid zorgt dat we minder broeikasgassen uitstoten omdat we veel minder energie nodig hebben. Zo komen bij de derde factor: de verhoogde economische en geopolitieke veiligheid als we minder energie importeren, dat behoeft in de huidige situatie geen betoog. Het is duidelijk: lange termijn plannen, die we onmiddellijk implementeren, zijn hoogdringend. Twee observaties maken duidelijk in welke situatie het non-beleid van de vorige decennia ons gebracht heeft.

De Vlaamse regering verwijst graag naar de Scandinavische landen. Laat ons dat hier ook doen. Wat gebeurt er als je in Noorwegen de verwarming afzet terwijl het buiten nul graden Celsius is en in je huis 20 graden? Na vijf uur tijd zal de temperatuur 0,9 graden gedaald zijn. In België is dat maar liefst 2,9 graden, het slechtste van heel West-Europa. Maar ook ander onderzoek is ontluisterend: uit gegevens van Eurostat blijkt dat in België bijna driekwart van energiegebruik van gezinnen naar verwarming gaat, daarmee staat ons land in de illustere Top-3 van heel Europa.

Over naar Europa: gebouwen zijn er de grootste energieconsument. Ze vereisen 40 procent van het energiegebruik en creëren 36% van onze broeikasgassen. En ook de geopolitieke link is helder: In de winter is gasgebruik in gebouwen verantwoordelijk voor de helft van de Europese gasvraag. Peter Zeniewski van het Internationaal Energie Agentschap berekende als we dit decennium inzetten op het energiezuinig maken van de woonvoorraad, de gasvraag in de winter met 20 miljard kubieke meter gas kan dalen tegen 2030. Vandaag kost zo’n hoeveel gas de Europese gezinnen rond 35 miljard euro. De winst is duidelijk: elke euro die we in gebouwenrenovatie steken, betaalt zich meervoudig terug: meer levenskwaliteit voor gezinnen, minder kosten voor bedrijven en meer geopolitieke stabiliteit.

De Europese Commissie zet ondertussen ambitieuze krijtlijnen uit. Haar Renovation Wave, als onderdeel van de Green Deal, wil het renovatieritme versnellen en werk maken van grondige renovaties. En met het herstelplan en haar ambitieus klimaatbeleid Fitfor55 heeft de Commissie haar ambities nog versterkt. Dat werd december vorig jaar duidelijk, toen de Commissie haar plannen communiceerde om fossiele brandstoffen voor verwarming en koeling uit te faseren tegen 2040.

Over naar Vlaanderen. Met haar nota ‘Langetermijnstrategie voor de renovatie van Vlaamse gebouwen’ weet de regering perfect waaruit de uitdaging bestaat. Amper 3,5% van het bestaande woningenpark van bijna 3 miljoen woningen voldoet aan het streefdoel qua energienormen. Dat betekent dat de grote meerderheid - 2,9 miljoen woningen - moet worden gerenoveerd. En aangezien niet elke woning met één verbouwing op het hoogste niveau zal staan, betekent dit “dat op jaarbasis de komende dertig jaar in ruim 6 % van de woningen (180.000) renovatiewerken worden uitgevoerd”. Ook het kostenplaatje oogt indrukwekkend: ruim 150 miljard euro voor woongebouwen en 57 miljard euro voor niet-woongebouwen.

Het is duidelijk dat we spreken over een maatschappelijk project met de ambitie van een naoorlogs Marshallplan. De overheid kan dat nooit alleen bekostigen of realiseren. Daarvoor moet je alle maatschappelijke actoren mobiliseren. Maar de mogelijkheden zijn daar: nog voor de hoge energieprijzen waren bijvoorbeeld ESCO’s (Energy Saving Companies) al bezig met het energiezuinig maken van onder meer scholen en rusthuizen. De bedrijven nemen alles op zich - van financiering, planning tot de renovatiewerken zelf - in ruil blijven de gebouweigenaars 10 tot 15 jaar lang hun oude hoge energiefactuur betalen. Het is duidelijk dat de hoge energieprijzen de business case ook voor huizen interessant kan maken.

Verder is ook een massief rollend fonds een goed idee: in Nederland is er een warmtefonds waar de overheid met een hefboominleg van 100 mijloen euro een private inbreng mobiliseerde die het bedrag naar het miljard bracht. Waarschijnlijk hebben we het tienvoud nodig. Maar dat is niet onmogelijk: het spaargeld van burgers verdampt bij de hoge historisch hoge inflatie. Mobiliseer dat, bijvoorbeeld via energiecoöperaties en groene obligaties. Als je met zo’n fonds leningen met een vaste lage rente verschaft, krijg je miljarden die over decennia verschillende malen geherinvesteerd worden. Daarnaast is het de taak van de overheid om eindelijk op performante wijze de sociale woningbouw te ondersteunen, met zowel vernieuwbouw alsook  extra energiezuinige sociale woningen.

En laat asjeblieft niet elke Vlaming het zelf uitzoeken. Er zijn al knappe concepten als de positieve energiewijk ontwikkeld door VITO en VVSG, die maatschappelijke optimalisatie van een collectieve aanpak beoogt. In deze wijken gaan diepgaande huizenrenovaties hand in hand met de realisatie van de energietransitie. Daarbij delen buren en wijk hun electriciteitsproductie, worden volop warmtepompen geïnstalleerd en helpen naast een wijkbatterij de batterijen van de elektrische auto’s om het net mee te balanceren. Een wijkregisseur zorgt voor ontzorging.

