logo

dinsdag, 11 juni 2013 14:47

De l’Allemagne. De strategie van de sprintende slak? I

Written by
Rate this item
(0 votes)

Deel 1 – De Hartz-wetgeving

Is het succesverhaal van de Duitse economie echt zo glansrijk en zo stabiel als nu wordt verhaald? De lichtzijden worden duidelijk overbelicht en de schaduwkanten onderbelicht. De instabiliteit vergeten. Sommige opiniemakers hangen het hele succes op aan de Hartz-hervormingen. Die vormen economisch gezien maar een randje, maar zijn wel onderdeel van omgekeerde herverdeling. In tijden van grote onzekerheid, gekoppeld aan brede maatschappelijke transities, worden hegemoniale denkbeelden opgelegd ten koste van de zwakkeren in de samenleving. Dat dreigen we vandaag opnieuw te zien. En worden daarmee de demonen van Hitler-Duitsland opnieuw opgeroepen? Die vraag kwam opnieuw naar boven ter gelegenheid van “De l’ Allemagne”, een succesrijke tentoonstelling in het Parijse Louvre . Is dat echt een onvermijdelijk verhaal?

We behandelen de vraag naar het ogenschijnlijke Duitse succes in drie afleveringen. We beginnen met een schets van de zogenaamde ‘Hartz-wetten’.

De lAllemagne

In het Parijse “Louvre” loopt een succesvolle tentoonstelling “De l’Allemagne”. Ze gaf aanleiding tot een nogal scherp debat, aangezwengeld door Die Zeit[i]. Het concept zou té veel gebaseerd zijn op de “Sonderweg” these[ii] of de Duitse geschiedenis leidde onvermijdelijk tot het hitlerisme. Een debat onder historici, dat nu nog eens zou overgedaan worden in de kunstwereld. Bepaalde media spraken over de “culturalisering” van een politiek debat tussen Frankrijk en Duitsland over de toekomst van Europa. Tegelijkertijd woedde in de Franse PS een debat over de Europese Merkel-politiek. Hollande had al de moeite van de wereld om de scherpe bewoordingen in voorbereidende teksten van een Europa-congres te nuanceren.

Intussen hebben Merkel en Hollande samen de tentoonstelling ”De l’Allemagne” bezocht, heeft Hollande in Leipzig op de bijeenkomst ter gelegenheid van “150 jaar SPD” de loftrompet gezongen van het reformisme van de SPD en geen negatief woord gezegd over de “Schröder” hervormingen. En Merkel was aanwezig op de viering. Er wordt gezocht naar toenadering.

Het Duitse model doet het goed in allerlei discours. Velen willen ons verleiden tot Duitse maatregelen. Voka-voorzitter Michel Delbaere pleitte in een interview met De Morgen[iii] voor de sociaal-democratie, niet alleen in de titel, maar ook in het interview zelf: “Het zal u misschien verbazen, maar eigenlijk zijn wij sociaal-democraten. Dan wel in de zin van de gewezen bondskanselier Gerhard Schröder of zijn Britse collega Tony Blair”. De grote baas van Unizo houdt geregeld flarden van betogen die verwijzen naar Duitse keuzen. En zijn compagnons de route, Johan Van Overtveldt en Geert Noels kunnen het niet laten. De N-VA pleit al lang voor het Duitse model, nogal eens Hans-Werner Sinn citerend en de Open VLD zit in de achtervolging.

Olli Rehn accentueert nu al een tijdje de noodzaak van “structurele hervormingen”, nu het pure verhaal van de procyclische besparingen het niet zo goed meer doet.

Een van de bekende opiniemakers schreef onlangs als reactie op de ondraaglijke traagheid van het economisch herstel: er is de haas en de slak. Nu de briefwisseling van Günter Grass met Willy Brandt verschijnt is zijn Aus dem Tagebuch einer Schnecke[iv] terug bij de hand. Is het Duitse model de strategie van de sprintende slak? Maar waarheen sprint de slak? Kunnen we de slijmsporen volgen?

 

Duitse politiek in het voorbije decennium.[v]

De tijd van de regeringen Schröder (1999-2005).

