logo

  • Harald Welzer2
  • Juliet Schor-4
  • DSC 0116-banner
  • michel bauwens 2
  • vandana shiva 38-3
  • p5
  • p6b
  • p4
  • SaskiaSassen1
  • Harald Welzer
  • Juliet Schor
  • Ecopolis 2015
  • Michel Bauwens
  • Vandana Shiva
  • Rob Hopkins
  • Het Groene Boek 2012
  • Dennis Meadows
  • Saskia Sassen

Laatste bijdragen schrijversgemeenschap

Dirk Holemans

Dirk Holemans

Dirk Holemans: coördinator van denktank Oikos / hoofdredacteur

van gelijknamige tijdschrift / publicist

dinsdag, 28 maart 2017 12:50

De G11.000.000

‘Nederland heeft “ho” gezegd tegen het verkeerde soort populisme.’ Deze uitspraak van Mark Rutte tijdens de Nederlandse verkiezingsnacht is blijven hangen. Bestaan er dan juiste vormen van populisme? En rekent Rutte zich daar toe?

Zelf beschouw ik populisme als een uitwas van ons politiek systeem. Niet positief maar wel iets om mee rekening te houden. Democratie betekent letterlijk dat het volk heerst, maar daar kom je niet zo ver mee. Want wie behoort tot het volk, en wie niet? En hoe vul je heersen in? Is dat een keer om de vijf jaar een bolletje kleuren of gaat het om de actieve inbreng van burgers? Oosterweel toont hoe actueel dit debat is.

Populisme is een wijd verspreid fenomeen, zowel ter linker- als ter rechterzijde. Als je de framing van populisten bekijkt, zie je steeds drie kenmerken. Ten eerste pretenderen ze namens het volk te spreken. Terwijl onze democratie er juist in bestaat de diversiteit aan meningen tot uitdrukking te laten komen. Als dus Nigel Farage de uitslag van het Brexit-referendum omschrijft als een ‘overwinning voor echte mensen’, dan betekent dit impliciet dat hij 48 procent van de Britse kiezers niet beschouwt als echte mensen.

Het tweede kenmerk van populisme is dat het zich afzet tegen de elite. Daardoor meet je jezelf een aureool aan van zuiverheid. Kijk eens hoe de elite zichzelf bedient, wij horen daar niet bij! Dat is de kern van het europopulisme in veel landen: het is allemaal de schuld van Brussel. Ook extreemlinks in ons land bedient zich van dit tweede kenmerk, door ongenuanceerd van leer te trekken tegen de Wetstraat-elite. Terwijl hun enige betrachting is zoveel mogelijk verkozenen te krijgen in dezelfde Wetstraat.

Het derde kenmerk is het kwalijkste: een groep in de samenleving aanwijzen voor alles wat er mis gaat, de zondebok. Als we die kunnen verwijderen, zo gaat de populistische illusie, smelten alle problemen als sneeuw voor de zon. Denk aan de beruchte ‘meer of minder Marokkanen’-uitspraak van Geert Wilders. Als we hen verwijderen komt het wel goed. Net als alle andere burgers ‘normaal gaan doen’. Nog zo’n vreemde uitspraak, want wie bepaalt wat normaal is? Nog niet zo lang geleden vond bijvoorbeeld de Vlaamse samenleving homorelaties niet normaal.

Het is een raadsel wat een goede vorm van populisme kan zijn. Daarmee is niet gezegd dat populisme geen belangrijk signaal is. Het geeft aan dat een deel van de bevolking zich niet meer herkent in de geijkte vormen en procedures waarin we vorm geven aan ‘het volk heerst’. Tijd dus, na een interessant experiment met de G1000, voor de zoektocht naar de G met 11 miljoen.

 

Deze bijdrage verscheen op vrijdag 17 lmaart ’17 als ‘De mening’ in dS Avond

maandag, 20 maart 2017 15:04

Twee wielen is beter dan vier

Beeld je in: elke ochtend fietsen een kwart miljoen mensen naar hun werk in een Europese hoofdstad. Nee, het gaat niet over België. Daar passeerden andere zaken over mobiliteit in de media. We fietsen wat meer maar toch daalt het aandeel fietsen in het totaal aantal verplaatsingen. De topvrouw van de spoorwegen wil snellere treinen maar door het besparingen zal onderhoud gepaard gaan met dagenlang onderbroken verbindingen. Er is een historisch akkoord over Oosterweel met veel ambitie op vlak van duurzame verplaatsingen maar over de aanpak van salariswagens blijft het oorverdovend stil.

Even aftoetsen aan de concrete praktijk. Afgelopen dinsdag gaf ik een gastcollege op een hogeschool in Hasselt. Ik neem op tijd de trein maar kom door vertragingen fiks te laat toe. De docente die me met de auto oppikt aan het station vertelt dat ze speciaal een plaats heeft gereserveerd op de parking van de hogeschool. De parkeerdruk stijgt elk jaar, ze voegt eraan toe dat je sinds enkele jaren ook op de Hasseltse stadsring in de file staat. Een duidelijke illustratie van falend beleid: het openbaar vervoer voldoet niet terwijl we ondertussen het filerecord op onze wegen voortdurend verbreken. Toch zijn er nog altijd regeringspartijen de er prat op gaan dat ze besparen op het openbaar vervoer terwijl hen de moed ontbreekt om het autoverkeer te beteugelen.

Toch maar even verbinden met een ander verhaal. Een tijd terug was ik in Kopenhagen, inclusief een bezoek aan de Belgische ambassade. Als daar een medewerker met de fiets toekomt, feliciteer ik hem. Zijn antwoord is helder: fietsen is het normaal hier, iedereen doet het. En een auto kost je trouwens handenvol geld, daar denk je heel goed over na alvorens er een te kopen. Koppel dat aan een strategisch beleid van Kopenhagen om, naast performant openbaar vervoer, dé fietsstad van de wereld te worden en je ziet waartoe politiek in samenspel met milieubewuste burgers toe in staat is. Vorig jaar kruiste de dalende lijn van het aantal pendelaars met de auto die van de stijgende lijn van fietsers. Ja, die kwart miljoen, dat is daar in Denemarken. Voor het eerst gaan er meer mensen op twee wielen gaan werken dan in een blik op vier wielen. De cijfers zijn indrukwekkend. Stel je voor we in Brussel een kwart van deze ambitie zouden realiseren.

Oh ja, nog even vermelden. Kopenhagen heeft weinig last van files en veruit de beste luchtkwaliteit van de Europese hoofdsteden. En is de fiets een succes, dan gaan in 2019 nieuwe metrolijnen open. Het openbaar vervoer toekomstbestendig maken, heet dat. Hallo, ministers van ons land?

Deze bijdrage verscheen op vrijdag 17 lmaart ’17 als ‘De mening’ in dS Avond

donderdag, 25 augustus 2016 08:31

Van straatactivisme naar digitaal coöporatisme

Het leek het ei van Columbus in onze wereld van overconsumptie: spullen delen. Met het gekende voorbeeld van de boormachine - die gebruiken we maar enkele minuten per jaar- leek de duurzame weg open te liggen. Als we spullen delen, blijven ze binnen bereik maar hebben we er minder van nodig. Uiteraard is het idee zo oud als de straat - wie zijn buren kent, wisselt spullen uit - maar met de digitale technologie valt het nu vlot en goedkoop te organiseren voor een grotere groep mensen. Ook logeren bij mensen die een kamer op overschot hebben leek een schot in de roos. Je leert mensen kennen, het is goedkoper en de eigenaar verdient er een centje bij. Als we dat allemaal efficiënt organiseren op nieuwe digitale platformen, zou de wereld er een stuk beter uitzien.

