logo

%PM, %19 %801 %2013 %18:%juni

De l’Allemagne. De strategie van de sprintende slak? III

Written by
Rate this item
(0 votes)

Deel 3 – De schaduwkant van Duitslands economische succes

Is het succesverhaal van de Duitse economie echt zo glansrijk en zo stabiel als nu wordt verhaald? De lichtzijden worden duidelijk overbelicht en de schaduwkanten onderbelicht. De instabiliteit vergeten. Sommige opiniemakers hangen het hele succes op aan de Hartz-hervormingen. Die vormen economisch gezien maar een randje, maar zijn wel onderdeel van omgekeerde herverdeling. In tijden van grote onzekerheid, gekoppeld aan brede maatschappelijke transities, worden hegemoniale denkbeelden opgelegd ten koste van de zwakkeren in de samenleving. Dat dreigen we vandaag opnieuw te zien. En worden daarmee de demonen van Hitler-Duitsland opnieuw opgeroepen? Die vraag kwam naar boven ter gelegenheid van “De l’ Allemagne”, een succesrijke tentoonstelling in het Parijse Louvre . Is dat echt een onvermijdelijk verhaal?

Dit is het derde deel van een drieluik. We bespraken eerst de Hartz-wetten en vervolgens of die zo beslissend zijn voor het Duitse “jobwonder”. Duitsland blijft vooralsnog een sterke industriële natie die eigenlijk geen zinnige redenen kan aandragen om haar sociale bescherming af te bouwen. Daarover dit laatste deel.

 

De lAllemagne

 

De “Bazaar”-hypothese.[i]

Hans Werner Sinn heeft vanaf 2003 een debat op gang gebracht over outsourcing en offshoring van de Duitse industrie, vooral naar de vroegere “ijzeren gordijn”-landen. Zijn stelling is dat de Duitse industrie erodeert door outsourcing naar het buitenland (offshoring). Dit is een sluipende desindustrialisatie. Het gaat vooral om laagtechnologische componenten. In dit verband pleit hij voor loonmatiging en afbouw van de dure “Sozialstaat” om dit proces tot stilstand te brengen. In feite zegt hij: de lonen zijn in Duitsland te hoog om de industrie in het land te houden. Heel het verhaal van “Exportweltmeister” is fake volgens Sinn, omdat het gaat om producten die in grote mate in het buitenland gemaakt worden en na afwerking in Duitsland uitgevoerd worden. Heel het verhaal van de “Exportweltmeister” is volgens hem pathologisch, want export vraagt steeds meer om import. De Duitse industrie specialiseert zich op kapitaalsintensieve segmenten van het productieproces, is zijn stelling. Het gevolg is steeds verder dalende tewerkstelling in de industrie, want de arbeidsintensieve segmenten vertrekken: ofwel door investeringen van de bedrijven in het buitenland ofwel door het betrekken van buitenlandse toelevering.

Het merkwaardige bij Sinn is dat hij in het midden laat of Duitsland winnaar of verliezer is in de era van de globalisering. De nabijheid van een gebied dat door het ijzeren gordijn economisch afgesloten was van de West-Duitse economie kan eveneens gezien worden als een winstpunt: kostenbesparing door de toelevering van de minder precieuze onderdelen en nabijheid van een nieuwe afzetmarkt.

Het begrip “Bazaar-economie” gebruikt hij om te zeggen dat Duitsland enkel nog te situeren is op het snijvlak van productie en verkoop. Hij zegt niet dat dit nu al de realiteit is, maar dat dit de tendens is op langere termijn. De Bazaar-theorie is voor hem een constructie die de richting van de ontwikkeling weergeeft.

Zijn medewerkers hebben recent empirische gegevens aangebracht om het verschijnsel van de outsourcing in kaart te brengen. In feite brengt hij daarbij een sterkmaker van de Duitse industrie in kaart. Door de goedkope invoer vanuit de periferie van de oostelijke gebieden kan de Duitse economie sterk presteren op exportmarkten. Maar alleen de eindmontage is - volgens Sinn - van Duitse makelij. Het gaat om deze productsectoren waar de prijsconcurrentie een zekere rol kan spelen. De val van het ijzeren gordijn heeft in die zin de Duitse economie geen windeieren gelegd. Goedkope toelevering omwille van de lagere lonen, alsook wegens de gunstige kostenpariteit tussen de munten van de niet-eurolanden en de euro. Deze concurrentie drukt ook op de lonen in Duitsland. Het is een van de factoren om delen van de Duitse industriearbeiders in het gareel van de looninlevering te laten lopen. Sinn is een luidruchtig pleitbezorger van een politiek van arbeidskostenvermindering om de verhuis van Duitse outsourcing naar offshoring in de oostelijke periferie van de vroegere ijzeren-gordijn-landen te beheersen.