De eerste regering Schröder (1999-2002) werd, zoals de vorige regeringen Kohl, ook geconfronteerd met aanhoudende hoge werkloosheid. Tijdens de opeenvolgende recessies (74/75, 81/82, 1993 en 2001) is de werkloosheid steeds gestegen en ook bijna niet afgebouwd in de periodes van herstel: de zogenaamde “jobless recoveries”. Het gevolg van deze evolutie is telkens tijdelijk hogere jeugdwerkloosheid, maar een steeds meer aanzwellende groep langdurig werklozen. Deze ontwikkeling keren is onder meer de inzet van het beleid van de voorbije jaren, gekend als de “Schröder-hervormingen”.

Kortstondig probeerde de eerste regering Schröder een keynesiaanse politiek van globale vraagstimulering. De architect was Lafontaine, voorzitter van de SPD en minister van financiën. Maar Lafontaine verliet de regering (11 maart 1999) na een lang, al van voor de regeringsvorming aanslepend conflict met kanselier Schröder, om de macht in de SPD. Schröder won tenslotte deze durende machtsstrijd.

 

„Agenda 2010“.

“Agenda 2010” was de koepel die de bondskanselier gebruikte in een nieuwe beleidsrede voor de Bondsdag (14 maart 2003), kort na het aantreden van de tweede SPD-Grünen regering (2002-2005). In feite werd teruggegrepen naar de economisch-politieke lijn van de conservatief-liberale regering Kohl (CDU-CSU-FDP). Om de werkloosheid terug te dringen moeten de sociale bijdragen verlaagd worden tot beneden het niveau van 40 %.

Ook maatregelen in de sector pensioenen (privatisering en het invoeren van de pensioenleeftijd op 67) en in de gezondheidszorg werden overkoepeld door de “Agenda 2010”. Het is het gekend verhaal van de aanbodgeoriënteerde politiek. Verlagingen van de arbeidskosten en fiscale gunstmaatregelen voor bedrijven zullen de winstgevendheid verhogen. De winsten van vandaag zijn de investeringen van morgen en dat betekent werkgelegenheid en opslorping van werkloosheid.

De Agenda 2010-politiek wordt later ook door de regeringen Merkel voortgezet, eerst in de grote coalitie CDU-CSU/SPD en daarna in de conservatief-liberale regering Merkel. De bekendste maatregelen hebben betrekking op de arbeidsmarkt, de zogenaamde Hartz-wetten, vier wetten die ingevoerd werden tussen 2001 en 2004. Meest bekend is Hartz IV.

Het pakket arbeidsmarktmaatregelen werd voorbereid door de Hartz-commissie, waarvan het rapport Moderne Dienstleistungen am Arbeitsmarkt voorwerp was van een akkoord tussen de rood-groene coalitiepartners op 16 augustus 2002, nog voor de verkiezingen van 22 september 2002. De voorzitter van de commissie was Peter Hartz, de personeelsdirecteur van Volkswagen, een bekende van Schröder, in een vorig leven immers minister-president van de deelstaat Neder-Saksen, een belangrijke aandeelhouder van de VW-groep.

De Hartz-maatregelen waren het resultaat van ingewikkelde onderhandelingen binnen de SPD, de coalitie, de Bundestag en de Bundesrat. De complexe federale structuur in Duitsland maakt dat vaak sprake is van een soort - op zijn Frans gezegd - “cohabitation”, omdat de meerderheden in de Bundestag anders liggen dan in de Bundesrat. Na de verkiezingen van 27 september 1998 kwam een rood-groene Bondsregering aan het bewind na 16 jaar ononderbroken regeertijd voor de CDU/CSU-FDP formule van Helmut Kohl. Minder dan een half jaar later verloor de SPD-Grünen coalitie haar meerderheid in de Bundesrat en in april 2002 hadden door CDU en CDU-FDP geleide Länder in de Bundesrat weer de meerderheid, zodat een onderhandeling noodzakelijk was met de CDU om maatregelen door te voeren. Vandaar ook dat in verband met het Hartz-pakket sprake is van een “informele grote coalitie” van SPD en CDU/CSU.

