logo

%AM, %17 %473 %2013 %10:%juni

De l’Allemagne. De strategie van de sprintende slak? II

Written by
Rate this item
(1 Vote)

Deel 2 – De economische kracht van een industriële natie

Is het succesverhaal van de Duitse economie echt zo glansrijk en zo stabiel als nu wordt verhaald? De lichtzijden worden duidelijk overbelicht en de schaduwkanten onderbelicht. De instabiliteit vergeten. Sommige opiniemakers hangen het hele succes op aan de Hartz-hervormingen. Die vormen economisch gezien maar een randje, maar zijn wel onderdeel van omgekeerde herverdeling. In tijden van grote onzekerheid, gekoppeld aan brede maatschappelijke transities, worden hegemoniale denkbeelden opgelegd ten koste van de zwakkeren in de samenleving. Dat dreigen we vandaag opnieuw te zien. En worden daarmee de demonen van Hitler-Duitsland opnieuw opgeroepen? Die vraag kwam naar boven ter gelegenheid van “De l’ Allemagne”, een succesrijke tentoonstelling in het Parijse Louvre . Is dat echt een onvermijdelijk verhaal?

Dit is het tweede deel van een drieluik. In het eerste behandelden we de Hartz-wetten en de effecten ervan. Nu bekijken we of Hartz wel zo beslissend is voor het Duitse “jobwonder”.

 

De lAllemagne

 

Het Duitse jobwonder.

Tussen 2005 en 2011 is de voltijdse tewerkstelling gestegen van 24.215 (x 1000) naar 25.716 dit is +1.501.000 jobs. Het aantal deeltijdse banen is gestegen van 7.851(2005) tot 9.512 (2011), dus +1.661.000.

Volgens cijfers van de OESO[i] is de gemiddelde jaarlijkse arbeidsduur in Duitsland tussen 2004 en 2010 systematisch gedaald. Van 2010 tot 2011 is er wel een stijging van 1408 naar 1413 gemiddelde jaarlijkse arbeidstijd. In Frankrijk is de gemiddelde arbeidstijd systematisch hoger, schommelend en stabiel tussen 2010 (1478) en 2011 (1476). De Belgische gemiddelde arbeidsduur is hoger dan deze van Frankrijk, ook schommelend en stijgend tussen 2010 (1551) en 2011 (1577).

De systematische lagere gemiddelde arbeidsduur van de Duitse werknemers heeft te maken met het groot aantal deeltijdse banen, vooral voor werkneemsters. Dit heeft onder meer te maken met onderontwikkelde kinderopvang. Ook de Hartz-wetgeving, speelt een zekere rol in de explosieve vermeerdering van deeltijdse banen. Voltijdse banen werden omgezet in deeltijdse banen, al dan niet aangevuld met mini-jobs. Maar er is meer aan de hand.

Het Duitse jobwonder is vooral dat het economisch herstel snel terugkwam na de inzinking door de financiële crisis vanaf de herfst van 2008. De scherpe inzinking ging niet gepaard met een even scherpe daling van de werkgelegenheid. Volgens sommigen[ii] is het stabiliseren van de werkgelegenheid vooral ook te danken aan de geringe aanwervingen in de hoogconjunctuur vóór de financiële crisis, wegens het toen heersende pessimistische verwachtingspatroon van de Duitse bedrijfsleiders. De crisis van 2008-2009 werd echter met meer optimisme gepercipieerd: men verwachtte een snel herstel van de belangrijke relevante uitvoerlanden, vooral van de Chinese afzetmarkt. Een decoupling-these functioneerde in kringen van bedrijfsleiders: de opkomende landen zouden niet meegesleurd worden in de trans-Atlantische crisis. De Chinese afzetmarkt was voor een aantal belangrijke industriële sectoren steeds belangrijker geworden. Er was in Duitsland ook geen sprake van een vastgoedcrisis zoals in de VS – onder meer te danken aan de Duitse demografische structuur. De grote Duitse systeembanken, zoals Deutsche Bank hebben wel een vastgoedcrisis gefinancierd in Spanje en Ierland, wat een van de redenen is waarom de Europese bankenunie een zo moeizame tocht is.

