Denktank voor Sociaal-Ecologische Verandering

Cultuur

Cultuur (5)

'Kies voor Hoop, Hoe spiritualiteit de economie kan veranderen' - Luk Bouckaert

by Cultuur 1257 Views
Johan Malcorps

Written by

Boekbespreking Johan Malcorps 'Kies voor Hoop, Hoe spiritualiteit de economie kan veranderen'

Luk Bouckaert, Garant, 2017, 153 p 

Een boek dat een indringend pleidooi brengt voor ethiek, maatschappelijk engagement en spiritualiteit in de economie en in de bedrijfsvoering van ondernemingen. Met het woordje ‘hoop’ in de titel van het boek verwijst de auteur dan niet zo zeer naar zuiver rationele hoop of verwachtingen (“espoir” in het Frans), maar naar ‘een perspectief van open staan voor wat komt, deel uitmaken van iets wat aan ons gebeurt’ (in het Frans “espérance”). Luk Bouckaert vertrekt vanuit een christelijk-personalistische visie en sluit nauw aan bij de gemeenschapseconomie van de Focolare-beweging. Hij is voor verantwoord ondernemen (MVO), maar wil ook stappen verder zetten. Als je echt wil breken met economie die verworden is tot een graaicultuur die roofbouw pleegt op de menselijke en ecologische omgeving, heb je een diepere bezieling nodig.

Nieuw denken vanuit de Toe-komst

We worden geconfronteerd met een reeks wereldproblemen die onoplosbaar lijken. Wetenschappelijke toekomstscenario’s, maar ook utopieën of dystopieën bieden onvoldoende perspectief. Misschien kan een drieslag van utopie, prognose en planning redding brengen. Maar dat kan maar vanuit een spiritueel zoeken naar oplossingen. Het kan door open te staan voor de toekomst, voor het principe van de hoop (tegen beter weten in). Het denken van de theoloog van de hoop Jürgen Moltmann schemert door. Met de ‘Theorie U’ van MIT-hoogleraar Otto Scharmer tekent Bouckaert een model uit van hoe een hele samenleving, maar ook bedrijven zich kunnen heruitvinden, her-bronnen. De “U”-curve geeft het verloop aan van een omslag waarbij men bestaande werkwijzen durft los te laten, in de leegte treedt en op het diepste punt contact maakt met de ‘Bron waaruit een toekomstig veld opkomt’(“presencing”), om dan een nieuwe visie uit te kristalliseren en nieuwe co-creatieve leef- en werkpatronen op te bouwen. Een soort van spirituele onderbouw zeg maar van het klassieke transitiedenken van Jan Rotmans en co, dat in Vlaanderen en Nederland de laatste jaren fel opgang maakt.

Radicaal kiezen voor participatie

Een stuk concreter is het voorbeeld dat hij geeft van de jonge Braziliaanse ondernemer Ricardo Semler die ervoor koos in zijn bedrijf radicaal verantwoordelijkheid te delegeren naar zijn werknemers, zodat er veel meer ruimte kwam voor verbeelding, creativiteit en werkplezier. Door op de werkvloer een ‘seven day weekend’ in te voeren, kon ook de productiviteit aanzienlijk verhoogd worden. Maar ook hier is de essentie om werknemers de kans te bieden open te staan voor nieuwe inzichten, om hen de kans te geven om “te dwalen in de toekomst” zonder een specifiek doel voor ogen te hebben.

Een dergelijke omslag is maar mogelijk als gekozen wordt voor een nieuw ‘kwetsbaar leiderschap’ en voor economische democratie. Hier volgt hij het pleidooi van Emmanuel Mounier, boegbeeld van het christelijk personalisme, voor financiële maar ook voor beleidsparticipatie van werknemers in ondernemingen. Als voorbeeld beschrijft hij de Spaans-Baskische coöperatieve Mondragon. En ook hier legt hij de band met spiritualiteit : een onderneming als gemeenschap van arbeidende personen kan niet anders dan in haar finaliteit democratisch zijn. Voor hem gaat het om een verdieping, een radicalisering van de bestaande bedrijfsethiek.

Gemeenschapseconomie

Ook de ecologische zorg geeft Bouckaert een nieuwe diepgang, door het ontwikkelen van een nieuwe visie op schaarste en spirituele soberheid. Hij leunt hier op de gemeenschapseconomie van de Focolare-beweging van Chiara Lubich en neemt het onderscheid over dat de Italiaanse economen Zamagni en Bruni maken tussen “positionele goederen” (die zorgen voor standing, luxe, afgunst) en “relationele goederen” (die te maken hebben met vriendschap, vertrouwen, wederkerigheid). Het principe van de wederzijdse gift ligt aan de bron van een radicaal alternatief voor een economie gebaseerd op steeds meer consumptie.

In het verlengde hiervan zoekt Bouckaert ook naar een diepere basis voor herverdelen. Ons model van sociale zekerheid verdient alle lof en steun. Maar de keuze om te delen berust voor hem ten gronde op een “Samaritaans appel”. Voor hem gaat de verdelende rechtvaardigheid van Rawls (vanuit een welbegrepen eigenbelang) niet ver genoeg. Net als andere christelijke denkers (Levinas, maar bijv. ook Illich) neemt hij de parabel van de barmhartige Samaritaan als model : belangeloze naastenliefde ingaand op een persoonlijk appel van een medemens. Hij benadrukt het belang van de relatie tussen mensen, van aangezicht tot aangezicht. Die persoonlijke relatie reikt veel dieper dan de solidariteit gegoten in sociale regelgeving.

Ten slotte pleit Bouckaert voor een vredeseconomie, waarbij hij in navolging van Johan Galtung uitgaat van een ruimer positief vredesbegrip. Hij verdedigt vrijhandel als substituut voor oorlog, de Europese (vrije) markten als alternatief voor de Europese ‘battlefields’. Maar hij gaat ook hier stappen verder : hij pleit met Galbraith voor een tegenkracht (“countervailing power”) tegen de destructieve invloed van multinationale ondernemingen. Ondernemingen die werken aan de vrede, hebben respect voor mensenrechten, voor alle stakeholders (en zeker de eigen werknemers) in plaats van enkel de shareholders, kiezen voor diversiteit, duurzaamheid en spiritueel leiderschap.

Een boek dat dieper durft te graven, nieuwe perspectieven van hoop plaatst tegenover uitzichtloze situaties in de politiek, maar ook in bedrijfsvoering. Soms misschien wat te theoretisch en beschouwend. Er mochten meer concrete voorbeelden gegeven worden, zoals bijv. van Vlaamse bedrijven die de principes van de gemeenschapseconomie toepassen.

Wat ook ontbreekt is een meer structurele hervorming van bedrijfsvoering en aansturing van bedrijven, zoals Christian Felber die schetst in ‘Ware Winst’, zijn boek over de gemene goed-economie. Het is zonneklaar dat er heel wat overlappingen zijn met de gemeenschapseconomie, of de bezielde economie zoals Bouckaert die voorstelt. Maar die verbindingen zullen nog moeten gelegd worden. De band met de coöperatieve beweging gaf Bouckaert wel reeds zelf aan, maar ook hier liggen nog meer kansen op een verfrissende synthese.

 

Johan Malcorps is Fractiesecrertaris van de Groen!-fractie in het Vlaams Parlement - voormalig parlementslid en politiek secretaris van Groen.   

Read more...

