logo

%PM, %17 %633 %2013 %14:%jan

De weg naar een postgroei-economie

Written by
Rate this item
(3 votes)

Bespreking van het boek Befreiung vom Überfluss van Niko Paech.

 

In het Duits taalgebied is er de voorbije jaren al behoorlijk wat nagedacht over de contouren van een ‘postgroei-economie’. Het debat over economische groei op zich is – mee dankzij Tim Jackson en anderen – weer helemaal terug, en dat is meer dan terecht. Vaststellen dat economische groei, in de zin van toename van productie en consumptie niet werkt, is een zaak. Nadenken over hoe een stabiele maatschappelijke ordening eruit kan zien ‘voorbij de groei’ en hoe we daar naartoe gaan, is een andere zaak.

In Duitsland en Oostenrijk worden ondertussen conferenties georganiseerd over het thema.  Er verschijnen boeken,  er zijn speciale blogs,  en er is zelfs een parlementaire onderzoekscommissie  in het Duitse parlement over het groeidebat. In de media wordt het debat regelmatig gevoerd. Zo kregen de twee essays  die de Duitse groene politicus Reinhard Loske over de groeiuitdaging schreef bijzonder veel aandacht. En bij het gerenommeerde Wuppertal Institut verscheen een reeks papers over de ‘Wachstumswende’.

Een van de meest uitgesproken stemmen in het debat is die van Niko Paech. Hij is professor aan de universiteit van Oldenburg en publiceerde het voorbije jaar het boekje Befreiung vom Überfluss. Het is als essay een compact overzicht van zijn ideeën over een postgroei-economie. Zijn boek is in een aantal opzichten radicaler dan dat van Jackson en is ook meer geïnspireerd door de ecologische economie.

In zijn boek verdedigt hij drie stellingen. (1) Onze welvaart, die zonder groei niet te stabiliseren is, is het resultaat van een omvattende ecologische plundering. De mens leeft in ecologische zin boven zijn of haar stand. Menselijke behoeften worden in veel opzichten ‘ontgrensd’. (2) Alle pogingen om economische groei door innovatie los te koppelen van ecologische schade zijn gedoemd om te mislukken. (3) Het alternatief van een postgroei-economie zal neerkomen op een drastische reductie van de industriële productie, en zal daartoe de veerkracht versterken en het uitzicht op meer geluk openen.

Groei heeft volgens Paech structureel te maken met het feit dat we onze behoeften niet afstemmen op het hier en nu, maar die ontgrenzen naar het elders en naar de toekomst. De algehele mobilisering leidt ertoe dat productieketens maar ook levensstijlen uit de grenzen van de directe omgeving breken. De moderne mobiliteit maakt dat allemaal mogelijk, en steeds meer stukken van de planeet worden betrokken in de machine van de groei. Het is een systeem van georganiseerde onverantwoordelijkheid dat ook nauw samenhangt met een schuldeneconomie: voor wat we nu hebben, betalen we later. En om later te kunnen betalen, hebben we natuurlijk steeds meer groei nodig. In de feiten leidt dat tot een vorm van ‘Zukunftsvergessenheit’. Het geloof in innovatie en groei zijn als een rituele bezwering. Nu iets meer uitgeven zou je in theorie kunnen compenseren door in de toekomst minder uit te geven of te consumeren, maar zo werkt onze consumptiemaatschappij natuurlijk niet. Er zijn te veel belanghebbenden bij deze grenzeloze manier van leven, en daarom ondersteunen overheden luchthavens, industriële landbouw, ‘mobiele’ levenswijzen, …