Dat speelde in sterke mate in de minder hoogtechnologische toeleveringsindustrie die al uit de kernbedrijven gelicht werd door outsourcing. Wie een beetje de autosector gevolgd heeft kent het verhaal van de stikafdeling in VW Vorst - in de jaren zeventig de enige afdeling waar vrouwen werkten, maar onder de VW-cao -, die later - als onderdeel  van diverse outsourcing - ondergebracht werd bij Johnson Controls. Dit bedrijf kom je nu tegen in de oostelijke periferie van Europa. Het speelt natuurlijk ook in de auto-assemblage, die nog altijd gekenmerkt wordt door té veel arbeidsdeling en monotone arbeid. Niet te vergeten, de oostelijke periferie en vooral Rusland is een niet onbelangrijke afzetmarkt.

 

Jeugdwerkloosheid: de demografische factor[ii]

In Duitsland is de jeugdwerkloosheid laag. Zeker niet vergelijkbaar met de Zuid-Europese landen, maar ook beduidend lager dan in Frankrijk. Voor 2012 en naar gelang de definitie: 8,1 % (Eurostat, ILO-definitie), 6 % (Bundesagentur für Arbeit). De Eurostat-statistiek rekent op 23 % (EU), 9,5 % (Nederland), 8,7 % (Oostenrijk). Volgens het Berlijnse DIW (Deutscher Institut für Wirtschaftsforschung) heeft de daling van de jeugdwerkloosheid sinds 2008 minder te maken met de structurele verbeteringen in de economie en op de arbeidsmarkt, dan wel met demografische redenen. De jongerencohorte neemt gewoon af. Er zijn minder jongeren die op de arbeidsmarkt komen wegens het dalende geboortecijfer sinds meerdere decennia in Duitsland. Tussen 2005 en 2011 is de “Erwerbsquote” (aan het werk plus werkloos) afgenomen met 600.000 personen. Het komende decennium zal dit blijven spelen, ook het faseverschil met Frankrijk bijvoorbeeld. Frankrijk zal beduidend meer instroom op de arbeidsmarkt hebben van de jongerencohorte en dat heeft te maken met het sinds decennia hogere geboortecijfer. Het komende decennium speelt dit in het “nadeel” van Frankrijk, maar op langere termijn is dit een voordeel om de vergrijzing op te vangen.

De regionale verschillen in Duitsland in de jeugdwerkloosheid nemen ook toe. Dat is een procyclisch verschijnsel volgens Karl Brenke van het DIW. Bij opwaartse conjunctuur neemt de concentratie toe en in het dal van de conjunctuur neemt de concentratie af. De verschillen op het gebied van jeugdwerkloosheid weerspiegelen de globale regionale werkloosheidscijfers van de regio’s. De jeugdwerkloosheidscijfers in Baden-Wurttemberg en Bayern schommelen rond de 2 %, maar in Berlijn is het cijfer 13,8 %. In Oost-Duitsland is de jeugdwerkloosheid beduidend hoger dan in West-Duitsland, maar ook hier zijn er beduidende verschillen. Oude industriële streken zoals het Ruhrgebied kennen hoge (jeugd)werkloosheidscijfers.

De invloed van de demografie op de bevolkingsevolutie is geen nieuw debat, maar veelal wordt het toegespitst op de problemen die de vergrijzing meebrengt. Weinig aandacht wordt besteed aan de faseverschillen tussen de landen. Frankrijk heeft eveneens een dalend geboortecijfer, maar het ligt al decennia systematisch hoger dan het Duitse geboortecijfer.

 

De cijfers van het succes

De werkloosheid in Duitsland daalde van 4.860.909 (2005) tot 2.975.823 (2011). In West-Duitsland van 3.246.755 (2005) tot 2.026.087 (2011). In Oost-Duitsland van 1.614.154 (2005) tot 949.736 (2011).[iii] Dat is een succes. Maar is het cijfer gemakkelijk leesbaar?

In 2011[iv] ontvingen 4.615.000 personen een vergoeding in het kader van de ALG II-regeling, waarvan 43 % werkloos (1.992.000) is en er 2.623.000 onder de Grundsicherung vallen zonder werkloos te zijn. Van deze laatsten zijn er 1.736.000 arbeidsonbekwaam, waarvan 95 % kinderen onder de 15 jaar. Het gaat hierbij om 3.423.000 huishoudens (Bedarfsgemeinschaften). Uiteindelijk komt het erop neer dat van de mensen die in 2011 die aan het werk zijn er 646.100 (14%) ook beroep moeten doen op ALG II (Grundsicherung), naast de 507.650 (11%%) die onder werkverschaffingsmaatregelen vallen.