Wat is kunst? Kan kunst de wereld redden? Op zoek naar antwoorden met de Euraziaat Joseph Beuys

18 december 2017 by Cultuur 2567 Views

 

Joseph Beuys was een performance kunstenaar, tekenaar, beeldend kunstenaar en docent. Hij verruimde het kunstbegrip en verzette de bakens van de moderne kunst. De grens tussen kunst en leven en kunst en samenleving vervaagde. Hij drukte een blijvende stempel op het  ontwikkelingspad van de conceptuele, abstracte kunst vanaf de tweede helft van de twintigste eeuw. Joseph Beuys, geboren in het Duitse Krefeld in het jaar 1921was een jonge man in de donkere jaren '40. Hij kwam als Duits soldaat zowel aan het Oost- als het Westfront terecht. Hij raakte gewond en eindigde in een geallieerd krijgsgevangenenkamp. Na de oorlog zaten zowel Duitsland als Joseph Beuys aan de grond. De oorlogservaring was een groot trauma. De rampzalige geschiedenis zette hem aan het denken. De man zocht naar een andere weg. Beuys ging studeren aan de kunstacademie van Dusseldorf en begon te werken als beeldend kunstenaar. In de jaren '60 raakte hij betrokken bij de Fluxus beweging, een kunstenaarscollectief. De Fluxus beweging wou het onderscheid tussen kunst en het dagelijks leven opheffen. De kunstenaars ageerden tegen het elitaire karakter van kunst. Men verwierp de gevestigde kunstorde die volgens de leden van Fluxus gedomineerd werd door musea en commercie. Kunst  moest bevrijd worden uit de stoffige zalen van de musea. Het kunstenaarscollåectief bracht hun boodschap veelal middels performances. Later zou Beuys terug afstand nemen van de Fluxus beweging al bleef de invloed op  zijn werk groot. 

De Fluxus beweging en Beuys zelf waren in belangrijke mate schatplichtig aan het dadaïsme en het werk van Marcel Duchamp. Marchel Duchamp is te beschouwen als een grondlegger van de moderne kunst. Hij stelde vragen bij wat we - vaak kritiekloos - als kunst beschouwen. Het idee achter kunst werd belangrijk, vakmanschap was minder belangrijk. Net als Duchamp stelde Beuys de heersende kunstopvatting aan de kaak en zocht 'kunst' in alledaagse zaken die volgens de conventionele opvattingen ver buiten het domein van de kunst lagen. De vraag 'wat is kunst?' stond centraal. Beuys zei “Kunst moet altijd de basis premissen van de heersende cultuur in vraag stellen. Dat is de functie van alle kunst. Terwijl de samenleving dit juist probeert te onderdrukken”. Met het werk 'Das Schweigen von Marchel Duchamp wird überbewertet' verwijst Beuys expliciet naar zijn relatie met de Franse kunstenaar. Tegelijk ging Beuys ook in tegen de opvattingen van zijn inspirator. Marchel Duchamp heeft zijn eigen werk niet volledig begrepen stelde Beuys. Beuys vond zijn kunstopvatting niet inclusief genoeg en vond dat Duchamp stopte bij zijn kunstkritiek en dat zijn denken en werk niet uitmondde in een duidelijke visie op mens en maatschappij.  

Voor Beuys moest kunst gaan over de grote vragen van de mens en de tijd waarin hij leeft. Thema's als de koude oorlog, de wapenwetloop, milieudegradatie en de mondiale ongelijkheid waren belangrijk in zijn werk. Beuys zocht naar de diepere oorzaken van de crisis en verkende mogelijke uitwegen. Zijn werk ademde de sfeer van de jaren '60, was geëngageerd en activistisch. Hij vond dat in 'kunst' in de breedste en diepste betekenis van het woord het antwoord op de grote vragen te vinden was. Een dergelijke filosofische benadering van kunst focust op ideeën en gedachten. Het is een vorm van conceptuele kunst. Je zou kunnen stellen dat Beuys een eigen wereldbeeld ontwikkelde waarmee hij vragen opriep over de heersende paradigma's. Beuys was een sjamaan, een genezer een spirituele magiër die met zijn kunst hoopte de wereld te genezen. Hij vond hiervoor inspiratie in de antroposofie, het christendom, oude beschavingen, de kunstgeschiedenis en ook in de natuur. Hij gebruikte een mysterieuze symobliek en sprak met zijn publiek in een eigen taal.  

Een aantal materialen komen steeds terug in het werk van Beuys: vet, vilt, metaal, hout, honing...Ze zijn puur, ruw en ongerafineerd gebruikt. De kleuren zijn vaal, dof en grijs. Het plastisch werk van Beuys heeft daarmee vaak een heel tastbaar en fysiek karakter. Op onverklaarbare manier roept dit juist iets van het tegendeel op, een ontastbare, mysterieuze en platonische wereld. De materialen hebben een symbolische betekenis. Ze symboliseren principes als chaos, warmte, energie, communicatie en bescherming, … Ze geven vaak ook een mogelijkheid of taak weer. Beuys werk, denken en persoonlijkheid zorgde voor veel controverse. Het heeft een tijd geduurd vooraleer Beuys internationaal doorbraak. Uiteindelijk kwam hij aan bod op de grote kunstfora. Hij nam deel aan documenta  in Kassel, de Biennale van Venetië. Er is werk te zien in de grote Musea zoals in Guggenheim New York en Tate Modern in London, het Centre Pompidou in Parijs en in andere grote steden. Beuys heeft  een grote invloed gehad op de ontwikkeling van de conceptuele, abstrakte kunst in de tweede helft van de twintigste eeuw.

Kunstopvatting en verwijde kunstopvatting 

'Jeder mensh ist ein kunstler' is de bekenste statement van Joseph Beuys. Voor Beuys beperkt kunst zich niet tot een soort esthetische ambacht. Het menselijke leven, werk, denken en handelen is het belangrijkste kunstwerk.  Kunst hoort bij de definitie van de mens, het is een cruciale mogelijkheid. Creativiteit is een basiskenmerk van ons zijn. Dit is een antropologische invulling van het begrip kunst. Beuys wilde deze verruimde vorm van kunst inzetten als vormgevend principe voor alle domeinen van de samenleving. De mens als kunstenaar heeft het potentieel in zich om een onvolkomen en onafgewerkte wereld verder af te werken. Creativiteit is het enige wat voor verandering en ontwikkeling in de wereld kan zorgen. Plastische kunst als evolutionair proces. 

'Gedachten en ideeën komen door de mens in de wereld. Denken typeert de mens. Sommige gedachten zijn bijzondere scheppingen. Het vormen van gedachten is te beschouwen als een plastisch kunstwerk.' 

Ons denken gaat over de grens van de substantie, en heeft daarmee in zekere zin een spiritueel karakter. Maar het denken vormt ook de basis voor wat we doen in de wereld. Beuys wilde stilstaan bij de betekenis van de begrippen die we in onze taal gebruiken. Op zoek gaan naar verborgen of vergeten betekenissen. Zijn kunst bestond in zekere zin uit het verdiepen of herdenken van een gedegradeerd begrippenkader, het overstijgen van een verstard  'normaal'. Uit het herdenken van de mens en zijn rol in de wereld, ook. Beuys zocht naar een ander  mens- en wereldbeeld. Eén dat vertrekt vanuit creativiteit, dat geneest, dat vorm geeft. Beuys hoopte op een revolutie in het menselijke denken. Beuys zag in het, volgens hem eenzijdig, wetenschappelijk materialistisch wereldbeeld een belangrijke oorzaak van de crisis waarin onze cultuur zich bevindt. Zijn werk prikkelt ons om anders te kijken en te ervaren. Om onze kijk te verbreden, onze invalshoek te wijzigen, en te zoeken naar de grenzen van ons denken en onze beleving. Naar wat in ons bereik ligt maar wat we nog niet kunnen vatten, verwoorden en verwezenlijken. 

'Beuys hoopte de scheiding tussen kunst en wetenschap te overbruggen, tussen materie en geest.'

Ons denken alleen is hiervoor niet toereikend. Kunst doet op meer beroep dan het menselijke vernuft. Verbeelding, intuitie, verlangen, estehtiek en gevoel,... spelen allen een belangrijke rol. We hebben alles nodig wat we in ons hebben: denken, emotie en wil.  