Toename van materiële welvaart wordt als een vorm van ‘vooruitgang’ gevierd. En in dat concept staat het idee van efficiëntie centraal. Paech wijst op een aantal efficiëntiemythes. Een eerste gaat over de industriële arbeidsdeling en de markteconomie. Door specialisering en het uit elkaar trekken van de productie in afzonderlijke en ruimtelijk verspreide elementen kan in totaal meer geproduceerd worden. Die arbeidsdeling moet worden gecoördineerd door een markteconomie. En door verdere stijging van de efficiëntie zou dat alles ertoe moeten leiden dat we meer kunnen groeien op basis van minder grondstoffen. Maar in de feiten kun je in een begrensde ruimte niet steeds nieuwe comparatieve voordelen blijven aanboren, dus is er nood aan een voortdurende uitbreiding (globalisering) om verder te kunnen groeien. Dat probeert men dan ten dele op te lossen door ‘virtuele’ groei via IT-innovaties. Maar in de feiten is dit alles enkel mogelijk door enorme infrastructuurketens en een toenemend gebruik aan hulpbronnen. Een tweede mythe is die van de innovatie en de productiviteitsstijging. Verhoging van de efficiëntie betekent in werkelijkheid niet dat we een beperkt aantal hulpbronnen intensiever gebruiken, het komt erop neer dat we bijkomende hulpbronnen nodig hebben om nieuwe capaciteit te bouwen. En elke stijging van de productiviteit leidt dan ook nog eens tot een hoger energiegebruik. Verdere productiviteitsstijging kan alleen door steeds verdere globalisering, en door het innemen van grondstoffen of gebieden die daarvoor economisch niet ‘nuttig’ waren.

Consumptie steunt op het uit elkaar trekken van de sferen van productie en gebruik. En in de hedendaagse wereld is het te gemakkelijk het begrip ‘uitbuiting’ in de klassieke tegenstelling tussen werkgevers en werknemers te zien. Steeds meer consumenten eigenen zich de groeiende industriële output die tot stand kwam door arbeidsdeling toe. In die zin missen de debatten tussen neoliberalen en marxisten een essentieel punt.

Als wezen is de mens in de loop van de geschiedenis niet veranderd, maar hij of zij heeft wel steeds meer spullen nodig. De steunpilaren van de moderne levensstijl zijn allerlei ‘energieslaven’, zoals elektrische tandenborstels of schroevendraaiers, broodbakmachines, smartphones, … Flatscreens, computers, internetverbinding, het dringt allemaal door tot in de kleinste kamertjes. En zelfs maatschappelijk engagement kan per simpele muisklik bij Avaaz. Wat we daarbij volgens Paech verliezen, zijn niet alleen manuele competenties, maar vooral het vermogen tot soberheid of matiging. De toegangskaart tot de consumptiewereld is geld. Maar het verband tussen het werk dat velen in werkelijkheid doen, en de geldelijke beloning die ze denken te moeten ‘verdienen’ is steeds verder te zoeken. En naarmate lichamelijke activiteit steeds meer wordt overgenomen door energieslaven vergroot de ecologische plundering alleen nog maar. Productie als creatie van ‘meerwaarde’ is steeds meer het resultaat van symbolische handelingen, via markten, instituties of het toekennen van monetaire waarde. En in het toe-eigenen van groei door plundering zijn werkgevers en werknemers objectieve bondgenoten.

Arbeid wordt gemiddeld steeds minder lichamelijk en meer symbolisch of virtueel, wat in de feiten betekent dat de vaak vieze lichamelijke arbeid wordt ‘gedelegeerd’ naar elders. Maar het ideaal van onze consumptiesamenleving komt neer op zich met zo weinig mogelijk eigen fysische inzet zoveel mogelijk fysische prestaties toe te eigenen. Die materiële aanspraak is in drie opzichten ontgrensd: tegenover de eigen lichamelijke capaciteiten (via energieslaven), tegenover de hulpbronnen die in de directe omgeving beschikbaar zijn, tegenover de mogelijkheden van het heden (via schuldopbouw). Er is dan ook nood aan een terugkeer naar een ‘menselijke maat’, aan een levensstijl die in fysische zin en in de tijd uitbreidbaar is naar anderen. Het idee van een meer conviviale technologie (Illich) kan daarin een rol spelen. Er moeten vragen gesteld worden bij het streven om de arbeidsproductiviteit voortdurend te laten stijgen door energieverslindende technologie. Toenemende arbeidsproductiviteit vereist immers ook toenemende groei om het aantal arbeidsplaatsen op hetzelfde niveau te houden. Uitwegen zijn een vermindering van de arbeidsduur, of het gedeeltelijk terugdraaien van het niveau van specialisatie en arbeidsdeling (wat neer zou komen op kortere ketens).