Sommige politicologen noemen de voorbereiding van een nieuwe “grote coalitie” (coalition seeking) tussen SPD en CDU/CSU als een verklarende factor voor de arbeidsmarkthervormingen. Daarbij was het debat over de arbeidsmarkthervormingen al aan de gang sinds de jaren 90. Het kwam dus allemaal niet plotseling.

De Grünen speelden nog mee in de lange voorbereiding van deze hervormingen met stellingen gebaseerd op bestrijding van de armoede via een formule van basisinkomen. Het voorstel van de woordvoerster sociale politiek Andrea Fischer om een Soziale Grundsicherung in te voeren refereerde naar bedragen afgeleid van de armoedenormen van de EU. Ze gaven hun verzet tegen een striktere activering geleidelijk op en in de onderhandelingen tijdens de tweede regering Schröder speelden ze nagenoeg geen rol op dit domein van de regeringspolitiek.

 

De hervormingen van de arbeidsmarkt: de Hartz-maatregelen.[vi]

De Hartz-wetgeving had niet alleen betrekking op de vergoedingen en de daaraan verbonden verplichtingen, maar ook op de organisatie van de arbeidsbemiddeling en activering. De Hartz III-wet (in voege januari 2004) was gefocust op de reorganisatie van de bemiddelingsdiensten volgens de principes van “new public management”: een manager heeft de leiding en omwille van de efficiëntie moet het privatiseren van onderdelen mogelijk zijn. De Hartz I-wet maakte het gebruik van uitzendarbeid gemakkelijker.

Bij de reorganisatie van de diensten voor arbeidsbemiddeling en de gemeentelijke sociale diensten, die onder één dak samengebracht (zouden) worden, moest ook de crisis van de gemeentefinancieën aangepakt worden. Deze opgave bracht moeizame invoeringsprocessen van de hervorming met zich mee. De verdeling van de financieringsstromen tussen het federale bondsniveau, de Länder en de gemeenten was niet onoverkomelijk, maar de hervormers botsten op het ingewikkelde kluwen van de Duitse staatsstructuur. Los van de systematiek van de vergoedingen, de activering en sanctionering is deze “administratieve hervorming” (en de financiering van de diverse taken) een verhaal op zich.

De logica van de Hartz-hervormingen kan als volgt samengevat worden: de mensen die werkloos worden of zijn, activeren om werk te zoeken door de werkloosheidsvergoeding snel te verlagen op het niveau van de bodemvergoeding (Sozialhilfe), het verbeteren van de werking van de bemiddelingsinstanties om efficiënter vraag en aanbod samen te brengen en het organiseren van een lage-loonsector om de arbeidsvraag te doen stijgen, via lagere belastingen en sociale bijdragen. Tenslotte een systeem invoeren waarbij werkloze mensen alle werk moeten aanvaarden op straffe van vermindering van al zeer lage vergoedingen. Via deze mechanismen zou de werkloosheid teruggedrongen worden en vooral de langdurige werkloosheid (de niet-cyclische component van de werkloosheid).

 

Hartz IV.

De meest bekende hervorming is die van het werkloosheidsstelsel via de Hartz IV-wet (in voege vanaf 1 januari 2005).

Door deze wet wordt een regeling ALG II (Arbeitslosengeld) afgesplitst van het ALG I, de gewone werkloosheidsvergoeding. De hoogte staat in verhouding tot het verdiende loon. Hier wordt de traditie van de Duitse “Sozialstaat” behouden: de vergoedingen moeten de verworven levensstandaard handhaven. Het ALG I is beperkt in de tijd - 12 maanden en 18 maanden voor werknemers vanaf 50 jaar – maar de periode ervan werd naderhand gewijzigd. Tijdens de eerste regering Merkel (de grote coalitie) werd de duur van het ALG I voor werknemers vanaf 50 jaar met 6 maanden verlengd tot 24 maanden. Daarna moeten werkloze mensen terugvallen op ALG II (of de “Grundsicherung für Arbeitsuchende“), wat geregeld is in het Sozialgesetzbuch II (SGB II). Het gaat erom hulpbehoevendheid te vermijden, maar in eerste instantie door inspanning van het individu zelf. De rechthebbenden moeten die staat van hulpbehoevendheid vermijden, in tijd verkorten of in omvang verminderen door alle werk te aanvaarden. Naast het basisbedrag verschillend voor alleenstaanden (382 €, volgens de bedragen op 1 januari 2013) en samenwonenden (2 x 345 €), met toeslagen voor de kinderen naar gelang de leeftijd. Er zijn ook toeslagen mogelijk voor woonkosten en verwarming.