Intermezzo het ontwikkelingsproces van de plant

Een plant kiemt uit zaad. Water, licht en warmte zijn de drijvende krachten achter de ontluiking. De eerste blaadjes, de kiembladeren zijn eenvoudig van vorm. Alle planten lijken in dit stadium erg goed op elkaar. Als de plant groeit ontstaan er hoger langs de stengel grote bladeren met een typische vorm. Met deze bladeren maakt de plant de soortkenmerken duidelijk. Planten worden groter en realiseren een soorteigen vorm. Deze fase is zeer fysiek, zeer erg op groei gericht, er wordt veel biomassa geproduceerd. Later valt de groei stil er komt er hoger op de plant een nieuwe evolutie op gang. De nieuwe fase wordt ingeleid door bladeren aan de uiteinden van takken die klein spits en arm van vorm worden. Op deze plek ontwikkelt de plant een bloeiwijze. Dit is iets nieuws, een breuk met al het voorafgaande. Er wordt niet meer in groei geïnvesteerd, maar in bloei. In de bloei worden nieuwe kwaliteiten ontvouwd. Kleur, geur en  fantastische symmetrische vormen verschijnen. Er wordt stuifmeel gevormd in de meeldraden. Stuifmeel is klein, vormloos, bijna immaterieel. Stuifmeel is informatie, gericht op verspreiding.  De plant overschrijdt met de bevruchting het individuele (bij de meeste planten zijn er mechanismen om zelfbestuiving onmogelijk te maken). De bestuiving is een sociaal proces.  Na de bestuiving start de ontwikkeling van het zaad. Zaden zijn vetrijk. Vet is een bijzondere energierijke substantie die het resultaat is van warmteprocessen. Ook zaad is gericht op verspreiding. Het draagt de energie en informatie voor een nieuwe ontwikkeling in zich. De cyclus kan zich herhalen. Joseph Beuys vond in het ontwikkelingsproces van de plant inspiratie voor mens en samenleving, daar kom ik later op terug.  

Sociale plastiek

Er is een kunstvorm die je niet alleen kan beoefenen omdat deze het individu overstijgt. Het gaat over wat mensen samen kunnen, over de meerwaarde van hun samenwerking. Het vormgeven van de wereld gebeurt immers grotendeels in een sociale context. Sociale kunst, door Beuys ook sociale plastiek genoemd, is de sculptuur waarmee we onze samenleving ontwikkelen en vormgeven. Het vormgeven van de sociale ruimte als plastisch kunstwerk. In deze vorm van moderne kunst is elke persoon een co-creator, een vormgever, een architect van het sociaal organisme. Sociale kunst komt dicht bij het politieke ook al wijkt 'politiek' hier af van de gevestigde invulling die dit begrip vandaag meestal heeft. Hier bedoel ik niet het electoraal spel van verschillende partijen maar ideeën en initiatieven om de samenleving te organiseren. Politieke intenties kunnen artistiek zijn. Ook onze economische activiteiten, onze 'maakwereld' is te beschouwen als een vorm van sociale plastiek. Onze industrie en nijverheid zijn immers de creaties waar we het meest van onze tijd en energie in investeren. Beuys was van mening dat politiek en economie van kunst doordrongen moesten worden, tot kunst gemaakt konden worden of beter in wezen eigenlijk kunstvormen zijn. Middels politieke ideeën en economische creaties is de mens vormgever en schepper van zijn wereld.  De verschillende domeinen van onze samenleving samenbrengen tot een groot kunstwerk, een sociale sculptuur was het ideaal van de kunstenaar. Het begrip vrijheid is hierbij belangrijk. “Vrijheid is de basisstructuur van het menselijk bewustzijn” zei Jean-Paul Sartre. We zijn niet voorbestemd om dit of dat te maken. Creaties vertrekken vanuit vrijheid. Creëren op commando is niet mogelijk. Beuys heeft kunst de wetenschap van de vrijheid genoemd. De politiek en economie als uitingen van de vrije mens. Als mensen in vrijheid kunnen samenwerken komen we heel dicht bij echte democratie. Bij directe democratie ook, waarin mensen samen beslissen, vormgeven en verantwoordelijk zijn voor het resultaat. Beuys hoopte op een diepgewortelde sociale en culturele transformatie. Energie vooral in de vorm van warmte is een centraal begrip in het werk van Beuys. Warmte initieert ontwikkeling en drijft ze aan. Wat niet met warmte gevoed wordt kan niet ontwikkelen.  Net zoals in het voorbeeld van de plant, waarbij warmte een cruciale rol speelt bij de vorming van zaad, is warmte essentieel voor de mens. Wij zijn warmte wezens. en constant hoge lichaamstemperatuur is een essentiële levensvoorwaarde. Onze lichamen geven warmte af en we willen die kostbare warmte ook bij ons houden. Onze kledij is bedoeld om de warmte niet te verliezen. Bij de mens gaat het niet alleen om fysieke warmte maar ook om sociale en spirituele warmte. Onze taal zit vol van uitdrukkingen die hiernaar verwijzen. Een warm onthaal,  een warme samenleving, een warme blik,...Warmte is ook in de sociale wereld van de mens een motor van ontwikkeling en genezing. 

Vet speelt de hoofdrol in warmteprocessen. Vet ontstaat onder invloed van warmte en kan de warmte als het ware opslaan en die bij verbranding terug vrij geven. Het is dan ook een symbool voor het sociale, voor de ontwikkelingskracht die van de menselijke sociale verhoudingen uitgaan. Maar Beuys heeft het ook over de energie die nodig is om inzichten en mogelijkheden  daadwerkelijk vorm te geven en veranderingen te initialiseren. Ook de sociale en spirituele warmte is een kostbaar goed dat we willen conserveren. We moeten als het ware 'isoleren' om de warmte die in sociale processen ontstaat bij ons te houden. Vilt heeft een isolerende werking en wordt door Beuys als symbool hiervoor gebruikt.  

'Verbandkisten, rode kruis tekens en het inwikkelen van materialen komt vaak terug in het werk van Beuys. De mens als genezer van een gewonde wereld. Sociale plastiek, politiek en economie als kunstvormen en middel tot genezing en herstel.' 

Bij de mens als denkend wezen speelt ook de vraag wat met deze energie en warmte te doen, hoe deze in te zetten. Een vrij wezen kan ook richting en betekenis geven aan sociale processen. Hiervoor is inspiratie en communicatie nodig. Metalen symboliseren dit in het werk van de kunstenaar. Metaal is als een geleider waarlangs communicatie verloopt en die ons voorziet van inspiratie. 

Vanuit zijn verruimde visie op kunst ontwikkelde Beuys zijn eigen (radicale) visie op kapitaal en het geldsysteem. Beuys vond ons begrip van kapitaal gedegradeerd, terwijl kapitaal juist heel belangrijk is. Het begrip kapitaal is niet meer verbonden met onze creativiteit. Het moet terug een artistieke grondslag krijgen. 'Kunst = kapitaal' poneerde de kunstenaar.  Kapitaal is datgene waartoe de mens in staat is, datgene wat we samen kunnen. Geld overschaduwt dit. Daarom geloofde Beuys dat er een nieuwe vorm van geld ontwikkeld moest worden die de creatieve potentie van de mens ondersteunt. Beuys zelf formuleerde het ooit als volgt in een interview:  “En wij bezitten een begrip kapitaal, waar zich een begrip economie tussen wringt dat alles stuk maakt en de economie ertoe aanzet aan profijt te denken, aan uitbuiting enzovoort. Er bestaat slechts: waartoe de mens in staat is en wat daaruit voortkomt. En dat kan in een voortdurende discussie onder de mensen steeds opnieuw besproken worden en overgaan in een oneindige productiviteit die de wereld opbouwt, ombouwt, ja, een geheel nieuwe kosmos opbouwt en juist niet vernielt. Dat andere is helemaal geen groei, dat noemen ze alleen maar zo. Het is eigenlijk het verschrompelen. Omdat de uiterlijke groei zich natuurlijk als een kankergezwel verder ontwikkelt, is het eigenlijk afspelende proces het afsterven. Daarom is het ook niet productief en is het ook geen groei. Het is alleen een zich opstapelende woekering van bepaalde interessen, die de mens niet meer in de hand heeft.” Het is ironisch om van deze ondertussen decennia oude ideeën van de kunstenaar kennis te nemen en vast te stellen dat ons geldsysteem in een fundamentele aanslepende crisis verkeert. Beuys had heel wat ideeën om ons geldsysteem en economie te moderniseren: 

Het doel van onze economie zou moeten zijn om de noden van de mensen over de hele wereld te vervullen. Hiervoor dient een andere invulling van het begrip geld en een andere verdeling ervan zich op. Geld zou werk moeten stimuleren geen winst. Om dit te bereiken wou Beuys het bankwezen democratiseren. 

