en

Winkelwagen leeg

Denktank voor Sociaal-Ecologische Verandering

Transitie

Transitie (38)

Als energiemarkten niet rationeel zijn, wenken de alternatieven

21 maart 2022 by Transitie 692 Views
Dirk Holemans

Written by

 

'Een crisis laat zien hoe snel heilige huisjes kunnen verkruimelen', schrijft Dirk Holemans van de ecologische denktank Oikos over de hoge energieprijzen. 'We hebben een nieuwe evenwicht nodig tussen marktwerking en wederkerigheid.'

Het was een opmerkelijke uitspraak van de liberale premier Alexander De Croo in De Standaard: 'De energiemarkten zijn niet meer rationeel. We moeten ingrijpen.'. Het toont hoe snel heilige huisjes - de onfeilbaarheid van de markt - snel door een crisis verkruimelen. De uitspraak wordt nog interessanter als we er een tweede punt aan toevoegen dat het nieuws niet haalde. Ecopower, de burgercoöperatie die voor het grootste deel van haar stroom niet via de dagelijkse energiemarkt werkt, was vorig jaar en is ook nu in crisistijd de goedkoopste stroomleverancier aan een stabiele prijs. Ecopower is geen klassiek privaat bedrijf, dat economische activiteiten opzet om winst te genereren en kapitaal te vergoeden. Het is een burgercollectief gericht op het maatschappelijk doel om honderd procent hernieuwbare lokale energie te produceren en haar leden te stimuleren tot energiebesparing. Door aan energiedelen te doen - met productiemiddelen die de gebruikers ook in eigendom hebben - is Ecopower een stuk onafhankelijker van de volatiele energiemarkten en prijsspeculatie. Dat geldt trouwens ook voor de twintigtal andere Vlaamse energiecoöperaties die gebruik kunnen maken van de leveranciersdienst van Ecopower.

Het roept de vraag op wat er zou zijn gebeurd mochten regeringen zich twintig jaar geleden als doel had gesteld om een stimulerend regelgevend kader op te zetten zodat er nu honderd energiecoöperaties van de schaal van Ecopower zouden zijn? Dan zat Ecopower nu niet plots met een wachtlijst voor nieuwe klanten die pas recent de meerwaarde ervan ontdekken. Deze vraagt vertaalt zich in de volgende: wat als we niet al onze eieren in de mand van marktwerking hadden gelegd?

Of nog beter: wat leren we hieruit om vandaag werk te maken van een innovatief energiebeleid dat veel rijker is dan het blinde geloof in marktwerking geïntroduceerd door de Europese Unie in de jaren 1990?

De bedoeling van deze vraagstelling is niet marktwerking blind af te wijzen of burgercollectieven naïef te verheerlijken. De toekomst zal niet of/of zijn, hopelijk wel een slimme en/en. Daartoe kunnen we de ideeën van Karl Polanyi gebruiken. Het is geen toeval dat het analysekader van deze Hongaars-Joodse denker een revival kent in de literatuur over transitie. Het uitgangspunt van Polanyi, dat hij uitschreef in zijn basisboek The Great Transformation uit 1944, is dat een samenleving waar de markt overheerst, een uitzondering is in de menselijke geschiedenis. Samenlevingen maken steeds, naast het huishouden en de markt, gebruik van de organisatieprincipes van herverdeling via autoriteiten en wederkerigheid door zelforganisatie van groepen.

Door de combinatie van globalisering en neoliberaal beleid ontstond vanaf de jaren 1980 de idee dat marktwerking het meest efficiënt is, we afkerig tegen overheidsacties moeten staan en burgercollectieven er eigenlijk economisch niet toe doen. Met de coronacrisis kregen we al een wake-up call dat het anders moet. Enkel een krachtige overheid houdt onze samenleving overeind. Nu zitten we in de volgende crisis. Hoog tijd om fundamentele vragen terug aan de orde te stellen: wat zijn naast de nood aan een sturende overheid, de beperkingen van marktwerking en het potentieel van burgercollectieven gestoeld op wederkerigheid?

Polanyi erkende de positieve rol van markten, op voorwaarde dat ze ingebed zitten in sociaal-ecologische normen. In een samenleving die voor een dringende transformatie staat - lees het recente IPCC-rapport - komt hierbij het bewustzijn bij dat markten geen toekomstvisie hebben. Ze gaan uit van een specifieke vorm van 'rationeel' handelen van de marktactoren. Geopolitieke, laat staan dictatoriale overwegingen horen daar niet bij. De beperkingen van vermarkting tonen zich elke dag. Gasinstallaties nodig om wintervoorraden op te slaan, blijken in verschillende landen overgeheveld naar private bedrijven, waaronder Gazprom. Zo krijgen we een cynische replay van de coronacrisis. Toen leerden we dat overheden hun strategische voorraden aan mondmaskers hadden stopgezet want te duur. En bovendien zou je die snel kunnen kopen in de geglobaliseerde economie. Tot landen hun grenzen sloten. De cruciale les die ik toen omschreef als veerkracht opbouwen hebben de overheden in het energiebeleid straal genegeerd. Want veerkracht betekent je niet afhankelijk maken van een klein aantal leveranciers, de illusie loslaten dat de markt wel zorgt voor de toekomst. We betalen nu de prijs voor wat de econoom Dirk Bezemer omschrijft als het 'kleine-bufferkapitalisme': just-in-time productie, op die plaats van de wereld waar die het efficiëntste is, zorgt voor pijnlijke kwetsbaarheid. Ook heeft de geliberaliseerde markt grote energiebedrijven niet aangespoord om te investeren in hernieuwbare energie, noch in het aansporen tot minder consumptie. Want dat laatste zou een ware paradox voor een kapitalistisch bedrijf betekenen, niet?

Over naar energiecoöperaties, gebouwd op het organisatieprincipe van wederkerigheid. Burgers worden coöperant omdat ze geloven in de waarden van de organisatie en gebruik willen maken producten en diensten waarin op ethische wijze voorzien wordt. Dat gebeurt concreet volgens de zogenaamde ICA-principes, zoals democratische controle door leden, samenwerking met andere coöperaties, beperkte uitkering van een dividend in combinatie met investering van de winst in de maatschappelijke doelstellingen. De combinatie van deze principes leidt ertoe dat coöperaties de rangen sluiten voor speculatieve beleggers gefocust op winstmaximalisatie.

Ondertussen weten we waarom de elektriciteitsprijzen de pan uitswingen. Op de energiemarkt bepaalt de duurste aanbieder die nodig is om aan de energievraag te voldoen, de eenheidsprijs die alle producenten krijgen en alle afnemers betalen. En laat dat nu toch telkens centrales op gas zijn, waarvan de prijs door het dak is gegaan. Maar niet alles gaat via die markt. Zowieso heb je afnemers die langetermijn contracten afsluiten met producenten. Maar de prijs hiervoor zal meestal die van de energiemarkt reflecteren. Tenzij je niet enkel marktprincipes toepast, maar ook sociaal-ecologische waarden zoals burgercoöperaties doen. Daar wordt de prijs bepaald door de kostprijs van de hernieuwbare productie, is er geen streven naar winstmaximalisatie. Dat is de essentie van energiedelen binnen een energiegemeenschap.

Omdat energiecoöperaties rechtstreeks leveren aan hun leden, werken ze complementair aan de energiemarkt. Ze bepalen hun prijs niet in functie van wat de markt wil betalen in tijden van krapte, wat nu voor de immense overwinsten zorgt bij energiebedrijven en de oorlogskas van Poetin spekt. De prijs reflecteert de reële productiekosten en een marge om verder te kunnen investeren in projecten van hernieuwbare energie. Daarom dat leden van energiecoöperaties die gebruik kunnen maken van de leveringsdienst van Ecopower in Vlaanderen ook in crisistijden een stabiele en faire prijs betalen voor hun elektriciteit. Een economische organisatie die trouwens structureel haar leden aanspoort om energie te besparen, wat tot aanzienlijke resultaten heeft geleid.

Dus, als we in de broodnodige energietransitie noch Poetin noch energieconcerns rijk willen maken, maar integendeel hernieuwbare energie en betaalbare prijzen voor burgers willen, die ook financieel een graantje kunnen meepikken, zal een nieuw evenwicht tussen marktwerking en wederkerigheid, winst en samenwerking, broodnodig zijn.

Dit stuk verscheen op 17 maart 2022 in Knack

Read more...

Onzeker en duur gas: als onze gebouwen het probleem en de oplossing zijn

01 maart 2022 by Transitie 656 Views
Dirk Holemans

Written by

De crisis van de energieprijzen toont wat experts al lang weten: bij veel van onze gebouwen - die we doorgaans met gas verwarmen - vliegt de warmte en nu dus ook veel geld naar buiten en staan er verouderde energie-installaties. We hebben geen extra studies nodig. Wat ontbreekt is een moedige langetermijnaanpak met een ambitie op dezelfde hoogte als de uitdaging.

Drie argumenten maken de nood duidelijk aan een Vlaams Actieplan Gebouwen. Allereerst de levenskwaliteit van mensen met lagere inkomens, die doorgaans in huizen van mindere kwaliteit wonen. We laten hen nu letterlijk in de kou staan. Vervolgens het klimaatbeleid: onze gebouwen zijn energievreters en zo een belangrijke bron van broeikasgassen. Een sterk klimaatbeleid zorgt dat we minder broeikasgassen uitstoten omdat we veel minder energie nodig hebben. Zo komen bij de derde factor: de verhoogde economische en geopolitieke veiligheid als we minder energie importeren, dat behoeft in de huidige situatie geen betoog. Het is duidelijk: lange termijn plannen, die we onmiddellijk implementeren, zijn hoogdringend. Twee observaties maken duidelijk in welke situatie het non-beleid van de vorige decennia ons gebracht heeft.

De Vlaamse regering verwijst graag naar de Scandinavische landen. Laat ons dat hier ook doen. Wat gebeurt er als je in Noorwegen de verwarming afzet terwijl het buiten nul graden Celsius is en in je huis 20 graden? Na vijf uur tijd zal de temperatuur 0,9 graden gedaald zijn. In België is dat maar liefst 2,9 graden, het slechtste van heel West-Europa. Maar ook ander onderzoek is ontluisterend: uit gegevens van Eurostat blijkt dat in België bijna driekwart van energiegebruik van gezinnen naar verwarming gaat, daarmee staat ons land in de illustere Top-3 van heel Europa.