 

Ondertussen zijn we een klein decennium later en een illusie armer. Het mooie idee is gekaapt door de winstzucht van Silicon Valley ondernemers. De digitale netwerken die het nieuwe kostbare weefsel vormen - je Facebook is ondertussen je leven - blijken enkel opgezet om geld op te brengen voor hun eigenaars. Bedrijven als Airbnb en Uber hebben de deeleconomie herleid tot een nieuwe variant van agressief kapitalisme. Door alle kosten en risico's af te wentelen op de gebruikers en dienstverleners blijft de meeste winst bij de venture capitalists.

Denk aan de Uber chauffeur die zonder werkzekerheid rondrijdt in zijn eigen wagen, of Airnb die geen enkel hotel bezit, laat staan dat ze aan de brandweerregels voor hotels moeten voldoen. Van participatie door gebruikers of dienstverleners is geen sprake: alles gebeurt op basis van een geheim algoritme dat enkel het bedrijf kent. Je zou deze bedrijven kunnen omschrijven als neokoloniale bedrijven die aan digitale mijnbouw doen. Terwijl de gebruikers waarde creëren, onttrekken de bedrijven de meeste waarde uit de activiteiten. Onderdeel dus van de extractieve economie. Hoeveel werd jij al betaald voor al je werk op Twitter?

 

Deze bedrijven zijn niet uit op een plaatsje onder de economische zon. Ze hanteren een winners-takes-it-all scenario waarbij ze door supersnel te groeien een monopolie willen verwerven over een bepaalde dienstverlening zoals een taxiservice in een stad. Daarbij schuwen ze de ruwe aanpak niet: hopen geld inzetten om burgemeesters die Uber en consoorten wil reguleren belachelijk te maken, het sociaal contract dat werkers beschermt benoemen ze als belachelijk ouderwets.

We kunnen deze evoluties aanklagen en hopen dat de overheid initiatief neemt door nieuwe regelgeving en beleid. Dat laatste moet er zeker komen, maar dan vooral om digitale burgerinitiatieven te ondersteunen. Want wat houdt er ons tegen om de kracht van internet te gebruiken om zelf eigen alternatieven te ontwikkelen?

Van straatactivisme naar digitaal corporatisme

In feite niets, en dat beseffen meer en meer burgers wereldwijd. Ze bouwen eigen digitale platformen. De Amerikaanse professor Trebor Scholz omschrijft deze evolutie als platform cooperativism. Noem het de evolutie van straatactivisme naar digitaal coöperatisme. Elke tijd krijgt er een nieuwe actievorm bij. Zoals arbeiders in de 19de eeuw coöperaties oprichtten om macht te verwerven in de productiesamenleving, zo kunnen burgers in de 21ste eeuw digitale platformen bouwen om dienstverlening en communicatie in de kennissamenleving in eigen handen te nemen.

Een coöperatief platform is een digitaal platform (website of app) dat een bepaalde dienst levert of product verkoopt en gemeenschappelijk beheerd wordt door de mensen die er gebruik van maken of erin participeren. In plaats van deel uit te maken van de extractieve economie (de waarde er uitzuigen) gaat het hier om de innovatieve evolutie naar een generatieve economie die meerwaarde oplevert voor de gebruikers en de lokale gemeenschap. Coöperatieve platformen kenmerken zich door democratisch beheer, ze kunnen winst maken maar dat is geen doel op zich.

Denk aan Airbnb, een ongelooflijk succesverhaal ... voor een kleine groep mensen. Uiteraard de verhuurders, maar in de eerste plaats de aandeelhouders. Wie betaalt de prijs? De bewoners van de steden in kwestie. Dat is ondertussen goed gedocumenteerd. In steden als San Francisco en Amsterdam zijn duizenden appartementen niet langer beschikbaar op de woonmarkt, ze zijn nu onderdeel van het toeristisch circuit. De prijs om iets te huren als bewoner is meer dan verdubbeld, een huis kopen wordt onbetaalbaar. Rustige woonbuurten evolueren naar tijdelijke plekken voor feestneuzen van over de heel de wereld. Willen stedelijke overheden dit in goede banen leiden, dan weigeren bedrijven als Airbnb de gegevens te leveren over mensen die illegaal verhuren.

Monopolies vervangen door burgerinitiatieven

Het goede nieuws is, zoals gezegd, dat burgers zich de technologische mogelijkheden meer en meer toe eigenen. Zo kennen we effecten van Airbnb niet door de transparantie van het bedrijf zelf, integendeel. Smart citizens mappen op Insideairbnb.com de gegevens over wat via Airbnb op de markt komt. Zo is er een overzichtelijk kaartje van Antwerpen dat leert dat er 750 aanbiedingen zijn, waarvan tweederde volledige appartementen of woningen. Dat betekent bijna 500 woningen die van de woonmarkt zijn verdwenen. Evenveel gezinnen vinden geen plek in hun geliefde stad.

Nog beter is natuurlijk een eigen alternatief opstarten. Over heel de wereld, van Toronto tot Amsterdam, zijn bewoners bezig met de opstart van Fairbnb. Want uiteraard zijn bezoekers welkom in de stad als dat de leefbaarheid niet bedreigt en de meerwaarde in de stad houdt. Laat ons een korte rekensom maken: op basis van Insideairbnb blijkt dat de verblijfplekken (vaak met verschillende kamers, dus het getal is een onderschatting) in Antwerpen 105 dagen per jaar verhuurd worden aan 78 euro per nacht. Dan komen we uit op een omzet van meer dan 6 miljoen euro.

Daar strijken de jongens uit Silicon Valley achter hun pc 10 procent van op, dus boven de 600.000 euro. Met dat bedrag kan er een mooie coöperatieve verhuurservice opgericht worden, waarbij bewoners zelf de regels bepalen, lokale jobs creëren en de stad verduurzamen. Het monopolie van Airbnb kunnen we zo vervangen door duizenden stedelijke burgerplatformen, die uiteraard allemaal met elkaar verbonden zijn. Dat is de kracht van de technologie, als we die emancipatorisch inzetten.

 

Platform coöperatisme is een wereldwijde beweging in de richting van gemeenschappelijk eigenaarschap van digitale diensten. Staat Fairbnb nog in de kinderschoenen, dan staan de initiatieven op vlak van autodelen al een stuk verder. Zo is Modo, de digitale burgercoöperatie voor autodelen in Vancouver een groot succes. Het heeft ondertussen 17.000 leden die gebruik maken van een vloot van meer dan 500 auto's. Gebruikers zijn aandeelhouders van de coöperatie, ze nemen mee de beslissingen in het bedrijf (met één stem per aandeelhouder). Recent startte in Gent Partago, een digitaal coöperatief autodeelplatform dat 100 procent gaat voor elektrische wagens.