De werkloosheidsstatistiek van mei 2013[v] ziet er als volgt uit: 2.937.000 werklozen, waarvan 935.000 ALG I (32 %) (hierbij rekent men niet de werklozen die in opleidingscircuits opgenomen zijn in het kader van de activeringsmaatregelen, want niet beschikbaar voor de arbeidsmarkt) en 2.002.000 in de regeling ALG II (68 %) (hier worden noch mensen in opleidingscircuits, noch 58 plussers meegerekend die binnen het jaar geen socialezekerheidsplichtige baan aangeboden kregen). Globaal zijn er 4.460.000 mensen in de ALG II regeling.

Wat de vergoedingen betreft krijgt een gemiddeld huishouden met 1,8 personen 843 € “alle Leistungen der Grundsicherung zum Lebensunterhalt enthalten”. Bij aftrek van de toeslagen is dit 701 €. Voor alleenstaanden is het gemiddeld bedrag 733 € en voor paren met een of meer kinderen 1.167 €.[vi]

De hervormingen hebben de arbeidsmarktstatistiek gewijzigd. Dat maakt het bijzonder moeilijk de ontwikkelingen in Duitsland te beoordelen. Het is niet zo evident te zien of de structurele langdurige werkloosheid sterk verminderd is of alléén in een andere statistische categorie gerangschikt is.

Er spelen sowieso veel factoren mee in de Duitse evolutie, niet alleen de arbeidsmarkthervormingen. In ieder geval is het duidelijk dat achter de cijfers precaire levenssituaties en arbeidsmarktposities niet gemakkelijk te zien zijn. De in sommige kringen euforische geluiden over Duitsland of het pleiten voor navolging verbergen de grote problemen van de mensen die leven aan de onderkant. Deze mensen verdienen de behandeling niet die ze in een zo sterke economie verdienen.

 

De glans van het Duitse model

De Duitse economie heeft sterke industriële sectoren zoals de machinebouw, de automobielsector, de elektro-techniek en de chemie. Naast bekende bedrijven, zoals Siemens, Bosch, Volkswagen (Audi, Porsche), Bayer enz… heeft het vooral in de machinebouw middelgrote bedrijven die sterk exportgericht zijn, maar wel afhankelijk van de conjunctuur van de mondiale investeringen in het productie -apparaat.

Een zo sterke economie maakte het niet nodig de lage-loonsector uit te breiden. Een zo sterke economie had het niet nodig de arbeidsmarktpositie van een zo groot deel van de bevolking nog meer precair te maken. Deze economie had ook de mogelijkheden om het problematisch worden van de globale maatschappelijke positie van zo veel mensen te verhinderen.

De uitwerking van de Hartz-politiek is een evolutie in de richting van wat Ulrich Beck “Brazilianisering”[vii] noemt. De term is  overtrokken, ook ontleend aan een Amerikaanse auteur, die waarschuwt voor het Amerikaanse arbeidsmarktmodel. De Hartz-hervormingen zijn niet gelijk te stellen met het Amerikaanse model, want de automatische stabilisatoren (van sociale zekerheid en sociale bijstand) zijn nog actief, maar ze worden wel erg verzwakt voor de onderste lagen van de bevolking. De bodemuitkeringen zijn bijzonder laag geworden, wat neerkomt op   het rantsoeneren van koopkracht voor levensnoodzakelijke goederen: voeding, kleding, lichaamsverzorging, energie voor het huishouden en aparte toeslagen voor verwarming en huisvesting. Daardoor kunnen de minimumlonen ook laag gehouden worden. Het niet wettelijk ingrijpen in de minimumlonen heeft te maken met de Duitse traditie van sociaal partnership. En de afwezigheid van een onderhandeld interprofessioneel minimumloon heeft te maken met het gewicht van de sectorale werkgeversorganisaties en het gewicht van de Gewerkschaften, leden van de overkoepelende vakbond DGB. Maar die vraagt nu zelf wel om een wettelijk minimumloon voor alle sectoren. Ook de politiek roert zich hier, o.m. ook Merkel, zodat het er naar uit ziet dat er hier verandering verwacht kan worden.