Over naar Europa: gebouwen zijn er de grootste energieconsument. Ze vereisen 40 procent van het energiegebruik en creëren 36% van onze broeikasgassen. En ook de geopolitieke link is helder: In de winter is gasgebruik in gebouwen verantwoordelijk voor de helft van de Europese gasvraag. Peter Zeniewski van het Internationaal Energie Agentschap berekende als we dit decennium inzetten op het energiezuinig maken van de woonvoorraad, de gasvraag in de winter met 20 miljard kubieke meter gas kan dalen tegen 2030. Vandaag kost zo’n hoeveel gas de Europese gezinnen rond 35 miljard euro. De winst is duidelijk: elke euro die we in gebouwenrenovatie steken, betaalt zich meervoudig terug: meer levenskwaliteit voor gezinnen, minder kosten voor bedrijven en meer geopolitieke stabiliteit.

De Europese Commissie zet ondertussen ambitieuze krijtlijnen uit. Haar Renovation Wave, als onderdeel van de Green Deal, wil het renovatieritme versnellen en werk maken van grondige renovaties. En met het herstelplan en haar ambitieus klimaatbeleid Fitfor55 heeft de Commissie haar ambities nog versterkt. Dat werd december vorig jaar duidelijk, toen de Commissie haar plannen communiceerde om fossiele brandstoffen voor verwarming en koeling uit te faseren tegen 2040.

Over naar Vlaanderen. Met haar nota ‘Langetermijnstrategie voor de renovatie van Vlaamse gebouwen’ weet de regering perfect waaruit de uitdaging bestaat. Amper 3,5% van het bestaande woningenpark van bijna 3 miljoen woningen voldoet aan het streefdoel qua energienormen. Dat betekent dat de grote meerderheid - 2,9 miljoen woningen - moet worden gerenoveerd. En aangezien niet elke woning met één verbouwing op het hoogste niveau zal staan, betekent dit “dat op jaarbasis de komende dertig jaar in ruim 6 % van de woningen (180.000) renovatiewerken worden uitgevoerd”. Ook het kostenplaatje oogt indrukwekkend: ruim 150 miljard euro voor woongebouwen en 57 miljard euro voor niet-woongebouwen.

Het is duidelijk dat we spreken over een maatschappelijk project met de ambitie van een naoorlogs Marshallplan. De overheid kan dat nooit alleen bekostigen of realiseren. Daarvoor moet je alle maatschappelijke actoren mobiliseren. Maar de mogelijkheden zijn daar: nog voor de hoge energieprijzen waren bijvoorbeeld ESCO’s (Energy Saving Companies) al bezig met het energiezuinig maken van onder meer scholen en rusthuizen. De bedrijven nemen alles op zich - van financiering, planning tot de renovatiewerken zelf - in ruil blijven de gebouweigenaars 10 tot 15 jaar lang hun oude hoge energiefactuur betalen. Het is duidelijk dat de hoge energieprijzen de business case ook voor huizen interessant kan maken.

Verder is ook een massief rollend fonds een goed idee: in Nederland is er een warmtefonds waar de overheid met een hefboominleg van 100 mijloen euro een private inbreng mobiliseerde die het bedrag naar het miljard bracht. Waarschijnlijk hebben we het tienvoud nodig. Maar dat is niet onmogelijk: het spaargeld van burgers verdampt bij de hoge historisch hoge inflatie. Mobiliseer dat, bijvoorbeeld via energiecoöperaties en groene obligaties. Als je met zo’n fonds leningen met een vaste lage rente verschaft, krijg je miljarden die over decennia verschillende malen geherinvesteerd worden. Daarnaast is het de taak van de overheid om eindelijk op performante wijze de sociale woningbouw te ondersteunen, met zowel vernieuwbouw alsook  extra energiezuinige sociale woningen.

En laat asjeblieft niet elke Vlaming het zelf uitzoeken. Er zijn al knappe concepten als de positieve energiewijk ontwikkeld door VITO en VVSG, die maatschappelijke optimalisatie van een collectieve aanpak beoogt. In deze wijken gaan diepgaande huizenrenovaties hand in hand met de realisatie van de energietransitie. Daarbij delen buren en wijk hun electriciteitsproductie, worden volop warmtepompen geïnstalleerd en helpen naast een wijkbatterij de batterijen van de elektrische auto’s om het net mee te balanceren. Een wijkregisseur zorgt voor ontzorging.

Het is allemaal ambitieus en niet eenvoudig, maar wel haalbaar en noodzakelijk. En net zoals bij het klimaatbeleid in het algemeen, is de kost van ter plaatse trappelen op termijn veel hoger dan nu fors te investeren in de toekomst.

_______

Dit opiniestuk verscheen ook in De Wereldmorgen.

Read more...

Pierre Rabhi, de nalatenschap van een paysan-filosoof

16 december 2021 by Transitie 617 Views
Ans Rossy

Written by

Op 4 december is Pierre Rabhi op 83-jarige leeftijd overleden. Een vervuld leven van een inspirerend man. Mijn nadere kennismaking met zijn werk begon met een bezoek in 2011 aan één van de projecten van het door hem opgerichte netwerk Oasis en Tous Lieux. Dat was Oasis de 7 Cercles van Catherine en Laurent in Bretagne. 

Het netwerk bestond uit initiatieven voor duurzaam samen-wonen en solidaire en agro-ecologische projecten. Initiatieven, die zich ondertussen ook Europees verenigen, zoals bij het platform Ecolise. Het Franse netwerk ging in 2015 op in de veel bredere burgerbeweging rond ecologie, Colibri.

Mijn bezoek aan dat project was mede de drijfveer om in 2012 mijn Cycloasis, cycling to reconnect Earth and Humanity op te zetten (zie Oikos 1/2013). Een fietstocht van ruim vier maanden door Frankrijk op bezoek en gewerkt bij Oasis’ en andere initiatieven rond agro-ecologische landbouw, zoals die van het eerste grondfonds in Europa Terre de Liens

Toen heb ik ook projecten bezocht waar Pierre Rabhi zelf aan verbonden was. Terre & Humanisme, met opleidingen voor agro-ecologie en het agro-ecologisch centrum Les Amanins met ook een school, opgericht door een voormalig hotelier. Tijdens mijn reis heb ik Pierre Rabhi thuis op zijn boerderij in de Ardèche ontmoet. Wat mij inspireerde was zijn heldere verhaal over de noodzaak voor de mens zich opnieuw te verbinden met de aarde, de natuur en meer in eenvoud te leven. Dit als beweging tegen een systeem van als maar meer uitputting en uitbuiting van bodems en mensen en vernietiging van habitats. Hij schilderde hoe de mens eigenlijk zijn hele leven in ‘boîtes’ doorbrengt. “Zelfs als we doodgaan stoppen ze ons nog in een doos”, zei hij met pretoogjes. Hij beschreef hoe het werk in een fabriek in zijn jonge jaren hem snel deed inzien dat zo’n systeem tot vervreemding leidt en we daarin helemaal niet meer vrij en autonoom zijn. 

 

La sobriété heureuse en persoonlijke verandering

Echte verandering, zo zei hij bij mijn bezoek, komt niet van politiek of van onze leiders maar van burgers en het maatschappelijk middenveld. “Mensen moeten hun leven zelf in de hand nemen en de talloze talenten die ze bezitten ontwikkelen en gebruiken”. Zijn motto la Sobriété Heureuse gaat over de eigen bijdragen aan verandering, in een leven van gelukkige eenvoud en in respectvolle omgang met de natuur. Met die idee was hij niet alleen. Ook de Indiase boeddhist en ecologisch activist Satish Kumar, die ondermeer het Schumacher College in Devon heeft opgericht, pleit in zijn gelijknamige boek voor Elegant Simplicity, the Art of living well. Zouden deze mannen elkaar ooit ontmoet hebben?

Later werd hem verweten dat hij te weinig stelling nam tegen maatschappelijke misstanden en niet op echte systeemverandering aanstuurde. Zo vonden sommigen dat hij met wat zij een ‘karig’ leven noemden, armoede zou propageren. Het soort kritiek dat mensen die duurzaam handelen en leven wel vaker naar hun hoofd krijgen van mensen die daar niets van willen weten of zich daar niets bij kunnen voorstellen. Zo van: ‘We gaan toch zeker niet terug naar de jaren vijftig!’ 

Hij had wel degelijk kritiek op het kapitalisme met de technologisch-wetenschappelijke focus. Maar sommigen keurden het af dat hij zich, zeker de laatste jaren, vaker in het gezelschap van de ‘beau monde’ en industriëlen begaf. Pierre Rabhi zag dat als mogelijkheid om zijn werk verder uit te dragen en middelen binnen te halen voor de stichtingen. Het is eigenlijk ook eerder recent dat de kritiek op het economische en politieke systeem luider klinkt. De financiële crisis van 2008, de COP26 in Parijs, de alarmerende rapporten van het IPCC en de elkaar steeds sneller opvolgende klimaatrampen overal in de wereld brachten nieuwe burgerdynamieken voor systeemverandering voort. Zoals: Occupy, Fridays for Future, gele hesjes, Extinction Rebellion, als ook de Doughnut Economie van Kate Raworth.

 

Wijsheid in Humaan en Humus

Pierre Rabhi was van eenvoudige komaf. Hij werd in 1938 in een woestijndorp in Algerije geboren. Toen zijn moeder op vierjarige leeftijd overleed werd hij geadopteerd door een streng katholieke bourgeois familie uit Parijs. Hij was een humanist en een natuurverbonden mens. Zijn boeken zijn filosofisch en spiritueel. In de latere fase van zijn leven, waarin hij bekender werd en die samenvalt met een breder besef van de klimaatproblemen, wordt hij in elitaire kringen wel eens met grote intellectuele denkers, waar Fransen zo verzot op zijn, zoals Edgar Morin of Stéphane Hessel vergeleken. Om dan te concluderen dat hij toch maar een paysan was. Het ontging hen echter, dat er zoiets als een ‘sagesse terrienne’ bestaat, een aardse wijsheid, die je niet op de universiteit leert. Rabhi was een man van de handen in de aarde, een autodidact die verschillende talenten heeft ontwikkeld, waaronder het filosoferen en schrijven. De mainstream heeft nu eenmaal moeite zulke mensen te vatten, want die passen niet in een hokje. En Pierre Rabhi had niks met hokjes. 

Zijn verhaal was dat van de mens die het verschil kan maken door zelf te handelen en het goede te doen. Mensen verklaarden hem voor gek toen hij begon te boeren in de Ardèche, op zo’n droge onvruchtbare bodem, zonder water en elektriciteit. Hij leerde van anderen hoe hij de aarde zonder gif of technologie kon bewerken. Tot het met de jaren veranderde in een kleine oasis, waar hij met zijn gezin van 5 kinderen van kon eten. Hij heeft in een interview eens gezegd dat zijn sterke verbondenheid met ‘moeder’ aarde wellicht voortkwam uit het feit dat hij zijn moeder zo jong had verloren. Ik heb het met eigen ogen gezien en heb een immens respect voor mensen die met hun eigen handen en met een savoir en savoir-faire, ‘stewards’ worden van land. Mensen die bodems, humus en biodiversiteit ondersteunen zodat dat gezond voedsel oplevert. Dat is werkelijk waarde toevoegen aan het leven. Hij zei dat de planten uiteindelijk het werk doen: “Eén zaadje en zie hoe dat zich vermenigvuldigt!”. 