ALG II is het samenvoegen van de vroegere regeling Arbeitslosenhilfe (een categorie binnen de werkloosheidsverzekering voor langdurig werklozen, waarbij de loopbaanduur en het laatste nettoloon nog een referentiepunt waren) en Sozialhilfe (bijstand). Bij de regeling ALG II worden andere inkomsten in mindering gebracht (middelentoets), bestaat er onderhoudsplicht van de ouders ten aanzien van werkbekwame kinderen (tot 25 jaar) en partners onderling, wordt geen rekening gehouden met het vroeger verdiende loon en ook niet meer met de duur van de betaalde bijdrage tijdens de loopbaan. De mensen die voorheen op de Arbeitslosenhilfe beroep konden doen gingen door deze wijziging er sterk op achteruit, vooral zij  die een langere loopbaan achter de rug hebben en een beter referentieloon verdiend hebben.

De gedachte van het basisinkomen (Grundsicherung) geënt op de globale visie van activering én de toestand van economie en arbeidsmarkt pakt verkeerd uit. In plaats van betere vergoedingen kwamen er lagere vergoedingen voor heel veel mensen die geïntegreerd werden in de Sozialhilfe en die voorheen nog onderdak vonden in het Arbeitslosengeld. Vooral de (lagere) middenklasse, die werkloos wordt gaat er sterk op achteruit.

Bij het ALG II is beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt quasi zonder voorwaarden. Er zijn geen criteria meer voor niet-gepast werkaanbod. Arbeidsbewaamheid wordt breed ingevuld: wie in staat is drie uur per dag te werken is arbeidszoekend en kan verplicht worden elk werkaanbod te aanvaarden. Er wordt enkel uitzondering gemaakt voor de zorg voor een kind onder de 3 jaar en de noodzakelijke zorg voor een familielid. Een aanbod weigeren betekent sanctionering via vermindering van de vergoeding. Momenteel is er een groep actief die voor de regeling van de sancties een moratorium bepleit.[vii]

De samenvoeging van Arbeitslosenhilfe en Sozialhilfe is een aantasting van de Duitse traditie van de Sozialstaat. De betaalde bijdragen en de band met de lengte van de loopbaan werden opgeheven. Het is dan ook niet verwonderlijk dat er verzet op gang kwam bij het doorvoeren van deze maatregel: straatdemonstraties, vakbondsverzet en ook verzet van de linkervleugel van de SPD. Binnen zijn eigen partij moest kanselier Schröder op een congres het vertrouwensvotum vragen (de arm omwringen van zijn partij) om groen licht te krijgen voor de hervorming .

Uit dit ongenoegen is Die Linke ontstaan, waarvan Oscar Lafontaine nadien de leiding heeft genomen. Zo kreeg de SPD hevige concurrentie op de linkerflank. Ook de verhouding tussen SPD en de vakbonden aangesloten bij de DGB veranderde grondig.[viii]

 

Eén-euro-banen[ix]

De SGB II Arbeitsgelegenheiten-regeling bouwt verder op de Arbeitslosenhilfe (langdurig werklozen en/of moeilijk bemiddelbare werklozen). Die liet toe dat langdurig werklozen vrijwillig en mits toestemming van de Agentur für Arbeit wat mochten bijverdienen op beperkte schaal. De meeste initiatieven van werkverschaffing werden ontwikkeld in het kader van sociale economie en het gemeentelijk sociaal werk. Met het samenvoegen van Arbeitslosenhilfe en Sozialhilfe ontstaat een ambivalente toestand. Het ALG II verlaagt wel de vergoedingen, maar een deel van de mensen die onder de nieuwe regeling vallen zijn “Arbeitsfähig” en “Arbeitssuchend. Zo wordt in de regeling en ook in de organisatie ambivalentie ingebouwd: enerzijds arbeidsmarktgericht, anderzijds sociale hulp. “Ein Eurojobs” (Zusatzjobs of SGB II Arbeitsgelegenheiten) is gelegenheidswerk (met vergoeding 1 of 2 € per uur). De invulling moet decentraal gebeuren, mag niet concurrentieel zijn met reguliere arbeid en toch arbeidsmarktpolitiek-gericht zijn.