Hoe kun je de industriële productie terugdringen zonder een terugval in maatschappelijke kwaliteit? Dan gaat het om uitwegen als het verhogen van de levensduur en herstelbaarheid van producten of om systemen van ‘commons’. Paech vindt dat het consumptiesysteem in het centrum van het debat moet staan. Als uitbuiting is dat men zich meer materiële waarde toe-eigent dan overeenstemt met de eigen inzet, dan ligt die uitbuiting niet enkel bij ondernemers, zoals het marxisme suggereert. Consumptie is een minstens even groot uitbuitinginstrument.

De ontgrenzing die beschreven wordt, leidt niet zozeer tot stabiliteit, maar vooral tot kwetsbaarheid en afhankelijkheid van externe factoren. Wanneer behoeften steeds meer afgestemd worden op producten of diensten op basis van automatisering en mechanisering, dan wordt ons lot ook steeds meer overgeleverd aan elementen die we zelf niet controleren. Als het vermogen tot zelfvoorziening uit handen wordt gegeven ten gunste van gespecialiseerde arbeid, dan hebben we ook steeds meer geld nodig. ‘Ik ben wat ik consumeer’ wordt het motto, waardoor het sociale ook altijd maar verder opgaat in het economische. Individuele vrijheid staat dan voor: evenveel kunnen kopen als de ander. Sociale vooruitgang wordt gelijkgesteld aan economische expansie. Maar dat maakt ons ook heel erg kwetsbaar. Een angstcultuur van het ‘minder’ of het niet meekunnen groeit.

En die consumptiecultuur botst ook op de grenzen van fysische werkelijkheid, die gekenmerkt wordt door ‘peak everything’. Ook zogenaamd ‘groene’ technologieën zijn tot en met gebonden aan erg schaarse grondstoffen. Dat alles vergroot de maatschappelijke instabiliteit: arbeidsplaatsen kunnen ineens massaal verloren gaan, hoge prijzen tasten de koopkracht aan, externe aanvoer kan ineens stilvallen. De uitweg zit in wat je als een vorm van ‘deglobalisering’ zou kunnen omschrijven.

Paech werkt dan in zijn boek een behoorlijk genadeloze deconstructie uit van het ‘sprookje van de groene groei’. Het blijft een kernpunt in het hele groeidebat: is absolute ontkoppeling mogelijk? Paech gelooft er niet in. Hij gaat zeer uitgebreid in op materiële, financiële, en psychologische en politieke reboundeffecten. Ontkoppeling via efficiëntie- of consistentiestrategieën leidt in de feiten tot bijkomende infrastructuur of producten, waardoor de nettobalans negatief blijft. En elke nieuwe ontwikkeling, bv. een katalysator, leidt tot nieuwe problemen die door weer nieuwe maatregelen moeten worden opgevangen. Zo komt onze maatschappij in een spiraal van elkaar versterkende moderniseringsrisico’s. En zo dreigen we terug te vallen in een toestand die we door de moderniteit net trachtten te overwinnen: overgeleverd zijn aan het noodlot. Paech werkt verschillende voorbeelden uit, en wijst bv. op de risico’s van een te groot geloof in hernieuwbare energie.

Absolute ontkoppeling is in het huidig model een absurditeit. In het kader van voortdurende economische groei is absolute ontkoppeling onmogelijk. En in het kader van een absolute ontkoppeling is het onmogelijk een bestendige groei overeind te houden.

Volgens Paech is het duurzaamheiddiscours veel te sterk gericht op objecten, alsof producten of diensten of technologieën op zich ‘duurzaam’ zouden kunnen zijn. Als een ‘groene’ markt ervoor zorgt dat er gewoon nieuwe – op zich minder schadelijke – producten bijkomen en er niets gebeurt aan de nog bestaande niet-duurzaamheid, dan heeft dat geen waarde. De term ‘greenwashing’ hoeft dus niet enkel gereserveerd te worden voor ondernemingen, maar geldt evenzeer voor individuele consumptie, waarbij het label duurzaamheid niet meer dan een compensatie in het eigen geweten is. Alleen levensstijlen als geheel kunnen duurzaam zijn. Je moet dus kijken naar je volledige ecologische voetafdruk. Als bedrijven verplicht zouden worden, op basis van volledige levenscyclusanalyses om de werkelijke voetafdruk van hun producten kenbaar te maken, zou dat al gemakkelijker gaan. Om tot een echte duurzame ontwikkeling te komen, hebben we volgens Paech geen behoefte aan een wereldregering of een ecodictatuur, enkel aan meer eerlijkheid.