De producten die onze fabrieken verlaten zouden zo hoogwaardig kunnen zijn dat ze nauwelijks verslijten. Dat er door de langere levensduur minder geproduceerd wordt maakte hem niet bezorgd over werkloosheid. Werkloosheid is in zekere zin een absurd concept. Als we alléén maar kijken naar al het ecologisch herstelwerk in de wereld komen we juist veel handen tekort. Kortom het gaat om ideeën die staan voor een echte rationalisering van de economie. Terwijl ik zit te schrijven komt de vergelijking met het ontwikkelingsproces van de plant me terug voor de geest.  Ik vraag mij mij op of we met ons economisch bestel blijven steken zijn in de groeifase. Zijn we in een impasse terecht gekomen? Ons economisch jargon bulkt van termen die naar het fysieke groeiproces verwijzen. We zijn geobsedeerd door groei, vaak zonder richting of duidelijk doel. Maar ongebreidelde groei is kanker. Het heeft negatieve ecologische en sociale neveneffecten. De groei lijkt echter de laatste jaren, ondanks de monetaire doping van de centrale banken, te stagneren. De nadelige consequenties van ongebreidelde economische expansie komen naar de voorgrond: klimaatverandering, grondstoffenschaarste, ontbossing, bodemdegradatie, sociale ongelijkheid...Is het voor onze economie en samenleving tijd om een nieuwe ontwikkelingsfase te ontvouwen? Eén die naar analogie met de ontwikkeling van de plant kwaliteiten van bloei, zaadvorming en verspreiding probeert te integreren in onze economie.  

Het zal niet verbazen dat Beuys die zijn kunstvisie doortrok naar het economische en het politieke zelf sterk sociaal geëngageerd was. Naast de inspiratie die van zijn kunstwerken uitging probeerde hij ook door activisme en politiek aan verruimde kunst en sociale sculptuur te doen. Hij ageerde tegen de wapenwetloop van de koude oorlog, mondiale ongelijkheid en de milieudegradatie. Beuys was gekant tegen zowel het kapitalisme als het communisme. Hij dacht na over een derde weg: democratisch socialisme. Beuys geloofde in een directe democratie, een systeem dat veel participatiever zou zijn. Destudentenpartij werd opgericht die later omgedoopt werd tot de organisatie voor directe democratie. Hij organiseerde een aantal platformen waar  'een permanente conferentie' plaatsvond wat volgens hem een 'echt publiek debat' was. Beuys pleitte ook voor referenda. Het moto was 'lets overcome party dictatorship now'. Centraal gestuurde partijen stonden  immers te ver van de burger en hielden verandering tegen. Samen met zijn vriend en schrijver Heinrich Böll stichte hij de Vrije Internationale Universiteit in Düsseldorf. Het was een instituut voor creativiteit en interdisciplinaire studies. Ideeën over  kunst, democratie, het milieuvraagstuk, het schoolsysteem, … konden hier bediscussieerd en verfijnd worden. Later in zijn leven was Beuys betrokken bij de groene partij in Duitsland. In 1979 stelde hij zich kandidaat voor een zitje in het Europees parlement. Een jaar later zou hij zich ook op de lijst stellen voor de lokale verkiezingen in Düsseldorf. Als politicus was Beuys echter minder succesvol dan als kunstenaar. 

Kort voor zijn dood werkte Beuys aan het project 'Siebentausend Eichen' waarmee hij een zogenaamde 'stadsverwaldung' wou realiseren. In het kader van Documenta 7 te Kassel wou de kunstenaar zevenduizend eiken aanplanten in de stad. Naast elke eik werd een basaltsteen geplaatst. Met de boom en de steen werd dode en levende materie samen gebracht. Aanvankelijk ondervond het initiatief veel tegenstand. Niet iedereen vond het aanplanten van zoveel bomen en het aanvoeren van zoveel stenen een goed idee. De bomen zouden niet groeien in stadsgrond wierpen anderen tegen. Het stadsbestuur had zo zijn bedenkingen en had liever een veel kleiner kunstwerk gezien. Ook het financiele plaatje van de onderneming bleek aanvankelijk door de idealistische kunstenaar slecht ingeschat te zijn. Maar Beuys en zijn medestanders zetten door. Beuys betrok zoveel mogelijk lokale mensen bij het project. De bewoners mochten zelf kiezen waar de bomen zouden komen. Het hele proces bracht een geweldige discussie op gang over ruimtelijke ordeninning, de milieukwaliteit in, en de leefbaarheid van de stad.  

Beuys zag het kunstwerk ook als een educatief project waarmee de grote uitdagingen over ecologie en samenleving letterlijk mee het straatbeeld zouden bepalen. Het project onderstreepte het belang van natuur en de menselijke afhankelijkheid van onze natuurlijke omgeving. Tijdens een interview zei de kunstenaar over het project. “Het planten van zevenduizend eiken is alléén maar een symbolisch begin. En een dergelijk symbolisch begin vraagt om een marker, in dit geval een basaltsteen. De bedoeling van deze boomplantactie is om te wijzen naar de transformatie van het leven, de samenleving en het hele ecologische systeem.” De samenwerking met honderden  vrijwilligers was ook een praktisch voorbeeld van sociale kunst en directe democratie. Hij hoopte dat het project met bomen in Kassel zou uitstralen tot ver buiten de stad en een start zou zijn van een mondiale verandering op sociaal en ecologisch vlak.  Beuys zelf heeft het eindresultaat niet meer kunnen zien, hij stierf in januari 1986. Zijn zoon plantte een jaar later de laatste de 7000 duizendste eik aan, naast de boom die zijn vader geplant had. Eiken zijn trage groeiers, die vele menselijke generaties nodig hebben om volwassen te worden. De bomen staan er nog steeds. Ze zijn groter geworden. 

Wie werk van de kunstenaar wil zien kan terecht in het museum voor Hedendaagse kunst in Antwerpen. De tentoonstelling 'Joseph Beuys- Groeten van de Euraziaat' loopt van 13 oktober 2017 tot 21 januari 2018.

 

 

Read more...

Leonardo speelt gitaar - Een zoektocht naar duurzaam hout voor muziekinstrumenten

04 mei 2017 by Cultuur 2689 Views

Muzikanten, ze staan niet meteen bekend als grote conservatievelingen, maar als het op materiaal aankomt, houden ze graag vast aan aloude succesformules. Een gitaar uit mahonie, palissander en ebbenhout klinkt en speelt nu eenmaal beter dan een exemplaar uit essen, berken of eiken, toch? Dat die tropische hardhoutsoorten steeds zeldzamer worden, geldt als een ongemakkelijke waarheid waar liefst zo luid mogelijk over gezwegen wordt. Het is dus opvallend dat het Centrum voor Muziekinstrumentenbouw (CMB) in Puurs – de belangrijkste Belgische instelling in de branche – een project trekt waarin ze onderzoekt hoe we duurzamere gitaren kunnen bouwen. Tijdens het paasweekend, op het tweejaarlijkse festival Cordefactum, stelde ze de resultaten voor.