Er is wat onderzoek over deze “werkverschaffingsformule” en de zeer heterogene lokale invulling tussen sociale bijstand, maatschappelijk werk (initiatieven gericht op maatschappelijke integratie) en mensen (her)uitrusten om deel te nemen aan de reguliere arbeidsmarkt. De wijziging van optiek – het probleem ligt niet ook bij een onaangepaste arbeidsmarktontwikkeling, maar vooral bij onaangepaste werklozen – schept daarbij nieuwe problemen. De instanties van de arbeidsbemiddeling botsen op hun eigen onmacht. Zo ontstaan er schemerzones tussen actie gericht op integratie in de reguliere arbeidsmarkt en sociale hulpverlening gericht op maatschappelijke integratie.

Gecombineerd met de verplichting om elk arbeidsaanbod te aanvaarden kunnen één-euro-jobs ingeschakeld worden in een strengere activering en bij weigering kan het een reden tot sanctionering zijn. Terug fit maken voor de arbeidsmarkt is het allesoverheersende devies. Sociale politiek werd ondergeschikt gemaakt aan arbeidsmarktpolitiek, maar de één-euro-jobs zijn een symbool van de ambivalentie: aanvullen van de lage (arbeids)vergoeding, maatschappelijke integratie of opstap naar de reguliere arbeidsmarkt?

 

Hartz II: mini-jobs.

Van even groot belang zijn de mini-jobs (of geringfügingen Beschäftigung), onderdeel van de Hartz II-wet, in voege sinds 1 april 2003. Hieronder vallen banen met beperkte arbeidstijd: maximum 50 arbeidsdagen per jaar (kurzfristige Beschäftigung) en banen met een verloning van 400[x] (sinds begin 2013: 450)[xi] euro (geringfühig entlohnte). Voor de werknemers valt dan het nettoloon samen met het brutoloon aangezien er geen werknemersbijdrage betaald wordt. Er worden door de werknemers echter ook geen sociale zekerheidsrechten opgebouwd. Wel wordt een werkgeversbijdrage betaald, maar lager dan op een “normale” baan. Voor huishoudhulp is er een speciale regeling met een werkgeversbijdrage van 12 %.

Sinds de invoering van de maximale norm van 450 euro om gebruik te kunnen maken van het statuut van de mini-jobs kunnen de werknemers kiezen om een werknemersbijdrage te storten om pensioenrechten op te bouwen.

Een formule van midi-jobs bestaat eveneens. De lonen kunnen daarbij bewegen zich tussen 400 (450) en 800 euro. In dit systeem wordt lineair 4,7 % betaald als werknemersbijdrage.

 

Het debat over minimumlonen.

In Duitsland bestaat er geen wettelijk minimumloon, zoals de SMIC in Frankrijk, noch een interprofessioneel door patronaat en vakbonden onderhandeld minimum zoals het GGMI in België (Gemiddeld Minimum Maandinkomen). Er zijn in de Berlijnse Republiek wel (regionale) sectorale minima, maar niet in alle sectoren en regio’s. Sinds geruime tijd wordt een debat gevoerd over de minimumlonen.[xii] De DGB stelt als eis een minimumloon 8,5 € per uur, maar de onderhandelingen gebeuren in de sectoriële regio’s. De leden van de DGB (de Gewerkschaften) sluiten akkoorden af die onder deze norm liggen. De redenering is: omwille van de machtsverhoudingen is een afspraak beter dan niets. Bij de volgende verkiezingen en de daaropvolgende coalitieonderhandelingen zou het wel een thema kunnen worden. Een vloer leggen in de arbeidsmarkt zou kunnen vermijden dat “werkende armen” ook in het voormalig Rijnland-kapitalisme een “normaal” groeiend verschijnsel worden.