Bij het begin van de grote recessie (2008-2009) reageerde de eerste regering Merkel traag, en met grote terughoudendheid voor internationale en Europese coördinatie[iii]. Uiteindelijk kwam er toch een stimulanspakket onder meer gericht op de auto-industrie (de zogenaamde “Abwrackprämie” om oudere wagens te verschroten en nieuwe aan te schaffen), ook de financiering van de “Kurzarbeit” werd ondergebracht in het programma. Het zou kunnen dat de aarzelende houding van de regering Merkel I de weerspiegeling was van dit “optimisme” over het verloop van de crisis bij bedrijfsleiders.

De verwachtingen betreffende het snelle herstel van de wereldhandel, zorgden voor het aanhouden van de werkgelegenheid door het gebruik van maatregelen van interne flexibiliteit: in plaats van af te danken werd gebruik gemaakt van “Kurzarbeit” en de “Arbeitszeitkonten”. Deze laatste formule is een soort tijdsrekening die opgevuld wordt met overuren in de hoogconjunctuur en die in de dalfase van de conjunctuur gebruikt wordt om de arbeidsduur te verkorten zonder loonverlies.

Volgens de gouverneur van de Bundesbank Weidmann is dit een belangrijke bijdrage van de Duitse vakbonden.[iv] De vakbonden van de belangrijke exportsectoren konden hierbij evenzeer steunen op de algemene verwachting van schaarste op de arbeidsmarkt van de “Facharbeiter”, in de post-crisisperiode.

In andere sectoren zijn formules van “concession bargaining” terug te vinden, het openbreken van sectorale akkoorden wegens bijzondere omstandigheden, ook formules van vermindering van de arbeidsduur met neerwaartse loonaanpassing. Dit patroon is terug te vinden in sectoren waar de vakbonden minder sterk zijn dan bijvoorbeeld de IGMetall in de exportsectoren. In de dienstverlenende sectoren is de vakbond minder sterk aanwezig. Het verhaal van verleden, heden en toekomst van de “Tarifpolitik” is evenwel een verhaal op zich.[v]

Sinds de hereniging van Duitsland worden de vakbonden geconfronteerd met de erfenis van de maatschappelijke structuur van de DDR. In een totalitaire staat is er geen civil society en zijn er geen vrije vakbonden. Het herstel van het vernietigd maatschappelijk weefsel van het middenveld verloopt natuurlijk moeizaam. De balans staat-bedrijfsleven-civil society moet hersteld worden of moet een nieuwe weg vinden. Dat heeft in niet geringe mate invloed op de Duitse arbeidsverhoudingen. De overgang van de Bondsrepubliek naar de Berliner Republiek heeft gevolgen op de instituties.

Men kan de loonbeheersing sinds 2000 niet uit het oog verliezen. De loonmatiging betekent dat de verdelingsneutrale loonmarge (stijging van de productiviteit plus inflatiecompensatie) bijna een decennium niet of niet volledig benut werd bij de tariefonderhandelingen. Opvallend daarbij is dat dit veel minder of niet het geval is in de sterke exportsectoren, maar vooral in de sectoren die op de binnenlandse markt opereren, met wel of geen buitenlandse concurrentie van importeurs. De consequentie van het niet benutten van de loonmarge betekent dat de buitenlandse importerende bedrijven het moeilijker krijgen en ook druk moeten opvoeren om tot arbeidskostenbeheersing over te gaan.