We kunnen dus 'Ja' zeggen tegen de technologische revolutie en ze omarmen. Maar nog beter is ze te veroveren en ze ons eigen te maken.

donderdag, 11 augustus 2016 06:39

Geef gratis geld aan duurzame steden

Sinds de financiële crisis woedt de discussie hoe de economie in Europa terug op de sporen te krijgen. Hierbij doet de Europese Centrale Bank (ECB) verwoede pogingen om door het creëren van extra geld - de zogenaamde kwantitatieve versoepeling - de boel terug op gang te krijgen. Alleen lukt dat niet omdat de financiële instellingen waar het geld van de ECB terecht komt, de banken, hun maatschappelijke rol niet meer opnemen.

De theorie is dat de banken met dit extra geld zorgen voor goedkope leningen voor bedrijven en gezinnen. Wat de economie terug op gang trekt. De praktijk is dat de banken het geld grotendeels oppotten. En zo zitten we al een tijdje in een doodlopend straatje, waarbij de ECB volgens de Europese Verdragen weinig anders mag doen. Hoewel ze ook wel de marges opzoekt van wat mag en kan, door nu bijvoorbeeld ook obligaties van privéondernemingen op te kopen.

Bijzondere situaties nopen tot bijzondere oplossingen. En geven ruimte aan innovatieve ideeën. Zo is er de discussie over helikoptergeld, verwijzend naar de metafoor van Milton Friedman waarbij er boven een stad bankbiljetten worden gedropt. De basisidee is eenvoudig: als de centrale bank gratis geld creëert om de economie aan te zwengelen, kan ze dat best rechtstreeks aan de burgers bezorgen. Door bijvoorbeeld op iedereen zijn bankrekening duizend euro te storten. Een gek idee? In eigen land zijn de economen Paul De Grauwe en Koen Schoors alleszins voorstander.

Het idee zit ook in de open brief die 33 eminente economen vorige week stuurden naar de Britse regering. De ironie van de Brexit is dat het Brits monetair beleid nieuwe wegen kan bewandelen nu het loskomt van de bepalingen van de Europese Verdragen. De groep economen pleit ook voor nieuwe monetaire instrumenten die toelaten dat er geld komt voor investeringen voor publieke infrastructuur zonder dat de schuldgraad van de overheid stijgt.

Over beide ideeën valt wat te zeggen, bij beide kan je kanttekeningen plaatsen. Helikoptergeld is een verfrissend idee. Het is ook rechtvaardiger dat, als er gratis geld wordt gecreëerd, burgers dit rechtstreeks krijgen dan dat het terecht zou komen bij de banken die de financiële crisis veroorzaakten. Dit extra geld uit de hemel zwengelt dan voor een korte periode de consumptie aan. Maar welk nut heeft het om de versleten economische motor uit de 20ste eeuw terug te proberen opstarten? Als we met zijn allen meer wegwerpproducten uit China kopen, is er structureel niets veranderd. En uitzondering gemaakt voor de mensen in armoede, consumeren we al niet genoeg? Om onze kinderen een toekomst te geven moeten we niet méér consumeren, maar wel doordacht investeren in de infrastructuren van morgen.

Klimaatneutrale toekomst

Zo komen we bij het tweede verfrissende voorstel uit de open brief: zorg dat overheden kunnen investeren zonder dat ze zich nog meer in de schulden moeten steken. Ook hier past een kanttekening: we hebben geen nieuwe zogenaamde travaux inutiles nodig - de nutteloze bouwwerken die vroeger in België opgetrokken werden. Zoals de nooit gebruikte brug gebouwd in de weide voor de weg die nooit werd aangelegd. Als regeringen het extra geld ondoordacht gebruiken om infrastructuur van de 20ste eeuw, een economie gebaseerd op fossiele brandstoffen, uit te breiden - denk aan autosnelwegen en luchthavens - zijn we er opnieuw aan voor de moeite.

Dat leidt tot het volgende concrete voorstel: geef het gratis geld aan duurzame steden. In heel Europa zijn er steden die resoluut de kaart trekken van een koolstoflichte economie in het kader van een klimaatneutrale toekomst. Zij hebben concrete plannen voor slimme energienetten en energiebedrijven waar ze samen met burgers gaan voor honderd procent hernieuwbare energie, voor duurzame voedselsystemen, vernieuwend onderwijs gericht op de stijgende diversiteit, voor performante mobiliteit gebaseerd op uitstekend openbaar vervoer en een veilig fietsnetwerk.

Nieuwe vorm van vooruitgang

Als zij hun investeringen versneld kunnen doen, creëren we ook meer jobs op de plekken met de meeste werkloosheid in elk land. De criteria voor toekenning van dit helikoptergeld mogen best streng zijn. Het moet gaan over een nieuwe vorm van vooruitgang: de uitbouw van een economie en samenleving die menselijke ontwikkeling losweekt van de klassieke economische groei, die meer levenskwaliteit combineert met een kleinere ecologische voetafdruk.

Het zijn de duurzame steden die in de huidige onzekere tijden de laboratoria van hoop zijn voor een betere toekomst. Zij schrijven een nieuw toekomstvrhaal voor Europa. Waar kan de Europese bank beter haar geld aan geven?

Denken dat de wereld stabiel blijft met torenhoge schulden die overheden, gezinnen en bedrijven opbouwden de voorbije decennia, is een illusie. Hoog tijd om de weeffouten uit de eurozone te halen!

We hebben tijdens de financiële crisis Griekenland opgeofferd om de eurozone te redden. Dat kan je opmaken uit een interne analyse bij het Internationaal Monetair Fonds. Die stelt dat de vooropgezette resultaten van het draconisch besparingsbeleid dat Griekenland van de Trojka kreeg opgelegd veel te optimistisch waren. Al in 2012 bleek het BBP van Griekenland 15 procent lager dan wat het IMF in het vooruitzicht stelde. Het zette de neerwaartse spiraal in gang die we ondertussen kennen.

Dit rapport is de zoveelste bevestiging van het drama waar ook progressieve economen als Amartya Sen hebben voor gewaarschuwd. Je kan geen monetaire unie invoeren zonder een politieke en fiscale unie te realiseren. Een land met een eigen munt kan die in economisch moeilijke tijden devalueren, zoals België deed in 1982. Dat kunnen landen in de eurozone niet langer terwijl er van onderlinge fiscale solidariteit geen sprake is. Daarin verschilt de eurozone van de Verenigde Staten waar financiële transfers tussen staten evident zijn.

Bovendien kent het land een grotere arbeidsmobiliteit, zodat mensen meer verhuizen naar streken waar het economisch goed gaat. Ook dit is niet het geval in het veeltalige Europa. In die situatie rest zonder solidariteit tussen landen enkel een 'interne devaluatie': besparen, lonen laten dalen en de bevolking verarmen totdat het land terug concurrentieel wordt op de wereldmarkt.