Door de lamentabele regeling van minimumlonen in de Berlijnse republiek moeten mensen met een baan met volledige werktijd en zeker mensen met een deeltijdse baan beroep doen op een aanvulling uit de ALG II-regeling, omdat ze het wettelijke basisminimum niet bereiken (de Grundsicherung). Dat heeft ook zijn weerslag op mensen die werkloos worden en recht hebben op een ALG I. Als het referentieloon laag is dan is de ALG I ook laag en is een aanvulling nodig tot het minimum.

De aanvulling uit de ALG II-regeling wordt “Aufstocken” genoemd. Over de omvang en de evolutie ervan wordt een heel debat gevoerd in de Berlijnse Republiek. In een kritisch artikel in Die Zeit (16 Mai 2013) over de “overdrijvingen” in de media wordt gezegd dat het gaat om 1,2 tot 1,4 miljoen mensen, waarvan er ongeveer 350.000 voltijds werken. Het gaat vooral om deeltijdsen die ook een familie moeten onderhouden[xiii]. Maar de statistieken geven geen echte duidelijkheid. Gekoppeld aan het Aufstockers-debat heeft het IAB in een reactie op het armoederapport van de regering aandacht gevraagd voor de verborgen armoede en voor een betere registratie van het “verschijnsel”.

 

Mini–jobs: cijfers[xiv]

Het aantal mini-jobbers is tussen 2003 en 2011 gestegen van 5.981.807 tot 7.386.881 (+1.405.074). Daarbij steeg het aantal met enkel een mini-jobstatuut steeg van 4.544.180 naar 4.894.322 (+350.142), en met een mini-job als nevenactiviteit van 1.437.627 naar 2.492.559 (+1.054. 932). Deze mini-jobs kunnen immers gecombineerd worden met deeltijdse banen. In 2011 zaten in West-Duitsland 6.462.342 (63,6 % vrouwen) en in Oost-Duitsland 924.539 (57,9 % vrouwen) in de regeling.

De werkzaamheden in deze banen vereisen geringe intrede- kwalificaties en de introductietijd (on the job training) is gering. Veel personen die in deze banen terechtkomen beschikken over hogere kwalificaties dan nodig: personen met een afgesloten beroepsopleiding (bij de mannen: 51,4%, bij de vrouwen: 61,6%) en personen met een hogere opleiding (25,3% bij de mannen en 17,4 % bij de vrouwen).

Er kan gerust gesproken worden over verdringing van laaggeschoolden door hoger geschoolden op de arbeidsmarkt, vermits het kwalificatieniveau van de mini-jobbers het vereiste niveau van de banen overstijgt. Het gaat dus om een bezetting van de onderkant van het arbeidsbestel, niet alleen om de mensen met de laagste scholing te helpen ontsnappen aan langdurige werkloosheid en een precair bestaan. Door de mini-banen is er een lage-loonsector geschapen, een secundaire arbeidsmarkt met weinig kansen op doorstroming naar de primaire arbeidsmarkt van de betere banen.

Mini-jobbers zijn in alle leeftijdscategorieën te vinden. Minst bij de categorieën -20 (6,7%) en 60-70 (12,6 %). In de andere leeftijdscategorieën ziet de verdeling er als volgt uit: 20-30 (18,8 %), 30-40 (16 %), 40-50 (23 %) en 50-60 (17,8 %).

Wat de midi-banen betreft: in 2003 (607.159) en in 2010 (1.318.923).

Een onderzoek van het IAB[xv] op basis van een bedrijfspanel van 16.000 bedrijven met minstens een aan sociale zekerheid onderworpen werknemer geeft een beeld van de verspreiding van mini-jobs. Ze zijn meest aanwezig in West-Duitsland (56 % van de bedrijven en een 12 % van de tewerkstelling) tegenover Oost-Duitsland (37 % van de bedrijven en 7 % van de tewerkstelling).