Het fundament van de Duitse industriële economie is vooral te zoeken in de (kwaliteit van de) producten, niet in de prijsverschillen met naburige economieën. De Duitse concurrentiepositie is vooral gebouwd op het sterke productengamma in een paar sectoren. Het verminderen van de arbeidskosten was een niet zo evidente noodzaak. De interne devaluatie door vermindering van de arbeidskosten is vergelijkbaar met een competitieve devaluatie van de munt. De besparingen in het werkloosheidsstelsel door het snel verschuiven van mensen zonder werk op een lage bodemvergoeding werd omgezet in een vermindering van de sociale bijdragen voor werkloosheid van 6,5 % (2005) naar 2,8 % (2009) tijdens de eerste regering Merkel. De globale bijdragevoet voor de sociale zekerheid werd in 2007 verlaagd tot 40 %. De kosten van ALG II worden door belastingen gefinancierd, niet meer via de sociale bijdragen. Dat betekende een kostenverschuiving van de sociale zekerheid (en dus de arbeidskost) naar belastingen.

Niet te vergeten, de verbruiksbelasting werd eveneens verhoogd. Dit betekent dat de buitenlandse concurrenten op de Duitse markt (de importeurs) een opwaartse prijscorrectie moesten doorvoeren  ofwel hun winstgevendheid moesten verlagen (zodat een opwaartse prijscorrectie vermeden wordt) ofwel drukking uitoefenen op hun regeringen om hetzelfde mechanisme in gang te zetten van neerwaartse correcties op de arbeidskost. Het gevolg van deze opeenvolgende competitieve interne devaluaties is een voortdurende ”beggar thy neighbour” druk op de politiek, vooral binnen de eurozone. Andere muntzones kunnen werken met competitieve devaluaties ten aanzien van de euro. Het Verenigd Koninkrijk combineert beide types, maar krijgt weinig voet aan de grond wegens het blijvende dal of de bestendige krimp in de eurozone.

Het pleidooi van sommigen voor schoktherapieën wil politiek psychologische winst boeken bij segmenten van de ondernemerswereld en ook voorsprong in de tijd krijgen ten aanzien van de concurrenten binnen Europa. Dit is een wapen wanneer er gespeeld wordt op prijsconcurrentie. De sectoren die een sterke positie hebben op het gebied van productconcurrentie hebben dit niet nodig.

Het koppelen van “beggar thy neighbour” aan “lecture thy neighbour”[vi] doet vooral ook het verzet tegen die neerwaartse spiraal in Europa verzwakken. De ene sleurt de andere mee, wat aan het gebeuren is in Europa. Dat is zeker het geval, wanneer  er bondgenoten verschijnen in de concurrerende export- en importlanden. De Duitse economische en sociale politiek kent bondgenoten bij economisten en politieke stromingen die niet  wakker liggen van groeiende ongelijkheid en toenemende armoede.

De Duitse politiek is een voorbeeld van omgekeerde herverdeling: van laag naar hoog in eigen land en het bevorderen van hetzelfde in Europa.

 

Duitsland: een industriële natie.

De ochtend na de financiële crisis wordt er opnieuw gepleit voor industrie. Maar in de trans-Atlantische wereld in het decennium voor de eenentwintigste eeuw was een industriepolitiek niet evident. Vandaag trouwens nog niet. De roep om competitiviteit is immers nog geen industriepolitiek.

Het Verenigd Koninkrijk heeft zijn status van industriële natie verloren. Het eerste geboorterecht werd verkwanseld voor het bord linzensoep van de “City”, het rijk van de financiële diensteneconomie.

Duitsland is een industrieland gebleven, met sterke exportsectoren. Vooral de machinebouw heeft een bijzondere positie in de Duitse exportindustrie, maar ook de auto-industrie. Duitsland mag dan al niet meer de vice-“ Export Weltmeister” zijn, want na China komt de VS (sinds 2012). Toch wordt 40 % van het BBP in de exportindustrie verdiend, tegenover 22 % voor Frankrijk en 25 % voor Italië.[vii] In 2012 is Europa (69%) nog altijd de grootste afzetmarkt, waarbij de eurozone een belangrijk onderdeel is (37,5 %). Deze afzetmarkt neemt af en Azië (16,3 %) wint aan belang en daarbinnen China (6,1%). Wat de aard van de producten betreft zijn machinebouw en voertuigen goed voor 41,5 % van de export. Bij de voertuigen zijn er niet alleen auto’s maar ook treinen en vliegtuigen (Airbus samen met Frankrijk). Ook de chemie wint aan belang.