Ik heb hem als een bescheiden en inspirerende man ervaren, zonder pretenties. Ik kan me voorstellen dat hij ook wel een zekere trots gevoeld zal hebben toen hij pas veel later in zijn leven door het ‘establishment’ erkend werd. Waarvan sommigen op hun beurt ook graag met hem gezien werden, voor hun eigen imago. 

Zijn erfenis is dat hij gezaaid heeft. De oogst is rijk. Een hele generatie agro-ecologische en solidaire paysans zijn mede door hem geïnspireerd. Jongeren die een aanpak kiezen die bij deze tijd past. Die social entrepreneur zijn en circulaire economie of concepten als green care en social farming toepassen. Hij heeft zeker ook bijgedragen dat agro-ecologie op het netvlies van beleid en politiek is gekomen. Hij is altijd die paysan gebleven. Met een levensfilosofie die dicht bij het land stond, waarin hij agro-ecologie en humanisme met elkaar verbond.  

Merci Pierre Rabhi!   

 

Read more...

De wolven van Wall Street

08 februari 2021 by Transitie 1609 Views

‘De predatoren zijn nu plots zelf de prooi’ is te lezen in De Standaard van 29 januari. Pascal Paepen zegt : "het is populistisch om te zeggen dat shorters en hefboomfondsen per definitie slecht zijn. Ze kunnen een ‘corrigerende factor’ zijn op de beurs". Ik begrijp de overtuiging niet van deze bekende en gewaardeerde beleggingsadviseur over dergelijk anoniem, ongereglementeerd verdienen van ‘geld met geld’.

Want een belangrijke vraag is natuurlijk of deze ‘corrigerende factor’ het bestaan van hedge funds/shorters/credit defaults etc. legitimeert. Ligt het probleem nu opeens bij de amateur-beleggers die ook een stukje van de taart willen en plots een revolte veroorzaken of ligt het probleem dieper?

De Amerikaanse filosoof Michael Sandel behandelt die vraag in zijn laatste boek ‘De tirannie van de verdienste'. Hij verwijst daarbij naar Rana Fooroohar (Financial Times) die reeds in 2016 in haar boek ‘Makers en Takers – the rise of finance and the fall of American Business’ schreef : “de belangrijkste graaiers in de economie van nu zijn diegenen die door financiële transacties enorme winsten opstrijken zonder iets bij te dragen aan de reële economie”*. Ook verwijst Sandel naar Adair Turner (London School of Economics) die in het LSE Report ‘The Future of Finance’ onthutsende cijfers brengt : slechts vijftien procent van de financiële stromen heeft betrekking op productief ondernemen. De rest zijn derivaten, is speculatie.

Sinds de bloei van het neoliberale kapitalisme, met onder meer de deregulering die tijdens het presidentschap van Bill Clinton werd toegestaan, is het percentage van financiële stromen dat productief bijdraagt continu gedaald. De morele en politieke implicaties van deze beslissing met dergelijk financieel handelen als gevolg zijn enorm. De beurs is voor een groot deel enkel en alleen een instrument van speculatie en niét van economische activiteit.

De financialisering heeft in de Verenigde Staten de ongelijkheid sterk vergroot. Geen wonder dus dat de ‘deplorables’ (dixit Hillary Clinton) ook een graantje willen meepikken. Bovenal leidt deze financialisering tot periodieke financiële crisissen (bv. 2008) die economische waarde vernietigen. De financiële sector helpt de economie niet meer, maar hindert eerder.

Rana Fooroohar zegt, hetgeen ik volledig beaam : "de werkelijke makers zijn de mensen die werken in de reële economie die ons nuttige goederen en diensten levert, alsook diegenen die investeren (met aandelen/leningen…) in productieve activiteiten".  

Willen wij een transitie naar een gezond economisch leven, dan is het noodzakelijk dat geldstromen zich richten naar reële economische activiteiten. De rol en het nut van de beurs dient teruggebracht te worden tot datgene waarvoor ze dient, namelijk om vraag en aanbod van financiële middelen die nodig zijn in het bedrijfsleven voor de productie van goederen en diensten te regelen.

Tegelijk moeten we ons als burger de vraag stellen wat we met ons ‘spaargeld’ aanvangen, waar het kan bijdragen tot de reële economie. Goedmenende spaarders zoeken naar zinvolle beleggingen maar krijgen nauwelijks inzicht in de mogelijkheden. Er is geen transparantie, ze geven daardoor maar al te makkelijk carte blanche aan institutionele beleggers, pensioenfondsen enz. en zijn zich niet bewust van het feit dat ze bijdragen aan deze financiële handel. Zo lazen we onlangs in de krant dat het actieterrein zich nu focust op zilver. De hedgefondsen proberen dit te ontkennen, maar meteen hebben Belgische beleggingsadviseurs hun klanten gewaarschuwd dat hun posities mogelijk drastische koersveranderingen kunnen ondergaan. Het beperkt zich dus niet tot Wall Street maar het reikt tot onze eigen spaarders die hun centen ter goeder trouw toevertrouwen aan – jawel – vermogensbeheerders en fondsenbeheerders. 

De vraag stelt zich hoe Belgische spaarders en beleggers een correct beeld kunnen krijgen over het beleid van onze Belgische banken. In België is er de beweging ‘Move your Money’ en vooral de organisatie FAIRFIN die focust op het financieel systeem en de banken aanspreekt op hun beleid. Fairfin lichtte in 2020 de banksector door en publiceerde haar bevindingen in Bankwijzer XL*. Ze analyseert de ‘zieke’ activiteiten van de sector en geeft diverse aanbevelingen tot veranderingen. Belangrijk is de ranking die ze opmaakt op basis van de investeringen van de banken in de reële economie en hoeveel ze speculeren op de financiële markten. Voor spaarders en beleggers is dit een goede tool want daarin wordt weergegeven welke banken beschikken over duurzame spaarrekeningen, duurzame beleggingsproducten en /of duurzaam pensioensparen. Triodos Bank behaalt de hoogste score want duurzaam financieel beheer behoort ontegensprekelijk tot de missie van de bank. VDK-bank bekleedt de tweede plaats, zet stappen vooruit op weg naar een versterking van haar duurzaam beleid en levert inspanningen tot ondersteuning van de lokale economie.

Read more...

OPINIE Lokaal en met de burger naar duurzame wijken

01 februari 2021 by Transitie 1286 Views
Dirk Holemans

Written by

Het energiemodel met enkele centrale productie-eenheden en burgers louter in de rol van passieve consumenten is voorbijgestreefd, vindt Dirk Holemans. Lokaal liggen de kansen voor het grijpen.

Zoals de wieken van een windmolen rondjes draaien, zo blijft het Vlaamse energiebeleid zich vastrijden in cirkels van gepruts. Alleen is die windmolen productief, wat we van het nieuwste debacle moeilijk kunnen zeggen. Het is ontstellend om te zien hoe Vlaamse ministers morsen met de goodwill van de bevolking en denken dat grondwettelijke kaders van geen tel zijn.

Dat de Vlaamse regering een uitweg zoekt en de gedupeerden wil compenseren, het zal wel. Als je mensen een bepaald rendement voorhoudt en dat valt ineens weg, zijn ze terecht boos. Het hoofdprobleem ligt dieper. Het beleid beschouwt de Vlaming in de eerste plaats als een financiële ­actor, zeg maar een combinatie van consument en belegger. En dan spreek je mensen vooral aan op wat ze er financieel kunnen uithalen, elk voor zich. Dan zitten koopkrachtige gezinnen elk rond hun keukentafel het verschil te berekenen tussen wat zonnepanelen en een beleggingsfonds kunnen opbrengen. Dat de investering ook goed is voor het klimaat, is een extra stimulans.

Dit beeld strookt met het dominante verhaal van onze neoliberale economie. Ieder voor zich geld verdienen is belangrijker dan ­samen waken over het welzijn van de samenleving en de planeet. De realiteit is anders, zoals ook de nieuwe Amerikaanse president Joe Biden stelde in zijn inaugurale rede. ‘A cry for survival comes from the planet itself …’

Als de Vlaamse regering burgers actief zou ondersteunen om ­samen te werken, ontstaan er hoopvolle, collectieve verhalen

Ook onze democratie verdient beter. Als de Vlaamse regering burgers actief zou ondersteunen om ­samen te werken, ontstaan er hoopvolle, collectieve verhalen. Bijvoorbeeld als ze de groene stroom die ze op hun daken produceren aan hun ­buren kunnen leveren in smart grids.

 

Wijk per wijk

Daarom dit constructieve voorstel aan de Vlaamse regering. Neem een adempauze en zet een nieuw energiebeleid op poten dat de Vlaming in de eerste plaats wil betrekken als burger. Dat laatste is ondertussen trouwens een Europese verplichting. De Europese wetgeving Clean Energy for All Europeans verplicht de lidstaten en hun regio’s de burgers een centrale rol te geven in de energiemarkt en te betrekken bij het beleid via zogenaamde energy communities. Dat is een ideaal kader om de bevolking te benaderen als burger in plaats van als consument-belegger. Daarmee kunnen veel meer burgers actief bijdragen aan de energietransitie en die kunnen ze zich ook toe-eigenen.

Dus, Vlaamse regering, verander het geweer van schouder en motiveer lokale overheden en burgers om ­samen hun wijk of gemeente duurzaam te maken. In een benadering van gezin per gezin op basis van premies en subsidies zijn de koopkrachtige gezinnen altijd de winnaars. Mensen met een laag inkomen vallen uit de boot, terwijl ze dikwijls de hoogste energiefactuur betalen.

Het is ook veel efficiënter en goedkoper om een hele wijk in één keer aan te pakken. Door overkoepelende wijkisolatieplannen te maken krijg je voor alle bewoners goed geïsoleerde ­woningen waar je de stroom van de zonnepanelen nuttig kan inzetten voor de kleine vraag naar verwarming en afkoeling. We kijken graag naar onze noorderburen. Wel, in Amsterdam hebben ze al een programma ‘buurt voor buurt aardgasvrij’. En de bewoners worden zo vroeg mogelijk ­betrokken in het proces om buurt­uitvoeringsplannen te maken.

Het is tijd dat de Vlaamse regering kleur bekent. Er bestaat een voorontwerp van decreet over de omzetting van de Europese regelgeving. Maar het is mossel noch vis. In hun gezamenlijk advies van 30 november jongstleden stellen het huis van het Vlaams sociaal overleg (Serv) en de Milieu- en ­Natuurraad (Mina) dat de beoordeling van het voorgestelde ­decretale ­kader ‘moeilijk is omdat het onduidelijk is welke keuzes de Vlaamse regering precies maakt, waar ze naartoe wil en wat de implicaties op het terrein zullen zijn’. De advies­raden voegen eraan toe: ‘besteed extra aandacht aan burgerparticipatie, ­lokale besturen, en kwetsbare groepen en samenhang’.