De sterke industriële sector houdt de zwakke uitbouw van de maatschappelijke dienstverlening onder de radar. De gebrekkige uitbouw van de kinderopvang is daar één illustratie van.[viii] Op 1 augustus 2013 gaat het recht op kinderopvang voor 1 tot 3 jarigen in voege. In 1996 was dit recht voor 3 tot 6 jarigen ingevoerd. Duitsland heeft rijkelijk laat aandacht voor deze uitdaging. Het heeft te maken met het schromelijk onderschatten van de sociale dienstverlening en de positie van de vrouw in het Rijnlands kapitalisme.

De klassieke conservatieve “Sozialstaat” was gebouwd op een afhankelijke positie van vrouwen. Dit is een historische verklaring voor de zwakke uitbouw van mechanismen om arbeidsloopbaan en kinderwens af te stemmen. Kiezen tussen loopbaan en kinderen is zonder voldoende ondersteuning geen keuze.

Er zijn ook signalen dat de uitbouw van een voor iedereen toegankelijke ouderenzorg te weinig aandacht kreeg. Voor een land dat in Europa het meest zal geconfronteerd worden met de gevolgen van de vergrijzing en de vergrijzing binnen de vergrijzing is dit onbegrijpelijk. Het kan toch niet  waar zijn dat ook de minder koopkrachtige bejaarden geëxporteerd worden naar de lage-lonenperiferie in het oosten. De Hartz-maatregelen schuiven de kans op armoede bij de toekomstige generatie van bejaarden die aan de onderkant van de arbeidsmarkt verzeild geraken voor zich uit. En dat slaat zowel op de inkomensbasis als op de toegankelijkheid van zorg en verzorging.

De keuzen die gemaakt zijn betekenden een afbouw van de  “Sozialstaat”. Dat gaat gepaard met groeiende ongelijkheid. Het gaat evenzeer gepaard met een trage uitbouw van collectieve voorzieningen, van groot belang voor jong en oud, voor man én vrouw. De rijkste economie van Europa heeft een mank lopend verdelingsbeleid, dat de koopkracht van de onderste lagen van de bevolking amputeert.

De discussie over het rapport van de ECB over de inkomens in de Eurozone brengt in ieder geval aan het licht dat Duitsland een bijzonder ongelijke inkomensverdeling heeft, wat blijkt uit de verhouding tussen het gemiddelde inkomen en het mediaaninkomen. Het gemiddelde van alle inkomens ligt hoger dan het mediaaninkomen (het middeninkomen van de globale inkomensverdeling). Het gemiddelde is vier keer hoger dan de mediaan. In de meeste landen is dit 1,5 à 2. Los van de discussie over de ongelijkheid tussen de landen in de eurozone is er een zeer grote ongelijkheid binnen Duitsland[ix].

Dat is op termijn niet alleen schadelijk voor de Duitse economie, maar het is ook één element in de verklaring van de onevenwichtige handelsbalansen binnen de eurozone. Overschotten op een handelsbalans blijvend hoog houden door te weinig import, schaadt op den duur de eigen export. Duitsland exporteert niet te veel, het importeert te weinig. “Beggar thy neighbour” door afbouw van de koopkracht van de eigen bevolking in de onderste lagen van de inkomensverdeling verzwakt de invoer van consumptiegoederen uit andere Europese landen, het verzwakt de koopkracht van deze bevolkingen en zet niet alleen een neerwaartse spiraal in gang maar versnelt die ook. Werkende armen in zo een sterke economie zijn economisch en sociaal niet op hun plaats.

De combinatie van “beggar thy neighbour” en “lecture thy neighbour” is schadelijk, niet alleen voor Duitsland maar ook voor Europa. Niet alleen economisch, maar ook door het oproepen van de demonen van het verleden bij de Europese volkeren. Politiek en sociaal radicalisme gemengd met populistische en nationalistische tendensen hebben de bevolkingen van Europa nooit veel goeds gebracht.

 

Tot slot: valt er nog glans op te blinken?

De klassieke elite en de meritocratische middenklasse hebben de neiging hun eigen verdienste te overschatten en de behoeften van de onderste lagen in de maatschappij te onderschatten. Het is duidelijk dat er altijd armen onder ons zullen zijn, maar hun behoeften mogen niet onderschat worden en geen enkel mens die op de wereld gezet wordt, verdient het met allerlei etiketten in een proces van “downgraden” geduwd te worden. De elite is niet erg streng voor zichzelf en heeft te weinig mededogen met wie aan de staart van het peloton bengelt. Dat tekent het tijdsklimaat.

Duitsland blijft een sterke economie in Europa, vooral de ontwikkeling van een paar industriële sectoren kan niet genoeg geprezen worden[x]. Dat kan op korte termijn niet zo gemakkelijk nagevolgd worden door andere landen in Europa.