Achterdocht in plaats van verbondenheid

De hardnekkigheid waarmee neoliberale politici dit beleid blijven verdedigen is angstaanjagend. Het verdeelt Europa, voedt de extremistische partijen en creëert achterdocht in plaats van Europese verbondenheid. In deze instabiele tijden is dat gevaarlijker dan we denken. De geschiedenis herhaalt zich niet zomaar maar we kunnen er wel uit leren. De Joods-Hongaarse econoom Karl Polanyi onderzocht in The Great Transformation hoe de wereld, na een eeuw van vrede (1815-1914), overging tot een periode van grote instabiliteit en erger. In die tijd moesten de regeringen zich ten koste van alles aan de goudstandaard houden, te vergelijken de huidige muntunie-standaard die interne devaluatie vereist.

Lees mee wat Polanyi in 1944 schreef over de jaren 1920: "... het herstellen van de goudstandaard werd het ultieme doel van alle opgezette inspanningen in het economisch domein. Het terugbetalen van buitenlandse leningen en het terugkeren naar stabiele munten werd erkend als de toetssteen van rationaliteit in politiek; en geen privaat lijden, geen beperking op soevereiniteit, werd beschouwd als een te grote opoffering voor monetaire integriteit. De ontberingen van werklozen die werkloos werden door deflatie, de armoede bij ontslagen ambtenaren, zelfs de beëindiging van nationale rechten en het verlies aan grondwettelijke vrijheden werden beschouwd als een faire prijs om te betalen voor het kunnen voldoen aan de eisen van gezonde budgetten en gezonde valuta, die zijn een prioriteit van het economisch liberalisme."

Met deze rake waarschuwing is het hoog tijd om de weeffouten uit de eurozone te halen.

Dat kan op vier manieren: 1/ niets veranderen en wachten tot de eurozone bij een volgende financiële crisis volledig crasht; 2/ landen uit de eurozone zetten; 3/ een traject opstarten van Europese solidariteit; 4/ de monocultuur van één munt vervangen door een ecosysteem van munten.

De eerste optie is geen redelijke optie en schrappen we. De tweede optie is economisch te beargumenteren maar politiek in de huidige context onverdedigbaar. We zitten nu al op een hellend vlak waar we Europese verbondenheid plaats maakt voor het terugplooien op de eigen natiestaat uit de 19de eeuw. Het uit de euro zetten zal enkel koren op de molen zijn van de succesvolle extreem rechtse partijen in Europa.

Begin van een universeel basisinkomen

Hoopvoller is om een innovatieve mix op te starten van de opties drie en vier. Die lijken misschien onorthodox of utopisch, maar dat zijn ze niet minder dat wat de Europese Centrale Bank de laatste jaren uitprobeert met haar 'kwalitatieve versoepeling', zeg maar op een domme wijze (via de private banken) gratis ter beschikking stellen van geld.

De derde optie is de belangrijkste: werk maken van sociale solidariteit binnen Europa, te beginnen met de eurozone. Omdat het hoort bij een politieke unie, omdat anders de muntunie instabiel blijft. Dat vergt op termijn een nieuw Europees verdrag. Maar dat belet niet dat er ondertussen geen concrete zaken mogelijk zijn. Hiervoor heeft de Belgische filosoof Philippe Van Parijs een concreet voorstel gedaan: het Europees dividend. Het gaat om een begin van een universeel basisinkomen dat meteen ook de sokkel kan vormen van het sociaal zekerheidssysteem in elk Europees land.

Ecosysteem van complementaire munten

Concreet komt dit neer op een bedrag van ongeveer 200 euro. Is dit in eigen land geen revolutionair bedrag, voor burgers in Zuid- en Oost-Europa maakt het een wereld van verschil. Voor het eerst zouden burgers elke maand ervaren dat Europa hen meer zekerheid biedt in hun leven. Het motiveert om op de eigen plek een toekomst uit te bouwen in plaats van noodgedwongen elders een beter leven te gaan zoeken. Het zorgt voor de nodige liquiditeit in landen die nu financieel op droog zaad zitten.

Ook voor de vierde optie zijn er oplossingen. Uit tal van domeinen, denk aan de landbouw, weten we dat een monocultuur erg kwetsbaar is. Zo'n systeem ontbeert elke veerkracht om zware schokken te overleven. Een veerkrachtig systeem kenmerkt zich door diversiteit aan subsystemen, dat geldt ook voor het monetaire. Laat ons dus de euro behouden en deze uitbreiden tot een ecosysteem van complementaire munten. Ze bestaan al op niveau van een stad of regio. Denk aan de Bristol Pound waarmee je naast aankopen bij regionale winkeliers ook je gemeentelijke belastingen kan betalen. In Sardinië is er dan weer een business-to-business b2b munt, de Sardex, waardoor lokale bedrijven ook over krediet beschikken als de banken het laten afweten. Ze inspireert zich op de wir, de Zwitserse b2b munt die al sinds de jaren 1930 functioneert, bedrijven door crisissen helpt en waarvan 45.000 bedrijven gebruik van maken.

Ook in Griekenland zijn er al her en der lokale munten, die kunnen we aanvullen met een complementaire munt op landelijk niveau. Dat is geen nostalgische herinvoering van de drachme of een alternatief voor de euro. Ze kan wel complementair zorgen voor meer liquiditeit die de Griekse samenleving en economie ten goede komen. Er bestaan hierover verschillende degelijke voorstellen. Deze vierde optie is geen plan B om pas in te voeren als de euro op instorten staat of Griekenland finaal een broodnodige lening wordt geweigerd. Het is zaak om er, wel doordacht en in alle openheid, zo snel mogelijk werk van te maken.

Tot slot: denken dat de wereld stabiel blijft met torenhoge schulden die overheden, gezinnen en bedrijven opbouwden de voorbije decennia, is een illusie. Een schuldherschikking, zoals het IMF bij herhaling onder meer eist voor Griekenland maar niet mag van de Europese machtshebbers, is onontkoombaar.

donderdag, 18 februari 2016 08:57

Van de Ikea sofa naar fair trade fiscaliteit

Van de Ikea sofa naar fair trade fiscaliteit

Het dossier dat de groenen in het Europees Parlement uitbrachten over de belastingontwijking door Ikea – een miljard belastingen ‘vermeden’-  toont onze wereld ten voeten uit. Multinationale ondernemingen in een geglobaliseerde wereld voorzien ons van een zee aan te goedkope producten, die ons als consument onbezorgd laten genieten. Of het nu de Ikea-sofa in de woonkamer is, de mega flatscreen tegen de muur, het bijna gratis T-shirt, de volgende citytrip of het vlees aan soldenprijs afkomstig van dieren gevoederd met soja uit Brazilië, het is allemaal te goed(koop) om waar te zijn.

De waarheid is minder goed nieuws, zoals we eigenlijk al wel weten over de sociale en ecologische gevolgen van het oneindige consumentenaanbod. De te lage prijzen –niet alleen van het T-shirt maar ook van de lonen die arbeiders in de Chinese Iphone-fabrieken ontvangen, komen neer op uitbuiting. Ook op ecologisch vlak zijn de gevolgen ondertussen gekend: een klimaatopwarming die weinig goeds voorspelt, het steeds sneller in elkaar storten van de biodiversiteit en de toenemende dode zones in onze oceanen. Aandachtige lezers zullen tegenwerpen dat Ikea toch in het nieuws komt omwille van haar aandacht voor duurzaamheid. Dat is correct, Ikea probeert milieuvriendelijk te produceren. Maar tot op heden produceren ze vooral wegwerpproducten – al eens een kast van hen twee keer proberen uit elkaar te halen en opnieuw te installeren? Bovendien: als de extreem lage prijzen van Ikea ervoor zorgen dat mensen  maar de helft zo lang doen met hun meubelen –iets nieuws kopen ligt met de lage prijs binnen handbereik- en die meubels op het containerpark terecht komen, zijn we onze ecologische voetafdruk niet aan het verminderen, integendeel.