 

Toasten op groene stroom

Ondertussen blijven geëngageerde burgers in energiecoöperaties tonen hoe het wel kan. Ze vertrekken vanuit een draagvlakmodel en actieve burgerparticipatie. Ze groeien als kool. Van de achttien energiecoöperaties in Vlaanderen bestonden de meeste tien jaar geleden niet. Kijk bijvoorbeeld naar het Gentse Energent, opgericht in 2013. Het telt ondertussen duizend coöperanten en richt zich bewust op collectieve woningrenovatie en groepsaankopen.

Met het innovatieve project Buurzame Stroom liet het bovenal zien dat het mogelijk is een hele wijk te betrekken bij de energietransitie, zowel ­eigenaars als huurders, mensen met veel en met minder koopkracht. ­Samenwerking met energiecoöperaties is ook een gouden kans voor lokale besturen.

Een studie van het Institute for Distributed Energy Technologies (IdE) laat zien dat er bij een windmolenpark met zeven windmolens in handen van een internationaal bedrijf amper 7 miljoen euro terugvloeit naar de ­lokale gemeenschap. Als je de ontwikkeling lokaal in handen neemt, is dat acht keer meer.

We staan voor een reusachtige omslag in ons energiesysteem. Het oude model met enkele centrale productie-eenheden in handen van grote buitenlandse bedrijven en burgers louter in de rol van passieve consumenten is voorbijgestreefd. We evolueren ­razendsnel naar een model van decentrale productie. Dat is verspreid over heel het grondgebied, met flexibiliteit in energieproductie en -afname, zoals het draaien van wasmachines in functie van de productie.

Dit is een gouden kans om de ­Vlaming als burger serieus te nemen. Of laten we de controle weer over aan buitenlandse bedrijven? Net als vroeger zullen ze dan niet alleen met de winsten lopen, ze krijgen ook nog eens onschatbare data in handen over wie, wanneer, hoeveel energie verbruikt. Geef mij maar een nieuwe versie van de jaarlijkse buurtbarbecue, waar we samen toasten op de hoeveelheid groene stroom die we samen produceerden. En, nog belangrijker, hoeveel energie we bespaarden. Want daar valt nog altijd de meeste winst te rapen.

 

Geschreven door Dirk Holemans - Coördinator denktank Oikos. Verschenen in De Standaard op zaterdag 23 januari 2021

Read more...

Een donut als uithangbord voor steden in transitie

01 februari 2021 by Transitie 1317 Views

Een donut met municipalistisch smaakje

Wat heeft een zoet smakend Amerikaanse broodje-met-een-gat-in-het-midden te maken met een politieke stroming die ‘municipalisme’ wordt genoemd? Heel veel volgens Kate Raworth die een hoofdrol speelde in de uiterst boeiende Oikos-webinar Doughnut Economics in Practice, gemodereerd door Dirk Holemans, op vrijdag 22 januari 2021. Ook aanwezig waren de Amsterdamse wethouder Marieke Van Doorninck van Groenlinks (bijgestaan door haar kat) en Barbara Trachte van Ecolo, de Brusselse  staatssecretaris voor Economische Transitie. De titel van die affiche alleen al geeft een antwoord op de uitgangsvraag.

De theorie van Kate Raworth die zij in 2017 al heeft uitgeschreven in haar baanbrekende werk Doughnut Economics: Seven Ways to Think Like a 21st-Century Economist heeft intussen ingang gevonden bij een aantal steden die in haar werk inspiratie hebben gevonden om te werken aan een andere economie voor de 21ste eeuw. Philadelphia, Portland en Amsterdam hebben het voortouw genomen, maar ook Berlijn en Cambridge zijn op de kar gesprongen. Seoel, Kopenhagen en Rio de Janeiro kijken met belangstelling naar de ervaringen van Amsterdam  en daar is nu intussen ook Brussel bijgekomen. En van die twee laatste steden waren Marieke Van Doorninck en Barbara Trachte politieke vertegenwoordigers op de Oikos-webinar.

Andermaal blijkt dat van het stedelijk niveau soms meer vernieuwende impulsen uitgaan – denk maar aan de rebelse steden Spaanse steden – dan van hogere overheidsniveaus. Municipalisme of communalisme verwijst naar een politieke praktijk die uitgaat van het lokaal niveau waar de ‘nabijheid’ het grootste is: de wijk, de gemeente, de stad. Dat werd ook benadrukt door Kate Raworth tijdens een van haar tussenkomsten.

Met verbazing en veel respect luisterde ik naar die atypische Engelse econoom, die  haar academische achtergrond in functie van een ruimer maatschappelijk engagement heeft gesteld. Raworth is een buitenbeentje in dat wereldje en dat blijkt zeer duidelijk uit haar parcours dat zij – ze is nu 51 jaar – heeft afgelegd.  Na haar afstuderen aan de universiteit van Oxford, werkte ze in de dorpen van Zanzibar met micro-ondernemers. Ze was ook co-auteur van de Human Development Report voor het UNDP en daarna was ze een decennium lang senior onderzoeker bij Oxfam. Zij is dus in verschillende werelden thuis en het is dan ook vanuit een planetaire benadering dat zij aan haar donuttheorie heeft gewerkt. Bovendien beschikt ze over de gave om ingewikkelde zaken op een zeer bevattelijke manier over te brengen. Tijdens haar uiteenzetting zwaaide ze nu en dan met een rubberen slang waarmee ze bliksemsnel lineaire groeicurven omtoverde tot de worstvormige voorstelling van een circulaire economie. Raworth begint niet toevallig haar boek met de zin: ‘Het krachtigste instrument in de economie is geen geld, zelfs niet algebra, het is een potlood. Want met een potlood kun je de wereld hertekenen.’ Een gecompliceerde wereld herleiden tot een donut mét heel veel inhoud vraagt om een synthetische én pedagogische geest. En die heeft ze ongetwijfeld. Dichter bij huis doet het denken aan het bierviltje waarop ingenieur-architect Peter Vermeulen enkele jaren geleden de contouren van een overkoepelde oplossing voor de Antwerpse ring visualiseerde en nu zit dat megaproject in de fase van de concretisering. Zo zou het ook kunnen gaan met de donut van Kate Raworth.

 

Wat theorie achter de donut

Wat is nu de essentie van wat zij die donuteconomie noemt? Raworth gebruikt het zoete Amerikaanse broodje-met-een-gat-in-het-midden als beeld om de twee doelstellingen te benadrukken waar het volgens haar in de economie én in de politiek om zou moeten draaien. Namelijk enerzijds een bloeiende, leefbare aarde en anderzijds een humane, op menselijke ontplooiing gerichte samenleving. In de donut, aldus de auteur, worden beide doelen gevisualiseerd in de twee concentrische cirkels die de binnen- en de buitengrens van de donut vormen.  Binnen de binnenste cirkel – het sociale fundament – situeert Raworth menselijke ellende zoals honger, armoe en analfabetisme. De binnenste rand van het broodje staat dus voor het sociale fundament, voor wat minimaal noodzakelijk is voor het welzijn van iedereen. De buitenrand stelt  het ecologische plafond voor, met name de grens van wat onze planeet kan verdragen. Daar voorbij heb je klimaatverandering, afnemende biodiversiteit, uitgeputte bodems en verzuring van de oceaan. Tussen deze twee cirkels bevindt zich de donut, de ruimte waarin we – binnen de mogelijkheden van de planeet – kunnen voorzien in de behoefte van iedereen. De donut staat, concludeert Raworth, voor ‘een sociaal fundament van welzijn waar niemand onder mag zakken, en een ecologisch plafond dat niet mag worden doorbroken’.

 

Ecologisch én sociaal

In haar donuttheorie verenigt zij dus ecologische en sociale doelstellingen, want voor haar is de klimaatcrisis niet alleen een ecologisch probleem, maar ook een zeer groot sociaal vraagstuk’. ‘Rood’ en ‘groen’ moeten elkaar weten te vinden, want ‘Er zijn geen jobs op een dode planeet!’ zegt Sharan Burrow, de secretaris-generaal van de internationale vakbondsconfederatie ITUC. Deze vorm van ecosocialisme of van sociale ecologie zoals de Amerikaanse anarchist Murray Bookchin het noemt, begint stilaan vorm te krijgen in sommige steden en gemeenten – ik denk dan bijvoorbeeld aan het beleid van burgemeester Éric Piolle van Grenoble, aan burgemeester Jean-François Caron van Loos-en-Gohelle, aan Anne Hidalgo van de PS die in juni makkelijk opnieuw verkozen werd als rode burgemeester van Parijs, maar die zich tevens ontpopte als groene bezieler en natuurlijk mogen we in dit gezelschap zeker ook Ada Colau niet vergeten die voor de tweede verkozen werd tot burgemeester van Barcelona waar zij, samen met een sterke burgerbeweging, gedurfde roodgroene accenten weet uit te rollen. (1)

Toen deze notoire vertegenwoordigers van de municipalistische beweging begonnen was er nog geen sprake van een donut-theorie, noch van Kate Raworth. Dat is natuurlijk ook niet nodig om tot het inzicht te komen dat systeemverandering en klimaatverandering samen moeten gaan om te kunnen overstappen naar een kringloopeconomie, maar heel het donutverhaal blijft een inspirerende visualisering van een groenrode visie op een planetaire transitie. Dat is een van de grote sterktes van Kate Raworths analyse. De donut kan een sterk wapen zijn om de vele mensen die intussen met enthousiasme deelnemen aan kleinschalige burgerinitiatieven die met andere voedings-, kledings- en woonvormen te maken hebben - de lijst van creatieve, nieuwe samenlevingsvormen wordt met de dag uitgebreider -  een langere termijnperspectief voor ogen te houden.  Daarvoor zijn ambitieuze doelstellingen nodig. En die zijn er. Dat bleek onder meer uit de boeiende uiteenzetting van Marieke Van Doorninck.