De auteur behandelt vervolgens de verschillende vormen van groeidwang: structurele en culturele. Hij heeft het daarbij onder meer over de rol van het ‘schuldgeldsysteem’. Het groeimodel heeft ook het denken over sociale rechtvaardigheid mee bepaald. In die logica hebben we groei nodig om via de zo toegevoegde welvaart de sociale verschillen kleiner te maken, waardoor de vraag naar een rechtvaardige verdeling van het bestaande wordt omzeild. Het groeigeloof gaat ervan uit dat je door meer groei de armen rijker kunt maken, zonder de rijken armer te moeten maken.

Hoe ziet dan een postgroei-economie eruit? Zoals gezegd zou je de visie van Paech als een vorm van deglobalisering kunnen beschouwen. Hij is ervan overtuigd dat een economie van de nabijheid de in het systeem aanwezige elementen van groeidwang kan milderen. Een meer kleinschalige regionale economie is minder anoniem en geeft minder aanleiding tot ontgrenzing van verantwoordelijkheid. In kleinere kringlopen kunnen minder kapitaalintensieve en meer conviviale technologieën rendabel zijn. In dat model is er ook een plaats voor complementaire munten en rentevrije geldsystemen. Kleine bedrijven krijgen meer kansen. Er ontstaan drie niveaus van voorziening: lokale zelfvoorziening buiten het monetair systeem, regionaaleconomische systemen op basis van rentevrije complementaire munten en ten slotte een systeem op basis van mondiale arbeidsdeling, zo groeineutraal mogelijk, voor wat alleen zo kan voorzien worden. Deglobalisering impliceert wel dat er minder materiële koopkracht is, naast een minder omvangrijke keuzemogelijkheid.

Subsistentie van industriële output is mogelijk via drie sporen: gemeenschappelijk gebruik (commons), levensduurverlenging en eigen productie. Zo ontstaat een sufficiëntieperspectief, dat meer kansen heeft de ecologische grenzen van de planeet te overleven dan een strategie die enkel op efficiëntie inzet. Sufficiëntie voegt immers geen nieuwe dingen toe, maar vermindert. Het is een model waarin minder geld nodig is, en dus ook de groeidwang kleiner wordt.

Wat we in de consumptiemaatschappij vooral verliezen, is tijd. Een steeds groter aandeel aan tijd moet over steeds meer producten verdeeld worden. Meer geluk is voor velen niet meer te bereiken door meer koopkracht, maar wel door meer tijd. En wanneer minder tijd wordt gecombineerd met het aanbod aan steeds meer consumptiemogelijkheden of ‘opties’ leidt dat tot een structureel gevoel van ontoereikendheid. Een stapje terug zetten uit de op de groei gerichte consumptiemaatschappij kan dan ook gezien worden als niet zozeer ‘verlies’, maar wel als een toename aan vrijheid of soevereiniteit. Bevrijding van overvloed kan leiden tot minder angst en tot meer robuuste levensstijlen.

Paech beschrijft ten slotte kort wat dit alles kan betekenen voor onder meer bedrijven, het geldsysteem, het ruimtelijk beleid, energievoorziening, en het onderwijssysteem. En aangezien levensstijlen in het hart van de discussie moeten staan, kunnen we de verantwoordelijkheid daarvoor niet langer delegeren naar politiek of techniek.

In zijn slotwoord geeft Paech toe dat het perspectief dat hij schetst op dit moment maar voor een kleine minderheid aanvaardbaar zal zijn. Maar sommige keuzes zullen we moeten maken, “by design or by disaster”. De afbouw van de industriële capaciteit kan maar best sociaal voorbereid worden, door meer veerkracht en door werk te maken van grotere gelijkheid. Een manier van zijn die de overvloed heeft losgelaten kan zorgen voor meer geluk. Paech pleit in dat verband voor een vorm van ‘verlicht geluk’, een geluk dat eerlijk kan zijn en dat niet steunt op verdringing van een werkelijkheid.