 

Stukjes oerwoud in een gitaar

In hout zit muziek. Al millennialang gebruiken mensen hout om op te kloppen, om door te blazen, als klankkast, enzovoort. Ook nu nog worden voor al die zoetgevooisde klanken jaarlijks heel wat bomen gekapt – wellicht meer dan ooit tevoren. De instrumentenbouwindustrie is erg kieskeurig: het hout moet van goede kwaliteit, stevig en stabiel zijn. Dat is nodig omdat een muziekinstrument erg gevoelig is aan kleine imperfecties. Een ongelijkheid in het hout kan de intonatie grondig om zeep helpen of de bespeelbaarheid drastisch verminderen.

 

Vandaar dat de voorkeur vaak uitgaat naar tropisch hardhout. Palissander, ebben en dergelijke bezitten bijzonder goede eigenschappen en zijn dus erg geliefd. Dat het hout er bovendien goed uitziet, is mooi meegenomen. De populariteit heeft echter tot gevolg dat de bomen schaarser en schaarser worden. Veel houtsoorten die courant zijn in de instrumentenbouw staan op de CITES1-lijst van beschermde planten- en diersoorten en zijn in het wild erg zeldzaam. De handel is aan strikte voorwaarden onderworpen. Illegaal kappen van deze bomen is een reëel probleem.

 

Uiteraard is de muziekinstrumentenbouw niet de enige boosdoener voor de overexploitatie van deze tropische houtsoorten, en al zeker niet de grootste. Ook voor andere doeleinden, zoals meubelen, papier en bouwmateriaal zijn ze gegeerd. En wellicht vormt habitatverlies door de uitbreiding van het areaal voor landbouw en veeteelt eveneens een bedreiging. Bovendien is een muziekinstrument een vrij duurzaam object: het doet vaak tientallen, soms zelfs honderden jaren dienst. Ondanks deze nuanceringen is het de plicht van de sector om zijn ecologische voetafdruk te bestuderen en te verkleinen.

 

Leonardo

En dat is wat het CMB doet in het Leonardo Guitar Research Project. Het doel van dit project, dat door de Europese Commissie ondersteund wordt, is om op zoek te gaan naar alternatieven voor tropisch hardhout in de gitaarbouw. Cursisten en leerkrachten van de opleiding gitaarbouw maakten klassieke en akoestische gitaren2 van traditionele tropische houtsoorten en van inheems hout. Alle gitaren kregen hetzelfde bouwplan, zodat die factor geen invloed heeft op het eindresultaat. Elke bouwer voorzag twee instrumenten, een ‘tropisch’ en een ‘inheems’. Op die manier sluit men uit dat onderlinge verschillen tussen bouwers verantwoordelijk zijn voor eventuele kwaliteits- en klankverschillen.

 

Vervolgens ging men aan het testen. Muzikanten kregen verschillende gitaren in handen en moesten elk instrument beoordelen op klank. Ze deden dit in eerste instantie geblinddoekt. Bij de test waren ook luisteraars aanwezig, die van achter een gordijn de klankkleur moesten evalueren. Geen van de proefpersonen wist dus welke gitaar er bespeeld werd. De instrumenten kwamen telkens in duo (tropisch en niet-tropisch). De vraag was eenvoudig: welke van de twee klinkt het beste?

 

In deze eerste proef bleken de inheemse gitaren er even goed uit te komen als de tropische. Het is dus perfect mogelijk om een goed klinkende gitaar te maken uit kersen, populier, taxus of robinia (niet inheems maar een veel voorkomende exoot). Eén van de cursisten waagde het zelfs om een klankkast te vervaardigen uit papier.3 De gitaar kwam er regelmatig uit als de beste.

 

Dit resultaat is niet zo verwonderlijk: eeuwenlang gebruikten instrumentenbouwers het hout dat voorhanden was in eigen streek. Pas sinds de kolonisatie werd tropisch hardhout op grote schaal beschikbaar, en kon het langzaamaan de norm worden voor muziekinstrumenten. Wat wél eigenaardige resultaten opleverde, was de tweede proef. Opnieuw kregen muzikanten en luisteraars enkele gitaarduo’s voorgeschoteld, dit keer zonder blinddoek of gordijn. Wat bleek? De tropische gitaren kregen in 75% van de gevallen de voorkeur.

 

Luisteren met je ogen

Er is dus iets eigenaardigs aan de hand met ons beoordelingsvermogen van muziek. Om de kwaliteit van een instrument, een artiest of een muziekstuk te beoordelen, gaan we voor een groot deel af op onze ogen. Dirk Moelants, professor aan de Universiteit Gent en gespecialiseerd in cognitieve musicologie, verklaarde dit met een aantal voorbeelden die best onthutsend zijn.

 

Een eerste principe dat inzicht geeft in hoe ons brein omgaat met klank, is het McGurk-effect.4 Dat treedt op in bepaalde gevallen wanneer de visuele eigenschappen van een gesproken woord niet overeenkomen met de auditieve aspecten ervan. Zo kan het zijn dat je dezelfde klank gaat horen als ‘ba’ of als ‘va’, al naar gelang de lipbewegingen van je gesprekspartner. Dit kan verklaren waarom een gitaar die er goed (of herkenbaar) uitziet beter klinkt dan een gitaar uit onbekend, saai ogend hout.

 

Maar het gaat nog verder: soms beoordelen we muziek blijkbaar accurater wanneer we ze niet horen. In een experiment van Chia-Jung Tsay5 kregen proefpersonen beelden te zien van genomineerden voor een muziekwedstrijd. Ze moesten inschatten wie de wedstrijd zou winnen, op basis van videobeelden, klankopnames, of een combinatie ervan. De videobeelden waren een veel betere indicator dan de klankopnames: 50% voorspelde de winnaar op basis van de beelden alleen, slechts 25% op basis van enkel geluid. De meest eigenaardige uitkomst van het experiment? Wanneer de proefpersonen zowel beeld als klank kregen, lag de juistheid van de voorspellingen rond de 30% - lager dus dan met enkel beeld.

 

Vertaald naar de gitaren komt dit erop neer dat mensen (luisteraars en muzikanten) ervan overtuigd zijn dat een instrument van tropisch hardhout beter klinkt dan één uit alternatieve materialen. Een behoudsgezinde houding, waarvan de verantwoordelijkheid gedeeltelijk bij de industrie zelf ligt. Want zoals iemand uit de business het stelt: ‘We zijn er bijzonder goed in geslaagd om mensen te doen geloven dat een goede gitaar gemaakt is uit tropisch hardhout. Het wordt een grote uitdaging om ze van het tegendeel te overtuigen.’ Deze en andere muziekpsychologische kennis kan handig zijn om de markt langzaamaan te hervormen. Je zou bijvoorbeeld hout kunnen kleuren zodat het visueel meer weg heeft van de traditionele soorten.

 

Naar een duurzame instrumentenbouw

Of het nu uit milieu-overtuiging, experimenteerdrift of noodzaak is, veel bouwers gaan aan de slag met alternatieve materialen. Op Cordefactum gaf Adrian Lucas, een Engelse luthier die graag met recuperatiehout werkt daarover een interessante uiteenzetting. Deuren, kasten, raamkozijnen, … overal vindt hij wel kwalitatief hout om in zijn instrumenten te verwerken. En sommigen gaan nog verder: Taylor guitars, de grootste fabrikant van akoestische gitaren in de Verenigde Staten, bouwde in 1995 al een gitaar uit pallethout.