 

Amsterdam als trekker

In Amsterdam is er sinds enkele jaren een progressief stadsbestuur aan het bewind. De Amsterdamse wethouder vertelde dat zij al enkele jaren geleden contact had met Kate Raworth en dat daaruit het idee gegroeid was om een Donut Coalitie op te richten, bestaande uit burgers en ondersteund door het stadsbestuur. Die Donut Coalitie is een samenwerkingsverband tussen de Hogeschool van Amsterdam (HvA), de Amsterdam Economic Board en Pakhuis De Zwijger, een ontmoetingscentrum rond inno­vatie. Belangrijk is ook dat, zoals in andere municipalistische experimenten, veel aandacht besteed wordt aan democratische besluitvorming en burgerparticipatie. Intussen heeft het Amsterdamse stadsbestuur de donut-principes ook verwerkt in een plan om tegen 2050 een volledig ‘circulaire stad’ te zijn. ‘En,’ voegt Van Doorninck er aan toe ‘In 2025, als de stad 750 jaar bestaat, moet het grondstoffenverbruik al met de helft zijn teruggedrongen.’ Dat zijn ambitieuze doelstellingen die dus ook een concreet tijdspad hebben meegekregen die veel verder reiken dan een politiek mandaat. (2)

Een donut verorber je in enkele happen, de stad en en passant de wereld veranderen duurt iets langer. Het gaat om kleine en grote stappen waarbij overheid, ambtenaren én burgers samen betrokken worden. Zo worden er zogenaamde donut-deals afgesproken. Nu al zijn tweehonderd projecten geïdentificeerd in Amsterdam om dat mogelijk te maken. Daarbij zijn opvallende ­initiatieven zoals de verwerking van urine tot meststof (GreenPee) of de aanleg van een ‘verticaal park’ in een voormalige ­gevangenis. Van Doorninck geeft nog enkele sprekende voorbeelden. In de Amsterdamse buurt Tuttifruttidorp bijvoorbeeld krijgen huurders een regenton, waarmee ze water kunnen besparen. In Amsterdam Zuidoost, in de wijk Gaasperdam leren kansarme vrouwen tijdens de naailes hoe ze hun energierekening naar beneden kunnen krijgen: door achter de stof waarvan ze gordijnen maken, isolatiemateriaal aan te brengen. Kleinschalige projecten, maar zeker nuttig.

Er wordt echter ook nagedacht over grotere, meer structurele interventies, maar die roepen heel wat vragen op, vragen die ook in de analyse van Raworth worden gesteld. Daarvoor ontwierp de overheid een aantal stadsselfies. Portretten van Amsterdam als haven bijvoorbeeld en wat daar zoal vanuit de ruime wereld binnen en buiten komt. Bijvoorbeeld dat in Ghana 3.500 mensen dwangarbeid verrichten op cacaoplantages. Cacao die vervolgens naar ­Amsterdam verscheept wordt, want de ­Nederlandse hoofdstad is de grootste cacao­haven ter wereld. Moet ­Amsterdam zijn cacao-import afbouwen om binnen de donut te passen? Maar wat als daardoor Amsterdammers werkloos worden en ­misschien wel door de sociale ondergrens heen zakken? Boeiende, maar zeer moeilijke vragen die vanuit het donut-denken moeten worden gesteld, maar waarop vooralsnog geen afdoend antwoord bestaat.

 

Brussel pikt aan

Ook in Brussel wordt de donut van Kate Raworth intussen gesmaakt. Dat vernemen we van Barbara Trachte die echter ruiterlijk toegeeft dat de Belgische hoofdstad nog maar in de beginfase staan van een donut-implementatie. Ook daar is corona een onverwachte spelbreker geweest.  Maar in Brussel is er heel wat beweging van onderuit dat resulteert in mooie,  vaak kleinschalige projecten. Een Pizza ‘la casa cocreativa’ in verband met sociale huisvesting, een groentesoep met zelfgemaakte tripartite bouillon over gronden en panden, een salade Bruxelloise ‘Jardin Citoyen’ over groen in de stad, een tajine van gemengde burgers met zilverstukkenrijst over burgerpanels, borrelhapjes van kennis met de smaak van fijnstof over milieu en burgerwetenschap, tijdballetjes à la sauce locale over time banking, pittige ‘électrique’ over energie(coöperaties) en een online dessertenbuffet over online participatie. Het is slechts een greep uit de vele initiatieven van onderuit. Een groter project is CitizenDev geworden, waar ook de stadsbeweging BRAL aan deelneemt, een stadsbeweging die al bijna een halve eeuw ijvert voor een duurzaam Brussel. BRAL is officieel erkend als gesprekspartner van de Brusselse gewestelijke overheid en is lid van de Gewestelijke Mobiliteitscommissie, de Gewestelijke Ontwikkelingscommissie, de Gewestelijke Milieuraad en de Brusselse Hoge Raad voor Natuurbehoud. Dat lijkt allemaal heel officieel en dat is het ook, maar dat belet echter niet dat BRAL zich inzet om een cultuur van burgerinitiatief en solidariteit van onderuit te doen groeien. En dan is er natuurlijk het intussen meer bekende  Community Land Trust Brussel (CLTB), een vereniging die blijvend betaalbare woonprojecten in Brussel ontwikkelt voor mensen met een beperkt inkomen op gedeelde gemeenschapsgronden.

Intussen is ook de vzw Confluences opgericht, die veel ervaring heeft met inspraak op wijkniveau en die samenwerkt met de managementschool Ichec en het praktijklaboratorium van ­Raworth. Het ­Gewest, zo vertelt Barbara Trachte, trok 145.000 euro uit voor het project, waarvan een klein deel naar Raworths ­organisatie gaat voor methodologisch ­advies. Een driehonderdtal Brusselaars wil meedenken en heeft zich ingeschreven op het platform www.donut.brussels. Barbara Trachte sprak de hoop uit dat zij met een Brusselse delegatie naar Amsterdam en naar de realisaties van de Donut Coalitie kan komen kijken. Netwerkvorming tussen steden is ook in het municipalisme een sterk wapen gebleken. Dat toonde Ada Colau enkele  jaren geleden aan door in Barcelona ‘Fearless cities’ van over de hele wereld bij elkaar te brengen op een grote conferentie.

 

Creating City Portraits

Ook Raworth is intussen niet bij de pakken blijven zitten. Haar boek, haar concrete aanpak en haar frisse verschijning hebben indruk gemaakt. Overal ter wereld werd zij als spreker gevraagd. Ook bij ‘de groten der aarde’. Tijdens de webinar liet zij toevallig vallen dat zij, voordat Joe Biden US-president werd, al door hem werd uitgenodigd om haar ideeëngoed te komen verduidelijken.

Maar er is meer. Het boek was voor haar geen eindpunt maar het begin van een activistisch proces. In de voorbije jaren hebben zij en haar medewerkers een arsenaal aan hulpmiddelen ontwikkeld om de implementatie van de donut-principes te faciliteren. Dat praktijklaboratorium van haar geeft een nieuwsbrief uit (https://www.kateraworth.com) dat tools hiervoor ter beschikking stelt. Een daarvan is ‘Creating City Portraits’ . Deze publicatie wil een methodologische gids zijn om stadsportretten te maken. 'Stadsportretten maken' is een methodiek om de donut van sociale en planetaire grenzen naar de stad te verkleinen. De tool biedt een holistische momentopname van de stad en haar impact door middel van vier lenzen - zowel sociaal als ecologisch, lokaal en globaal - die samen een nieuw perspectief bieden op wat het betekent voor een stad om te bloeien. Het waardeert wat een stad uniek maakt, terwijl het de wereldwijde invloed en verantwoordelijkheid ervan begrijpt. Het nadenken over de aanvoer van cacao uit Ghana is daarvan een mooi voorbeeld.

Think globally, act locally of hoe een simpele donut met een goed uitgebalanceerde inhoud hiervoor richtinggevend kan zijn.  Raworths boek heeft wat aan het rollen gebracht.

--

(1) Meer hierover in mijn boek ‘Rebelse plekken, over municipalisme en commons, Gompel&Svacina, 2019

(2) Dat was ook het idee achter ‘Onze stad’, onder redactie van Danielle Dierckx en Marc Swyngedouw die in 2018 academici, experten en geëngageerde burgers bij elkaar bracht om inspiratie op te doen voor het Antwerpen van morgen. Nog steeds een aanrader.

Read more...

Van onwetendheid naar inzicht, van inzicht naar actie: een persoonlijk pad naar duurzamer leven

11 januari 2021 by Transitie 1498 Views

 

‘Papa, wat is CO2?’, vroeg mijn negenjarige zoon Leo me onlangs tijdens een pittige boswandeling. Onvoorbereid en me bewust van het belang van de vraag legde ik uit wat CO2 is, hoe het vrijkomt, wat voor mens en natuur de gevolgen zijn van een hoge uitstoot en welke alternatieven er zijn. De bomen waren welgekomen didactisch materiaal.

De vraag stemde me hoopvol. Inzicht in een bepaald onderwerp kan ons gedrag immers beïnvloeden. Kennis van de positieve of negatieve gevolgen van een actie kan bepalen of je deze actie al dan niet onderneemt. En het kost doorgaans minder moeite om een goede gewoonte aan te leren dan om een slechte gewoonte af te leren. Menig verstokte roker zal zeggen dat hij in zijn jonge jaren nog niet wist dat roken slecht is voor de gezondheid en er dus mee begon zonder goed te beseffen wat de gevolgen zijn. Roken was bovendien lange tijd algemeen sociaal aanvaard. Waarom de schadelijke gevolgen van roken zo lang onder de radar bleven is een andere discussie.

Ik ben geboren in 1980 en dus net geen millennial. Als tiener had ik weleens gehoord van zure regen en het gat in de ozonlaag, maar begrippen als ecologische voetafdruk, klimaatneutraliteit en energie- efficiëntie waren nog niet ingeburgerd. De klimaatproblematiek situeerde zich - voor het grote publiek althans - in de marge. Er was nog geen breed maatschappelijk debat en klimaatgerelateerde berichten kwamen slechts sporadisch in het nieuws.

Mijn besef dat individuele keuzes een impact kunnen hebben op het klimaat is de afgelopen jaren sterk gegroeid, in een periode waarin ik vaker dan me lief was te horen kreeg dat het nu echt wel vijf voor twaalf is en we het punt van onomkeerbare gevolgen met rasse schreden naderen. In onze gemediatiseerde en gedigitaliseerde samenleving is bovendien een exponentiële hoeveelheid aan beelden en animaties beschikbaar, die de gevolgen van klimaatopwarming en verlies aan biodiversiteit meer zichtbaar maken. De aanblik van een uitgehongerde ijsbeer of orang-oetans die zich verschansen in de laatste nog rechtstaande bomen maakt indruk, net als beelden van overstroomde dorpen en reusachtige bosbranden.

Parallel met een toenemend bewustzijn van de negatieve gevolgen van klimaatopwarming, kreeg ik meer oog voor de rijkdom en het unieke karakter van onze leefomgeving. Een gunstig bijeffect, de andere zijde van dezelfde medaille. Ook het vaderschap speelt een rol in mijn groeiend klimaatbewustzijn. Dat betekent niet dat kinderen krijgen je automatisch gevoelig maakt voor dit onderwerp. In mijn directe omgeving zie ik zowel (groot)ouders die de ongemakkelijke waarheid niet onder ogen (willen) zien en blijven geloven dat consumptiekwantiteit en levenskwaliteit communicerende vaten zijn als klimaatbewuste mensen zonder kinderen.