Mini-jobs zijn vooral te vinden in kleinere bedrijven: 33 % (1-9 werknemers), 48 % (10-99), 19 % (100 en meer). In een aantal sectoren is er een hoge concentratie: voeding (75 % van de bedrijven, 16 % van de tewerkstelling), horeca (70 % van de bedrijven en 34 % van de tewerkstelling), distributie (63 % van de bedrijven en 23 % van de tewerkstelling). Ook in de gezondheidszorg en bij vrije beroepen is er een grote tewerkstelling. Mini-jobbers zijn dus meest te vinden in de dienstverlenende sectoren. Uit de evolutie van de cijfers blijkt vooral verdringing van normale tewerkstelling door mini-jobbers in kleinere bedrijven. In de grotere bedrijven is meestal het patroon te vinden van aangroei van beide types, wat een andere vorm van verdringing kan zijn. In het onderzoek zijn er ook aanwijzingen van afsplitsing van eenvoudige taken die toegewezen worden aan mini-jobbers (een neo-tayloristische tendens).

Of we nu van een Duits ‘jobwonder’ kunnen, bespreken we in de volgende aflevering.

 



[i] Auf den Sonderweg, Die Zeit, 4 April 2013. Michel Crépu, Gegen Frankreich, Die Zeit, 11 April 2013. Philippe Dagen et Frédéric Lemaître, „De l’Allemagne“. Le grand malentendu. L’ambitieuse exposition que le Louvre consacre à l’art allemand provoque une vive polémique. Outre-Rhin, certains l’accusent d’observer l’histoire de leur peinture au prisme du nazisme, Le Monde, 20 avril 2013. Christian Joschke, Une exposition douteuse sur l’  « art allemand ». La vision de l’Allemagne au Louvre est réductrice, Le Monde, 20 avril 2013. Thomas Assheuer, Im tiefen Wald, wo des Waidmanns Büchse knallt. Nach dem Skandal:  Angela Merkel und François Hollande besuchen gemeinsam die Ausstellung „De l’Allemagne. 1800-1939“ im Pariser Louvre, Die Zeit, 29 Mai 2013.

[ii] Onder meer Heinrich August Winkler, Der lange Weg nach Westen. Deutsche Geschichte, Beck Verlag, 2002 (2000).

[iii] Steven Samyn, “Eigenlijk zijn wij sociaaldemocraten“.Interview

Voka-voorzitter Michel Delbaere pleit voor confederalisme, De Morgen, 12 november 2012.

[iv] Günter Grass, Aus dem Tagebuch einer Schnecke, Steidl Verlag, Göttingen, 1972. Zijn dagboeknotities van Grass over de verkiezingscampagne van 1969 aan de zijde van Willy Brandt.

[v] Voor de analyse van de Duitse (arbeids)marktpolitiek heb ik beroep gedaan op volgende werken: Christoph Egle, Reimut Zohlnhöfer (Hrsg), Ende des rot-grünen Projektes.Ein Bilanz der Regierung Schröder 2002 -2005, VS Verlag für Sozialwissenschaften, 2007. Vooral de hoofdstukken over arbeidsmarktpolitiek en sociale politiek werden intensief geraadpleegd. Christophe Egle,Reimut Zohlnhöfer (Hrsg), Die zweite Große Koalition. Eine Bilanz der Regierung Merkel 2005-2009, VS Verlag, 2010.Simon Hegelich, David Knollmann, Johanna Kuhlmann, Agenda 2010.Strategien-Entscheidungen-Konsequenzen, VS Verlag, 2011. Koalitionsvertrag zwischen CDU, CSU und SPD, Voltmedia, 2005.

[vi] Anke Hassel und Christof Schiller, Der Fall Hartz IV. Wie es zur Agenda 2010 kam und wie es weitergeht, Campus Verlag, 2010.

[vii] Sinds enige tijd is een “Bündnis für ein Sanktionsmoratorium” actief, bestaande uit diverse initiatieven uit het middenveld. Ook de hoogleraren Lessenich en Offe, specialisten in sociale politiek, ondersteunen deze groep. Ze hebben ook een website ontwikkeld.

[viii] Voor de transformatie van de SPD, zie Franz Walter, Baustelle Deutschland, Suhrkamp, 2008 vooral hoofdstuk 3 Soziale Demokratie jenseits der Arbeiterbeweging, p. 47-104 en hoofdstuk 4 voor het ontstaan van een nieuwe concurrent op de linkerflank, Die neue alte Linke, p. 105-137.Franz Walter is een hoogleraar politicologie aan de universiteit van Göttingen. Ander werk van zijn hand over de SPD: Franz Walter, Abschied von der Toskana. Die SPD in der Ära Schröder, 2 erweiterte Auflage, VS Verlag für Soziale Wissenschaften, 2005 (2004). Franz Walter, Vorwärts oder abwärts? Zur Transformation der Sozialdemokratie, Suhrkamp, 2010.