Uiteraard gaan we zelf als consument ook niet vrijuit. Zonder gewillige consumenten geen mega omzet. Kunnen we als burger de consument in onszelf dan niet langer controleren? Die controlevraag geldt des te meer voor de verhouding tussen natiestaten en multinationals. In de naoorlogse periode slaagden de westerse landen erin om de economie te reguleren binnen een nationaal kader dat rechtvaardigheid als doel had: de welvaartsstaat was een feit. Sinds de jaren 1970 hebben we, door de globalisering en de steeds groter wordende Europese eengemaakte markt, de schaal van de markt aanzienlijk vergroot. De schaalvergroting van een even sterke democratische regulering is niet gelukt. Natiestaten zien zich nu op de eengemaakte markt verplicht om te concurreren met andere landen, ze zijn nu net als bedrijven geobsedeerd door competitiviteit. En die concurrentie kan zonder wijzigingen enkel eindigen in een fatale race to the bottom. En zo de situatie op dertig jaar tijd helemaal omgedraaid: in plaats van democratisch gereguleerde markten met het oog op een verdelende rechtvaardigheid, hebben we nu democratieën onderworpen aan economische doeleinden. Dit creëert onzekerheid bij grote delen van de bevolking: de middenklasse heeft schrik haar levensstandaard te verliezen, zij die nu al aan de rand staan zijn angstig om als overbodig te worden bestempeld. Het was in die zin een opvallend kaartje van Frankrijk na de laatste verkiezingen: het Front National scoort vooral zeer hoog in gebieden met veel laaggeschoolden en werklozen.

En nu komt er dus nog bij dat multinationals geen belastingen meer betalingen. We wisten het al van Apple en Starbucks, Ikea vervoegt nu het lijstje (dat zeker nog langer gaat worden). Je hoeft Thomas Piketty’s Het Kapitaal in de 21ste eeuw niet te lezen om te weten dat zo onze welvaartstaat – met haar pensioenen, onderwijs en gezondheidszorg- helemaal op losse schroeven komt te staan. Onzekerheid in het kwadraat, zeg maar. Zonder sterke fiscaliteit geen welvarende middenklasse, zo eenvoudig is dat. Gelukkig groeit ook de verontwaardiging bij de bevolking. Het is in principe de sterkste bron voor actie: als het basisgevoel van rechtvaardigheid gekrenkt wordt.

Zoals onder meer Philippe Van Parijs bepleit, hebben we een ander Europa nodig. Een dat de Europese markt eindelijk democratisch reguleert, opnieuw met het oog op herverdelende rechtvaardigheid. Dat kan enkel als Europa stopt met het ontmantelen van nationale beschermende kaders, en meer radicaal, Europa ook bevoegdheden krijgt op vlak van sociaal beleid. Europa is nu een huis zonder dak: telkens het sociaaleconomisch slecht weer is, staan de Europeanen in de kou. Herverdelende rechtvaardigheid concreet maken kan bijvoorbeeld met de invoering van een zogenaamd ‘Europees dividend’: dit is een beperkt Europees universeel basisinkomen dat als sokkel kan dienen voor alle nationale solidariteitssystemen. Zo kan de nationale diversiteit behouden blijven en krijgt Europa voor elke burger een concreet gezicht. Zo’n basisinkomen verschaft niet alleen vrijheid, maar vernieuwt meteen ook onze sociale zekerheid in een 21ste eeuwse versie. Na fair trade chocolade nu ook fair trade fiscaliteit bij Starbucks of Ikea, het kan een echte vooruitgang zijn.

 

 

 

 

dinsdag, 01 december 2015 09:37

Morgen kan niet business as usual zijn

 

Het zit al meer dan twintig jaar in een knipselmap: een artikel waarin Duitse ingenieurs de duurzame auto voorspellen. Dankzij de technologische vooruitgang zouden auto’s rond 2015 amper twee liter verbruiken. Het is kenmerkend voor zulke optimistische toekomstvoorspellingen: vanuit een groot geloof in technologie nemen ze de vlucht vooruit. En dat vinden we best aangenaam, want zo moeten we de huidige gang van zaken niet in vraag stellen.

Versta me niet verkeerd, dit is geen pleidooi tegen technologie. Ik studeerde voor bio-ingenieur uit liefde voor techniek, op mijn dak liggen hightech zonnepanelen. Maar we moeten af van het verhaal dat het wel goed komt met het klimaat, als we voldoende tijd geven aan technologische ontwikkeling, zonder dat de politiek een al te grote rol hoeft te spelen. Want ondertussen gebruiken we wereldwijd nog elk jaar meer grondstoffen en fossiele brandstoffen. En rijke hightech regio’s als Vlaanderen zitten in de top tien van landen met de grootste ecologische voetafdruk. Tijd om in de spiegel te kijken: zo geven we onze kinderen geen toekomst.

A+++ gaat ons niet redden

Uiteraard heb ik ze thuis staan: een A+ koelkast en een diepvriezer met nog twee plussen extra. Het is zeer belangrijk dat ingenieurs zulke energie-efficiënte toestellen ontwikkelen. Alleen is het effect ervan kleiner dan we denken. Wetenschappers noemen dit het rebound effect: er is een terugslag die een deel van de milieuwinst teniet kan doen. Want wat doet een mens met de enkele honderden euro’s die hij uitspaart dankzij de isolatie van zijn dak? Op citytrip gaan naar Barcelona. In de eindbalans is zijn globale milieudruk gestegen!
Dat is uiteraard geen reden om geen milieuvriendelijke maatregelen te nemen. Bovendien is het is al te makkelijk om individuen met de vinger te wijzen en daarbij de structurele analyse uit het oog te verliezen. Zolang regeringen niet de moed hebben om bijvoorbeeld vliegtuigreizen zwaar te belasten, is zo’n rebound effect logisch in een wereld waarin we dagelijks een tsunami aan aanlokkelijke reclame over ons heen krijgen.

Van efficiëntie naar sufficiëntie

Recent las ik een artikel over de milieu-inspanningen van Coca-Cola. Het bedrijf investeert fors in het duurzaam gebruik van water. Het doel? Blijven groeien.
Net daar ligt het kalf gebonden. Op een eindige wereld kan een economie niet blijven groeien. Het is de hoogste tijd dat we terugkeren naar de essentie van waar eco-nomie voor staat: de leer van het huishouden. Hoe zorg je ervoor dat het met elk lid van het huishouden goed gaat? En wat is de essentie van het goede leven? Wat hebben we echt nodig om gelukkig te zijn, en vanaf welk niveau van consumptie dragen extra spullen nog amper bij tot een vervuld leven?
Dat zijn de vragen die tot de kern van het publieke debat moeten behoren. Als we bijvoorbeeld kinderopvang en ouderenzorg belangrijker vinden dan maximale consumptie van spullen uit China, is het dan niet evident dat regeringen eindelijk een juiste prijs zetten op grondstoffengebruik en transportkilometers? Waardoor ze arbeid veel goedkoper kunnen maken. Het voorbeeld toont dat een doortastend klimaatbeleid de levenskwaliteit fors kan verhogen.