Met Befreiung vom Überfluss brengt Niko Paech een consistent betoog met een goed onderbouwde kritiek op het groeidenken. Zijn verhaal is meer cultuurfilosofisch dan wat je bij iemand als Jackson vindt. De verdienste van zijn boek ligt in het eerlijk doordenken van een aantal vaststellingen, waardoor hij met zoveel woorden ook spreekt over dingen als vermindering of afbouw. Het idee van een deglobalisering is eveneens intellectueel goed onderbouwd. Tegelijk zal de morele en vrij dwingende toon van zijn verhaal voor velen misschien te absoluut zijn. Daar zit een kracht en een kwetsbaarheid in. Aan de ene kant doet het in zekere zin deugd nog eens zo’n coherent opgebouwde redenering te lezen die sterk verankerd is in de ecologische economie en aansluit bij ‘oude’ ideeën van meer regionale economieën met vormen van zelfvoorziening. Het bewijst dat die inzichten nog steeds zeer relevant zijn. Aan de andere kant spreekt Paech weinig over politiek en over strategieën voor maatschappelijke verandering. Daardoor zou zijn essay misschien voor velen wel eens ‘ver weg’ kunnen zijn. Reinhard Loske laat meer twijfel toe in de oplossingen, en hanteert een toon die veel voorzichtiger en opener (en ook veel politieker) is om dezelfde vragen te stellen, waardoor hij waarschijnlijk meer mensen bereikt en het debat op andere plekken kan voeren. Tegelijk krijgt Loske dan weer het verwijt dat hij soms te vaag is in zijn antwoorden. Misschien moeten we ze gewoon allebei lezen en vooral aan de slag gaan met de vele vragen die ze oproepen.







Niko Paech, Befreiung vom Überfluss. Auf dem Weg in die Postwachstumsökonomie. München, Oekom Verlag, 2012. 135 p. (Een Engelse vertaling  is ondertussen ook beschikbaar.)

(1)  Zie bv. www.wachstumimwandel.at 
(2)  Zie bv. www.postwachstum.de/home/buch.html
(3)  blog.postwachstum.de 
(4)  www.bundestag.de/bundestag/gremien/enquete/wachstum/index.jsp
(5)  www.loske.de/index.php/component/content/article/36-buecher/134-wie-weiter-mit-der-wachstumsfrage
(6)  wupperinst.org/publikationen/impulse . Zie ook: Jan Mertens, Een economie van het genoeg, zo gek nog niet. In: De Gids op maatschappelijk gebied. 2012 (103) nr. 8, p. 4-9
(7)  www.oekom.de/nc/buecher/fachbuch/politik-gesellschaft/buch/liberation-from-excess.html

Read 7131 times Last modified on %PM, %03 %549 %2015 %12:%apr
Jan Mertens

Jan Mertens is beleidsmedewerker. Hij studeerde Germaanse Filologie en woont in Leuven.

janmertens.blogspot.com
More in this category: « Voor wie hoort wat? Goed eten »

Doneer

Wil je Oikos steunen als onafhankelijk platform? Dan kan door een bijdrage – groot of klein - te storten op BE29 0015 9877 0164 (BIC: GEBA BE BB) van Oikos vzw.

Over Oikos

Oikos wil een toonaangevend forum zijn voor de sociaal-ecologische tegenstroom. Oikos vertrekt vanuit de analyse dat het gangbare economische model ecologisch niet duurzaam is, en dat de emancipatie van velen in onze samenleving en de wereld nog lang niet voltooid is. Oikos behandelt alle dimensies van dit streven naar verandering: de onderliggende ethiek, de analyse van de bestaande toestand, de ontwikkeling van alternatieven en de politieke strategie.

Gratis proefnummer

Wil je graag een gratis proefnummer ontvangen van Oikos? Dat kan! Vul op deze pagina jouw gegevens in en wij sturen jou het laatste Oikos nummer als gratis proefnummer op.