De uitvoer naar China[viii] is voor 78 % te situeren in 5 productgroepen: voertuigen en onderdelen (29 %), Machines (25,3 %), Electro - techniek (8,8 %), installaties elektriciteit (8,7 %) en chemische producten (6,2 %).

In vergelijking met 2011 steeg de export naar China (goed voor 66,6 miljard €) met 2,7 % en de import (goed voor 77,3 miljard €) daalde met 2,8 %. De handelsbalans van Duitsland met China is negatief (14,7 miljard). China staat op de tweede plaats voor de invoer en op de vijfde plaats voor de uitvoer. De rangschikking door Destatis[ix] opgesteld in 2009 was hetzelfde voor de invoer, voor de uitvoer stond China toen op achtste plaats na  Frankrijk, Nederland, VS en VK, Italië, Oostenrijk en België.

 

De machinebouw[x]

De ontwikkeling van de Duitse machinebouw (Maschinen- und Anlagenbau) was een werk van lange adem, eerder van de lange duur dan van het schuim van de geschiedenis. Het is een heel heterogene sector van uitrusting van het productieapparaat in diverse sectoren, geen massaproductie, maar stukproductie en kleine series. Met bestendige vernieuwing, met stukjes en beetjes, gesteund op een lange traditie van “Facharbeiter”. Machinebouw is ook arbeidsintensief. Er wordt veel geïnvesteerd in opleiding. De know-how is niet alleen aanwezig in de productie, maar ook bij de installatie en reparatiewerkzaamheden. Het is de grootste industriële sector met een tewerkstelling van meer dan 900.000 werknemers (september 2010: 925.000).

Het zijn geen kleine ondernemingen, maar “Mittelstand”, meestal rond de 250 werknemers. Duitse economisten schrijven dat het probleem van Frankrijk is dat ze alleen kleine bedrijven hebben en wereldconcerns en geen “Mittelstand”. Het is exportindustrie, niet alleen naar Europese landen, maar met de globalisering ook naar de opkomende landen die investeren in hun productieapparaat, met o.m. China als een belangrijke afzetmarkt,

De bestellingen zijn afhankelijk van de investeringsconjuncturen. Van 2003 tot 2008 was er een omzetstijging van ongeveer 50 %. De financiële crisis(2008-2009) zorgde voor een diepe neergang (omzet met bijna 40 % minder), maar het herstel kwam hier heel vlug (men stootte op de grenzen van de capaciteit  in 2011). De herstart kon vlug gebeuren omdat niet afgedankt werd in het diepe dal van de conjunctuur.

Op het gebied van machinebouw heeft Duitsland een quasi-monopolie in veel productengamma’s. Deze bedrijven zijn maar in beperkte mate afhankelijk van prijsconcurrentie en dus van arbeidskost. Ze moeten hun voorsprong behouden op het gebied van productinnovatie en hierbij steunen ze op de schouders van de reuzen van hun traditie. De regionale zwaartepunten zijn vooral Baden-Württemberg, Nordrhein-Westfalen en Bayern.