Het is allemaal ambitieus en niet eenvoudig, maar wel haalbaar en noodzakelijk. En net zoals bij het klimaatbeleid in het algemeen, is de kost van ter plaatse trappelen op termijn veel hoger dan nu fors te investeren in de toekomst.

_______

Dit opiniestuk verscheen ook in De Wereldmorgen.

Read more...

Pierre Rabhi, de nalatenschap van een paysan-filosoof

16 december 2021 by Transitie 909 Views
Ans Rossy

Written by

Op 4 december is Pierre Rabhi op 83-jarige leeftijd overleden. Een vervuld leven van een inspirerend man. Mijn nadere kennismaking met zijn werk begon met een bezoek in 2011 aan één van de projecten van het door hem opgerichte netwerk Oasis en Tous Lieux. Dat was Oasis de 7 Cercles van Catherine en Laurent in Bretagne. 

Het netwerk bestond uit initiatieven voor duurzaam samen-wonen en solidaire en agro-ecologische projecten. Initiatieven, die zich ondertussen ook Europees verenigen, zoals bij het platform Ecolise. Het Franse netwerk ging in 2015 op in de veel bredere burgerbeweging rond ecologie, Colibri.

Mijn bezoek aan dat project was mede de drijfveer om in 2012 mijn Cycloasis, cycling to reconnect Earth and Humanity op te zetten (zie Oikos 1/2013). Een fietstocht van ruim vier maanden door Frankrijk op bezoek en gewerkt bij Oasis’ en andere initiatieven rond agro-ecologische landbouw, zoals die van het eerste grondfonds in Europa Terre de Liens

Toen heb ik ook projecten bezocht waar Pierre Rabhi zelf aan verbonden was. Terre & Humanisme, met opleidingen voor agro-ecologie en het agro-ecologisch centrum Les Amanins met ook een school, opgericht door een voormalig hotelier. Tijdens mijn reis heb ik Pierre Rabhi thuis op zijn boerderij in de Ardèche ontmoet. Wat mij inspireerde was zijn heldere verhaal over de noodzaak voor de mens zich opnieuw te verbinden met de aarde, de natuur en meer in eenvoud te leven. Dit als beweging tegen een systeem van als maar meer uitputting en uitbuiting van bodems en mensen en vernietiging van habitats. Hij schilderde hoe de mens eigenlijk zijn hele leven in ‘boîtes’ doorbrengt. “Zelfs als we doodgaan stoppen ze ons nog in een doos”, zei hij met pretoogjes. Hij beschreef hoe het werk in een fabriek in zijn jonge jaren hem snel deed inzien dat zo’n systeem tot vervreemding leidt en we daarin helemaal niet meer vrij en autonoom zijn. 

 

La sobriété heureuse en persoonlijke verandering

Echte verandering, zo zei hij bij mijn bezoek, komt niet van politiek of van onze leiders maar van burgers en het maatschappelijk middenveld. “Mensen moeten hun leven zelf in de hand nemen en de talloze talenten die ze bezitten ontwikkelen en gebruiken”. Zijn motto la Sobriété Heureuse gaat over de eigen bijdragen aan verandering, in een leven van gelukkige eenvoud en in respectvolle omgang met de natuur. Met die idee was hij niet alleen. Ook de Indiase boeddhist en ecologisch activist Satish Kumar, die ondermeer het Schumacher College in Devon heeft opgericht, pleit in zijn gelijknamige boek voor Elegant Simplicity, the Art of living well. Zouden deze mannen elkaar ooit ontmoet hebben?

Later werd hem verweten dat hij te weinig stelling nam tegen maatschappelijke misstanden en niet op echte systeemverandering aanstuurde. Zo vonden sommigen dat hij met wat zij een ‘karig’ leven noemden, armoede zou propageren. Het soort kritiek dat mensen die duurzaam handelen en leven wel vaker naar hun hoofd krijgen van mensen die daar niets van willen weten of zich daar niets bij kunnen voorstellen. Zo van: ‘We gaan toch zeker niet terug naar de jaren vijftig!’ 

Hij had wel degelijk kritiek op het kapitalisme met de technologisch-wetenschappelijke focus. Maar sommigen keurden het af dat hij zich, zeker de laatste jaren, vaker in het gezelschap van de ‘beau monde’ en industriëlen begaf. Pierre Rabhi zag dat als mogelijkheid om zijn werk verder uit te dragen en middelen binnen te halen voor de stichtingen. Het is eigenlijk ook eerder recent dat de kritiek op het economische en politieke systeem luider klinkt. De financiële crisis van 2008, de COP26 in Parijs, de alarmerende rapporten van het IPCC en de elkaar steeds sneller opvolgende klimaatrampen overal in de wereld brachten nieuwe burgerdynamieken voor systeemverandering voort. Zoals: Occupy, Fridays for Future, gele hesjes, Extinction Rebellion, als ook de Doughnut Economie van Kate Raworth.