Burgers tonen de weg

Nog iets wat de eenzijdige focus op technologische innovatie onderschat: de menselijke creativiteit toont zich ook in sociale innovatie.
Autodelen: hoe komt het dat we daar niet veel eerder zijn opgekomen? Een deelauto vervangt tien tot twaalf auto’s. Autodelers gaan ook bewuster om met hun mobiliteit en rijden minder kilometers.
Donderdag veggiedag: nog zo’n subliem initiatief, zeker als lokale overheden het ondersteunen. Zulke initiatieven werken, omdat ze niet louter inzetten op individuele gedragswijziging. Op je eentje diëten in een snoepwinkel houdt niemand vol. Maar samen met medeburgers een gezondere winkel opzetten, biedt wel een langetermijnperspectief. Collectieve praktijken zijn duurzaam omdat ze deelnemers positief waarderen, en er nieuwe gemeenschappen ontstaan. Dat het niet om peanuts gaat, bewijst de Energiewende in Duitsland en in Denemarken. Daar richten in steeds meer plaatsen burgers energiecoöperaties op voor de productie van hernieuwbare energie. Deze burgers herontdekken op actieve wijze de politiek: samen vorm geven aan de toekomst. Ze kunnen nog veel meer doen, als overheden hen actief zouden ondersteunen zoals het geval was in Duitsland.

Regeringen laten ons in de steek

Regeringen laten hun bevolking in de steek als het gaat om klimaatbeleid. De normale procedure – burgers verkiezen politici die voor hun welzijn zorgen – werkt niet meer. Dat zet burgers aan tot actie. In eigen land spreekt de voorzitster van Climate Express over de nood aan burgerlijke ongehoorzaamheid. Andere burgers starten de Klimaatzaak: ze dagen hun regering voor de rechtbank. In Nederland alvast met succes; de rechter in Den Haag oordeelde dat Nederland tegen 2020 zijn uitstoot met 25 procent moet verminderen. Dat stemt de Belgische initiatiefnemers van de Klimaatzaak optimistisch. Maar het blijft godgeklaagd dat regeringen niet spontaan het welzijn van haar bevolking veiligstellen met een vooruitziend klimaatbeleid. In plaats van onze samenleving toekomstvaardig te maken, lijken ze de toekomst te vergeten. Alsof de dag van morgen gewoon business as usual kan zijn.

De vrije markt zal het niet voor ons klaren

De voorbije tien jaar kozen regeringen vooral voor marktwerking voor de uitvoering van het klimaatbeleid gericht op grote bedrijven. Dit systeem van verhandelbare emissierechten – je kunt als bedrijf je recht om broeikasgassen uit te stoten doorverkopen als je milieuzuiniger wordt – zou leiden tot de efficiëntste vermindering van broeikasgassen. De realiteit toont dat het systeem niet werkt; de emissierechten zijn namelijk veel te goedkoop. Sommigen verklaren dit marktfalen door erop te wijzen dat de emissiemarkt slecht wordt gereguleerd en dat het dus gaat om een overheidsfalen. Dat toont dat zelfs bij een keuze voor marktwerking het finaal de overheid en dus de politiek is die de cruciale actoren zijn.

De vraag is of we de omweg van de marktwerking nodig hebben. Zo verdedigen heel wat tegenstanders van emissierechten het systeem van een koolstoftaks, bij voorkeur aan de bron. Thomas ¬Piketty formuleert de prikkelende vraag of het rechtvaardig is dat landen, die door stom toeval het grondgebied beheren waaronder grote voorraden fossiele brandstoffen zitten, al de inkomsten vergaren. Als we deze voorraden omschrijven als rijkdommen van de hele mensheid kan een mondiale koolstoftaks verdedigbaar zijn, bijvoorbeeld geïnd door de Verenigde Naties, die toelaat de transitie naar een rechtvaardige samenleving zonder fossiele brandstoffen wereldwijd te financieren.

Hoe hoger het beleidsniveau, hoe kleiner het beleid?

Het is een paradox in heel wat landen: hoe hoger het beleidsniveau, hoe minimaler het klimaatbeleid. Terwijl onze regeringen niet komen tot een doortastend klimaatbeleid, en ook de Europese Commissie zich terughoudend toont, nemen steeds meer steden het voortouw in een klimaatbeleid die naam waardig. Het Burgemeestersconvenant, de grootste Europese beweging van lokale en regionale overheden, engageert zich vrijwillig om tegen 2020 zijn CO2-uitstoot met 20 procent te verminderen. Ondertussen hebben meer dan zesduizend burgemeesters die 200 miljoen inwoners vertegenwoordigen, het engagement ondertekend. In de aanloop naar de Klimaattop van Parijs is zelfs een tweede, nog ambitieuzere convenant van burgemeesters gesloten, dat de CO2-uitstoot met veertig procent wil reduceren tegen 2030. Afgelopen maandag keurde de Gentse gemeenteraad de ondertekening goed. Andere gemeenten zullen volgen.

Klimaatbehoud kan enkel met andere politiek

Onze samenleving dendert als een trein zonder remmen in de richting van het klimaatravijn. Politieke verklaringen die enkele reizigers op die trein even in de andere richting doen lopen, veranderen daar niets aan. We zullen de sporen moeten verleggen, zonder dat de trein ontspoort. Het is gevaarlijk naïef te verkondigen dat deze koerswijziging er zal komen door spontane gedragswijziging of technologische innovatie.
In feite is klimaatbeleid de lakmoesproef voor de politiek van de 21ste eeuw. Deze proef kan slagen, maar vergt de combinatie van verschillende, elkaar versterkende elementen: regeringen die hun nek uitsteken zoals in Duitsland met de Energiewende, en die actief burgerinitiatieven ondersteunen. Lokale besturen die het voortouw nemen en in netwerken hogere overheden inclusief Europa onder druk zetten. Regeringen die de markteconomie beter reguleren, zodat het rebound effect de inspanningen van consumenten niet langer tenietdoet. Regeringen ook die bedrijven die vooroplopen in duurzaamheid, ondersteunen en versterken via progressief strenger wordende milieunormen.

Deze maatregelen samen kunnen de vruchtbare bodem vormen waar een doortastend klimaatakkoord in Parijs in kan gedijen.

 

Dit essay verscheen in De Standaard van 28/11/2015.

 

donderdag, 01 oktober 2015 09:32

De nieuwe schaapsvacht van big industry

Eco-modern of eco-reactionair?

Het is een verrassende boodschap in tijden van klimaatverandering: dat de mensheid de aarde naar haar hand zet, leidt tot een mooi tijdperk. Met de inzet van de juiste technologie, ontkoppelen we de economische groei moeiteloos van verdere milieuschade, zonder dat we ons moeten buigen over ons consumptiegedrag of machtsverhoudingen. Een inconvenient truth of too good to be true?