Wat omvang van tewerkstelling is het een grote sector, groter dan de automobiel, de electro-industrie en de chemie. Tegenover een tewerkstelling (2010) van gemiddeld 845.000 werknemers in de machinebouw, staat in hetzelfde jaar in de automobiel 702.000, de metaalbewerking 687.000, in de electro- techniek 585.000, de chemie 392.000 en de kunststofindustrie 302.000 mensen.[xi]

 

De auto-industrie.[xii]

De Amerikaanse, Japanse en Europese autoafzetmarkten zijn vervangingsmarkten, geen groeimarkten meer. Wereldwijd is de automobielsector echter nog altijd een groeimarkt. Vooral de Chinese automarkt heeft sinds het einde van de jaren negentig een spectaculaire groei gekend. De Chinese auto-industrie is van recente datum[xiii] en groeide via joint-ventures met autoconcerns uit Europa, de VS en Japan. Op die manier leerden Chinese ondernemers auto’s maken en produceren. De transfer van technologie[xiv] gebeurde via directe investeringen in China. De laatste tijd kopen Chinese bedrijven zich in Amerikaanse of Europese bedrijven in. Dat is een andere manier om het product en het productieproces onder de knie te krijgen en/of te verbeteren.

In Europa is de afzet van Duitse concerns tussen 1995 (51,2 %) en 2010 (47,4 %) wel licht dalend, met de vermindering vooral tussen 1995 en 2003 (46,9 %). Na 2003 is het marktaandeel ongeveer stabiel gebleven. De financiële crisis deed de Europese automarkt in mekaar stuiken, vooral de concerns die een sterke positie hadden  in de zuidelijke landen, zoals de Franse autobedrijven en Fiat. De Amerikaanse concerns herstructureerden hun Europese productie, na de zware herstructurering in de VS. In Duitsland verdwijnt ook Opel Bochum (General Motors) volledig.

Op de Chinese groeimarkt is het marktaandeel van de Duitse autoconcerns tussen 2005 (16,9 %) en 2010 (17,5 %) lichtjes gestegen, ondanks het groeiend aantal concurrenten. Maar China is een grote (ook potentiële) afzetmarkt. In de andere opkomende landen, maar kleinere markten dan de Chinese, is het marktaandeel sterk gestegen: in Rusland van 8 % in 2005 naar 16,1 % in 2010; de grotere Braziliaanse markt kent een relatief stabiel marktaandeel van iets meer dan 20 %. VW do Brazil is al gekend door betogers tegen de Braziliaanse dictatuur, begin jaren 1970.

De internationale automobielmarkt wordt beheerst door de concurrentie tussen Toyota en het VW-concern als grote spelers. De Duitse auto-industrie staat sterk in de nieuwe opkomende landen, zoals China, Rusland en Brazilië. Op de Amerikaanse markt wil het VW-concern zijn marktaandeel versterken, maar blijkbaar vooral door directe investeringen in Mexico.

In de automobielsector heeft de Duitse industrie meer concurrentie op de wereldmarkt, dan in de machinebouw. Vooral in de Aziatische groeimarkt is er de aanwezigheid van het Japanse Toyota en het Koreaanse Honda. VW heeft het nadeel, minder geografisch nabij te zijn dan Toyota. Toyota heeft het nadeel van de nationalistische oprispingen, zowel in China als Japan. De nieuwe Chinese leider, premier Li Keqiang, bracht bij zijn recent (einde mei) bezoek aan Merkel niet alleen de belangen van de Chinese zonnepanelenindustrie ter sprake, maar vroeg ook de steun van Europa in de strijd om de eilandengroep met Japan in de Oost-Chinese zee.

De concurrentie in de auto-industrie speelt meer, maar dat is vooral ook een kwestie van vernieuwing van het product (onder meer de electromobiliteit [xv]), de uitbouw van het productieapparaat en de sociotechniek van de fabrieken. Dat laatste is in Duitsland niet onbelangrijk: de werkbaarheid van banen. Nog in 2006 verscheen hieromtrent “VW Auto 5000: ein neues Produktionsconzept. Die deutsche Antwort auf den Toyota-Weg?”[xvi]. De titel van de publicatie spreekt voor zichzelf.