 

Er is dus hoop, maar toch blijven er nog heel wat uitdagingen. Naast de psychologie van de muzikant en de luisteraar/kijker zullen ook de aanvoerstromen van het materiaal moeten veranderen. De extra verwerkingstijd (en dus kost), maakt recuperatiehout wellicht enkel geschikt voor gebruik op kleine schaal. En ook naar de duurzaamheid van andere materialen (vooral metaal) die in muziekinstrumenten verwerkt zitten zou nog verder onderzoek kunnen gebeuren. Niettemin heeft de sector met de inzichten uit het Leonardo-project een mooie troef in handen op weg naar een duurzamere muziekinstrumentenbouw.

 


Meer info over het Leonardo Guitar Research Project vind je hier.

 

 

Voetnoten:

1. Convention of International Trade in Endangered Species.

2. Een klassieke gitaar heeft nylon snaren, een akoestische gitaar stalen. De vorm is gelijkaardig, maar door de hogere snaarspanning bij stalen snaren zijn er verschillen qua constructie.

3. De wanden en het achterblad van de klankkast werden opgebouwd uit ca. 40 lagen papier, met een polyurethaanhars als bindmiddel. Indien een ander product dan PUR gelijkaardige resultaten oplevert qua klank en stevigheid, kan dit een ecologisch alternatief voor hout zijn voor de klankkast. Voor de hals levert papier waarschijnlijk onvoldoende stevigheid.

4. BBC 2 maakte hierover een erg bevattelijk filmpje in de reeks ‘Is seeing believing?’ van het programma Horizon.

5. Het artikel vind je hier.

 

Read more...

Iets over politiek en fictie

02 september 2016 by Cultuur 2140 Views
Jan Mertens

Written by

Het was een stelling die ik tijdens een boekenprogramma dat ik mocht presenteren even in de groep wierp. Ik voel een zekere mate van wantrouwen tegenover politici die zeggen dat ze alleen maar non-fictie lezen. Is natuurlijk een provocerende stelling, enkel bedoeld om het denken wat op gang te brengen. 


En om maar meteen allerlei tegenwerpingen te pareren, enkele dingen. Er is helemaal niets mis met non-fictie, integendeel. (Ik verwacht van goede politici ook dat ze regelmatig uitdagende en goede non-fictie lezen.) Helemaal niet lezen is natuurlijk nog erger, denk ik. Je hebt ook heel veel heel erg goede en kwaliteitsvol geschreven non-fictie. Er is ook veel goede journalistiek. Het feit dat een politicus leest, zorgt er op zich helemaal niet voor dat hij of zij geen populist of narcist kan zijn. Omgekeerd kun je ook vragen stellen bij auteurs die bij wijze van spreken alleen maar neer zouden kijken op de politiek en niet verder komen dan enkele clichés over het maatschappelijk gebeuren. En zo zijn er nog eindeloos veel dingen, tegenvoorbeelden en uitzonderingen op de regel in te brengen. De stelling heeft enkel als doel het hoofd wat te prikkelen om zo te komen tot een voorzichtig zoeken naar enkele redenen waarom het goed kan zijn dat politici ook echt tijd maken om fictie te lezen.

Argumenten die wel eens worden aangehaald door mensen die zeggen alleen non-fictie te lezen zijn dat ze iets willen lezen dat ‘echt’ is of ‘echt gebeurd’, en dat het lezen ‘nuttig’ moet zijn. Alsof het lezen van iets dat dan zogenaamd ‘verzonnen’ is tijdverlies zou zijn. Een boek met goede non-fictie is geen telefoonboek met een opsomming van feiten. Feiten worden beschreven, geïnterpreteerd en geduid,  in een volgorde gezet, in een logisch verband gebracht en in een talige vorm geschikt. Er wordt als het ware een verhaal van gemaakt. Non-fictie is in een aantal opzichten dus ook fictie. Onvermijdelijk. En om op dat nuttig door te gaan, een goede roman is waarachtig, klopt met zichzelf, en kan inzichten geven in het echte leven, of in mogelijkheden van leven. Dat zou dus heel nuttig kunnen zijn, als je gehecht bent aan dat criterium. Je doet het taalkunstwerk dat een goed boek is wel geen eer door het te herleiden tot zijn nuttigheid. Het is net heel goed om de ervaring te mogen hebben van de schoonheid en de soevereiniteit van een kunstwerk, een ervaring die in alle opzichten ontsnapt aan een instrumenteel of nuttigheidsdenken, vind ik toch.

Het is dus beter – en misschien wel ‘nuttiger’ in de context van dit stukje – om het positiever te formuleren. De argumenten voor die benadering zijn overigens veel meer zoekend dat stellig, meer twijfelend dan wetend. Niet meer dan aanzetten, in grijstinten.

Het mooie van fictie, van een goed boek, is dat je je voor een stuk uit handen moet geven. Aan het ritme van een boek, aan de tijd die nodig is om het te lezen, aan de aandacht die je moet toelaten om in het boek te komen, aan de personages in een boek, aan de wereld waarin die personages bewegen en evolueren, aan werkelijkheden die je nog niet kende, aan manieren van kijken die je nog niet kende, aan vormen van taal die je kunnen verwarren of ontroeren, aan soms hevige emoties, … Politiek zit vaak in een ander ritme. Politiek heeft vaak te maken met stelligheid. Met het creëren van zwart en wit in een redenering. Met conflict, met het botsen van overtuigingen. Met het ‘gebruiken’ van taal om een doel te bereiken, met een instrumentele rationaliteit dus. Met het terugbrengen van complexiteit tot herkenbare gehelen. Die dingen zijn niet fout. Politiek is een belangrijke, noodzakelijke en nobele bezigheid. Te veel politiek kan je echter ook opzuigen in zijn eigen logica, waardoor je niet meer aan politiek doet, maar politiek ‘wordt’. Het is dan ook goed om te kunnen vertoeven in een andere logica. Tijd is een essentieel element van wat een roman is. De roman is een weergave van tijd, en ontstaat als het ware pas in de tijd die nodig is om hem te lezen. De concentratie die je nodig hebt, de empathie met personages en werkelijkheden die ontstaat (of kan ontstaan), de meerlagigheid die zo eigen is aan goede literatuur, de open eindes, de dingen die niet gezegd of benoemd worden, het kunnen zien van de grijze zones van de menselijke geest in een personage, …. al die dingen zorgen ervoor, of kunnen ervoor zorgen, dat je zelf op een andere plek komt dan waar je bent als je alleen maar aan politiek zou doen. Te veel politiek kan ertoe leiden dat je alleen nog maar instrumenteel met mensen omgaat, dat je hen gaat ‘gebruiken’, voor je ego, of voor de zaak die je drijft. Literatuur kan je in je hoofd op een andere manier naar jezelf laten kijken. Een personage kan je met jezelf confronteren. Een personage dat niet ‘af’ is, dat onvoorspelbaar is, dat een rafelende identiteit heeft, kan je een spiegel voorhouden. Die ervaring kan je ervoor behoeden om alleen nog maar politiek te worden, kan je helpen om bewuster – wanneer dat aan de orde is – in je rol van politicus te stappen, en er daarna ook weer uit te stappen wanneer het tijd is. Literatuur kan je dus als het ware gezond houden.