Een sluimerend gevoel van urgentie is natuurlijk niet genoeg. Het zijn meestal specifieke gebeurtenissen of observaties die mij uiteindelijk aanzetten tot concrete acties. Netflixfilm Okja (Bong Joon-ho, 2017) gaat over de vriendschap tussen een jong meisje en een sprookjesachtig, gemuteerd varken. Een multinational creëerde het dier in het kader van een onderzoek naar nieuwe vleesvarianten voor menselijke consumptie. De prent trok me over de streep om mijn vleesconsumptie drastisch te verminderen. En ja, je kan gezond, lekker én gevarieerd vegetarisch eten. Onze ervaringen hebben een aantal mensen geïnspireerd om hun eigen voedingspatroon kritisch te bekijken. Positivisme werkt aanstekelijk! Slechts een minderheid kijkt me nog ongelovig en lacherig aan als ik vertel dat tofu, kikkererwten, linzen en noten tot mijn dieet behoren.

Mijn dagelijkse fietstocht naar kantoor over de Antwerpse ring begon me letterlijk en figuurlijk naar de keel te grijpen en deed me nadenken over mijn autogebruik. Als een verplaatsing met de fiets of het openbaar vervoer mogelijk en praktisch haalbaar is, blijft de auto staan. Als ik met vrienden, familie of collega’s op dezelfde locatie moet zijn, probeer ik zoveel mogelijk te carpoolen. De troosteloze aanblik van afval in alle maten, soorten en kleuren in bermen en rivieren deed me besluiten om van flessenwater over te schakelen op kraanwater en niet meer te kiezen voor overdreven verpakte producten. 

Eerlijk is eerlijk: ik kies niet altijd voor de (meest) duurzame optie. Het vergt een zekere inspanning om gebruiken en gewoonten aan te passen (maar eens ingebouwd in de dagelijkse routine kost het weinig moeite om ze vol te houden). De zoektocht naar duurzame alternatieven vraagt bovendien tijd en energie, en die zijn net als grondstoffen gelimiteerd. Daarenboven is de lijst aan handelingen die een impact hebben schijnbaar eindeloos. Het knaagt wel eens dat ik meer zou kunnen doen en een aantal mogelijkheden laat liggen.

Anderzijds ben ik tevreden dat ik al een aantal stappen heb gezet en hierbij geleidelijk aan een kleinere voetafdruk nalaat. Het heilzaam karakter van een dalende curve is ondertussen wel bekend, en alle beetjes helpen. Een vertegenwoordiger die sinds kort op zonnige dagen de auto inruilt voor de fiets om klanten te bezoeken? Prima! Iemand die twee keer per week vegetarisch eet in plaats van het dagelijks stuk vlees? Ik juich het toe! Zolang we maar evolueren naar een koolstofarme samenleving. Want net zoals mijn zonen me vol ongeloof aankijken als ik hen vertel dat er in restaurants, cafés en kantoren ooit duchtig gerookt werd, hoop ik dat hun kinderen zich niets zullen kunnen voorstellen bij sterk vervuilde lucht en een verder opwarmende aarde.
 
Peter Carpentier, 3 januari 2021
Read more...

Vertragen in urgente tijden

27 oktober 2020 by Transitie 1968 Views
Jan Mertens

Written by

Op deze Dag van de Stilte is het goed om stil te staan, en de stormen die ons dreigen mee te sleuren onder ogen te zien, in plaats van ervoor te vluchten.

De klimaatcrisis raakt onze innerlijke grenzen. We zijn bang overspoeld te worden door machteloosheid. Samen met dit gevoel de urgente werkelijkheid van ons wegduwen en blind vertrouwen in oplossingen die buiten ons liggen, biedt geen uitweg. Kijken naar alles wat is en bewust rouwen om illusies van gisteren, daarmee kunnen we een nieuw perspectief vinden om te handelen in wankele tijden.

Het is een gevoel dat we in de huidige coronacrisis allemaal kennen: we kunnen de dingen niet controleren. We geloven tegenwoordig dat alles "maakbaar" is en dat we als het ware los van van de natuur kunnen leven. We zijn verslaafd aan produceren en consumeren. Genoeg is nooit genoeg. Altijd maar meer.

Het maakt ons rusteloos en het vergroot de ongelijkheid tussen mensen. Die rusteloosheid in de ogen kijken maakt ons onzeker. We willen liever niet zien dat we op grote schaal de planetaire grenzen overschrijden. Maar juist daardoor brengen we de plek waar we ons relatief veilig zouden moeten kunnen voelen in gevaar. We verergeren zelf de onzekerheid die we willen ontvluchten.

De huidige coronacrisis is in een aantal opzichten een oefening voor de omvattende klimaatcrisis die in de maak is. We voelen tot in ons lichaam wat onzekerheid met ons doet en hoe we ook hiervoor proberen "oplossingen" te vinden. We leggen het probleem en het antwoord daarop vaak buiten ons. Mensen vragen om "perspectief". Mensen die nu zwaar getroffen worden, vragen terecht steun.

De huidige coronacrisis is in een aantal opzichten een oefening voor de omvattende klimaatcrisis die in de maak is. We voelen tot in ons lichaam wat onzekerheid met ons doet en hoe we ook hiervoor proberen "oplossingen" te vinden. We leggen het probleem en het antwoord daarop vaak buiten ons. Mensen vragen om "perspectief". Mensen die nu zwaar getroffen worden, vragen terecht steun.

Maar vragen om perspectief betekent voor velen ook vragen naar iemand die zegt dat het allemaal wel "voorbij" zal gaan en dat we weer "gewoon" verder kunnen met wat normaal leek. Alsof een ander die rusteloosheid uit ons lichaam zou kunnen wegnemen zonder dat we zelf moeten stilstaan bij wat er werkelijk aan de hand is en in overeenstemming daarmee handelen. Als we ophouden met voorthollen, geven we onszelf de kans om onze neiging tot zekerheid en controle los te laten. Zo leren we elke dag opnieuw handelen in onzekerheid.

Waar coronacrisis en klimaatcrisis elkaar raken

Op dit punt kunnen we iets leren van de klimaatcrisis. Wie kijkt naar de omvang ervan voelt al snel een kramp. Beelden van smeltend ijs, bloedrode luchten als gevolg van bosbranden, rapporten die onweerlegbaar aantonen hoe de meest kwetsbaren het hardst getroffen worden door de gevolgen van het veranderende klimaat: de uitdagingen zijn enorm.

We zullen zeer snel een grondige transitie moeten organiseren van onze hele maatschappelijke "normaliteit". Als we dit niet doen, dreigt onder andere een klimaatapartheid waarbij de ecologisch gulzigen zich terugtrekken in hun beveiligde omgeving, terwijl wie kwetsbaar en arm is machteloos de gevolgen ervan moet ondergaan.

We zoeken allerlei vluchtwegen. We blijven onszelf voorhouden dat een of andere magisch-technologische oplossing het probleem tijdig zal wegnemen. Hiermee versterken we echter het spoor dat ons in deze crisis heeft gebracht: een welvaartsmodel dat veel te zwaar weegt op de planeet. We blijven hardnekkig geloven dat onze kinderen het beter moeten hebben, terwijl zij vaak heel goed de ernst van de situatie beseffen en inzien dat "meer" niet per se beter is.

Het is goed om in deze urgente tijden bewust te vertragen. Niet om je terug te trekken in je eigen veilige bubbel en weg te kijken van wat echt speelt. Integendeel. In de stilte van de onzekerheid gaan staan, leert ons opnieuw luisteren naar de aarde. Hier zijn we kwetsbaar. Hier voelen we het verdriet om die bijzondere planeet die ons langzaam van zich af lijkt te schudden. Hier voelen we de angst dat we onze kinderen niet zullen kunnen beschermen.

Hier voelen we hoezeer het "almaar meer en sneller" ons dwangmatig voortdrijft. In die kwetsbaarheid weten we ons verbonden met elkaar. Het klinkt als een paradox, maar door op deze plek rustig te kijken naar de omvang van de klimaatcrisis, als een structurele onzekerheid die we zelf hebben veroorzaakt, naar de toenemende ongelijkheid en ook naar ons verdriet, vinden we nieuwe energie. 

Aanwezig zijn in die stilte kan een innerlijke verandering op gang brengen die ons motiveert om in de wereld daarbuiten met verhoogde inzet te doen wat nodig is. Het gaat om het onder ogen zien, om rouwen en loslaten. Dat onze kleinkinderen nog kwaliteit van leven kunnen delen met hun kinderen is belangrijker dan dat wij zeven keer per jaar het vliegtuig kunnen nemen om elders nog destructiever te consumeren.

Een mens kan niet alles in de grote wereld controleren, maar hij of zij kan wel elke dag gericht handelen zonder daarbij zichzelf te verliezen in sporen die nergens toe leiden. Handelen wil ook zeggen onze ogen niet sluiten voor het reële lijden dat de klimaatverandering veroorzaakt en vooral hen treft die er het minst voor verantwoordelijk zijn. Elke dag handelen is elke dag oefenen in bewegen in onzekerheid. En dat is een krachtig perspectief.

 

Deze opinie verscheen op zondag 25 oktober op vrt.be

 
Read more...

Hoe houden we de planeet voedzaam en gezond?

20 augustus 2020 by Transitie 1782 Views
Wouter Vanhove

Written by

Hoe houden we de planeet voedzaam en gezond?

Wouter Vanhove

Dit opiniestuk verscheen oorspronkelijk in Knack

Hoe kunnen we in 2050 voldoende en gezond voedsel voor 9 miljard mensen voorzien en tegelijk de milieu-impact van de voedselproductie indijken? 

Binnen enkele decennia is de wereldbevolking aangedikt tot 9 miljard. Dat zijn 2 miljard monden meer te voeden dan vandaag. Landbouw is onze voornaamste voedselleverancier maar wordt ook met de vinger gewezen als boosdoener bij tal van milieuproblemen. Landbouw- en voedselsystemen stoten een derde van alle broeikasgassen uit. Intensieve landbouw heeft tot op vandaag bossen, bodems, watergebieden en de daarin levende biodiversiteit onherstelbaar aangetast. De vruchtbare bovenlaag van een kwart van alle landbouwbodems is geërodeerd. Driekwart van het landbouwareaal op aarde is beplant met slechts 10 gewassoorten (tarwe, rijst, mais, soja, gerst, sorghum, koolzaad, bonen, gierst en katoen). Andere gewassen en variëteiten verdwijnen aan een ongezien tempo.