Dit onversneden optimisme is het handelsmerk van een Amerikaanse club die zichzelf omschrijft als ‘ecomodernisten’. Een best vreemde boodschap, in de aanloop naar de klimaattop in Parijs. En in strijd met zowat alle wetenschappelijke rapporten.
Toch verbaast het niet dat de boodschap weerklank krijgt. Het was een kwestie van tijd tot wanneer de ecomodernisten in Europa zouden neerstrijken. In De Groene Amsterdammer verscheen een provocatief essay dat stelde dat er geen ecologische grenzen zijn. Wat later schrijft de Nederlandse wetenschapsjournalist Hidde Boersma in De Morgen dat ‘het goed gaat met het milieu’, want ‘de lucht is nog nooit zo proper geweest en elk jaar komen er bossen bij’. En gisteren publiceerde De Standaard een interview met Linus Blomqvist en Ted Nordhaus, twee kopstukken van de ecomodernisten, die doodleuk stellen dat ‘milieuactivisten niet begaan zijn met het milieu’ (DS 29 september). Meteen is duidelijk waarom de ecomodernisten zo makkelijk aandacht krijgen. Zo’n tegendraadse boodschap is altijd leuk om te brengen. En is dat optimisme niet verfrissend in vergelijking met al die doemberichten over het milieu? Het is toch fijn om te lezen dat er geen ecologische grenzen zijn, terwijl er sinds mensenheugenis nog nooit zo veel soorten uitstierven?

Machtsverhoudingen

De boodschap van de ecomodernisten is uitgekiend, maar verhult hun ware bedoeling. Ze willen komaf maken met de analyse dat we de bestaande samenleving en haar machtsverhoudingen moeten wijzigen om de vernietiging van de planeet tegen te gaan. Zo reppen Blomqvist en Nordhaus, bijvoorbeeld, met geen woord over de nefaste rol van de Monsanto’s en Volkswagens van deze wereld. Inzetten op technologische innovaties volstaat volgens hen om de milieudruk drastisch te reduceren.

Leuk toch, zo’n eenvoudige boodschap? Daarbij hanteren ze de retoriek die we al kennen van klimaatsceptici: doe je voor als een grote en groeiende groep wetenschappers (terwijl het een kleine club is), maak een cliché van de milieubeweging om dan alleen die karikatuur te bestrijden, omschrijf tegenstanders zeer agressief als dogmatici en pessimisten, en vooral: vertel klinkklare nonsens, in de hoop dat critici al hun energie steken in het ontkrachten ervan.
Relevanter voor het maatschappelijke debat is waar de ecomodernisten echt voor staan. Zo komen we terecht bij het Breakthrough Institute. De oprichters van deze neoliberale denktank, Ted Nordhaus en Michael Shellenberger, schreven in 2004 een essay waarin de ze de dood van de milieubeweging verkondigen, om dan hun eigen visie als het alternatief naar voor te schuiven. Dit jaar pakten ze uit met het ‘Ecomodern Manifest’. Hun retorische strategie is erg slim: ze gaan milieuproblemen, zoals klimaatopwarming, niet ontkennen, maar wel kaderen als ‘een geweldige uitdaging’. Om die op te lossen, schuiven ze alleen technologische oplossingen naar voor. De ecomodernisten zijn voorstander van kernenergie, de ontwikkeling van geo-engineering (grootschalige opslag van koolstof onder de grond), intensieve landbouw met massaal gebruik van kunstmest en ontginning van schaliegas. Barry Brook, een auteur van het manifest, ziet er zelfs geen been in dat China en andere ontwikkelingslanden meer gebruikmaken van steenkool.

Energierevolutie

Hierbij vallen twee zaken op. Ten eerste gaat het om het promoten van heel specifieke technologieën. Kernenergie, dat alleen grote concerns kunnen financieren, is iets anders dan de uitbouw van hernieuwbare energie door burgerinitiatieven. De ecomodernisten verwijten de Duitse regering dat ze kerncentrales sluit, maar reppen met geen woord van de Energiewende, de groene-energierevolutie die er van onderuit de macht van grote energieconcerns breekt.

Ook industriële landbouw is een activiteit op maat van multinationals, waar er geen plaats is voor wat boeren zelf willen. Niemand betwist dat de voedselproductie in Afrika moet stijgen, maar dat leidt niet tot een automatisch pleidooi voor industriële, intensieve landbouw. Integendeel. De Afrikaanse markt is erg verstoord door goedkope import uit het Noorden. Doordat voor ons voedselmodel ook nog miljoenen hectaren in het Zuiden worden gebruikt, zijn er geen eerlijke kansen. Het ‘voedselprobleem’ is niet zozeer een technologisch, maar vooral een politiek probleem.
Een globale versterking van de voedselproductie kan beter door agro-ecologie. Ook dat blijkt uit wetenschappelijke rapporten. Die optie is niet ‘antimodern’ of ‘antiwetenschappelijk’. Je kunt niet alleen spreken over de milieudruk zonder ongelijkheid op de wereldmarkt en de toegang tot hulpbronnen te vermelden. Zelfverklaarde modernen’, zoals Nordhaus en Blomqvist, lijken die cruciale moderne waarden te vergeten. Over sociale rechtvaardigheid zwijgen ze in alle talen.

Techno-utopisch

Ten tweede beperken de oplossingen zich tot technologisch-industriële oplossingen: deze zullen toelaten om de milieudruk van de mensheid dermate te verminderen dat we rustig onze huidige levensstijl kunnen voortzetten. Zo betonneert het de politieke orde die de ecologische problemen in de eerste plaats heeft veroorzaakt. Deze techno-utopische visie op de toekomst verhult de immense catastrofe die we veroorzaken en is misleidend, omdat ze mensen die hierover alarm slaan in de hoek zet van dogmatische pessimisten.

Het is belangrijk om kritisch na te denken over milieurapporten, alarmerende berichten op hun feitelijke basis te controleren en alle mogelijke beleidsopties tegenover elkaar af te wegen. Elke doordachte technologische innovatie, getoetst op haar brede maatschappelijke impact, is welkom. Maar het is niet omdat er een nieuwe visie de oceaan komt overwaaien, dat het een frisse wind is. Als je met een roze bril naar de realiteit kijkt, oogt het misschien prettig, maar de milieuproblemen zijn daarmee nog niet verdwenen. Parler vrai kan aantrekkelijk zijn, maar doet waarheid soms geweld aan.

- Dirk Holemans, coördinator Denktank Oikos

Deze bijdrage wordt mee ondertekend door Bioforum, Wervel, Velt, Oxfam Solidariteit, Oxfam Wereldwinkels, Aardewerk, Climaxi, Climate Express, Act4change, CSA-netwerk Vlaanderen, Ecokot, Corporate Europe Observatory, 11-maart beweging

Dit stuk verscheen op 30/09/2015 in De Standaard. 

Terwijl de boodschap van de Trojka tegenover de Griekse regering steeds minder verschilt van oorlogstaal, vergeten we welke rol oorlogstuig kan spelen in de redding van Griekenland. Als het land fors mag bezuinigen op defensie komt er ruimte voor een sociaalecologisch toekomstproject.