 

Wijsheid in Humaan en Humus

Pierre Rabhi was van eenvoudige komaf. Hij werd in 1938 in een woestijndorp in Algerije geboren. Toen zijn moeder op vierjarige leeftijd overleed werd hij geadopteerd door een streng katholieke bourgeois familie uit Parijs. Hij was een humanist en een natuurverbonden mens. Zijn boeken zijn filosofisch en spiritueel. In de latere fase van zijn leven, waarin hij bekender werd en die samenvalt met een breder besef van de klimaatproblemen, wordt hij in elitaire kringen wel eens met grote intellectuele denkers, waar Fransen zo verzot op zijn, zoals Edgar Morin of Stéphane Hessel vergeleken. Om dan te concluderen dat hij toch maar een paysan was. Het ontging hen echter, dat er zoiets als een ‘sagesse terrienne’ bestaat, een aardse wijsheid, die je niet op de universiteit leert. Rabhi was een man van de handen in de aarde, een autodidact die verschillende talenten heeft ontwikkeld, waaronder het filosoferen en schrijven. De mainstream heeft nu eenmaal moeite zulke mensen te vatten, want die passen niet in een hokje. En Pierre Rabhi had niks met hokjes. 

Zijn verhaal was dat van de mens die het verschil kan maken door zelf te handelen en het goede te doen. Mensen verklaarden hem voor gek toen hij begon te boeren in de Ardèche, op zo’n droge onvruchtbare bodem, zonder water en elektriciteit. Hij leerde van anderen hoe hij de aarde zonder gif of technologie kon bewerken. Tot het met de jaren veranderde in een kleine oasis, waar hij met zijn gezin van 5 kinderen van kon eten. Hij heeft in een interview eens gezegd dat zijn sterke verbondenheid met ‘moeder’ aarde wellicht voortkwam uit het feit dat hij zijn moeder zo jong had verloren. Ik heb het met eigen ogen gezien en heb een immens respect voor mensen die met hun eigen handen en met een savoir en savoir-faire, ‘stewards’ worden van land. Mensen die bodems, humus en biodiversiteit ondersteunen zodat dat gezond voedsel oplevert. Dat is werkelijk waarde toevoegen aan het leven. Hij zei dat de planten uiteindelijk het werk doen: “Eén zaadje en zie hoe dat zich vermenigvuldigt!”. 

Ik heb hem als een bescheiden en inspirerende man ervaren, zonder pretenties. Ik kan me voorstellen dat hij ook wel een zekere trots gevoeld zal hebben toen hij pas veel later in zijn leven door het ‘establishment’ erkend werd. Waarvan sommigen op hun beurt ook graag met hem gezien werden, voor hun eigen imago. 

Zijn erfenis is dat hij gezaaid heeft. De oogst is rijk. Een hele generatie agro-ecologische en solidaire paysans zijn mede door hem geïnspireerd. Jongeren die een aanpak kiezen die bij deze tijd past. Die social entrepreneur zijn en circulaire economie of concepten als green care en social farming toepassen. Hij heeft zeker ook bijgedragen dat agro-ecologie op het netvlies van beleid en politiek is gekomen. Hij is altijd die paysan gebleven. Met een levensfilosofie die dicht bij het land stond, waarin hij agro-ecologie en humanisme met elkaar verbond.  

Merci Pierre Rabhi!   

 

Read more...

De wolven van Wall Street

08 februari 2021 by Transitie 1891 Views

‘De predatoren zijn nu plots zelf de prooi’ is te lezen in De Standaard van 29 januari. Pascal Paepen zegt : "het is populistisch om te zeggen dat shorters en hefboomfondsen per definitie slecht zijn. Ze kunnen een ‘corrigerende factor’ zijn op de beurs". Ik begrijp de overtuiging niet van deze bekende en gewaardeerde beleggingsadviseur over dergelijk anoniem, ongereglementeerd verdienen van ‘geld met geld’.

Want een belangrijke vraag is natuurlijk of deze ‘corrigerende factor’ het bestaan van hedge funds/shorters/credit defaults etc. legitimeert. Ligt het probleem nu opeens bij de amateur-beleggers die ook een stukje van de taart willen en plots een revolte veroorzaken of ligt het probleem dieper?

De Amerikaanse filosoof Michael Sandel behandelt die vraag in zijn laatste boek ‘De tirannie van de verdienste'. Hij verwijst daarbij naar Rana Fooroohar (Financial Times) die reeds in 2016 in haar boek ‘Makers en Takers – the rise of finance and the fall of American Business’ schreef : “de belangrijkste graaiers in de economie van nu zijn diegenen die door financiële transacties enorme winsten opstrijken zonder iets bij te dragen aan de reële economie”*. Ook verwijst Sandel naar Adair Turner (London School of Economics) die in het LSE Report ‘The Future of Finance’ onthutsende cijfers brengt : slechts vijftien procent van de financiële stromen heeft betrekking op productief ondernemen. De rest zijn derivaten, is speculatie.

Sinds de bloei van het neoliberale kapitalisme, met onder meer de deregulering die tijdens het presidentschap van Bill Clinton werd toegestaan, is het percentage van financiële stromen dat productief bijdraagt continu gedaald. De morele en politieke implicaties van deze beslissing met dergelijk financieel handelen als gevolg zijn enorm. De beurs is voor een groot deel enkel en alleen een instrument van speculatie en niét van economische activiteit.