De Mittbestimmung, het handhaven van de VW-wet waardoor de staat Neder-Saksen met 20 % van de aandelen over een vetorecht beschikt en de integratie van Porsche na een bitter conflict[xvii] maakt van VW een sterke speler in de Duitse exportindustrie. In de verhoudingen tussen China en Duitsland zal VW een gewillig oor krijgen in de Duitse politiek, want het staatsbelang en het algemeen belang zijn helaas nooit neutraal. Als daarmee geargumenteerd wordt: boer pas op uw ganzen.

 

De zonnepanelenindustrie.

De sector van de zonne-energie is (was?) een onderdeel van het Duitse jobwonder. Ook al zijn er (nog) geen ambtelijke statistieken over de ontwikkeling van de sector en moet gebruik gemaakt worden van de gegevens van de sectorfederatie, toch kan er gesproken worden van een spectaculaire groei, zowel op het gebied van productie en export, als op het gebied van tewerkstelling: in 2009 naar schatting 64.700 en 110.000 in 2011, in de industriële kern 35.000 directe arbeidsplaatsen.

2011 is echter een keerpunt in de uitbouw van de industrie van de zonnepanelen. Het zwaartepunt van deze industrie ligt in Oost-Duitsland (60 % van de tewerkstelling in de industriële kern van de bedrijfstak). Om alles goed te kunnen beoordelen moet rekening gehouden worden met de verscheidenheid van de sector. Er is niet alleen de productie van onderdelen, de gespecialiseerde machinebouw en de installatiebedrijven. In het netwerk zijn heel wat ondernemingen actief die onderdelen van de productieketen verzorgen.

De uitrusting met gespecialiseerde machines, de toelevering uit de glasindustrie en metaalcomponenten komen echter uit Zuid-Duitsland. De grote installatiebedrijven zijn eveneens gelegen in West-Duitsland.

Op het gebied van de productinnovatie is er heel wat in beweging, onder meer op vlak van het gebruik van nieuwe materialen, om de efficiëntie te verbeteren. Nieuwe doorbraken worden verwacht. In de sfeer van de zonne-energie is een hele  onderzoekinfrastructuur uitgebouwd. Niettemin zijn er crisissignalen bij de eindproducenten van zonnepanelen. De grootste producent Q-Cells in Duitsland sluit de deuren, maar bouwde nieuwe productiecapaciteit op in Maleisië. De crisis van de opgang heeft vooral te maken met de opbouw van nieuwe productiecapaciteit in Azië en vooral in China sinds 2009. De Europese producenten zijn niet opgewassen tegen de Chinese producenten en wereldwijd is er overcapaciteit. Door deze ontwikkeling dalen de prijzen.

Aan te stippen valt dat de Duitse machinebouw grote baten heeft bij de expansie van de Chinese zonnecellenindustrie. De Duitse economie vaart goed bij een stijgende investeringscyclus.

De VS-producenten waren evenmin voorbereid op de toegenomen concurrentie. Daar werd gereageerd met invoerheffingen op de Chinese import. In Europa is er discussie over de invoerheffingen (gemiddeld 47 %) die voorgesteld worden door commissaris Karel De Gucht, als onderhandelingshefboom met China. Het ziet er naar uit dat de Europese landen uit elkaar gespeeld worden door de Chinese importeurs en de Chinese staat, die volgens het dossier van de diensten van de bevoegde Europese commissaris met verlies aan dumpingprijzen ingevoerd worden. De financiering door de Chinese staatsfondsen speelt hierbij een belangrijke rol. China wil in deze toekomstsector een mondiale speler worden.

De afwezigheid van een goed uitgebouwde industriële politiek in de EU en het eurogebied is één factor van het verdelen van de EU in één van haar krachtigste steunpilaren: commerciële politiek. Hoewel het initiatief van de EU-commissaris er kwam op basis van een klacht van de Duitse onderneming Solar World, speelt Merkel haar eigen diplomatiek handelsspel.