Laat ons eerst wijzen op een foute keuze van Griekenland uit het verleden: het land kocht veel te veel wapens. Het was rond 2010 een van de grootste wapenimporteurs ter wereld. Gelukkig is die piek van 11,6 miljard dollar ondertussen gedaald tot 5,6 miljard dollar of iets meer dan 2 procent van het Griekse bruto binnenlands product. Maar da's dus nog het dubbele van heel wat Europese landen zoals België of Nederland.

De hamvraag is natuurlijk wie er baat heeft bij deze Griekse defensie-uitgaven. De winnaars blijken naast de Verenigde Staten vooral Nederland, Frankrijk en Duitsland. Duitsland is hier koploper als leverancier van zo'n vijftien procent van de Griekse wapenaankopen. Het blijft opmerkelijk dat Europa, met Duitsland op kop, toen het in 2010 zware besparingen eiste van Griekenland, en niet het minst in het sociaal beleid, de geplande defensie aankopen niet in twijfel trok. Griekenland kocht, naast voor 1,7 miljard Duitse tanks, zes Duitse duikboten (kostprijs per stuk 1,3 miljard euro) en bestelde ook nog eens zes Franse fregatten.

Is het niet vreemd om zo'n aankopen te laten passeren als je weet dat Griekenland ze niet kan betalen? En wat is het verband met het gegeven dat vooral banken uit Frankrijk, Duitsland en Nederland destijds roekeloze leningen toekenden aan het land van de Acropolis. Ondertussen weten we dat negentig procent van het reddingsbudget van de Trojka de laatste jaren bestond uit leningen zodat Griekenland haar leningen aan dezelfde banken kan herfinancieren, ten koste van de Griekse belastingbetaler.

Wat betekent deze analyse? Griekenland zal nog jarenlang zware leningen moeten afbetalen voor haar militaire aankopen. Voor wapens die totaal overbodig zijn voor de heropbouw van het land. Terwijl met de juiste investeringen, Griekenland in een goede uitgangspositie zit om werk te maken van een duurzame economie, waarbij het een duurzame economische ontwikkeling kan koppelen aan een sterk klimaatbeleid.

Dat valt ook te lezen in een rapport dat twee Duitse milieu-instituten voor de Europese Commissie verleden jaar schreven over Griekenland: 'een toenemend aantal maatregelen op vlak van energie-efficiëntie zou de sleutel kunnen zijn om de energie-armoede te verminderen door de energiefactuur van de consumenten te doen dalen en tezelfdertijd lokale tewerkstelling te creëren. ... Bovendien zou de succesvolle toepassing ertoe kunnen leiden dat Griekenland haar doelstellingen haalt op vlak van broeikasgassen'. In hetzelfde rapport lezen we ook, en jammer genoeg niet onverwacht, dat het economisch aanpassingsprogramma geen enkele maatregel gericht op energie-efficiëntie vermeldt'. De Trojka is blijkbaar niet geïnteresseerd in duurzaamheid of klimaatbeleid.

Griekenland heeft nochtans een historische achterstand in te halen op vlak van hernieuwbare energie. De laatste jaren voert het een inhaaloperatie uit. Toch is het onwaarschijnlijk dat het haar 2020 doelstelling van 18 procent hernieuwbare energie haalt. Daartoe lijkt een krachtige overheidsinstelling noodzakelijk. Maar Griekenland werd verplicht om haar Publieke Energiemaatschappij te privatiseren. De redenen om cynisch en boos te worden over het huidig Europees beleid lijken onuitputtelijk.

Nochtans is een ander beleid mogelijk. Griekenland is het land van zon, wind en zee, met ook nog veel warmte in de bodem. Het bezit dus alle troeven om de huidige energie-armoede– meer en meer Grieken kunnen hun energiefactuur niet meer betalen- te vervangen door een energie-democratie: burgers die hun eigen energie opwekken in een gedecentraliseerd energiesysteem. Dat is geen utopie, in Denemarken, Nederland maar vooral Duitsland gebeurt het. Ik kan me niet voorstellen wat Merkel erop tegen kan hebben dat de Grieken investeren in hun versie van de Duitse Energiewende?

En zo'n energietransitie heeft alles te maken met economie en centen. Griekenland is nu als land erg afhankelijk van fossiele brandstoffen, waarvan het een groot deel importeert. En het gebruikt voor elektriciteitsproductie ook binnenlandse bruinkool, zowat de vuilste fossiele brandstof (met meer dan een derde meer uitstoot van CO2 dan een klassieke steenkoolcentrale).

Hoog tijd dus voor een Europese Green New Deal voor Griekenland: een investeringsplan dat maakt dat Griekenland tot de helft van zijn energie haalt uit hernieuwbare bronnen. De bouw van deze installaties, windmolens en zonnepannelen, creëert lokale tewerkstelling en kan ervoor zorgen dat Griekenland jaarlijks miljarden minder moet besteden aan zijn energievoorziening, wat het begrotingstekort en de negatieve handelsbalans zou verkleinen. Waardoor Griekenland ook tegelijk veel minder broeikasgassen uitstoot. De druk op de euro én het klimaat zouden verminderen.

Zoals de Nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz recent nog scherp stelde, mikt de Trojka bewust op de afbraak van de Griekse democratie. Europa levert nu cynisme en wapens aan Griekenland. Dat moet veranderen in hoop en windmolens. En voor die transitie is er geld. Want Griekenland heeft te veel tanks en te weinig windmolens, te veel wapentuig en te weinig productie aan hernieuwbare energie. Daarom een eenvoudig voorstel: als er Europese landen zijn die toch nog willen investeren in een fregat of tanks, dat ze gewoon de Griekse bestellingen overnemen. Tezelfdertijd kunnen de Grieken al hun overtollig wapentuig verkopen tot ze op het niveau van Nederland of België zitten. Niet alleen een slimmer beleid, maar vooral ook humaner dan zoals nu ziekenhuizen te moeten sluiten. Deze eenvoudige beslissingen kunnen miljarden euro's opleveren, onmiddellijk ter beschikking te stellen aan coöperaties zodat de Griekse burgers en gemeenten hun democratie en economie weer in eigen handen kunnen nemen. Zij krijgen hun trots terug, en wij hoeven ons niet meer elke dag te schamen om vandaag Europeaan te zijn.

Deze bijdrage verscheen in de reeks Doordenkers van Knack.be - juli 2015

 

 

Pagina 1 van 7

Doneer

Wil je Oikos steunen als onafhankelijk platform? Dan kan door een bijdrage – groot of klein - te storten op BE29 0015 9877 0164 (BIC: GEBA BE BB) van Oikos vzw.

Over Oikos

Oikos wil een toonaangevend forum zijn voor de sociaal-ecologische tegenstroom. Oikos vertrekt vanuit de analyse dat het gangbare economische model ecologisch niet duurzaam is, en dat de emancipatie van velen in onze samenleving en de wereld nog lang niet voltooid is. Oikos behandelt alle dimensies van dit streven naar verandering: de onderliggende ethiek, de analyse van de bestaande toestand, de ontwikkeling van alternatieven en de politieke strategie.

Gratis proefnummer

Wil je graag een gratis proefnummer ontvangen van Oikos? Dat kan! Vul op deze pagina jouw gegevens in en wij sturen jou het laatste Oikos nummer als gratis proefnummer op.