De financialisering heeft in de Verenigde Staten de ongelijkheid sterk vergroot. Geen wonder dus dat de ‘deplorables’ (dixit Hillary Clinton) ook een graantje willen meepikken. Bovenal leidt deze financialisering tot periodieke financiële crisissen (bv. 2008) die economische waarde vernietigen. De financiële sector helpt de economie niet meer, maar hindert eerder.

Rana Fooroohar zegt, hetgeen ik volledig beaam : "de werkelijke makers zijn de mensen die werken in de reële economie die ons nuttige goederen en diensten levert, alsook diegenen die investeren (met aandelen/leningen…) in productieve activiteiten".  

Willen wij een transitie naar een gezond economisch leven, dan is het noodzakelijk dat geldstromen zich richten naar reële economische activiteiten. De rol en het nut van de beurs dient teruggebracht te worden tot datgene waarvoor ze dient, namelijk om vraag en aanbod van financiële middelen die nodig zijn in het bedrijfsleven voor de productie van goederen en diensten te regelen.

Tegelijk moeten we ons als burger de vraag stellen wat we met ons ‘spaargeld’ aanvangen, waar het kan bijdragen tot de reële economie. Goedmenende spaarders zoeken naar zinvolle beleggingen maar krijgen nauwelijks inzicht in de mogelijkheden. Er is geen transparantie, ze geven daardoor maar al te makkelijk carte blanche aan institutionele beleggers, pensioenfondsen enz. en zijn zich niet bewust van het feit dat ze bijdragen aan deze financiële handel. Zo lazen we onlangs in de krant dat het actieterrein zich nu focust op zilver. De hedgefondsen proberen dit te ontkennen, maar meteen hebben Belgische beleggingsadviseurs hun klanten gewaarschuwd dat hun posities mogelijk drastische koersveranderingen kunnen ondergaan. Het beperkt zich dus niet tot Wall Street maar het reikt tot onze eigen spaarders die hun centen ter goeder trouw toevertrouwen aan – jawel – vermogensbeheerders en fondsenbeheerders. 

De vraag stelt zich hoe Belgische spaarders en beleggers een correct beeld kunnen krijgen over het beleid van onze Belgische banken. In België is er de beweging ‘Move your Money’ en vooral de organisatie FAIRFIN die focust op het financieel systeem en de banken aanspreekt op hun beleid. Fairfin lichtte in 2020 de banksector door en publiceerde haar bevindingen in Bankwijzer XL*. Ze analyseert de ‘zieke’ activiteiten van de sector en geeft diverse aanbevelingen tot veranderingen. Belangrijk is de ranking die ze opmaakt op basis van de investeringen van de banken in de reële economie en hoeveel ze speculeren op de financiële markten. Voor spaarders en beleggers is dit een goede tool want daarin wordt weergegeven welke banken beschikken over duurzame spaarrekeningen, duurzame beleggingsproducten en /of duurzaam pensioensparen. Triodos Bank behaalt de hoogste score want duurzaam financieel beheer behoort ontegensprekelijk tot de missie van de bank. VDK-bank bekleedt de tweede plaats, zet stappen vooruit op weg naar een versterking van haar duurzaam beleid en levert inspanningen tot ondersteuning van de lokale economie.

Read more...

OPINIE Lokaal en met de burger naar duurzame wijken

01 februari 2021 by Transitie 1495 Views
Dirk Holemans

Written by

Het energiemodel met enkele centrale productie-eenheden en burgers louter in de rol van passieve consumenten is voorbijgestreefd, vindt Dirk Holemans. Lokaal liggen de kansen voor het grijpen.

Zoals de wieken van een windmolen rondjes draaien, zo blijft het Vlaamse energiebeleid zich vastrijden in cirkels van gepruts. Alleen is die windmolen productief, wat we van het nieuwste debacle moeilijk kunnen zeggen. Het is ontstellend om te zien hoe Vlaamse ministers morsen met de goodwill van de bevolking en denken dat grondwettelijke kaders van geen tel zijn.

Dat de Vlaamse regering een uitweg zoekt en de gedupeerden wil compenseren, het zal wel. Als je mensen een bepaald rendement voorhoudt en dat valt ineens weg, zijn ze terecht boos. Het hoofdprobleem ligt dieper. Het beleid beschouwt de Vlaming in de eerste plaats als een financiële ­actor, zeg maar een combinatie van consument en belegger. En dan spreek je mensen vooral aan op wat ze er financieel kunnen uithalen, elk voor zich. Dan zitten koopkrachtige gezinnen elk rond hun keukentafel het verschil te berekenen tussen wat zonnepanelen en een beleggingsfonds kunnen opbrengen. Dat de investering ook goed is voor het klimaat, is een extra stimulans.

Dit beeld strookt met het dominante verhaal van onze neoliberale economie. Ieder voor zich geld verdienen is belangrijker dan ­samen waken over het welzijn van de samenleving en de planeet. De realiteit is anders, zoals ook de nieuwe Amerikaanse president Joe Biden stelde in zijn inaugurale rede. ‘A cry for survival comes from the planet itself …’

Als de Vlaamse regering burgers actief zou ondersteunen om ­samen te werken, ontstaan er hoopvolle, collectieve verhalen

Ook onze democratie verdient beter. Als de Vlaamse regering burgers actief zou ondersteunen om ­samen te werken, ontstaan er hoopvolle, collectieve verhalen. Bijvoorbeeld als ze de groene stroom die ze op hun daken produceren aan hun ­buren kunnen leveren in smart grids.