Het mooie van romans (en op een andere manier ook van gedichten) is dat ze je doen dromen. Het blijft een overweldigend fascinerende ervaring, telkens opnieuw, dat je in een boek begint en dat je al na enkele bladzijden in een andere wereld bent. Ineens is die wereld er, kun je er in zekere zin in rondlopen, kun je de dingen in die wereld zien en ruiken. Een gedicht kan je een verhevigde werkelijkheid laten ervaren, kan je het gevoel geven dat je in de dingen een soort aura van poëzie kunt ervaren, naast de pure ervaring van de schoonheid van de woorden. Een roman kan je het gevoel geven dat je op die andere plek bent, dat je die plek kunt ademen. Literatuur kan hevige lichamelijke reacties teweegbrengen, die dus heel ‘echt’ zijn, en dat enkel door woorden op een rij. Terugkeren uit de geheel eigen werkelijkheid die een boek is naar de soms saaie en banale werkelijkheid die de jouwe kan zijn, het kan je droevig maken. Kunnen bewegen tussen verschillende mogelijke werelden, dat is eigenlijk heel belangrijk voor een goede politicus. Instrumenteel gezegd zou je kunnen stellen dat elke bewust nagestreefde maatschappelijke verandering eerst moet kunnen gedacht, gedroomd worden. Misschien zijn er sommige cynische politici die vertrekken vanuit een negatief mensbeeld, en alleen een verbeelding hebben die ingegeven is door hun machtsfantasieën. Maar hopelijk zijn er ook veel politici die – net door hun ervaring van literatuur – in staat zijn betere werelden te dromen en de capaciteit tot dromen kunnen opwekken bij anderen.

Er is nog een dimensie aan deze discussie die moeilijker uit te leggen is. Ze is in zekere zin meer lichamelijk. En heeft met de taal zelf te maken, met de registers van de taal. De politieke taal is in veel opzichten anders dan de literaire. Niet in alle natuurlijk. In politiek worden veel retorische technieken gebruikt die je ook in literatuur kunt herkennen. Eerst en vooral zijn er in het politieke bedrijf veel lelijke woorden. Ze zijn functioneel, niet bedoeld om een poëtische aura op te wekken. Het zijn vaak woorden die met een controle van de werkelijkheid te maken hebben. Categorieën, concepten, jargon, clichés, … Ze verengen dimensies. Verder is er in de politiek vaak nood aan grote stelligheid, eigen aan overtuigingen, en de wil anderen te overtuigen, of de eigen positie in een conflict helder te stellen. Veel politici hebben blijkbaar ook nood aan oorlogstaal en raken pas echt opgewonden als ze van zichzelf vinden dat ze geweldig strategisch bezig zijn. Strategisch handelen is vaak onvermijdelijk, hoewel het heel vaak ook niet hoeft. Heel vaak zou men in de politiek ook gewoon naar elkaar moeten luisteren, kwetsbaar, met een open geest. Die politieke taal, bewegend tussen saaie beleidsnota’s, persberichten en opjuttende speeches, is een taal die je lichaam over kan nemen. Het is een taal die je lichaam hard kan maken, bijna eendimensionaal. Het is een taal die de zuurstof uit je longen kan zuigen en ervoor kan zorgen dat je huid pijn gaat doen. Het is volgens mij ongelooflijk belangrijk dat je als politicus regelmatig naar een andere kamer van de taal kunt gaan. Daar waar de taal zoekt, twijfelt, rond de dingen cirkelt, zichzelf verliest soms, sputtert en rafelt, sensueel en opwindend wordt, dicht bij de randen van de stilte komt, als in een soort prisma  honderd kleuren doet oplichten in een mooi woord. Daar waar je de woorden kunt aanraken, waar je de woorden tussen je vingers kunt laten bewegen. Daar waar je voelt dat die woorden jou aanraken, en je huid weer zacht maken.

Ik denk dat het lezen van goede literatuur een politicus kan helpen om te twijfelen. Productieve gezonde twijfel is een erg belangrijke kwaliteit van een goed politicus. Jezelf als politicus elke dag afvragen: die dingen die ik beweer en geloof, kloppen die eigenlijk wel? Jezelf in de spiegel kijken en proberen te onderzoeken wat je motieven zijn bij de dingen die je doet. Je afvragen of je met je droom van een betere wereld bezig bent of met je kwetsbare ego dat hunkert naar aandacht. Proberen te ervaren of de dingen je nog wel raken, of dat je een soort machine geworden bent. Trachten te weten te komen of je echt luistert naar een ander of alleen maar bezig bent met te zeggen wat jij wilde zeggen, ongeacht wat de ander zegt. Je afvragen of je anderen gebruikt voor je eigen ego. Die twijfel lijkt me bijzonder nuttig, om dat woord nog eens te gebruiken. Het lezen van literatuur kan een politicus helpen om nederig te zijn, of te worden.

Net door je een beetje te verliezen in literatuur kun je dichter bij jezelf blijven, dichter bij die plek waar je thuis kunt zijn bij jezelf, hoe vaag en verwarrend en gedeukt die plek ook is. Het is een plek waar je de rimpels en de littekens van jezelf kunt zien. Alleen maar zijn op de plek waar je enkel een politicus mag zijn kan ertoe leiden dat je jezelf op een minder goede manier verliest. Het kan zijn dat je te zeer gaat samenvallen met je rol. Het kan zijn dat je daar alleen maar iemand zonder rimpels mag zijn. Het kan zijn dat je daar jezelf duwt in een persona die uiteindelijk wegdrijft van wie je was daarvoor.

(Al bij al zijn al deze woorden nog veel te stellig. Maar misschien raken ze een klein beetje aan wat ik probeerde te zeggen. En dat ligt meer in het onzegbare. De ruimte tussen de woorden, daar zindert en sputtert het leven. Daar kun je komen in literatuur, denk ik toch. Het is een totaal ander soort geluk en vervulling en vrede dan wat ik in de politiek heb gevonden. Het is goed om in beide talen te zijn. Ze vertellen allebei hun verhalen.)

Read more...

Wat niet gezegd kan worden

17 april 2016 by Cultuur 2519 Views
Jan Mertens

Written by

Ingewikkeld… Schroom…

Tijdens het panelgesprek stel je een vraag aan je gasten. Terwijl vraag je je af wat je zelf zou antwoorden, en of je zou durven zeggen wat je werkelijk denkt of voelt.

‘Hoe overleef je zelf mentaal de ecologische crisis?’ Iets in die aard. Eerder in het gesprek ging het over ‘veerkracht’. De nood aan maatschappelijke veerkracht (dus niet individualiseren en niet het mechanische beeld van een metalen veer die netjes terug in de oorspronkelijke stand komt). De wereld is erg complex. En de wereld waarin de klimaatverandering begint te versnellen en mogelijk tot een klimaatchaos zal evolueren als we er niets aan doen. Een wereld waarin, mee daardoor, de ongelijkheid nog wel eens geweldig zou kunnen toenemen. Een ecologische crisis die wel eens ‘out of control’ zou kunnen geraken.

In je vraag verwijs je naar de rol van waarden of spiritualiteit of religie in de persoonlijke houding, het persoonlijk bewaren van een evenwicht, het persoonlijk zoeken naar veerkracht tegenover een wereld die misschien wel op onbekend terrein zal komen.

Eigenlijk zou je graag met je gasten alleen al over die vraag een uur willen spreken. Hoe is het voor hen? Tot waar kun je je wapenen met het denken? Vanaf waar kun je een vorm van veiligheid of energie of weerbaarheid of hoop vinden in iets wat in zekere zin verder gaat dan enkel het denken?

(Het is zo moeilijk, omdat je snel bij ‘grote’ woorden komt. Met het ouder worden wringen ze steeds meer, die grote woorden, schuren ze tegen je huid, terwijl je huid verlangt naar zachtheid. Maar ook zonder grote woorden, het blijven nog wel grote vragen, denk je. En het is goed bij grote vragen stil te staan. Ook al zijn de antwoorden dan klein en heel aarzelend. Dus dan maar met schroom, en een soort preventieve verontschuldiging, voor de woorden die je niet kunt vinden, om te spreken over dingen die moeilijk of niet gezegd kunnen worden, of zoiets.)

Waarom ben je dit eigenlijk gaan doen? Waarom zet je je in (voor iets als een ‘andere’ wereld)? Waar vind je de rust en de energie om het vol te houden en niet cynisch te worden?