Ook de demografie van Duitsland vertoont unieke kenmerken en het heroriënteren van een sterke “Sozialstaat” met een zwakke positie van vrouwen is een opgave voor Duitsland. De heroriëntering moet echter niet in de richting gaan van het scheppen van een onderklasse, zwakke uitbouw van collectieve diensten en grotere ongelijkheid.

Duitsland moet zijn buurlanden de les niet lezen, maar meewerken aan een Europees debat. Dat betekent afscheid nemen van wat Ulrich Beck[xi] Merkiavellisme noemt: Europese politiek binnen de huidige Europese constructie voeren vanuit een interpretatie van de Duitse belangen en binnenlands electoralisme. Een echt Europees debat vraagt meer discussie over beleidsoriëntaties voor de toekomst en niet de dichotomie voor of tegen Europa. Dat is een doodlopend straatje. Het zal meer Europa moeten zijn. Maar waar moet het naar toe met Europa, dat is de vraag.

10 juni 2013

 

 



[i] Hans Werner Sinn, Die Basar-Ökonomie. Deutschland: Exportweltmeister oder Schlusslicht?, 2007 (2005).

[ii] Karl Brenke, Jugendarbeitslosigkeit sinkt deutlich-regionale Unterschiede verstärken sich, DIW Wochenbericht 19, 8 Mai 2013.

DIW is het Berlijnse „Deutsches Institut für Wirtschaftsforschung“.

[iii] Bundesagentur für Arbeit,

[iv] Bundesagentur für Arbeit, Arbeitsmarkt 2011, Amtliche Nachrichten der Bundesagentur für Arbeit, 59 Jahrgang, Sondernummer 2.

[v] Bundesagentur für Arbeit, Der Arbeits- und Ausbildungsmarkt in Deutschland, Monatsbericht, Mai 2013.

[vi] Bundesagentur für Arbeit, Monatsbericht, Mai 2013, p. 25.

[vii] Ulrich Beck, The Brave new world of Work, Polity Press (vertaling van Schöne neue Arbeitswelt. Vision Weltbürgergesellschaft, Campus Verlag, 1999).

[viii] Nina Weimann-Sandig und Christopher Osiander, Begrenztes Potential für Erziehungberufe. Qualifizerung von Arbeitslosen aus dem SGB II, IAB – Kurzbericht, 8, 2013.

[ix] Paul De Grauwe en Yuemei Li, Zijn Duitsers echt armer dan Spanjaarden en Grieken, De Gids op Maatschappelijk Gebied, Mei, 2013, p. 32-36.

[x] Hierbij moet steeds in het oog gehouden worden dat een sterke groei van de tewerkstelling in de industrie najagen een illusie is. Dat zou een onwezenlijke groei van de productie en de afzetmarkt vragen. Daar wezen Horst Kern en Michael Schumann reeds op in hun studie over de invloed van nieuwe technologieën op de productiearbeid in de jaren 80. In “Das Ende der Arbeitsteilung? Rationalisierung in der industriellen Produktion“, C.H. Beck Verlag, 1984, p. 137-234. Het betreft de studie van het segment werktuigmachinebouw met wel bijzondere kenmerken, wel het meest arbeidsintensieve.

[xi] Ulrich Beck, Das deutsche Europa, Suhrkamp, 2012.

…Komponenten des Merkiavellismus-die Verknüpfung von Nationalstaatsorthodoxie und Europaarchitektur, die Kunst des Zögerns als Disziplinierungsstrategie, das Primat der nationalen Wählbarkeit sowie die deutsche Stabilitätskultur-verstärken sich wechselseitig und bilden den Machtkern des deutschen Europa. (p. 51).

Read 21630 times Last modified on %PM, %19 %638 %2014 %14:%mrt

Doneer

Wil je Oikos steunen als onafhankelijk platform? Dan kan door een bijdrage – groot of klein - te storten op BE29 0015 9877 0164 (BIC: GEBA BE BB) van Oikos vzw.

Over Oikos

Oikos wil een toonaangevend forum zijn voor de sociaal-ecologische tegenstroom. Oikos vertrekt vanuit de analyse dat het gangbare economische model ecologisch niet duurzaam is, en dat de emancipatie van velen in onze samenleving en de wereld nog lang niet voltooid is. Oikos behandelt alle dimensies van dit streven naar verandering: de onderliggende ethiek, de analyse van de bestaande toestand, de ontwikkeling van alternatieven en de politieke strategie.

Gratis proefnummer

Wil je graag een gratis proefnummer ontvangen van Oikos? Dat kan! Vul op deze pagina jouw gegevens in en wij sturen jou het laatste Oikos nummer als gratis proefnummer op.