 

Wijk per wijk

Daarom dit constructieve voorstel aan de Vlaamse regering. Neem een adempauze en zet een nieuw energiebeleid op poten dat de Vlaming in de eerste plaats wil betrekken als burger. Dat laatste is ondertussen trouwens een Europese verplichting. De Europese wetgeving Clean Energy for All Europeans verplicht de lidstaten en hun regio’s de burgers een centrale rol te geven in de energiemarkt en te betrekken bij het beleid via zogenaamde energy communities. Dat is een ideaal kader om de bevolking te benaderen als burger in plaats van als consument-belegger. Daarmee kunnen veel meer burgers actief bijdragen aan de energietransitie en die kunnen ze zich ook toe-eigenen.

Dus, Vlaamse regering, verander het geweer van schouder en motiveer lokale overheden en burgers om ­samen hun wijk of gemeente duurzaam te maken. In een benadering van gezin per gezin op basis van premies en subsidies zijn de koopkrachtige gezinnen altijd de winnaars. Mensen met een laag inkomen vallen uit de boot, terwijl ze dikwijls de hoogste energiefactuur betalen.

Het is ook veel efficiënter en goedkoper om een hele wijk in één keer aan te pakken. Door overkoepelende wijkisolatieplannen te maken krijg je voor alle bewoners goed geïsoleerde ­woningen waar je de stroom van de zonnepanelen nuttig kan inzetten voor de kleine vraag naar verwarming en afkoeling. We kijken graag naar onze noorderburen. Wel, in Amsterdam hebben ze al een programma ‘buurt voor buurt aardgasvrij’. En de bewoners worden zo vroeg mogelijk ­betrokken in het proces om buurt­uitvoeringsplannen te maken.

Het is tijd dat de Vlaamse regering kleur bekent. Er bestaat een voorontwerp van decreet over de omzetting van de Europese regelgeving. Maar het is mossel noch vis. In hun gezamenlijk advies van 30 november jongstleden stellen het huis van het Vlaams sociaal overleg (Serv) en de Milieu- en ­Natuurraad (Mina) dat de beoordeling van het voorgestelde ­decretale ­kader ‘moeilijk is omdat het onduidelijk is welke keuzes de Vlaamse regering precies maakt, waar ze naartoe wil en wat de implicaties op het terrein zullen zijn’. De advies­raden voegen eraan toe: ‘besteed extra aandacht aan burgerparticipatie, ­lokale besturen, en kwetsbare groepen en samenhang’.

 

Toasten op groene stroom

Ondertussen blijven geëngageerde burgers in energiecoöperaties tonen hoe het wel kan. Ze vertrekken vanuit een draagvlakmodel en actieve burgerparticipatie. Ze groeien als kool. Van de achttien energiecoöperaties in Vlaanderen bestonden de meeste tien jaar geleden niet. Kijk bijvoorbeeld naar het Gentse Energent, opgericht in 2013. Het telt ondertussen duizend coöperanten en richt zich bewust op collectieve woningrenovatie en groepsaankopen.

Met het innovatieve project Buurzame Stroom liet het bovenal zien dat het mogelijk is een hele wijk te betrekken bij de energietransitie, zowel ­eigenaars als huurders, mensen met veel en met minder koopkracht. ­Samenwerking met energiecoöperaties is ook een gouden kans voor lokale besturen.

Een studie van het Institute for Distributed Energy Technologies (IdE) laat zien dat er bij een windmolenpark met zeven windmolens in handen van een internationaal bedrijf amper 7 miljoen euro terugvloeit naar de ­lokale gemeenschap. Als je de ontwikkeling lokaal in handen neemt, is dat acht keer meer.

We staan voor een reusachtige omslag in ons energiesysteem. Het oude model met enkele centrale productie-eenheden in handen van grote buitenlandse bedrijven en burgers louter in de rol van passieve consumenten is voorbijgestreefd. We evolueren ­razendsnel naar een model van decentrale productie. Dat is verspreid over heel het grondgebied, met flexibiliteit in energieproductie en -afname, zoals het draaien van wasmachines in functie van de productie.

Dit is een gouden kans om de ­Vlaming als burger serieus te nemen. Of laten we de controle weer over aan buitenlandse bedrijven? Net als vroeger zullen ze dan niet alleen met de winsten lopen, ze krijgen ook nog eens onschatbare data in handen over wie, wanneer, hoeveel energie verbruikt. Geef mij maar een nieuwe versie van de jaarlijkse buurtbarbecue, waar we samen toasten op de hoeveelheid groene stroom die we samen produceerden. En, nog belangrijker, hoeveel energie we bespaarden. Want daar valt nog altijd de meeste winst te rapen.

 

Geschreven door Dirk Holemans - Coördinator denktank Oikos. Verschenen in De Standaard op zaterdag 23 januari 2021

Read more...