De uitdaging is duidelijk: hoe kunnen we in 2050 voldoende en gezond voedsel voor 9 miljard mensen voorzien en tegelijk de milieu-impact van de voedselproductie indijken? De visies hierover lopen uiteen. Volgens sommigen moet resoluut gekozen worden voor een verdere intensivering van de landbouw en worden ingezet op technologie (precisielandbouw, ggo's), opschaling en globalisering van landbouw. Op die manier - zo luidt de hypothese - wordt meer geproduceerd op een kleinere oppervlakte, worden minder broeikasgassen uitgestoten en legt landbouw minder beslag op landgebruik, wat ruimte vrijmaakt voor natuur.

Er zijn echter heel wat kanttekeningen te maken bij deze benadering. Eerst en vooral het uitgangspunt: het is evident dat een hogere bevolking meer voedsel vergt, maar het is fout uit te gaan van een stijging in de voedselvraag die de huidige - ongezonde - consumptiepatronen volgt. De gerenommeerde Lancetcommissie luidde vorig jaar de alarmbel. Twee miljard mensen lijden aan obesitas, en nog eens 2 miljard kampen met micronutriëntentekorten (vitamine A, ijzer, zink), terwijl 820 miljoen mensen chronisch ondervoed blijven, en de COVID-19 crisis dat cijfer tegen eind dit jaar wellicht met 130 miljoen doet stijgen.

Het is verontrustend dat meer dan de helft van de wereldbevolking te maken heeft met een ongezond voedingspatroon. Toekomstige voedselproductie kan en moet daarop inspelen. Er is een grote consensus dat een voedingspatroon dat veel minder vlees bevat, veel minder beslag legt op landbouwoppervlakte en bovendien veel minder CO2 uitstoot. Dat is omdat momenteel 30 % tot 50 % van alle graanproductie dient om vee i.p.v. mensen te voeden. Vanuit milieuoogpunt hoeft echter niet alle vleesconsumptie totaal gebannen te worden. Vee zet gras en een aantal voor mensen oneetbare reststromen uit andere landbouwproducten (bv. de perskoeken van oliegewassen, bietenpulp en stro) om tot hoogwaardig eiwit. Bovendien is vlees in gebieden waar gewasproductie moeilijk is (bv. bij nomaden in de Afrikaanse Sahel) en voor kwetsbare bevolkingsgroepen (kinderen en ouderen in de minst ontwikkelde landen), een belangrijke eiwitbron.

Een verschuiving in het voedingspatroon is dus een belangrijke hefboom in het verduurzamen van de mondiale landbouw. Bijkomend moet ook werk worden gemaakt van het terugdringen van voedselverspilling: één derde van alle door landbouw geproduceerde voedsel wordt nooit door mensen of dieren geconsumeerd. In ontwikkelingslanden zijn de verliezen hoofdzakelijk te wijten aan de naoogstbehandelingen (verwerking, opslag), in industrielanden zijn het vooral de consumenten zelf die veel voeding in de vuilbak doen belanden.

De vraag rijst dan welk bijkomende, complementaire meerwaarde een meer intensieve en nog sterker geglobaliseerde landbouw kan bieden voor zowel mondiale voedselzekerheid als ecologische duurzaamheid. Een recente in Nature gepubliceerde studie stelt dat als 16 gewassen geteeld zouden worden in gebieden waar ze omwille van klimatologische en bodemomstandigheden het meest kunnen opbrengen, tot de helft van hun huidige landbouwoppervlakte kan worden bespaard en aan de natuur kan worden teruggegeven. Zo zouden bovendien ook meststoffengebruik en broeikasgassen teruggedrongen kunnen worden. Dat klinkt op het eerste zicht goed, maar er zitten zowel voor het milieu als voor voedselzekerheid belangrijke addertjes onder het gras.

Eerst en vooral is het onjuist te veronderstellen dat landgebruik snel inwisselbaar is. Om vrijgekomen landbouwoppervlakte in natuur om te zetten, is een gedegen, consequent milieubeleid nodig, met beschermingsmaatregelen voor het nieuw in te richten natuurgebied. Veel landen, zeker in tropische gebieden met de meest waardevolle natuur, slagen daar niet of moeizaam in. Landen (zoals in Europa en de VS) die dat wel doen, zorgen vaak voor een 'verplaatsingseffect' waarbij een opgelegde inkrimping van het landbouwareaal voor natuurdoeleinden zorgt voor een landbouwuitbreiding in gebieden in het Zuiden met hoge biodiversiteit. Ook leidt intensievere productie met hogere opbrengsten paradoxaal genoeg vaak net tot uitbreiding van het landbouwareaal van een gewas. Landbouwondernemers investeren immers graag in succesverhalen met hoge opbrengsten en lage kosten.


Alternatieve, zogenaamd agroecologische vormen van landbouw integreren landbouw en natuur. Ze maken gebruik van een veelheid aan gewassoorten aangepast aan het lokale milieu, brengen verschillende gewassen samen in teelt (boslandbouw in het geval van gewassen en bomen) en doen aan gewasrotatie. Het basisprincipe is dat de natuur diensten verleent aan de landbouw (sommige insecten bestuiven planten, andere onderdrukken schadelijke plaaginsecten, bodemschimmels en -bacteriën helpen gewassen om voedingsstoffen op te nemen). Terzelfdertijd houden agroecologische landbouwpraktijken biodiversiteit in stand. Of ze daar beter of minder goed in slagen dan bij uitgespaard en tot natuurgebied omgezet land, hangt af van de specifieke soorten die worden beschouwd en de termijn waarop hun populaties ontwikkelen.


Veel studies tonen aan dat agroecologische landbouwmethodes het potentieel hebben om de huidige opbrengstkloof met conventionele intensieve landbouw drastisch te verkleinen. In de cacaoteelt die essentieel van bestuivende insecten afhangt, kon worden aangetoond dat een bepaalde combinatie tussen schaduwbomen en cacaobomen nodig is om zowel biodiversiteit als opbrengst duurzaam te verankeren.

Zelfs met technologische innovaties blijft intensieve landbouw met een aantal duurzaamheidsproblemen kampen. De diensten die de natuur aan de landbouw levert, worden in een doorgedreven intensief en opgeschaald landbouwsysteem nagenoeg volledig uitgeschakeld.


Ik herinner me een bezoek in het kader van een onderzoeksproject aan een gigantische suikerrietplantage in Santa Cruz, Bolivia. De eigenaar had in het midden ervan enkele rijen passievruchten staan die geen vruchten droegen en vroeg ons of hij mogelijks verkeerd zaad had gekocht. De werkelijke reden was dat passievruchten volledig afhankelijk zijn van bijen voor bestuiving en vruchtzetting en dat die in het volledig verschraalde suikerrietlandschap geen habitat hadden. Voor veel teelten is grootschalige monocultuur dus totaal ongeschikt. Industriële monoculturen zijn bovendien heel gevoelig aan ziektes en plagen. Technologische innovaties die de op de ene plaag mikken zullen er niet in slagen om andere toekomstige ziektes en plagen duurzaam te bestrijden.


Nemen we tenslotte de bijdrage van geglobaliseerde, intensieve landbouwsystemen aan voedselzekerheid onder de loep. De productie van veel gewassen die rijk zijn aan micronutriënten (bv. diverse fruitsoorten en pompoenen) hangen essentieel af van bestuivende insecten en zijn dus niet geschikt om geteeld te worden in niet-natuurlijke landschappen. Globalisering van landbouw- en voedselsystemen verhoogt voedselzekerheid in goed functionerende open markten, zoals in de Europese Unie. In het Zuiden echter wordt 80 % van het geconsumeerde voedsel geproduceerd door ongeveer 500 miljoen kleinschalige (met minder dan 2 ha grond) landbouwers. Bovendien zijn het netto-voedselkopers. Dat betekent dat de consumptie van hun gewassen en de inkomsten uit de verkoop ervan niet volstaan om aan de voedingsbehoeften van hun gezinnen te voldoen en ze dus afhankelijk zijn van voedselmarkten, waar vooral ongezonde vet- en zetmeelrijke voeding voorhanden zijn.


Een recent rapport van de Speciale Rapporteur voor Extreme Armoede en Mensenrechten van de Verenigde Naties, toont aan dat het veelgehoorde optimisme over globale armoedebestrijding misleidend is. Sedert 1990 leven nagenoeg onveranderd ongeveer 3,5 miljard mensen in extreme armoede. Veel boeren verdienen geen leefbaar inkomen. Verhoogde afhankelijkheid van wereldvoedselmarkten waar speculatie zorgt voor grillige prijzen en waar humanitaire crisissen zoals oorlog, natuurrampen of wereldwijde recessies zoals bij de financiële crisis van 2008 of de huidige COVID-19 crisis, de markttoegang belemmeren, brengen dan ook de helft van de wereld in een heel precaire voedselzekerheidssituatie. 

Het wereldwijde handelsregime uitgetekend door de Wereldhandelsorganisatie en gedragen door o.a. handelsverdragen tussen ontwikkelings- en industrielanden, bewerkstelligt bovendien de extractie van landbouwproducten uit landen met lage voedselzekerheid, wat voedselonzekerheid in het Zuiden verhoogt.

Globalisering heeft veel en goedkoop, maar ook ongezond en eenzijdig voedsel voortgebracht. In zowat alle sectoren stoot globalisering op haar limieten. Grootschalige, intensieve landbouw heeft haar eigen ecologische en socio-economische fundamenten ondergraven. Lokale landbouw- en voedselsystemen bieden een waardevol alternatief. Maar dan zal er meer moeten geïnvesteerd worden in onderzoek naar, en ontwikkeling van lokale, diverse en agroecologisch geïntensiveerde landbouwsystemen. In combinatie met het terugdringen van voedselverliezen en een transitie naar een minder vlees-gedreven voedingspatroon (vooral in ontwikkelde landen) wordt onze voeding zo op termijn gezonder, kunnen we globaal gezien minder beslag leggen op landgebruik, kunnen we landbouw als economische activiteit opwaarderen, kunnen we natuur en biodiversiteit optimaal in stand houden én minder broeikasgassen uitstoten dan met de conventionele systemen die vandaag de planeet voeden.

Grootschalige, intensieve landbouw houdt boeren, consumenten en het milieu in een wurggreep. Hoog tijd om die te lossen!

 
Read more...

3 lessen die de coronacrisis ons leert om het klimaat te redden

15 mei 2020 by Transitie 2714 Views
Dirk Holemans

Written by

Dirk Holemans trekt drie lessen uit de coronacrisis waarmee we het klimaat kunnen redden. Hij stelt dat we dit momentum moeten grijpen. Want de bereidheid tot verandering bij de bevolking kan snel omslaan in brede frustratie als de samenleving, met de politiek voorop, nu geen toekomstperspectief biedt en dat hard maakt. In het Canvas-programma "Nachtwacht" diept hij zaterdagavond z'n visie verder uit.