Binnen de sector zijn er tegengestelde belangen, zoals de installatiebedrijven in de verschillende landen die goedkope zonnepanelen uit China willen blijven leveren, de belangen van een snelle omswitch naar zonne-energie en niet te vergeten de Duitse machinebouwondernemingen die gouden zaken doen in Azië.

Het quasi reduceren van Europa tot een vrijhandelszone, de afwezigheid van een krachtige - in het geval van de zonne-energie - offensieve industriële politiek wreekt zich ook in deze kwestie. Industriële politiek kan niet herleid worden tot concurrentiebeleid, zoals consumentenpolitiek niet kan herleid worden tot inflatiepolitiek. Bovendien als consumentenpolitiek betekent hyper-lage prijzen dan eindigen we in de ellende van de ateliers van Rhana Plaza in de hoofdstad van het Dak van Bengalen, Dacca. Dat kunnen we toch niet willen.

Het optreden van de Duitse kanselier Merkel, maar gevolgd door meerdere Europese landen, zou wel eens een illustratie kunnen zijn van de Merkiavelli- thesis van Ulrich Beck. Een “pas de deux”: enerzijds pleiten voor een sterker Europa, anderzijds de belangen van de belangrijke Duitse exportsectoren verdedigen bij de Chinezen door de Europese onderhandelingspositie te verzwakken. Het grote belang van de Duitse exportindustrie bij de Chinese afzetmarkt zal wel afgewogen zijn tegen de belangen van de productiecapaciteit van de zonnepaneelbedrijven.

In de Europese discussie speelt ook de concurrentie tussen de verschillende sectoren in de energiesector. De regering Cameron schijnt bijvoorbeeld zot te zijn van de hoop op schaliegas en -olie.

 

 

 



[i] OECD, Employment and Labour Markets, key tables from OECD, 11 July 2012.

[ii] Michael C. Burda and Jennifer Hunt, What explains the German Labor Market Miracle in the Great Recession? Discussion Paper, Humboldt Universität, May 31, 2011.

Zie de verwijzing naar de indicatoren van het Ifo –Institut Munchen die de stemming meten bij de Duitse bedrijfsleiders.

[iii] Voor een evaluatie van de reactie van de regering Merkel I, zie Peter Bofinger, Ist der Markt noch zu retten? Warum wir jetzt einen starken Staat brauchen, Ullstein, 2010 (2009), vooral p. 31-41. Hoewel met andere accenten zijn ook de geschriften van Heiner Flassbeck de moeite waard, voor wie op zoek is naar een alternatieve stem in het Duitse economendebat: Heiner Flassbeck, Gescheitert. Warum die Politik vor der Wirtschaft kapituliert, Westend Verlag, 2009 en zijn Zehn Mythen der Krise, Edition Suhrkamp, 2012.

[iv] Jens Weidman, Opportunities and challenges arising from the crisis in the euro area. Speech before the German-French Chamber of industry and commerce, 23-5-2013.

[v] Berthold Huber, Oliver Burkhard, Hilde Wagner (Hrsg), Perspektiven der Tarifpolitik. Im Spannungsfeld von Fläche und Betrieb, VSA Verlag, 2006 (Dokumentation der Tarifpolitischen Konferenz der IG Metall 2005). Reinhard Bispinck, Thorsten Schulten, Zukunft der Tarifautonomie. 60 Jahre Tarifvertragsgesetz: Bilanz und Ausblick, VSA Verlag, 2010.

[vi] Steffen Lehndorff, Vom kranken Mann zur schwäbische Hausfrau. Die neue Karriere des „Modells Deutschland“, in Steffen Lehndorff (Hrsg), Ein Triumph gescheiterter Ideen. Warum Europa tief in der Krise steckt. Zehn Länder-Fallstudien, VSA Verlag, p. 89-119.

[vii] Karl Brenke und Simon Junker, Zunehmende Diversifizierung der deutschen Warenexporte, DIW Wochenbericht, 2013/ 10.