Een donut als uithangbord voor steden in transitie

01 februari 2021 by Transitie 1530 Views

Een donut met municipalistisch smaakje

Wat heeft een zoet smakend Amerikaanse broodje-met-een-gat-in-het-midden te maken met een politieke stroming die ‘municipalisme’ wordt genoemd? Heel veel volgens Kate Raworth die een hoofdrol speelde in de uiterst boeiende Oikos-webinar Doughnut Economics in Practice, gemodereerd door Dirk Holemans, op vrijdag 22 januari 2021. Ook aanwezig waren de Amsterdamse wethouder Marieke Van Doorninck van Groenlinks (bijgestaan door haar kat) en Barbara Trachte van Ecolo, de Brusselse  staatssecretaris voor Economische Transitie. De titel van die affiche alleen al geeft een antwoord op de uitgangsvraag.

De theorie van Kate Raworth die zij in 2017 al heeft uitgeschreven in haar baanbrekende werk Doughnut Economics: Seven Ways to Think Like a 21st-Century Economist heeft intussen ingang gevonden bij een aantal steden die in haar werk inspiratie hebben gevonden om te werken aan een andere economie voor de 21ste eeuw. Philadelphia, Portland en Amsterdam hebben het voortouw genomen, maar ook Berlijn en Cambridge zijn op de kar gesprongen. Seoel, Kopenhagen en Rio de Janeiro kijken met belangstelling naar de ervaringen van Amsterdam  en daar is nu intussen ook Brussel bijgekomen. En van die twee laatste steden waren Marieke Van Doorninck en Barbara Trachte politieke vertegenwoordigers op de Oikos-webinar.

Andermaal blijkt dat van het stedelijk niveau soms meer vernieuwende impulsen uitgaan – denk maar aan de rebelse steden Spaanse steden – dan van hogere overheidsniveaus. Municipalisme of communalisme verwijst naar een politieke praktijk die uitgaat van het lokaal niveau waar de ‘nabijheid’ het grootste is: de wijk, de gemeente, de stad. Dat werd ook benadrukt door Kate Raworth tijdens een van haar tussenkomsten.

Met verbazing en veel respect luisterde ik naar die atypische Engelse econoom, die  haar academische achtergrond in functie van een ruimer maatschappelijk engagement heeft gesteld. Raworth is een buitenbeentje in dat wereldje en dat blijkt zeer duidelijk uit haar parcours dat zij – ze is nu 51 jaar – heeft afgelegd.  Na haar afstuderen aan de universiteit van Oxford, werkte ze in de dorpen van Zanzibar met micro-ondernemers. Ze was ook co-auteur van de Human Development Report voor het UNDP en daarna was ze een decennium lang senior onderzoeker bij Oxfam. Zij is dus in verschillende werelden thuis en het is dan ook vanuit een planetaire benadering dat zij aan haar donuttheorie heeft gewerkt. Bovendien beschikt ze over de gave om ingewikkelde zaken op een zeer bevattelijke manier over te brengen. Tijdens haar uiteenzetting zwaaide ze nu en dan met een rubberen slang waarmee ze bliksemsnel lineaire groeicurven omtoverde tot de worstvormige voorstelling van een circulaire economie. Raworth begint niet toevallig haar boek met de zin: ‘Het krachtigste instrument in de economie is geen geld, zelfs niet algebra, het is een potlood. Want met een potlood kun je de wereld hertekenen.’ Een gecompliceerde wereld herleiden tot een donut mét heel veel inhoud vraagt om een synthetische én pedagogische geest. En die heeft ze ongetwijfeld. Dichter bij huis doet het denken aan het bierviltje waarop ingenieur-architect Peter Vermeulen enkele jaren geleden de contouren van een overkoepelde oplossing voor de Antwerpse ring visualiseerde en nu zit dat megaproject in de fase van de concretisering. Zo zou het ook kunnen gaan met de donut van Kate Raworth.

 

Wat theorie achter de donut

Wat is nu de essentie van wat zij die donuteconomie noemt? Raworth gebruikt het zoete Amerikaanse broodje-met-een-gat-in-het-midden als beeld om de twee doelstellingen te benadrukken waar het volgens haar in de economie én in de politiek om zou moeten draaien. Namelijk enerzijds een bloeiende, leefbare aarde en anderzijds een humane, op menselijke ontplooiing gerichte samenleving. In de donut, aldus de auteur, worden beide doelen gevisualiseerd in de twee concentrische cirkels die de binnen- en de buitengrens van de donut vormen.  Binnen de binnenste cirkel – het sociale fundament – situeert Raworth menselijke ellende zoals honger, armoe en analfabetisme. De binnenste rand van het broodje staat dus voor het sociale fundament, voor wat minimaal noodzakelijk is voor het welzijn van iedereen. De buitenrand stelt  het ecologische plafond voor, met name de grens van wat onze planeet kan verdragen. Daar voorbij heb je klimaatverandering, afnemende biodiversiteit, uitgeputte bodems en verzuring van de oceaan. Tussen deze twee cirkels bevindt zich de donut, de ruimte waarin we – binnen de mogelijkheden van de planeet – kunnen voorzien in de behoefte van iedereen. De donut staat, concludeert Raworth, voor ‘een sociaal fundament van welzijn waar niemand onder mag zakken, en een ecologisch plafond dat niet mag worden doorbroken’.