Dit opiniestuk verscheen oorspronkelijk op vrt.be

 

De coronacrisis leert ons een belangrijke les. Als onze gezondheid op het spel staat, ontdekken we opnieuw de juiste volgorde der dingen. We werken om te leven, en niet omgekeerd. De economie is er voor de samenleving, de mens komt voor de winst.

3 lessen

Wat velen tot voor kort omschreven als onhaalbaar of zelfs ondenkbaar, is in enkele maanden gerealiseerd. En dat zijn zeker drie zaken. Zo luisteren ten eerste ministers weer naar wetenschappers, ze nemen hun adviezen ernstig en voeren hun strafste voorstellen uit. Tegelijk krijgen we als bevolking een turbocursus wetenschap: we weten nu wat een exponentiële curve is, dat onderzoek voortschrijdend inzicht inhoudt zodat wetenschappers hun visie bij stellen. Wetenschappers hebben dus opnieuw een duidelijke plaats in het publieke debat en het zal belangrijk zijn dit te behouden.

De tweede les gaat over de economie. De geglobaliseerde wereldeconomie blijkt niet die gigant waar de politiek geen greep op heeft. Die economie is ook niet supersterk, wel integendeel uiterst fragiel. Door de bedreiging van de volksgezondheid sloot de politiek in grote en kleine landen bedrijven en winkels. Een economie gebaseerd op lange productieketens met de meeste productie in Azië viel in duigen. Geen mondmaskers uit China, we ontdekken dat al onze paracetamol uit Indië komt. En ondertussen weten we welke de cruciale beroepen in deze crisis zijn: medisch personeel, verzorgenden, mensen aan de kassa’s, enzovoort. 

Ten derde hebben we met z'n allen blijk gegeven van een ongelooflijke burgerzin. Wie had gedacht dat we gehoor zouden geven aan het regeringsorder tot huisarrest? De burgerzin gaat trouwens veel verder. Ontzettend veel burgers zijn spontaan overgegaan tot vormen van solidariteit en lokale productie. Geen mondmaskers te krijgen vanuit China? Geen nood, burgers kruipen zelf achter hun naaimachine. Anderen wagen hun gezondheid om de meest kwetsbare burgers te ondersteunen met voedselpakketten of sanitaire producten, in samenspraak met lokale besturen. Dat betekent niet dat veel mensen het niet moeilijk hebben, veel mensen leven in onzekerheid over hun job, de armoede stijgt. Ook dat is deel van de analyse.

Beter na corona

We aanvaarden het advies van wetenschappers en de verregaande politieke maatregelen, vertonen burgerzin, omdat we weten dat het virus laten woekeren nog veel grotere schade zou berokkenen. Met meer doden, een ontredderde economie en wie weet een samenleving op drift. Ondertussen komen ook ideeën bovendrijven om de samenleving na de coronacrisis beter te maken dan ervoor. Om zaken aan te pakken waarvan we al lang weten dat ze niet deugen, bedrijven die in belastingparadijzen zijn gevestigd, de productie uitbesteden naar verre landen waar arbeiders uitgebuit worden en de natuur leeggeroofd, om ons te voorzien in goedkope wegwerpspullen.

Door het stilvallen van fabrieken, transportketens en verkoop van spullen zal de uitstoot van broeikasgassen dit jaar waarschijnlijk acht procent lager liggen dan voorzien. Dat komt overeen met de daling aan broeikasgassen die we elk jaar moeten bereiken. En waarbij de komende tien jaar cruciaal zijn om het tij nog te kunnen keren. Je zou dus kunnen zeggen, dat is goed nieuws voor het klimaatbeleid, we hebben een jaar gewonnen. Maar dat is te optimistisch, misschien verliezen we wel een heel decennium. Als we de honderden miljarden die nu geïnvesteerd gaan worden in de Europese economie enkel gebruiken om niet-duurzame bedrijven overeind te houden zonder daar voorwaarden aan te koppelen, zijn we verder van huis. 

Zoals de Nederlandse Triodos Bank strateeg Hans Stegenman stelt: we hebben geen loodgieters nodig, maar wel architecten. Jazeker, we moeten problemen als ze zich aandienen aanpakken. Maar dat kan je zoveel beter doen als je werk maakt van een veerkrachtige economie en samenleving die niet alleen beter schokken kunnen opvangen, maar ze ook proberen te voorkomen in de mate van het mogelijke. Dat betekent de economie niet alleen terug op de sporen krijgen, maar tegelijk de aanleg van nieuwe sporen in duurzame richtingen.

Klimaatcrisis efficiënt aanpakken

En dat kan, als we de drie lessen van de coronacrisis toepassen op de klimaatcrisis.

  • Politici gaan eindelijk luisteren naar de klimaatwetenschappers én nemen de drastische maatregelen die ze voorstellen. En die gaan steeds in dezelfde richting: we hebben een volledige ombouw nodig van onze systemen: hoe we energie produceren, voedsel voortbrengen, ons verplaatsen. Ook hier is er voortschrijdend inzicht en de politiek neemt de beslissingen.
  • Het is de democratie die de economie vorm geeft, en niet omgekeerd. Dus bouwen we veerkracht in onze economie door productie deels terug naar Europa te halen, niet meer te aanvaarden dat bedrijven belastingen ontwijken en verschuiven, met een stevige fiscale shift in Europa de belastingen op arbeid naar die op milieu en vermogen. En wie van buiten Europa zaken wil invoeren die niet voldoen aan onze normen, betaalt een fikse grensbelasting.
  • We ondersteunen maximaal de duurzame initiatieven van burgers. Ook dat sociaal kapitaal is een wezenlijk onderdeel van veerkracht. Het is opvallend hoe burgercollectieven of commons de voorbije vijftien jaar de bouwstenen van een duurzame economie ontwikkelden, denk aan het succes van plukboerderijen, energiecoöperaties en autodeelprojecten. Die moeten nu ondersteund worden om uit te groeien tot volwaardige economische actoren. Waarbij nieuwe technologie zoals 3D-printers toelaat om decentrale productienetwerken uit te bouwen. Die kunnen perfect een plaats krijgen in de nieuwe maakwinkelcentra zoals Broeklin, het alternatief voor het achterhaalde Uplace concept van shoppingcentra.

Nieuwe economie

Uiteraard zal in deze post-corona-economie internationale handel blijven bestaan net als grote bedrijven, de treinen gaan we heus niet in elke streek produceren. Maar zoals nu in het CETA-handelsakkoord voorligt om meer Europese auto’s uit te voeren in ruil voor Canadees vlees, is niet houdbaar. Net zoals het dogma dat het de enige opdracht van bedrijven is om winst te maken voor hun aandeelhouders. Hun verantwoordelijkheid strekt zich uit tot alle belanghebbenden, inclusief de natuurlijke omgeving. In de nieuwe economie is het evident dat bedrijven waarde creëren op diverse terreinen, door bijvoorbeeld te investeren in lokale gemeenschappen of de heropbouw van biodiversiteit.

Het goede nieuws is dat wat we nodig hebben om veerkracht op te bouwen nu al vervat zit in Europese beleidsplannen. Zo maakt de kringloopeconomie deel uit van de Green Deal. Die mikt terecht op een grondige transitie. Het gaat bijvoorbeeld niet alleen over kleren die we nu kunnen kopen als zouden het wegwerp doekjes zijn, het gaat over onze wegwerpmaatschappij in haar geheel. We recycleren amper tien procent van alle grondstoffen, da’s belachelijk weinig. Het komt er dus op aan met eenvoudige maatregelen straffe zaken te realiseren. Wat als bijvoorbeeld alle spullen dubbel zo lang zouden meegaan? En we ze maximaal onderhouden, herstellen en vernieuwen? Dan hebben we voor hetzelfde comfort de helft minder grondstoffen nodig en creëren we heel wat jobs?

En zijn we veel minder afhankelijk van wereldwijde en dus fragiele productieketens. Dat is het beeld van de nieuwe economie: nabij, afvalarm en rijk aan waarde. Niet louter financieel maar bovenal ecologisch en sociaal.

Nog goed nieuws: voor de omslag naar een duurzame samenleving is helemaal geen inperking van het sociale leven nodig, integendeel. Als we allemaal uit ons kot komen en samen werk maken van duurzame levensstijlen, kan dat in samenhang met de juiste beleidsmaatregelen straffe resultaten opleveren. Kijk hoe bijvoorbeeld steden wereldwijd nu hun straten vol auto’s omvormen tot ruimte voor fietsers en voetgangers en mensen daar gretig van gebruik maken. 

Nieuw sociaal-ecologisch pact

Het komt er finaal op aan terug de juiste maat te vinden. Zoals een inwoner van Venetië recent op het nieuws vertelde: de leegte nu is ondraaglijk, maar de vijf miljoen toeristen elke twee maand was dat ook. Weer activiteiten ontplooien met oog voor duurzaamheid en levenskwaliteit, inclusief de ruimte hebben om stil te staan bij de zaken, is cruciaal. 

Die omslag moeten we met heel de samenleving maken, en dat is geen sinecure. Het vergt openheid en veranderingsbereidheid van alle groepen. Het verleden leert ons dat het kan. In 1944 sloten in ons land, in navolging van Engeland, de overheid, werkgevers en vakbonden het Sociaal Pact. Dat legde het fundament voor het naoorlogse sociaaloverlegmodel dat veel welvaart bracht. Een nieuw Sociaal-Ecologisch Pact kan ervoor zorgen dat we opnieuw met verenigde krachten de uitdagingen aangaan.

De eerste indicaties leren dat de bevolking er klaar voor is. Uit een peiling in Engeland blijkt dat acht op de tien willen dat de regering voorrang geeft aan welzijn en gezondheid boven economische groei tijdens de coronacrisis, en dat zes op de tien willen dat na de crisis levenskwaliteit prioritair blijft. En in een peiling van Fair Trade in België geven zeven op de tien van de respondenten aan we door de crisis opnieuw de mens centraal moeten stellen in de economie en dat de overheid veel sterker de transitie naar een meer duurzame economie moet stimuleren.

Dit momentum moeten we grijpen, die kans mogen we niet verloren laten gaan. Want de bereidheid tot verandering bij de bevolking kan snel omslaan in brede frustratie als de samenleving, met de politiek voorop, nu geen toekomstperspectief biedt en dat hard maakt.

Hoe bijzonder de huidige situatie wel is, leerde mijn negentigjarige moeder me. Ze vertelde tijdens een van onze telefoongesprekken dat je zoiets als de coronacrisis maar een keer om de honderd jaar mee maakt. Dat lijkt me ook het juiste toekomstperspectief: drie generaties vooruitkijken, nu zorgen voor het welzijn van iedereen zonder de toekomstige generaties uit het oog te verliezen.

 

 

Read more...
Pagina 1 van 3
Don't have an account yet? Register Now!

Sign in to your account