[viii] Exporte nach China 2012 gestiegen, Importe gesunken-Handelsbilanzdefizit rückläufig, Destatis, Statistisches Bundesamt, 18 März 2013.

[ix] Foreign Trade. Ranking of Germany’s trading partners in foreign trade, 2009, Destatis, 22-2-2010.

[x] Jürgen Dispan, Maschinen- und Anlagenbau: Herausforderungen und Zukunftsfelder, in Martin Allespach und Astrid Ziegler (Hrsg), Zukunft des Industriestandortes Deutschland 2020, Schüren, 2012, p. 216-233.

[xi] De voorgaande cijfers van de machinebouw zijn in september 2010 en deze zijn de gemiddelden over het jaar. Deze laatste liggen lager omdat begin 2010 de opgaande beweging in de conjunctuur nog volop aan de start stond, terwijl in september het herstel op hoog toerental draaide.

[xii] Willie Diez, Die internationale Wettbewerbsfähigkeit der deutschen Automobilindustrie. Herausforderungen und Perspectiven, Oldenbourg Verlag, 2012.

Michel Freyssenet, The second automobile revolution. Trajectories of the World Carmakers in the 21st Century, Palgrave Macmillan, 2009.

[xiii] Hua Wang, Made in China: Joint ventures and domestic newcomers, in Michel Freyssenet, The second automobile revolution, p. 383-403. In dit hoofdstuk wordt ook de case Geely, hoofdaandeelhouder van Volvo, beschreven. Geely begon pas in 1999 met autoproductie.

[xiv] Over technologietransfers en ecologische problematiek via de directe investeringen van de grote Amerikaanse autoconcerns is lezenswaard Kelly Sims Gallagher, China shifts gears. Automakers, oil, pollution and development, MIT Press, 2006.

[xv] Heinz-Rudolf Meissner, Strukturbruch in der Automobilindustrie, in Martin Allespach und Astrid Ziegler (Hrsg), Zukunft des Industriestandortes Deutschland 2020, Schüren,2012, p. 193-215.

[xvi] Michael Schumann, Martin Kuhlmann, Frauke Sanders, Hans Joachim Sperling (Hrsg), VW Auto 5000: ein neues Produktionskonzept, VSA-Verlag, 2006. Dit is een uitgave van het SOFI van de universiteit van Göttingen, gekend om zijn onderzoek in de industriële arbeidssociologie sinds begin van de jaren zeventig. Horst Kern en Michael Schumann zijn legendarisch in de kleine kring van arbeidssociologen. Zie ook Martin Kuhlmann, Modellwechsel? Die Entwicklung betrieblicher Arbeits- und Sozialstrukturen in der deutschen Automobilindustrie, Edition Sigma, 2004.

[xvii] Christian Euler, Porsche und Volkswagen. Zwei Konzerne, zwei Familien- eine Leidenschaft, Wiley-VCH Verlag, 2010.

 
Read 10322 times Last modified on %PM, %19 %638 %2014 %14:%mrt

Doneer

Wil je Oikos steunen als onafhankelijk platform? Dan kan door een bijdrage – groot of klein - te storten op BE29 0015 9877 0164 (BIC: GEBA BE BB) van Oikos vzw.

Over Oikos

Oikos wil een toonaangevend forum zijn voor de sociaal-ecologische tegenstroom. Oikos vertrekt vanuit de analyse dat het gangbare economische model ecologisch niet duurzaam is, en dat de emancipatie van velen in onze samenleving en de wereld nog lang niet voltooid is. Oikos behandelt alle dimensies van dit streven naar verandering: de onderliggende ethiek, de analyse van de bestaande toestand, de ontwikkeling van alternatieven en de politieke strategie.

Gratis proefnummer

Wil je graag een gratis proefnummer ontvangen van Oikos? Dat kan! Vul op deze pagina jouw gegevens in en wij sturen jou het laatste Oikos nummer als gratis proefnummer op.