[ix] Frank Sowa, Matthias Klemm, Carolin Freier, ‚Ein –Euro Jobs‘ in Deutschland. Qualitative Fallstudien zur Auswirkung der SGB II-Arbeitsgelegenheiten auf Beschäftigungsstruktur und Arbeitsmarktverhalten von Organisationen, IAB Forschungsbericht, 15/2012.

[x] De Hartz II regeling van de mini - banen bouwde verder op een oudere regeling. Het bedrag werd opgetrokken van maximum 325 € naar 400 €, maar een nog belangrijker wijziging was het opheffen van de maximale arbeidstijd van 15 u per week. De regeling werd 400 €, ongeacht de arbeidstijd.

[xi] Gesetz zu Änderungen im Bereich der geringfügigen Beschäftigung, 5 December 2012, Bundesgesetzblatt, Jahrgang 2012, Teil I, nr. 58.

[xii] Voor overzichten kan men steeds terecht bij de publicaties van de Hans Böckler Stiftung. Zie onder meer: Reinhard Bispinck, WSI Tarifarchiv, Tarifpolitische Jahresbericht 2011: höhere Abschlüsse-Konflikte um Tarifstandards, WSI Mitteilungen, 2/2012, p. 131-140, Reinhard Bispinck, WSI Tarifarchiv, Tarifpolitischer Jahresbericht 2012: höhere Tarifabschlüsse und Erfolge bei Leihabeit  und Ausbildung, WSI Mitteilungen,2/13, p. 117-125, Thorsten Schulten, WSI-Mindestlohnbericht 2013-Anhaltend schwache Mindestlohnentwicklung in Europa, WSI-Mitteilungen, 2/2013,p.126-132. Reinhard Bispinck und WSI-Tarifarchiv, Tarifliche Vergütungsgruppen im Niedriglohnbereich 2012. Eine Untersuchung in 41 Wirtschaftszweigen, WSI Informationen zur Tarifpolitik, März, 2013.

[xiii] Kolja Rudzio, Wer wird hier wirklich ausgebeutet? Viele Medien beklagen, dass der Staat immer öfter Lohne aufstocken muss. Doch das stimmt so nicht, Die Zeit, 16 Mai 2013.

[xiv] Werner Eichhorst, Tina Hinz, Paul Marx, u.a., Geringfügige Beschäftigung: Situation und Gestaltungsoptionen, Bertelmann-Stiftung, 2012.

[xv] Christian Hohendanner und Jens Stegmaier, Umstrittene Mini-Jobs. Geringfügige Beschäftigung in deutschen Betrieben, IAB Kurzbericht, 24/2012. De IAB (Institut für Arbeitsmarkt- und Berufsforschung) is de studiedienst van de „Bundesagentur für Arbeit). In dit onderzoek is de hulp in particuliere huishoudens niet opgenomen. Het bedrijfspanel bestaat voor West-Duitsland sinds1993 en voor Oost-Duitsland vanaf 1996.

Read 10621 times Last modified on woensdag, 19 maart 2014 14:18

Doneer

Wil je Oikos steunen als onafhankelijk platform? Dan kan door een bijdrage – groot of klein - te storten op BE29 0015 9877 0164 (BIC: GEBA BE BB) van Oikos vzw.

Over Oikos

Oikos wil een toonaangevend forum zijn voor de sociaal-ecologische tegenstroom. Oikos vertrekt vanuit de analyse dat het gangbare economische model ecologisch niet duurzaam is, en dat de emancipatie van velen in onze samenleving en de wereld nog lang niet voltooid is. Oikos behandelt alle dimensies van dit streven naar verandering: de onderliggende ethiek, de analyse van de bestaande toestand, de ontwikkeling van alternatieven en de politieke strategie.

Gratis proefnummer

Wil je graag een gratis proefnummer ontvangen van Oikos? Dat kan! Vul op deze pagina jouw gegevens in en wij sturen jou het laatste Oikos nummer als gratis proefnummer op.