 

Ecologisch én sociaal

In haar donuttheorie verenigt zij dus ecologische en sociale doelstellingen, want voor haar is de klimaatcrisis niet alleen een ecologisch probleem, maar ook een zeer groot sociaal vraagstuk’. ‘Rood’ en ‘groen’ moeten elkaar weten te vinden, want ‘Er zijn geen jobs op een dode planeet!’ zegt Sharan Burrow, de secretaris-generaal van de internationale vakbondsconfederatie ITUC. Deze vorm van ecosocialisme of van sociale ecologie zoals de Amerikaanse anarchist Murray Bookchin het noemt, begint stilaan vorm te krijgen in sommige steden en gemeenten – ik denk dan bijvoorbeeld aan het beleid van burgemeester Éric Piolle van Grenoble, aan burgemeester Jean-François Caron van Loos-en-Gohelle, aan Anne Hidalgo van de PS die in juni makkelijk opnieuw verkozen werd als rode burgemeester van Parijs, maar die zich tevens ontpopte als groene bezieler en natuurlijk mogen we in dit gezelschap zeker ook Ada Colau niet vergeten die voor de tweede verkozen werd tot burgemeester van Barcelona waar zij, samen met een sterke burgerbeweging, gedurfde roodgroene accenten weet uit te rollen. (1)

Toen deze notoire vertegenwoordigers van de municipalistische beweging begonnen was er nog geen sprake van een donut-theorie, noch van Kate Raworth. Dat is natuurlijk ook niet nodig om tot het inzicht te komen dat systeemverandering en klimaatverandering samen moeten gaan om te kunnen overstappen naar een kringloopeconomie, maar heel het donutverhaal blijft een inspirerende visualisering van een groenrode visie op een planetaire transitie. Dat is een van de grote sterktes van Kate Raworths analyse. De donut kan een sterk wapen zijn om de vele mensen die intussen met enthousiasme deelnemen aan kleinschalige burgerinitiatieven die met andere voedings-, kledings- en woonvormen te maken hebben - de lijst van creatieve, nieuwe samenlevingsvormen wordt met de dag uitgebreider -  een langere termijnperspectief voor ogen te houden.  Daarvoor zijn ambitieuze doelstellingen nodig. En die zijn er. Dat bleek onder meer uit de boeiende uiteenzetting van Marieke Van Doorninck.

 

Amsterdam als trekker

In Amsterdam is er sinds enkele jaren een progressief stadsbestuur aan het bewind. De Amsterdamse wethouder vertelde dat zij al enkele jaren geleden contact had met Kate Raworth en dat daaruit het idee gegroeid was om een Donut Coalitie op te richten, bestaande uit burgers en ondersteund door het stadsbestuur. Die Donut Coalitie is een samenwerkingsverband tussen de Hogeschool van Amsterdam (HvA), de Amsterdam Economic Board en Pakhuis De Zwijger, een ontmoetingscentrum rond inno­vatie. Belangrijk is ook dat, zoals in andere municipalistische experimenten, veel aandacht besteed wordt aan democratische besluitvorming en burgerparticipatie. Intussen heeft het Amsterdamse stadsbestuur de donut-principes ook verwerkt in een plan om tegen 2050 een volledig ‘circulaire stad’ te zijn. ‘En,’ voegt Van Doorninck er aan toe ‘In 2025, als de stad 750 jaar bestaat, moet het grondstoffenverbruik al met de helft zijn teruggedrongen.’ Dat zijn ambitieuze doelstellingen die dus ook een concreet tijdspad hebben meegekregen die veel verder reiken dan een politiek mandaat. (2)

Een donut verorber je in enkele happen, de stad en en passant de wereld veranderen duurt iets langer. Het gaat om kleine en grote stappen waarbij overheid, ambtenaren én burgers samen betrokken worden. Zo worden er zogenaamde donut-deals afgesproken. Nu al zijn tweehonderd projecten geïdentificeerd in Amsterdam om dat mogelijk te maken. Daarbij zijn opvallende ­initiatieven zoals de verwerking van urine tot meststof (GreenPee) of de aanleg van een ‘verticaal park’ in een voormalige ­gevangenis. Van Doorninck geeft nog enkele sprekende voorbeelden. In de Amsterdamse buurt Tuttifruttidorp bijvoorbeeld krijgen huurders een regenton, waarmee ze water kunnen besparen. In Amsterdam Zuidoost, in de wijk Gaasperdam leren kansarme vrouwen tijdens de naailes hoe ze hun energierekening naar beneden kunnen krijgen: door achter de stof waarvan ze gordijnen maken, isolatiemateriaal aan te brengen. Kleinschalige projecten, maar zeker nuttig.

Er wordt echter ook nagedacht over grotere, meer structurele interventies, maar die roepen heel wat vragen op, vragen die ook in de analyse van Raworth worden gesteld. Daarvoor ontwierp de overheid een aantal stadsselfies. Portretten van Amsterdam als haven bijvoorbeeld en wat daar zoal vanuit de ruime wereld binnen en buiten komt. Bijvoorbeeld dat in Ghana 3.500 mensen dwangarbeid verrichten op cacaoplantages. Cacao die vervolgens naar ­Amsterdam verscheept wordt, want de ­Nederlandse hoofdstad is de grootste cacao­haven ter wereld. Moet ­Amsterdam zijn cacao-import afbouwen om binnen de donut te passen? Maar wat als daardoor Amsterdammers werkloos worden en ­misschien wel door de sociale ondergrens heen zakken? Boeiende, maar zeer moeilijke vragen die vanuit het donut-denken moeten worden gesteld, maar waarop vooralsnog geen afdoend antwoord bestaat.