(Dat zijn de vragen, denk je. Op een of andere manier denk je dat als we allemaal iets zouden doen met die, of gelijkaardige, vragen, het misschien wel een beetje beter zou gaan met de aarde.)

(Je draait rond de pot, denk je. Je schuift je antwoorden voor je uit, denk je. Zeg het nu maar. Probeer het nu maar, anders mag je het niet aan anderen vragen, of zoiets? Probeer even je schroom van je weg te duwen, voor zo lang het duurt.)

Wat zouden de antwoorden zijn?

Waarom doe je het? Waarschijnlijk zou het antwoord zijn: voor de kinderen. In jouw geval dan de kinderen die je zelf jammer genoeg niet hebt, en vooral ook de kinderen van al wie je lief is, en alle andere kinderen natuurlijk ook. (Ben je nu niemand vergeten?) Het lijkt zo’n cliché, maar als je diep in jezelf kijkt, zie je de kinderen daar. Dat ze je zouden vragen wat jij hebt gedaan. En dat je met gebogen hoofd toch zou kunnen zeggen: ik heb mijn best gedaan, ook al was het niet genoeg waarschijnlijk. (Het is te moeilijk, denk je, om dit antwoord uit te drukken zoals het echt in jou beweegt. Je woorden zijn niet meer dan veilig gestotter.)

Hoe kun je het volhouden? Dan zou je iets uit moeten leggen over je spiritualiteit, denk je, en dat zou ook heel moeilijk zijn. Soms denk je dat het fijn zou kunnen zijn, als je zou kunnen geloven in een of andere god. Stel je voor, dat je het echt zo kunt voelen, in alle rust, dat je op een of andere manier geborgen kunt zijn in de palm of warmte van een instantie die groter is, van een andere orde. Een god die je zou kunnen dragen in dit leven en daarna ontvangen in een volgend leven. Je gunt dat gevoel van harte aan mensen die het wel kunnen geloven, maar het is jou niet gegund.

Je zou iets moeten kunnen uitleggen, andermaal met veel schroom, over hoe het voor jou is. Dat je je een deel voelt van het grote ecosysteem. Dat je je verbonden voelt met de andere wezens en onderdelen van die aarde waar jij ook een deel van bent. Dat het een troostende gedachte is dat je na je dood in wezen weer uit elkaar zult vallen in bestanddelen die nadien weer bouwstenen kunnen worden van ander leven. Misschien ben je zelf iets als een golf op het wateroppervlak, niet meer, niet minder. Het is alsof je iets ziet dat een individu is, de golf is er. Maar de golf is eigenlijk vooral water. En het water blijft. Je zegt altijd, en zo voelt het ook: als ik sterf, verdwijn ik in mijn geliefden. En daar, in hen, zul je misschien ook een soort golf in hun water zijn. Je gaat op een bepaalde manier dus nooit echt verloren. De beweging gaat door, het leven gaat door. Jij was even de vorm waarin dat leven zichtbaar werd, als een golf, tot die weer ging liggen in het water.

Het zijn allemaal vage woorden, je weet het. En je wilt niet dat ze ‘groter’ worden dan dat. Je wilt niet dat ze minder beeld, minder poëzie worden dan dat. Je wilt niet dat er een of andere waarheid aan zou gaan kleven. De woorden zijn enkel een voorzichtig aanraken van wat je diep in je voelt. Ze zeggen niets over wat een ander zou moeten of kunnen voelen, en nog minder zijn ze op welke manier dan ook beter of echter of wat dan ook dan wat eender welke andere mens voelt. Het is alsof je in jezelf iets kunt aanraken dat groter is dan jezelf, maar dat grotere is tegelijk vooral een deelzijn van, misschien van de stroom van het leven.

En hoe dat dan speelt? Het is echt zo, voor jou, denk je, dat je pijn kunt voelen, als je aan de rand van de zee staat. Het is alsof je het verdriet van de zee kunt voelen. Het is alsof de vervuiling, de uitputting, de verstoring, het leegroven, al die dingen, alsof al die dingen aanvoelen als een verdriet, een verdriet dat ook het jouwe is. Verdriet omdat iets dat zo mooi, zo indrukwekkend, zo rijk is, wordt gekwetst. Voor zichzelf dus. Verdriet ook omdat daardoor die kwetsuren ertoe leiden dat zoveel anderen, zoveel anderen die nog zouden moeten geboren worden, of al op deze aarde zijn, niet meer dezelfde kansen zullen krijgen, niet meer zullen kunnen vertrouwen op zuivere lucht. Waar verdriet verontwaardiging raakt. Verdriet om verlies dus, een heel menselijk gevoel.

Dingen doen is een antwoord op die ervaring. Ooit kwam die zin er ineens, in een gedicht dat je schreef. ‘De aarde voelt je verzet wel.’ Die ene zin die je naar meer dan 25 jaar ondertussen nog steeds niet kunt uitspreken zonder een traan te voelen. Die ene zin was de sleutel. Ook al duurde het vele jaren eer je die zin begreep. Ook al was er misschien wel de ervaring van die kloteziekte voor nodig om er nog een extra dimensie aan te geven. Dat je ervoor kiest om in verzet te gaan, je niet neer te leggen. Maar dat het feit dat je het doet, dat je doet wat je kunt, met je te korte armen, je te beperkte vermogens, al je falen, al je tekorten, al je littekens, dat dat feit genoeg is. Dat je probeert in waarheid te leven. Dat dat alles genoeg is. Genoeg om je bij het einde van je leven rustig neer te leggen in het gras, of zoiets. (Dat je dat gevoel probeert te bereiken, dus.)

Die diepe verbondenheid die je voelt, ze heeft je een vorm van vrede gegeven, een vorm van innerlijke rust. (Soms toch.) Of je nu nog tien jaar zult leven, of twee maanden, of drie dagen, of veertig jaar, het is goed. Niet zozeer wat je doet, maar dat je het doet. Het mooie van dat deelzijn is dat het je helpt in bescheidenheid, in nederigheid (wat iets heel anders is dan dingen als onderdanigheid of gelatenheid). Is nederigheid een waarde, of is het al spiritualiteit? Het maakt eigenlijk niet uit. Je zou die vragen niet goed kunnen beantwoorden. Heb je het al bereikt? Nee, helemaal niet. Al is het ook een fijn gevoel dat je het nooit zult kunnen bereiken, dat het proberen goed genoeg is. Dat je op een bepaalde manier die nederigheid kunt ‘zien’, als een uitnodiging, het is misschien al een wapen tegen elke vorm van cynisme.

Sommige woorden zijn helemaal te ingewikkeld, ze raken je te diep, om allerlei redenen, die waarschijnlijk ook met de aarde niet zoveel te maken hebben. Het woord ‘helen’ is er zo een. Proberen te helen, of hopen dat je iets zou kunnen doen dat zou kunnen bijdragen tot helen, het zou een antwoord kunnen zijn op het ervaren van het verdriet omwille van een kwetsuur bij anderen, bij het geheel waar jij een deel van bent. Als je het geheel heelt, heel je dus in zekere zin ook een heel klein stukje van jezelf.

(Het is tijd om ermee te stoppen, denk je. Het wordt te moeilijk.)

Als je eerlijk zou zijn, als je het zou durven, dan zouden dat misschien wel je antwoorden zijn. Omtrekkende bewegingen bij dingen die niet gezegd kunnen worden. Dingen die misschien alleen via grote omwegen kunnen zijn, niet benoemd moeten worden, mogen worden. Iets in die aard dus.

Een andermaal falende poging, denk je.

(Over die vragen zouden we het moeten kunnen hebben, soms, denk je, of zoiets…)

Read more...
Don't have an account yet? Register Now!

Sign in to your account