 

Brussel pikt aan

Ook in Brussel wordt de donut van Kate Raworth intussen gesmaakt. Dat vernemen we van Barbara Trachte die echter ruiterlijk toegeeft dat de Belgische hoofdstad nog maar in de beginfase staan van een donut-implementatie. Ook daar is corona een onverwachte spelbreker geweest.  Maar in Brussel is er heel wat beweging van onderuit dat resulteert in mooie,  vaak kleinschalige projecten. Een Pizza ‘la casa cocreativa’ in verband met sociale huisvesting, een groentesoep met zelfgemaakte tripartite bouillon over gronden en panden, een salade Bruxelloise ‘Jardin Citoyen’ over groen in de stad, een tajine van gemengde burgers met zilverstukkenrijst over burgerpanels, borrelhapjes van kennis met de smaak van fijnstof over milieu en burgerwetenschap, tijdballetjes à la sauce locale over time banking, pittige ‘électrique’ over energie(coöperaties) en een online dessertenbuffet over online participatie. Het is slechts een greep uit de vele initiatieven van onderuit. Een groter project is CitizenDev geworden, waar ook de stadsbeweging BRAL aan deelneemt, een stadsbeweging die al bijna een halve eeuw ijvert voor een duurzaam Brussel. BRAL is officieel erkend als gesprekspartner van de Brusselse gewestelijke overheid en is lid van de Gewestelijke Mobiliteitscommissie, de Gewestelijke Ontwikkelingscommissie, de Gewestelijke Milieuraad en de Brusselse Hoge Raad voor Natuurbehoud. Dat lijkt allemaal heel officieel en dat is het ook, maar dat belet echter niet dat BRAL zich inzet om een cultuur van burgerinitiatief en solidariteit van onderuit te doen groeien. En dan is er natuurlijk het intussen meer bekende  Community Land Trust Brussel (CLTB), een vereniging die blijvend betaalbare woonprojecten in Brussel ontwikkelt voor mensen met een beperkt inkomen op gedeelde gemeenschapsgronden.

Intussen is ook de vzw Confluences opgericht, die veel ervaring heeft met inspraak op wijkniveau en die samenwerkt met de managementschool Ichec en het praktijklaboratorium van ­Raworth. Het ­Gewest, zo vertelt Barbara Trachte, trok 145.000 euro uit voor het project, waarvan een klein deel naar Raworths ­organisatie gaat voor methodologisch ­advies. Een driehonderdtal Brusselaars wil meedenken en heeft zich ingeschreven op het platform www.donut.brussels. Barbara Trachte sprak de hoop uit dat zij met een Brusselse delegatie naar Amsterdam en naar de realisaties van de Donut Coalitie kan komen kijken. Netwerkvorming tussen steden is ook in het municipalisme een sterk wapen gebleken. Dat toonde Ada Colau enkele  jaren geleden aan door in Barcelona ‘Fearless cities’ van over de hele wereld bij elkaar te brengen op een grote conferentie.

 

Creating City Portraits

Ook Raworth is intussen niet bij de pakken blijven zitten. Haar boek, haar concrete aanpak en haar frisse verschijning hebben indruk gemaakt. Overal ter wereld werd zij als spreker gevraagd. Ook bij ‘de groten der aarde’. Tijdens de webinar liet zij toevallig vallen dat zij, voordat Joe Biden US-president werd, al door hem werd uitgenodigd om haar ideeëngoed te komen verduidelijken.

Maar er is meer. Het boek was voor haar geen eindpunt maar het begin van een activistisch proces. In de voorbije jaren hebben zij en haar medewerkers een arsenaal aan hulpmiddelen ontwikkeld om de implementatie van de donut-principes te faciliteren. Dat praktijklaboratorium van haar geeft een nieuwsbrief uit (https://www.kateraworth.com) dat tools hiervoor ter beschikking stelt. Een daarvan is ‘Creating City Portraits’ . Deze publicatie wil een methodologische gids zijn om stadsportretten te maken. 'Stadsportretten maken' is een methodiek om de donut van sociale en planetaire grenzen naar de stad te verkleinen. De tool biedt een holistische momentopname van de stad en haar impact door middel van vier lenzen - zowel sociaal als ecologisch, lokaal en globaal - die samen een nieuw perspectief bieden op wat het betekent voor een stad om te bloeien. Het waardeert wat een stad uniek maakt, terwijl het de wereldwijde invloed en verantwoordelijkheid ervan begrijpt. Het nadenken over de aanvoer van cacao uit Ghana is daarvan een mooi voorbeeld.

Think globally, act locally of hoe een simpele donut met een goed uitgebalanceerde inhoud hiervoor richtinggevend kan zijn.  Raworths boek heeft wat aan het rollen gebracht.

--

(1) Meer hierover in mijn boek ‘Rebelse plekken, over municipalisme en commons, Gompel&Svacina, 2019

(2) Dat was ook het idee achter ‘Onze stad’, onder redactie van Danielle Dierckx en Marc Swyngedouw die in 2018 academici, experten en geëngageerde burgers bij elkaar bracht om inspiratie op te doen voor het Antwerpen van morgen. Nog steeds een aanrader.

Read more...
Pagina 1 van 3
Don't have an account yet? Register Now!

Sign in to your account